Psalmen
Inleiding 1-3 De Koning 4 De Priester 5-6 De Krijgsman 7 De nederige en verhoogde Mens
Inleiding

De Ellendige en Arme van Psalm 109 is de heersende Koning-Priester in Psalm 110, ofwel de lijdende en verheerlijkte Messias. Dit is het grote thema van de profeten (1Pt 1:1111terwijl zij navorsten welke of wat voor tijd de Geest van Christus Die in hen was, aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus [zou komen] en van de heerlijkheden daarna.). We vinden in Psalmen Christus vaak in verbinding met het overblijfsel. In deze psalm gaat alleen over Hem. Hij heeft Zichzelf ontledigd en God heeft Hem een Naam gegeven boven elke naam (Fp 2:9-119Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Vers 11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
van deze psalm wordt meer dan enig ander vers uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament geciteerd:
1. De Heer Jezus citeert dit vers tegenover de farizeeën om te bewijzen dat Hij, de Messias, niet alleen de Zoon van David, maar ook zijn Heer omdat Hij ook de Zoon van God is (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
; Mt 22:41-4441Toen nu de farizeeën bijeen waren, vroeg Jezus hun aldus:42Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.43Hij zei tot hen: Hoe noemt David Hem dan in [de] Geest ‘Heer’, als hij zegt:44‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten stel’?; Mk 12:35-3735En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij leerde in de tempel: Hoe zeggen de schriftgeleerden dat de Christus een Zoon van David is?36David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: ‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten stel’.37David zelf noemt Hem ‘Heer’, hoe is Hij dan zijn Zoon? En <de> grote menigte hoorde Hem graag.; Lk 20:4242Want David zelf zegt in [het] boek van [de] psalmen: ‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand,)
.
Het vers wordt ook geciteerd om vast te stellen dat Christus
2. als Zoon ver boven de engelen verheven is (Hb 1:3,133Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,13Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?);
3. als Heer gezag over alle dingen heeft en als Christus de Man van Gods welgevallen is (Hd 2:33-3433Nu Hij dan door de rechterhand van God is verhoogd en de belofte van de Heilige Geest heeft ontvangen van de Vader, heeft Hij dit uitgestort wat u <én> ziet én hoort.34Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: ‘<De> Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand,);
4. een onveranderlijk priesterschap heeft ontvangen (Hb 7:17,20-2117want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.20En voor zover het niet zonder eedzwering [plaats had] (want zij zijn wel zonder eedzwering priesters geworden,21maar Hij met eedzwering door Hem Die tegen Hem zei: ‘[De] Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester tot in eeuwigheid’),; Hb 5:5-65Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’.6Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.);
5. wacht op het moment van Zijn openlijke heerschappij, wanneer Zijn vijanden een voetbank voor Zijn voeten zijn (Hb 10:1313en wacht voortaan, totdat Zijn vijanden gelegd worden tot een voetbank voor Zijn voeten.).


De Koning

1Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
2De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion
[en zegt:] Heers te midden van Uw vijanden.
3Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.

Deze psalm is “van David” (vers 1a1Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
, maar gaat over de grote Zoon van David, de Christus van God in heerlijkheid van de hemel.

“De HEERE” heeft David op de een of andere manier laten weten dat Hij tot zijn “Heere gesproken” heeft en wat Hij heeft gezegd (vers 1b1Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
. Letterlijk staat er ‘uitspraak van de HEERE’, een uitdrukking die vaak in de profetische boeken voorkomt. Deze psalm is inderdaad profetische van aard.

David spreekt over “mijn Heere”, Adonai, de soevereine Heerser. De Heer Jezus is de Zoon van David als Mens, maar Hij is ook de Heer van David, omdat Hij ook de Zoon van God is. Tegen Hem heeft de HEERE, Jahweh, gezegd plaats te nemen aan Zijn rechterhand. Dit ziet op de verheerlijking van de Heer Jezus na het volbrengen van Zijn werk op het kruis, Zijn dood en Zijn opstanding. De rechterhand symboliseert zowel macht als eer. God heeft Hem tot Heer en tot Christus gemaakt.

