Psalmen
Inleiding 1-4 De HEERE is goed 5-9 De HEERE is bij mij 10-14 De vijanden neergehouwen 15-18 De krachtige daden van de HEERE 19-21 De triomfantelijke intocht 22-26 De dag die de HEERE gemaakt heeft 27-29 Vrijwillige offers
Inleiding

Psalm 118 is de laatste van de ‘hallel-psalmen’ (Psalmen 113-118).


De HEERE is goed

1Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

De psalmist vertegenwoordigt in deze psalm het gelovig overblijfsel. In hem horen we het overblijfsel spreken. De psalm begint met de uitroep en oproep die we zo vaak horen: “Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (vers 11Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Het is de belijdenis dat alle overwinningen van het volk en hun voorspoed niet aan hun eigen kracht of bekwaamheid, maar aan de HEERE te danken zijn, aan Zijn trouw aan Zijn verbond.

Steeds weer worden we er daardoor op gewezen
1. Wie de HEERE is: “Hij is goed”,
2. wat Hij doet: Hij bewijst “Zijn goedertierenheid”
3. en dat dit eindeloos zo is: “voor eeuwig”, want Hij is de Eeuwige en verandert nooit.
Steeds weer als de gelovige dit opmerkt of erop wordt gewezen, kan hij niet anders dan Hem daarvoor loven. In Psalm 136 horen we dat uitvoerig op indrukwekkende wijze. Elke handeling, elk bewijs ervan, ontlokt deze uitroep en oproep aan het gelovige hart.

Na de uitroep van de psalmist spoort hij drie groepen aan om hetzelfde te zeggen: “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (verzen 2-42Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. In Psalm 115 zijn deze zelfde drie groepen opgeroepen om op de HEERE te vertrouwen (Ps 115:9-119Israël, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
10Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
11U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
)
en is tegen hen gezegd dat de HEERE hen zal zegenen (Ps 115:12-1412De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,
Hij zal het huis van Israël zegenen,
Hij zal het huis van Aäron zegenen.
13Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,
de kleinen met de groten.
14De HEERE zal u meer en meer [zegenen],
u en uw kinderen.
)
.

“Israël” (vers 22Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
is het hele volk, “het huis van Aäron” (vers 33Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
is de priesterfamilie en “wie de HEERE vrezen” (vers 44Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
, zijn alle individuele Godvrezenden van het volk. Gods goedertierenheid verbindt het volk, maakt het tot een priestervolk, terwijl iedere individuele gelovige getuigt van Gods goedertierenheid.


De HEERE is bij mij

5Uit de benauwdheid heb ik tot de HEERE geroepen,
de HEERE heeft mij verhoord [en] in de ruimte [gezet].
6De HEERE is bij mij, ik ben niet bevreesd.
Wat kan een mens mij doen?
7De HEERE is bij mij, te midden van wie mij helpen,
daarom zie ík neer op wie mij haten.
8Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.

De psalmist vertelt waarom hij oproept om de HEERE te loven voor Zijn goedertierenheid. Hij heeft “uit de benauwdheid … tot de HEERE geroepen” en “de HEERE” heeft hem “verhoord [en] in de ruimte [gezet]” (vers 55Uit de benauwdheid heb ik tot de HEERE geroepen,
de HEERE heeft mij verhoord [en] in de ruimte [gezet].
)
. De psalmist vertegenwoordigt hier het volk, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel, dat in de grote verdrukking in benauwdheid is geweest (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
en daarin tot de HEERE heeft geroepen. De HEERE heeft het roepen verhoord. Uit een nauwe plaats heeft het overblijfsel geroepen en de HEERE heeft met een ruime plaats geantwoord. Hij heeft uit de benauwdheid uitgevoerd en in de ruimte van de vrijheid gezet.

De HEERE heeft het overblijfsel, dat Zijn volk is, niet in de ruimte gezet om het daarna aan zichzelf over te laten. Hij is bij Zijn volk (vers 66De HEERE is bij mij, ik ben niet bevreesd.
Wat kan een mens mij doen?
; Hb 13:66zodat wij vrijmoedig mogen zeggen: ‘[De] Heer is mij een Helper <en> ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?’)
. Het volk is zich dat bewust en spreekt dat ook uit. Dit geeft volkomen rust aan het eerst zo angstige hart. Nu is er geen vrees meer. Het overblijfsel zegt zelfs met grote vrijmoedigheid: ”Wat kan een mens mij doen?” (vgl. Ps 56:1212Ik vertrouw op God, ik vrees niet;
wat zou de mens mij kunnen doen?
)
.

