Psalmen
Inleiding 1 De HEERE loven met heel het hart 2-6 De werken van de HEERE 7-9 Betrouwbaarheid van de werken 10 De vreze des HEEREN
Inleiding

Psalm 111 is een ‘acrostichon’, dat is een bijzondere stijlvorm in de poëzie. Hierbij begint het eerste woord van elk vers, gedeelte van een vers of groep van verzen met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet, van aleph tot taw. In deze en de volgende psalm geldt voor de tweeëntwintig regels die deze psalm, na het inleidende ‘halleluja’, telt.


De HEERE loven met heel het hart

1Halleluja!
Ik zal de HEERE loven met heel [mijn] hart, /aleph/
in de kring van de oprechten en [in hun] gemeenschap. /beth/

De psalm sluit aan op de vorige en begint daarom met “halleluja”, ‘loof de HEERE’. Het is een reactie op Wie de HEERE is en wat Hij zal doen, zoals dat is voorgesteld in de vorige psalm. De psalmist zegt dat hij de HEERE zal loven met heel zijn hart, zozeer is hij onder de indruk van Hem Die aan Gods rechterhand is. Zijn hele hart is door Hem in beslag genomen, waardoor er voor iets anders geen ruimte is (Ps 86:1212Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart,
ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.
)
. Er wordt Hem ook zonder enige reserve, zonder iets achter te houden, lof gezongen.

De psalmist betrekt ook anderen in zijn lofzang. Hij looft de HEERE “in de kring van de oprechten en [in hun] gemeenschap”. “De oprechten” zijn allen die hun hart hebben gericht op de Messias. De Messias is het middelpunt van hun “gemeenschap”. Zij hebben Hem als het gemeenschappelijke voorwerp van hun lofprijzing. Hun liefde voor de Messias verbindt hen met elkaar (vgl. 1Ko 1:99God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot [de] gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus onze Heer.). Alleen aan hen maakt God in Zijn vertrouwelijke omgang met hen Zijn gedachten bekend (Ps 25:1414Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, /samech/
Zijn verbond maakt Hij hun bekend.
)
. Alleen door hen worden Gods gedachten ontvangen en gewaardeerd.


De werken van de HEERE

2De werken van de HEERE zijn groot, /gimel/
zij worden onderzocht door allen die er vreugde in vinden. /daleth/
3Zijn daden zijn [vol] majesteit en glorie, /he/
Zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand. /waw/
4Hij heeft voor Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt, /zain/
de HEERE is genadig en barmhartig. /cheth/
5Hij heeft voedsel gegeven aan wie Hem vrezen. /teth/
Hij denkt voor eeuwig aan Zijn verbond. /jod/
6Hij heeft de kracht van Zijn werken bekendgemaakt aan Zijn volk /kaph/
door hun het erfelijk bezit van de heidenvolken te geven. /lamed/

Met “de werken van de HEERE” (vers 22De werken van de HEERE zijn groot, /gimel/
zij worden onderzocht door allen die er vreugde in vinden. /daleth/
)
wordt alles bedoeld wat Hij heeft gedaan. Het betreft zowel Zijn werken in de schepping als in de verlossing van Zijn volk. Al die werken “zijn groot”, dat wil zeggen talrijk, wonderbaarlijk en ontzagwekkend. Ze lokken uit die te onderzoeken. Niet dat ze ten volle doorgrond kunnen worden (Jb 5:99Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;
wonderen, die niet te tellen zijn.
)
. Dit onderzoek gebeurt “door allen die er vreugde in vinden”. Bezig zijn met Gods werken geeft vreugde, want God heeft Zijn werken met vreugde gemaakt en vindt er Zelf Zijn vreugde in.

Wie Gods werken onderzoekt, ziet dat het “daden zijn [vol] majesteit en glorie” (vers 33Zijn daden zijn [vol] majesteit en glorie, /he/
Zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand. /waw/
)
. Het woord “daden” wijst op actie, op het verrichten van handelingen met een doel. Al Gods handelingen worden gekenmerkt door majesteit ofwel grootheid, verhevenheid en glorie ofwel heerlijkheid, luister. Zijn daden weerspiegelen die (vgl. Rm 1:19-2019omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard20– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Iemand die dit niet ziet, is moedwillig blind.