Petrus verwijst in zijn toespraak op de Pinksterdag naar dit vers (Hd 2:34-3634Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: ‘<De> Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand,35totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten stel’.36Laat het hele huis van Israël dan zeker weten, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus heeft gemaakt, deze Jezus Die u hebt gekruisigd.). Hij schrijft alles toe aan God om daarmee te laten zien hoezeer God het werk van Zijn Zoon waardeert en heeft aanvaard. Op aarde mogen mensen Hem hebben veracht en verworpen, zoals Psalm 109 laat zien, maar voor God is Hij de volmaakt Heerlijke Die Hij met vreugde de hoogste en heerlijkste plaats in de hemel geeft.

Het contrast tussen de plaats die God Hem geeft en de plaats die de mens Hem geeft, is enorm. De mens heeft Hem als een nietswaardige verraden, verworpen, mishandeld en vermoord. Maar God heeft Hem tot Heere gemaakt, tot de Gezaghebber Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. God heeft Hem ook tot Christus gemaakt, tot de Drager en Uitdeler van al Zijn beloften.

De verwijzing van Petrus naar dit vers bewijst dat het niet over David gaat, maar over de Heer Jezus. David spreekt hier over de verheerlijking van de Heer Jezus als een daad van Jahweh, dat is God. De Heer Jezus is door de rechterhand van God verhoogd en God heeft Hem de plaats van eer gegeven aan Zijn rechterhand. Die plaats komt Hem toe, Hij heeft die plaats verdiend.

Er is een “totdat” verbonden aan die plaats van eer aan Gods rechterhand. Er komt namelijk een ogenblik dat de Heer Jezus die plaats zal verlaten om terug te keren naar de aarde. Hij zal dan de vijanden van Zijn volk – en de vijanden van Zijn volk zijn ook Zijn vijanden – oordelen. Hij zal allen die hebben geweigerd zich te bekeren en zich voortdurend vol haat tegen Hem en Zijn volk hebben gekeerd, als overwonnen vijanden onder Zijn voeten leggen, zodat Hij erop zal rusten. Een voetbank symboliseert totale onderwerping (vgl. Jz 10:2424En het gebeurde, toen zij die koningen naar buiten gebracht hadden naar Jozua, dat Jozua al de mannen van Israël riep. Hij zei tegen de aanvoerders van de strijdbare mannen die met hem meegegaan waren: Kom naar voren, zet uw voet op de nek van deze koningen. En zij kwamen naar voren en zetten hun voet op hun nek.). Tot dat ogenblik blijft Hij in de heerlijkheid.

Het is belangrijk te zien dat de waarheid van de verbinding tussen Christus en de gemeente niet wordt genoemd. Deze psalm toont Christus in heerlijkheid met direct daarop aansluitend het onderwerpen van Zijn vijanden aan Zijn voeten door God. De psalm is het antwoord van God op de vernedering van Christus: eerst Zijn verheerlijking in de hemel en daarna Zijn verheerlijking op aarde.

In vers 22De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion
[en zegt:] Heers te midden van Uw vijanden.
zien we Christus in Zijn verheerlijking op aarde. Dit gebeurt wanneer Hij voor de tweede keer in de wereld komt. Dan geeft “de HEERE”, Jahweh, Hem de heerschappij die Hij heeft verdiend door Zijn werk op het kruis (Op 5:1-141En ik zag op de rechterhand van Hem Die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.2En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?3En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien.4En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.5En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.6En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.7En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.11En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,12en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.13En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.14En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden.). Christus strekt Zijn “machtige scepter uit vanuit Sion”. De scepter is een symbool van gezag, wat nog wordt onderstreept door te spreken van een “machtige scepter”. Sion is het centrum van Zijn regering die over de hele aarde uitgaat. Hij heerst te midden van Zijn vijanden. Aan alle vijandschap is een einde gekomen.