Nog eens zegt de psalmist dat de HEERE bij hem is (vers 77De HEERE is bij mij, te midden van wie mij helpen,
daarom zie ík neer op wie mij haten.
)
. Er zijn er nog meer bij hem, want de HEERE is “te midden van wie mij helpen”. Hij is met anderen in eenzelfde positie en krijgt steun van anderen. Zij zouden hem echter nooit kunnen helpen als de HEERE niet bij hen zou zijn. De HEERE is de enige, ware steun. Omdat Hij te midden van hen is, is de overwinning op zijn haters zeker. Hij kan op hen neerzien omdat ze allemaal verslagen om hem heen liggen (vgl. Ex 14:30-3130Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].31Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.).

Het overblijfsel heeft door de grote benauwdheid, de grote verdrukking, geleerd hun vertrouwen op de HEERE te stellen. Daarvoor hebben ze steeds de toevlucht tot hulp van mensen genomen. Daarvoor hebben ze nu eens Egypte (Js 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
)
, dan weer Assyrië benaderd (Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
; 7:1111Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;
Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!
)
. Ze hebben daarvan de nutteloosheid ervaren en daartegenover de ervaring opgedaan van de hulp van de HEERE.

Daarom belijden ze tot twee keer toe dat het “beter” is “tot de HEERE de toevlucht te nemen dan op de mensen te vertrouwen”, zelfs al zouden dat “edelen” zijn (verzen 8-98Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.
)
. De hulp van mensen, of ze nu een lage of een hoge positie bekleden, baat niets. Alleen de HEERE is in staat om uit de nood te bevrijden. Dit is een les die we steeds weer moeten leren.


De vijanden neergehouwen

10Alle heidenvolken hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
11Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
12Zij hadden mij omringd als bijen,
zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
13Zeer hard had u mij weggestoten, zodat ik [bijna] viel,
maar de HEERE heeft mij geholpen.
14De HEERE is mijn kracht en mijn psalm,
want Hij is mij tot heil geweest.

In de grote verdrukking wordt het overblijfsel omringd door “alle heidenvolken” (vers 1010Alle heidenvolken hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
; Ps 83:4-94Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
5Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
6Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
; Zc 12:2-32Zie, Ik ga Jeruzalem maken [tot] een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.3Op die dag zal het gebeuren dat Ik Jeruzalem zal maken tot een steen die moeilijk te tillen is voor al de volken. Allen die hem optillen, zullen zichzelf zeker diepe sneden toebrengen, en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen.; 14:22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.)
. In de verzen 5-95Uit de benauwdheid heb ik tot de HEERE geroepen,
de HEERE heeft mij verhoord [en] in de ruimte [gezet].
6De HEERE is bij mij, ik ben niet bevreesd.
Wat kan een mens mij doen?
7De HEERE is bij mij, te midden van wie mij helpen,
daarom zie ík neer op wie mij haten.
8Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.
heeft het overblijfsel gezegd dat de HEERE bij hen is en hun toevlucht is. Daarom kunnen ze zeggen dat ze hen “in de Naam van de HEERE” hebben “neergehouwen” (vgl. 1Sm 17:4545Maar David zei tegen de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.). Dit zeggen ze in de verzen 10-1210Alle heidenvolken hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
11Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
12Zij hadden mij omringd als bijen,
zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
tot drie keer toe.

In vers 1111Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
spreken ze nog een keer uit dat de heidenvolken hen hadden omringd. Ze zeggen het zelfs twee keer, waarbij ze de tweede keer door een bekrachtigend “ja” vooraf laten gaan. Het door hun vijanden omringd zijn voelde voor hen als een verstikkende wurggreep. Maar ze hebben zich daaruit bevrijd door zich te beroepen op “de Naam van de HEERE”, de God Die bij hen is op grond van het verbond met hen.

