Psalmen
Inleiding 1-5 Liefde beantwoord met haat 6-15 De vloek voor de verrader 16-20 De reden van de vloek 21-29 Gebed om Gods hulp 30-31 Belofte om God te loven
Inleiding

In Psalm 109 gaat het, evenals in de volgende, over Christus. Het zijn beide messiaanse psalmen. In Psalm 109 horen we over het lijden van Christus en in Psalm 110 horen we over de verheerlijking van Christus. In Psalm 109 bidt Christus als de lijdende Knecht van de HEERE om verlossing; in Psalm 110 antwoordt God Hem door Hem uit de dood te verlossen en te verhogen (vgl. Hb 5:7-107Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),8heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft;9en volmaakt geworden is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden,10door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek.).


Liefde beantwoord met haat

1Een psalm van David, voor de koorleider.
O God van mijn lofzang, zwijg niet.
2Want de mond van de goddeloze
en de mond van bedrog zijn tegen mij geopend,
met valse tong hebben zij met mij gesproken.
3Met hatelijke woorden hebben zij mij omringd,
ja, zij hebben mij zonder reden bestreden.
4Voor mijn liefde klagen zij mij aan,
maar ik was [steeds in] gebed.
5Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed,
en haat in plaats van mijn liefde.

Dit is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David, voor de koorleider.
O God van mijn lofzang, zwijg niet.
)
. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

David spreekt God aan als de “God van mijn lofzang” (vers 1b1Een psalm van David, voor de koorleider.
O God van mijn lofzang, zwijg niet.
)
. God is het voorwerp van zijn persoonlijke, “mijn”, lofzang. Hij heeft een persoonlijke relatie met God. In zijn omgang met zijn God heeft hij Hem op vele wijzen leren kennen. In alle omstandigheden waarin hij is geweest, heeft God hem geholpen en hem bijgestaan. Daardoor is God de God van zijn lofzang geworden. Ook wij hebben talloze redenen om God te loven, waardoor God voor ons persoonlijk de God van onze lofzang kan en wil zijn.

Tot die God roept hij met nadruk, “o God”, om niet te zwijgen. Het geeft aan dat David in nood is, dat hij tot God roept, maar dat God Zich stilhoudt. Hij antwoordt niet. In de volgende verzen zegt David waarom hij tot God roept.

Hij heeft dringend hulp nodig, want ”de goddeloze” heeft zijn mond, een “mond van bedrog” tegen hem geopend (vers 22Want de mond van de goddeloze
en de mond van bedrog zijn tegen mij geopend,
met valse tong hebben zij met mij gesproken.
)
. In ‘de goddeloze’, enkelvoud, zien we de antichrist, de spreekbuis van de duivel, de vader van de leugen. Zij die de goddeloze volgen, spreken “met valse tong” tegen hem (Mt 26:5959De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.).

Ze spreken niet alleen leugenachtige, valse woorden tegen en met hem, maar ook “met hatelijke woorden” (vers 33Met hatelijke woorden hebben zij mij omringd,
ja, zij hebben mij zonder reden bestreden.
)
. Haat is hun drijfveer (vers 5b5Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed,
en haat in plaats van mijn liefde.
)
. Ze hebben hem zelfs met hatelijke woorden “omringd”. Het is niet slechts af en toe een leugenachtige opmerking, maar ze doen niet anders. En dat terwijl er geen enkele aanleiding toe is. David klaagt: “Ja, zij hebben mij zonder reden bestreden.” Meer dan van David is dit waar van de Heer Jezus. We horen in David dan ook de Geest van Christus spreken.

Dat het in feite over Christus gaat, maakt Christus Zelf duidelijk. Hij citeert dit vers in Zijn gesprek met de discipelen vlak voor Zijn gang naar het kruis (Jh 15:24-2524Als Ik niet de werken onder hen had gedaan die niemand anders heeft gedaan, hadden zij geen zonde; maar nu hebben zij zowel gezien als gehaat zowel Mij als Mijn Vader.25Maar het woord moet worden vervuld dat in hun wet geschreven staat:’ Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat’.). Hij vertelt over de haat die de Joden tegen hem koesteren. Er is geen enkele aanleiding voor het haten van Hem. Hij is immers altijd in liefde en genade en goedheid onder hen geweest. Toch hebben zij Hem gehaat. Het bewijst de boosheid van het hart van de mens en de waarheid van Gods Woord.