Hij heerst ook over Zijn volk, dat “op de dag van Uw kracht” een “zeer gewillig” volk is (vers 33Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.
; vgl. Hl 6:1212Eer Ik het wist, zette Ik Mij [op] de wagens
van Mijn gewillig volk.
)
. Wanneer de Heer Jezus in heerlijkheid is verschenen, zal het overblijfsel zich voor Hem neerbuigen en aan Hem zich beschikbaar stellen. Er is geen enkele weerspannigheid, maar grote gewilligheid om Hem te dienen en Hem in Zijn koningschap te bevestigen (vgl. 1Kr 11:1010Dit waren de hoofden van de helden die David had, die hun positie mét hem verstevigd hadden voor zijn koningschap over heel Israël, om hem overeenkomstig het woord van de HEERE over Israël koning te maken.). Zij passen bij Hem, want ze zijn “[getooid] met heilig sieraad”, wat betekent dat zij heilig zijn zoals Hij heilig is.

Ze komen voort “uit de baarmoeder van de dageraad”. Dit is een prachtige poëtische beschrijving van de nieuwe periode die aanbreekt wanneer de Messias begint te regeren (vgl. Hl 6:1010Wie is zij die verschijnt als de dageraad,
mooi als de volle maan,
zuiver als de gloeiende zon,
schrikwekkend als zij die vaandels opheffen?
)
. De nieuwe periode is als een nieuwe geboorte. De Heer Jezus spreekt daarom over die tijd als de “wedergeboorte”, dat is de tijd dat Hij zal regeren en waarin Zijn discipelen met Hem mogen regeren (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.). De wedergeboorte is die van de aarde, wanneer die is vrijgemaakt van de vloed van de zonde (Rm 8:19-2119Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). Dan is het aardrijk vernieuwd, wedergeboren (Ps 104:30b30Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
)
.

Daarop sluit “de dauw van Uw jeugd” nauw aan. Het gewillige volk en de wedergeboorte van de schepping horen bij de Messias zoals dauw hoort bij een aanbreken van een nieuwe dag. Dauw spreekt van verfrissing, verkwikking. Het is de frisheid van een nieuwe dag. De dauw wordt in het Oude Testament meerdere keren als een zegen van de hemel voor het land van God beschreven (Dt 33:13,2813Over Jozef zei hij:
Moge zijn land door de HEERE gezegend zijn,
met het beste van de hemel, met dauw,
en [met het beste] van de watervloed die beneden ligt;
28Israël zal veilig wonen en alleen;
het oog van Jakob zal gericht zijn
op een land van koren en nieuwe wijn;
ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.
; Nm 11:99Telkens wanneer de dauw 's nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer.)
. De nieuwe generatie die in navolging van de Messias het vrederijk binnengaat, is een verkwikking voor de Messias en zal in haar leven vrucht voor Hem dragen. Ze zal de Heer met vreugde dienen.


De Priester

4De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.

Nu Zijn koningschap is gevestigd, horen we dat “de HEERE heeft gezworen”. Hij heeft een eed gezworen waarvan Hij als extra bekrachtiging zegt dat Hij “er geen berouw van hebben” zal. De eed houdt in dat Christus “Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek” is (Hb 5:66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.; 6:2020waar Jezus als Voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizédek Hogepriester geworden tot in eeuwigheid.; 7:17,2117want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.21maar Hij met eedzwering door Hem Die tegen Hem zei: ‘[De] Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester tot in eeuwigheid’),).

Melchizedek was koning van Salem en priester van God de Allerhoogste (Gn 14:1818En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
; Hb 7:1-21Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,)
. Hij is een beeld van Christus als Koning-Priester op Zijn troon (Zc 6:12-1312en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.13Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
. De tijd van zegen kan niet eerder aanbreken dan dat de Heer Jezus ook als Priester is verschenen om die zegen te brengen. Alle zegen is van Hem als Priester afhankelijk.

“De ordening van Melchizédek” is een ordening van zegen. Naar die ordening is de Heer Jezus Koning-Priester Die zegen van God voor Gods volk op aarde brengt. Dat vindt in het duizendjarig vrederijk zijn volle vervulling. We zien dat in beeld in de ontmoeting tussen Melchizédek en Abraham (Gn 14:18-2018En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
)
.