De heidenvolken hadden hen “omringd als bijen” (vers 1212Zij hadden mij omringd als bijen,
zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
; vgl. Dt 1:4444De Amorieten, die in dat bergland woonden, rukten toen uit, u tegemoet. Zij achtervolgden u, zoals bijen dat doen; en zij verpletterden u in Seïr, tot Horma toe.; Js 7:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
)
. Een wolk bijen die op mensen afkomt, doet hen in paniek vluchten. In het geval van het overblijfsel is het gevaar van de bijen “uitgedoofd als een doornenvuur”. Het overblijfsel heeft zijn toevlucht gezocht “in de Naam van de HEERE”. Het vuur van Zijn oordeel heeft de heidenvolken als een doornenvuur verbrand, dat wil zeggen zeer snel, zo snel als doornen verbranden (vgl. Js 33:1212De volken zullen verbrande kalk worden,
[als] afgekapte dorens zullen zij met vuur verbrand worden.
)
. Daardoor is het gevaar van de heidenvolken verdwenen.

Wij worden ook omgeven door heidenvolken, door mensen die God niet kennen en niet willen kennen. Zij willen ons hun wil opleggen en dat wij ons aan hen onderwerpen. We zien dit in antigoddelijke wetgeving. Alleen de Naam van de Heer Jezus, de gemeenschap met Hem, kan ons van de wurggreep bevrijden waardoor we anders verstikt worden in ons getuigenis voor Hem. Om niet in de wurggreep te raken, moeten we de wapenrusting aandoen die God ons ter beschikking heeft gesteld (Ef 6:10-1810Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.11Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,).

De psalmist zegt tegen één vijand in het bijzonder: “Zeer hard had u mij weggestoten, zodat ik [bijna] viel, maar de HEERE heeft mij geholpen” (vers 1313Zeer hard had u mij weggestoten, zodat ik [bijna] viel,
maar de HEERE heeft mij geholpen.
)
. Hierin kunnen we de antichrist zien, die alles op alles heeft gezet om het gelovig overblijfsel uit te roeien. Dat is hem niet gelukt omdat het overblijfsel in de Naam van de HEERE heeft gestreden.

Ze geven de HEERE de eer voor de overwinning als ze zeggen: “De HEERE is mijn kracht en mijn psalm” (vers 1414De HEERE is mijn kracht en mijn psalm,
want Hij is mij tot heil geweest.
)
. Dit is wat Mozes heeft gezongen, nadat het volk bevrijd is van de achtervolgende Egyptenaren die zijn omgekomen in de Rode Zee (Ex 15:22De HEERE is mijn kracht en lied,
Hij is mij tot heil geweest.
Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;
de God van mijn vader, Hem roem ik.
)
. Hier wordt de laatste bevrijding van het volk in de eindtijd uit de grote verdrukking verbonden aan de eerste bevrijding van het volk, de bevrijding uit de slavernij van Egypte.


De krachtige daden van de HEERE

15In de tenten van de rechtvaardigen
klinkt luide vreugdezang, [een lied] van verlossing:
De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
16de rechterhand van de HEERE is [hoog]verheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
17Ik zal niet sterven maar leven,
en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
18De HEERE heeft mij wel zwaar gestraft,
maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven.

Hoe groter het gevaar, hoe groter de bevrijding daaruit. Hoe groter de bevrijding, hoe groter de vreugde. Deze vreugde van de bevrijding vult “de tenten van de rechtvaardigen” (vers 1515In de tenten van de rechtvaardigen
klinkt luide vreugdezang, [een lied] van verlossing:
De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
)
. In de tenten “klinkt luide vreugdezang, [een lied] van verlossing”.

De inhoud van het lied is “de rechterhand van de HEERE” (vers 15c-1615In de tenten van de rechtvaardigen
klinkt luide vreugdezang, [een lied] van verlossing:
De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
16de rechterhand van de HEERE is [hoog]verheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
; vgl. Ex 15:6,126Uw rechterhand, HEERE,
was heerlijk in macht;
Uw rechterhand, HEERE,
verpletterde de vijand.
12U strekte Uw rechterhand uit,
en de aarde verzwolg hen.
)
. De drievoudige herhaling ervan geeft de uitbundigheid van de vreugde aan. Twee keer wordt er vol vreugde gezongen dat die hand “krachtige daden” doet en één keer dat die hand “[hoog]verheven” is. Bij “de rechterhand van de HEERE” kunnen we denken aan de Heer Jezus, Die hoogverheven aan Gods rechterhand is (Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
. Door Hem doet God krachtige daden.

Aan de vreugde over de krachtige daden van de HEERE is voor de psalmist ofwel het overblijfsel de zekerheid verbonden dat ze “niet sterven maar leven” zullen (vers 1717Ik zal niet sterven maar leven,
en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
; vgl. 2Ko 6:9b9als onbekenden en [toch] bekenden; als stervend, en zie, wij leven; als getuchtigd en [toch] niet gedood;)
. Tegelijk vermelden ze ook wat het doel is van hun leven: het is om “de werken van de HEERE” te “vertellen”.