Zijn daden komen voort uit Zijn gerechtigheid. Geen enkele daad staat daar los van. Nooit doet Hij iets wat in strijd is met Zijn gerechtigheid. Zijn gerechtigheid is zichtbaar in Zijn regering over de schepping, Zijn regering over de naties en in Zijn verlossing van Zijn volk. Omdat Zijn gerechtigheid voor eeuwig stand houdt, houden ook Zijn daden eeuwig stand. Het vrederijk, een rijk dat is gebaseerd op gerechtigheid, houdt dan ook eeuwig stand.

Veel van Zijn daden zijn “wonderen” (vers 44Hij heeft voor Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt, /zain/
de HEERE is genadig en barmhartig. /cheth/
)
. Wonderen zijn daden waarvan de oorsprong bovennatuurlijk is. Daarvoor heeft Hij “een gedachtenis gemaakt”. Daarbij kunnen we denken aan de feesten van de HEERE, waardoor de herinnering aan de wonderen levendig wordt gehouden. Zo is de verlossing van Zijn volk uit Egypte een wonder. Daarvoor heeft Hij het Pascha als “een gedachtenis” ingesteld (Ex 12:1414Deze dag moet voor u een gedenk[dag] worden. U moet hem vieren als een feest voor de HEERE. U moet hem vieren als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.). Voor ons, die gered zijn door het wonder van het kruis, heeft de Heer Jezus het avondmaal als een gedachtenismaal ingesteld (Lk 22:1919En Hij nam brood en nadat Hij had gedankt, brak Hij het en gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.).

Wonderen laten behalve de macht van God op bijzondere wijze zien dat God “genadig en barmhartig” is. Bij de viering van het Pascha denkt Gods volk eraan dat Hij hen in Zijn genade en barmhartigheid heeft verlost uit de slavernij in Egypte. Als wij de Heer Jezus in het vieren van het avondmaal gedenken, denken we eraan dat Hij Zichzelf in Zijn genade en barmhartigheid voor ons in de dood heeft gegeven.

Een bijzonder bewijs van Zijn genade en barmhartigheid heeft Gods aardse volk gezien in het “voedsel” dat Hij heeft “gegeven aan wie Hem vrezen” (vers 55Hij heeft voedsel gegeven aan wie Hem vrezen. /teth/
Hij denkt voor eeuwig aan Zijn verbond. /jod/
)
. We kunnen daarbij denken aan het manna dat Hij veertig jaar lang aan Zijn volk heeft gegeven toen zij in de woestijn rondzwierven. Hij heeft hun dat gegeven op grond van Zijn verbond met hen, waaraan Hij “voor eeuwig” denkt. Daarom zal Hij Zijn volk nooit opgeven of verlaten. Hij blijft trouw aan de beloften die Hij aan hen heeft gedaan.

Nog een duidelijk bewijs van “de kracht van Zijn werken” die Hij heeft “bekendgemaakt aan Zijn volk”, is dat Hij “hun het erfelijk bezit van de heidenvolken” heeft gegeven (vers 66Hij heeft de kracht van Zijn werken bekendgemaakt aan Zijn volk /kaph/
door hun het erfelijk bezit van de heidenvolken te geven. /lamed/
)
. Om Zijn volk het aan hen beloofde land te geven heeft Hij de heidenvolken voor hen uit het land verdreven. Het land is door Hem aan hen als een erfelijk bezit gegeven. Dat is behalve een bewijs van Zijn kracht ook een bewijs van genade en barmhartigheid, want verdiend hadden ze het niet.


Betrouwbaarheid van de werken

7De werken van Zijn handen zijn waarheid en recht, /mem/
al Zijn bevelen zijn betrouwbaar. /nun/
8Zij worden ondersteund, voor eeuwig en voor altijd, /samech/
want zij zijn gedaan in waarheid en oprechtheid. /ain/
9Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; /pe/
Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig ingesteld;/tsade/
Zijn Naam is heilig en ontzagwekkend. /koph/

In al “de werken van Zijn handen” is niets verdraaids of slinks, maar ze “zijn waarheid en recht” (vers 77De werken van Zijn handen zijn waarheid en recht, /mem/
al Zijn bevelen zijn betrouwbaar. /nun/
; Sp 8:88Alle woorden uit Mijn mond zijn in gerechtigheid [gesproken],
er is niets verdraaids of slinks in.
)
. Zijn werken komen tot stand door Zijn spreken. Wat Hij beveelt, gebeurt (Ps 33:6,9). Zijn woorden zijn waarheid en daarom zijn “al Zijn bevelen … betrouwbaar”.