Melchizédek zegent Abraham van Godswege en prijst God voor wat Hij voor Abraham heeft gedaan. Na de strijd die Abraham heeft geleverd, komt Melchizedek hem met brood en wijn tegemoet en zegent hij hem. Brood en wijn spreken van Christus als voedsel en vreugde voor het hart. Dit is de zegen van het vrederijk, waar Christus de bron van alle kracht en blijdschap is.

Wat nog opvallend is, is dat Hij Priester naar de ordening van Melchizédek is en niet Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Hier is een mooie verklaring voor. Een hogepriester veronderstelt andere priesters onder wie hij de hoogste priester is, maar als Priester naar de orde van Melchizédek is de Heer Jezus alleen.

Het priesterschap van Melchizédek wordt in het Oude Testament alleen in Genesis 14 en Psalm 110 genoemd. Dit priesterschap is er eerder dan dat van Aäron en zal ook blijven bestaan als dat van Aäron niet meer nodig is. Het priesterschap van Aäron wordt door de Heer Jezus nu in de hemel voor de gemeente uitgeoefend en wel met het oog op de zwakheden van de leden van de gemeente (Hb 4:15-1615Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.16Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.).

In de brief aan de Hebreeën wordt uitvoerig ingegaan op de verschillen tussen het priesterschap naar de ordening van Aäron en het priesterschap naar de ordening van Melchizédek (Hb 7:1-191Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,3en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.4Aanschouwt nu hoe groot deze was, aan wie <zelfs> de aartsvader Abraham een tiende van de buit gaf.5En zij die uit de zonen van Levi het priesterambt ontvangen, hebben wel het gebod om naar de wet tienden te nemen van het volk, dat is van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen;6maar hij die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft tienden genomen van Abraham en hem die de beloften had gezegend.7Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere.8En hier ontvangen sterfelijke mensen wel tienden, maar dáár iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft.9En om zo te zeggen heeft ook Levi die tienden ontvangt, door Abraham tienden gegeven,10want hij was nog in de lendenen van zijn vader toen Melchizédek deze tegemoet ging.11Als er nu inderdaad volmaking door het Levietische priesterschap was – want in verbinding daarmee heeft het volk de wet ontvangen –, waarom was het dan nog nodig dat er een andere Priester opstond naar de orde van Melchizédek en Deze niet genoemd werd naar de orde van Aäron?12Want als het priesterschap verandert, vindt er ook noodzakelijk verandering van wet plaats.13Want Hij van Wie deze dingen gezegd zijn, maakt deel uit van een andere stam, waarvan niemand verbonden is geweest aan het altaar.14Want het is overduidelijk dat onze Heer uit Juda gesproten is, ten aanzien van welke stam Mozes nergens van priesters heeft gesproken.15En dit is nog aanmerkelijk duidelijker als er naar de gelijkenis van Melchizédek een andere Priester opstaat,16Die het niet geworden is naar [de] wet van een vleselijk gebod, maar naar [de] kracht van een onvergankelijk leven;17want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.18Want er is enerzijds een afschaffing van [het] vroegere gebod wegens zijn zwakheid en nutteloosheid19(want de wet heeft niets tot volmaaktheid gebracht), en anderzijds [de] invoering van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen.). Het belangrijkste verschil is wel dat het priesterschap van Aäron wordt uitgeoefend door sterfelijke mensen, terwijl het priesterschap van Melchizédek wordt uitgeoefend door Iemand Die priester is “naar de kracht van een onvergankelijk leven” (Hb 7:1616Die het niet geworden is naar [de] wet van een vleselijk gebod, maar naar [de] kracht van een onvergankelijk leven;). Christus heeft geen opvolger, zoals Aäron, maar is “Priester tot in eeuwigheid” (Hb 7:1717want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.). Dit laatste vers is het citaat van vers 44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
uit Psalm 110.


De Krijgsman

5De Heere is aan Uw rechterhand,
Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn.
6Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult [het slagveld] met dode lichamen
[en] verplettert [hem die] het hoofd is over een groot land.