Tevens zijn ze zich ervan bewust dat ze geen recht op het leven hebben. Ze zijn “zwaar gestraft” door de HEERE vanwege hun zonden (vers 1818De HEERE heeft mij wel zwaar gestraft,
maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven.
)
. Daarmee erkennen ze Zijn rechtvaardigheid. Tucht heeft echter niet tot doel hen te laten omkomen, maar hen te reinigen (Hb 12:5-115en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?8Maar als u zonder tuchtiging bent waaraan allen deel hebben, dan bent u bastaarden en geen zonen.9Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Tucht is geen einddoel, maar middel. Dat hebben ze begrepen. Daarom voegen ze er vol dankbaarheid aan toe, “maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven”. Alles spreekt van de goedertierenheid van de HEERE.


De triomfantelijke intocht

19Doe de poorten van de gerechtigheid voor mij open,
daardoor zal ik binnengaan, ik zal de HEERE loven.
20Dit is de poort van de HEERE,
daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan.
21Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt
en mij tot heil geweest bent.

En die goedertierenheid houdt niet op bij hun vreugde over de bevrijding. Als het overblijfsel hersteld is in zijn relatie met God op grond van het werk van Zijn Zoon, zullen ze met vrijmoedigheid vragen om “de poorten van de gerechtigheid” voor hen open te doen (vers 1919Doe de poorten van de gerechtigheid voor mij open,
daardoor zal ik binnengaan, ik zal de HEERE loven.
)
. Dit zijn de poorten die toegang geven tot de gerechtigheid. Het zijn de poorten van Jeruzalem, die nu de “stad van de gerechtigheid”, de “trouwe stad” is (Js 1:2626Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
)
. Het bevrijde overblijfsel zal daar binnengaan en daar “de HEERE loven” voor al de weldaden die Hij aan hen heeft bewezen.

De poorten van de gerechtigheid leiden naar “de poort van de HEERE” (vers 2020Dit is de poort van de HEERE,
daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan.
)
, dat is de poort van de tempel. Daar woont de HEERE. Elk van de twaalf poorten van de stad (Ez 48:30-35a30Dit zijn de uitgangen van de stad: aan de noordzijde is de maat vijfenveertighonderd [el].31De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort.32En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort.33De zuidzijde: de maat is vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort.34De westzijde: vijfenveertighonderd [el, met] drie bijbehorende poorten: één de Gadpoort, één de Aserpoort [en] één de Naftalipoort.35Achttienduizend [el] rondom. En de naam van de stad zal vanaf [die] dag zijn: DE HEERE IS DAAR.) leidt naar Hem Die het middelpunt van de stad is. De naam van de stad is in het vrederijk dan ook “DE HEERE IS DAAR” (Ez 48:35b35Achttienduizend [el] rondom. En de naam van de stad zal vanaf [die] dag zijn: DE HEERE IS DAAR.). Het overblijfsel – “zij allen zijn rechtvaardigen” (Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
)
– zal door die poort binnengaan.

In de stad, in de tempel, zal het overblijfsel Hem loven omdat Hij hen heeft verhoord (vers 2121Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt
en mij tot heil geweest bent.
)
. Hij heeft hen verhoord, want Hij is hen tot heil of behoudenis geweest. Hij heeft hen uit de ellende verlost en in de behoudenis van het vrederijk binnengebracht. Hem komt daarvoor alle lof en dank toe.


De dag die de HEERE gemaakt heeft

22De steen [die] de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.
23Dit is door de HEERE geschied,
het is wonderlijk in onze ogen.
24Dit is de dag [die] de HEERE gemaakt heeft,
laten wij op deze [dag] ons verheugen en verblijd zijn.
25Och HEERE, breng toch heil;
och HEERE, geef toch voorspoed.
26Gezegend Wie komt in de Naam van de HEERE!
Wij zegenen U vanuit het huis van de HEERE.