Hij brengt niet alleen werken tot stand, maar “zij worden” ook door Hem “ondersteund, voor eeuwig [en] voor altijd” (vers 88Zij worden ondersteund, voor eeuwig en voor altijd, /samech/
want zij zijn gedaan in waarheid en oprechtheid. /ain/
)
. Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,), wat wil zeggen dat Hij alles in stand houdt en naar het door Hem bepaalde doel brengt. Dat gebeurt juist omdat “zij zijn gedaan in waarheid en oprechtheid”. Zijn werken zijn in overeenstemming met Wie Hij Zelf is.

Werken die in waarheid zijn gedaan, zijn werken die zijn gedaan vanuit de juiste kijk op de dingen, waarbij elk werk ten opzichte van elk ander werk de juiste plaats krijgt. Ze zijn gedaan op een manier dat de waarheid wordt gehandhaafd en doorgegeven. De oprechtheid waarin de werken zijn gedaan, houdt in dat het de beste werken zijn, er zijn geen betere en ze zijn ook niet voor verbetering vatbaar. God kan van elk van Zijn werken zeggen dat het zeer goed is (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.).

Een werk dat Hij in het bijzonder “voor eeuwig [en] altijd” ondersteunt, is de “verlossing” die Hij “Zijn volk” heeft “gezonden” (vers 99Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; /pe/
Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig ingesteld;/tsade/
Zijn Naam is heilig en ontzagwekkend. /koph/
)
. Die verlossing heeft Hij gezonden op grond van “Zijn verbond” dat Hij “voor eeuwig ingesteld” heeft. Het volk heeft zijn verlossing alleen aan Hem te danken omdat Hij Zich heeft gehouden aan Zijn verbond. Het bewijst de volkomen betrouwbaarheid van God.

Dit handelen in trouw aan Zijn verbond brengt de psalmist ervan onder de indruk dat Gods Naam “heilig en ontzagwekkend” is. Hij heeft in het begin gezegd dat de werken van de HEERE groot zijn. Hij heeft een aantal werken genoemd. Uit die werken is Zijn Naam zichtbaar geworden, want elk werk draagt Zijn Naam. Wie goed naar Zijn werken kijkt, kan niet anders dan zich in heilige eerbied en ontzag voor die Naam buigen.


De vreze des HEEREN

10De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid, /resj/
allen die ernaar handelen, hebben een goed inzicht; /sin/
Zijn lof houdt voor eeuwig stand. /taw/

De kennis van Goddelijke dingen kan niet worden verkregen zonder de vreze des HEEREN (Jb 28:2828Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.
; Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
; 15:3333De vreze des HEEREN is vermaning tot wijsheid,
en nederigheid gaat vooraf aan eer.
)
. Alleen wie eerbied en ontzag voor de HEERE heeft, krijgt wijsheid om in het leven de goede, Godwelgevallige keuzes te maken. Of iemand wijs is, blijkt uit zijn daden. Allen die bij hun handelingen met God rekening houden, “hebben een goed inzicht” in de dingen van dit leven (2Kr 30:2222Hizkia sprak naar het hart van alle Levieten die goed inzicht hadden in de dienst van de HEERE. En zij aten zeven dagen [lang de offers] van de feestdag, terwijl zij dankoffers brachten en de HEERE, de God van hun vaderen, loofden.).

Wie wijs is en goed inzicht heeft, staat op een fundament dat altijd stof tot lof geeft. Dit fundament is onwankelbaar, het “houdt voor eeuwig stand” omdat dit fundament “de vreze des HEEREN” is. Het ontzag en de eerbied voor Hem houden nooit op, maar blijven eeuwig doorgaan. Met die waardevolle lofprijzing mogen we op aarde al beginnen.


Lees verder