Dan wordt de dag van Zijn toorn aangekondigd (vers 55De Heere is aan Uw rechterhand,
Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn.
)
. “De Heere”, dat is Christus, “is aan Uw rechterhand”, dat wil zeggen aan is de rechterhand van Jahweh, de plaats van eer die Jahweh Hem volgens vers 11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
heeft gegeven (Hb 8:11[De] hoofdzaak nu van wat wij zeggen is, dat wij zo’n Hogepriester hebben, Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen,; 10:1212Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand). Als de dag van Zijn toorn aanbreekt (vgl. Op 6:1717want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?), zal Christus koningen verpletteren (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.; 19:13-1513En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.; Jl 3:2,11-142zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.
)
. Als Hij Zijn rijk opricht, betekent dat het einde van alle wereldrijken (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). De dag van Zijn toorn is de dag van de HEERE. Het is opnieuw een bewijs dat de Heer Jezus, Adonai, niemand anders is dan Jahweh Zelf.

Wanneer de Heer Jezus voor de tweede keer naar de aarde komt, zal Hij rechtspreken “onder de heidenvolken” (vers 66Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult [het slagveld] met dode lichamen
[en] verplettert [hem die] het hoofd is over een groot land.
)
. God heeft Hem die macht gegeven omdat Hij de Mensenzoon is (Jh 5:22,2722Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,27en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Hij zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid en oordeel vellen over de volken (Mt 25:31-3231Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;). Met het zwaard dat uit Zijn mond komt, zal Hij Zijn vijanden doden en “[het slagveld] met dode lichamen vullen” (Js 66:1616Want met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE een rechtszaak voeren met alle vlees.
Zij die door de HEERE dodelijk gewond zijn, zullen talrijk zijn.
; Zf 1:17-1817Ik zal de mensen benauwen,
zodat zij zullen gaan als de blinden,
want zij hebben tegen de HEERE gezondigd.
Hun bloed zal uitgegoten worden als stof
en hun lichaam als uitwerpselen.18Ook hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,
want Hij zal zeker [en] spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.
; Ez 35:88Ik zal zijn bergen met zijn gesneuvelden vullen. [Op] uw heuvels, [in] uw dalen en [bij] al uw [water]stromen, daar zullen zij liggen die vielen door het zwaard.
; Op 19:1717En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;)
.

Bij “het hoofd … over een groot land” kunnen we denken aan de verplettering van Gog, de vorst van het grote, Godvijandige Rusland (Ez 39:11-1211Op die dag zal het gebeuren dat Ik Gog daar in Israël een plaats voor een graf zal geven, het dal van de reizigers, dat reizigers [de weg] verspert, ten oosten van de zee. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven en zullen het noemen: Dal van de menigte van Gog.12Het huis van Israël zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden [lang].). Deze goddeloze macht is de laatste opstandige macht die wordt geoordeeld. Hierna is het vrederijk in alle glorie gevestigd, er is volkomen harmonie op aarde, zonder enige dreiging van een georganiseerde opstand. Christus regeert.


De nederige en verhoogde Mens

7Hij drinkt onderweg uit de beek,
daarom heft Hij [Zijn] hoofd omhoog.

Christus heeft “onderweg uit de beek” verkwikkend water gedronken. Hij heeft tijdens Zijn weg op aarde dankbaar alle verkwikking genoten die de Vader Hem heeft gegeven. Het toont Zijn volledige afhankelijkheid van Zijn Vader.

Hij drinkt uit de beek als Hij met een arme Samaritaanse vrouw spreekt. Het is voor Hem een grote verkwikking dat Hij Zich aan haar als de Heiland van de wereld kan bekendmaken. Ook Maria heeft Zijn ziel verkwikt door haar begrip van Zijn lijden en sterven, waaraan zij uiting geeft door Hem te zalven (Jh 12:33Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.). Eenzelfde verkwikking heeft de Heiland ervaren van Maria Magdalena.

Het gevolg, “daarom”, van Zijn volkomen afhankelijkheid van Zijn Vader is dat Hij met opgeheven hoofd Zijn weg is gegaan. Er is een volkomen wisselwerking tussen Hem en Zijn Vader. Hij leeft door wat de Vader Hem geeft en daarom heft Hij altijd Zijn hoofd omhoog naar Zijn Vader. Er is in Zijn weg als Mens op aarde van het begin tot het einde volkomen gemeenschap tussen Hem en Zijn Vader.


Lees verder