De Heer Jezus, de Messias, is “de steen [die] de bouwers verworpen hadden” (vers 2222De steen [die] de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.
)
. Dit blijkt duidelijk uit wat Hij er Zelf over zegt tegen de verdorven ‘bouwers’, de geestelijke leiders van Gods volk tijdens Zijn leven op aarde (Mt 21:33-4633Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands.34Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde.36Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.37Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.39En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.40Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?41Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.42Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van [de] Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen’?43Daarom zeg Ik u, dat het koninkrijk van God van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt. <44En wie op deze steen valt, zal verbrijzeld worden; en op wie hij valt, zal hij verpletteren.>45En toen de overpriesters en de farizeeën Zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat Hij van hen sprak.46En terwijl zij Hem trachtten te grijpen, waren zij bang voor de menigten, daar Die Hem voor een profeet hielden.). Hij is door God tot hoeksteen gemaakt door Hem uit de doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te verheerlijken (Hd 4:1111Deze is de steen Die door u, de bouwlieden, is veracht, Die tot een hoeksteen is geworden.). Daar heeft God Hem tot hoeksteen van de gemeente gemaakt (Ef 2:2020opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,).

Maar hier is Hij de hoeksteen waarop het herstelde Israël gebouwd wordt. Eerder is Israël over die steen gestruikeld. Christus is de toetssteen voor ieder mens. Het is aannemen of ten val komen. Het ongelovige Israël is over Hem gestruikeld en ten val gekomen. Wat voor de gelovige het kostbaarste is, is voor de ongelovige het hatelijkste. Petrus wijst er in zijn eerste brief op dat Gods Woord heeft voorzegd dat de ongelovige Joden over Hem ten val zouden komen (1Pt 2:77Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelovigen: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden’, en ’een steen [des] aanstoots en een rots [der] ergernis’.; Js 8:1414Hij zal tot een heiligdom [voor u] zijn,
tot een steen des aanstoots,
en tot een rots waarover men struikelt
voor de beide huizen van Israël,
tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem.
; Rm 9:31-3331Maar Israël, dat naar een wet van [de] gerechtigheid jaagde, is tot [de] wet niet gekomen.32Waardoor? Omdat het niet op grond van geloof, maar als op grond van werken [gebeurde]. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,33zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen [des] aanstoots en een rots [der] ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.)
.

Als Christus terugkomt, zal Hij allen die over Hem ten val zijn gekomen en Hem hebben veracht, verpletteren (Mt 21:4242Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van [de] Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen’?; Mk 12:1010Hebt u ook niet dit Schriftwoord gelezen: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen;; Lk 20:1717Hij zag hen echter aan en zei: Wat betekent dan dit, dat geschreven staat: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen’?; Dn 2:34-35,44-4534[Dit] zag u totdat er, niet door [mensen]handen, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die.35Toen werden het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van [terug]gevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde.44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.45Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.). Daarna zal Hij Zijn koninkrijk oprichten. Als het overblijfsel dat ziet, zal het vol bewondering zeggen: “Dit is door de HEERE geschied” en vervolgens hun verbazing daarover uitspreken: “Het is wonderlijk in onze ogen” (vers 2323Dit is door de HEERE geschied,
het is wonderlijk in onze ogen.
)
.

Ze zullen er direct aan toevoegen dat dit de dag is die “de HEERE gemaakt heeft” (vers 2424Dit is de dag [die] de HEERE gemaakt heeft,
laten wij op deze [dag] ons verheugen en verblijd zijn.
)
. Het is een nieuwe dag, de dag van het vrederijk, die voortkomt uit Gods hand en waar alles volkomen in overeenstemming met Gods gedachten is. Zijn voornemens met de hemel en de aarde zijn dan in vervulling gegaan. Voor Zijn volk en allen die in die heerlijke tijd van zegen delen, is dat aanleiding tot vreugde en blijdschap. Dit zal gedurende de hele tijd van het vrederijk het geval zijn.

Tegelijk met deze zekerheid is er ook een gebed tot de HEERE om “toch heil” en “toch voorspoed” te geven (vers 2525Och HEERE, breng toch heil;
och HEERE, geef toch voorspoed.
)
. “Breng toch heil” is de vertaling van het woord ‘hosanna’ (Mt 21:99De menigten nu die vóór Hem uitgingen en zij die volgden, riepen de woorden: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer! Hosanna in de hoogste [hemelen]!; Mk 11:9-109En zij die vooruitgingen en zij die volgden, riepen: Hosanna! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer!10Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste [hemelen]!; Jh 12:1313namen zij de takken van de palmbomen en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer, <en:> De Koning van Israël!). Dit gebed laat zien dat het overblijfsel zich ervan bewust is dat het voortbestaan en het genot van die heerlijke situatie helemaal en alleen afhangt van de HEERE. Hij heeft de zegen gegeven, maar moet die ook in stand houden. Deze houding van afhankelijkheid is kenmerkend voor iedereen die zijn zegeningen kent en ze in gemeenschap met God geniet.

Als er gezegd kan worden “gezegend Wie komt in de Naam van de HEERE! Wij zegenen U vanuit het huis van de HEERE”, is de tijd van de verwerping van Gods volk en de Christus van God voorbij (vers 2626Gezegend Wie komt in de Naam van de HEERE!
Wij zegenen U vanuit het huis van de HEERE.
; Mt 23:3939Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer’.)
. De menigte heeft dit geroepen toen de Heer Jezus tijdens Zijn leven op aarde voor de laatste keer naar Jeruzalem ging. Het was de dag van hun ‘bezoeking’, van Zijn bezoek aan hen (Lk 19:4444en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op [de andere] steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend.). Het werd echter geen dag van redding voor hen, omdat zij de Redder niet hebben herkend.

Dat zal bij de tweede komst van de Heer Jezus naar de aarde anders zijn. Het volk heeft zich dan bekeerd en verwelkomt de Messias, want Hij en niemand anders is het Die komt in de Naam van de HEERE. Ze zijn in het huis van de HEERE om de HEERE te offeren en wensen Hem alle goeds toe. Hij is het waard, want Hij heeft alles voor hen ten goede doen keren.


Vrijwillige offers

27De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feest[offer] vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.
28U bent mijn God, daarom zal ik U loven;
mijn God, ik zal U roemen.
29Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

Het overblijfsel belijdt volmondig en met hun hele hart: “De HEERE is God” (vers 2727De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feest[offer] vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.
)
. Er is geen enkele gedachte meer aan afgoden die ze vroeger hebben aangebeden. Hij heeft hun, in overeenstemming met de priesterlijke zegen (Nm 6:2525De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten
en zij u genadig!
)
, “licht gegeven”. Dit is het licht van de dag die Hij heeft gemaakt, de dag waarop zij zich verheugen en blij zijn (vers 2424Dit is de dag [die] de HEERE gemaakt heeft,
laten wij op deze [dag] ons verheugen en verblijd zijn.
; vgl. Es 8:1616Bij de Joden was er licht en blijdschap, vreugde en eer.)
.

De verlossing door de HEERE en de invoering in het vrederijk is aanleiding tot een groot feest. Het is een feest voor en met de HEERE. Daar horen offers bij. Ze roepen elkaar op om Hem offers, “[feest]offers”, te brengen (vgl. Ex 10:99En Mozes zei: Wij zullen met onze jongeren en ouderen gaan. Met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen zullen wij gaan, want wij hebben een feest voor de HEERE.; 12:1414Deze dag moet voor u een gedenk[dag] worden. U moet hem vieren als een feest voor de HEERE. U moet hem vieren als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.). Die offers moeten “met touwen tot aan de hoorns van het altaar” worden gebracht. De touwen geven de nauwe verbinding aan tussen het offer en het altaar. Het altaar is de plaats waar het geslachte offerdier als een vuuroffer voor God werd verbrand. De hoorns van het altaar spreken van de kracht van het offer.

De offers zijn een beeld van Christus. Alleen door Zijn offer is er zegen voor Gods volk. In het vrederijk worden er weer offers gebracht. Het zijn dan gedachtenisoffers ter herinnering aan het eens volbrachte werk van Christus waarvan de waarde en de kracht tot in eeuwigheid blijven.

De HEERE Die God is (vers 2727De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feest[offer] vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.
)
, is ook de God van ieder individueel, “mijn God” (vers 2828U bent mijn God, daarom zal ik U loven;
mijn God, ik zal U roemen.
)
. Twee keer wordt die persoonlijke relatie met God genoemd. Het beleven daarvan brengt tot een “loven” en “roemen” van Hem. Het overblijfsel als geheel en ieder persoonlijk looft en roemt Hem voor Wie Hij is en wat Hij heeft gedaan.

De psalm besluit met dezelfde oproep en uiting van waardering van de HEERE als waarmee hij is begonnen (vers 2929Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; vers 11Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Alles wat daartussen is gezegd, geeft een overvloed aan redenen om de HEERE te loven. Het is een aaneenschakeling van getuigenissen dat Hij goed is en dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Die lof zal eeuwig klinken.


Lees verder