De diepe reden van de tegenstand van de goddeloze en zijn volgelingen is, zegt de Heer Jezus, “Mijn liefde” (vers 44Voor mijn liefde klagen zij mij aan,
maar ik was [steeds in] gebed.
)
. Hier horen we ook duidelijk de Heer Jezus spreken, Die dit naar waarheid heeft meegemaakt in Zijn leven op aarde. Ook de reactie op alle valse beschuldigingen en aanklachten kan alleen voor Christus gelden. Alleen Hij kan zeggen: ”Ik was gebed.” Hij stelt tegenover alle vijandschap Zijn volkomen afhankelijkheid van Zijn God aan Wie Hij Zichzelf en alles heeft overgegeven (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).

Zijn hele leven werd gekenmerkt door een houding van gebed. De woorden ‘[steeds in]’ staan niet in de originele bijbeltekst, zoals de vierkante haken aangegeven. Die toegevoegde woorden verzwakken de kracht van wat er staat. ‘Gebed zijn’ is meer dan ‘steeds in gebed’ zijn. Er is slechts één Persoon Die kan zeggen Hij ‘gebed was’ in Zijn leven op aarde en dat is de Heer Jezus.

Hij is niet slechts genegeerd geworden, maar het tegenovergestelde van wat Hij is en doet, wordt Hem gegeven. Hij heeft niet anders dan goed gedaan (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.), maar in plaats van daarvoor dankbaar te zijn brengen zij kwaad over Hem (vers 55Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed,
en haat in plaats van mijn liefde.
; Ps 35:12a12Zij vergelden mij kwaad voor goed,
[zij willen] mij van het leven beroven.
)
. Hetzelfde geldt voor de grootst denkbare tegenstelling, die van liefde en haat. Hij heeft niet anders dan liefde bewezen aan iedereen met wie Hij in aanraking kwam. In plaats van door Zijn liefde aangetrokken te worden, hebben ze Hem gehaat en van zich gestoten. Wat is toch het hart van de zondaar toch ijskoud en hard als steen!


De vloek voor de verrader

6Stel een goddeloze over hem aan
en moge de satan aan zijn rechterhand staan.
7Wordt hij geoordeeld, laat hij [als] schuldige uitgaan
en laat zijn gebed tot zonde zijn.
8Laten zijn dagen weinig zijn
[en] laat een ander zijn ambt nemen.
9Laten zijn kinderen wezen worden
en laat zijn vrouw weduwe worden.
10Laten zijn kinderen overal rondzwerven en bedelen
en ver van hun verwoeste [plaatsen voedsel] zoeken.
11Laat de schuldeiser beslag leggen op al wat hij heeft,
en laten vreemden zijn arbeid plunderen.
12Laat hij niemand hebben die [hem] goedertierenheid bewijst,
laat er niemand zijn die zijn wezen genadig is.
13Laten zijn nakomelingen uitgeroeid worden,
laat hun naam uitgewist worden in de volgende generatie.
14Laat de ongerechtigheid van zijn vaderen bij de HEERE in gedachtenis blijven,
de zonde van zijn moeder niet worden uitgedelgd.
15Laten ze de HEERE voortdurend voor [ogen] staan,
ja, laat Hij hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.

In dit gedeelte spreekt David door de Geest van Christus een bijzonder indringende en uitvoerige vloek over de goddeloze en zijn nageslacht uit. Vers 8b8Laten zijn dagen weinig zijn
[en] laat een ander zijn ambt nemen.
wordt in Handelingen 1 door Petrus geciteerd (Hd 1:2020Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’.). Het verband waarin het citaat in Handelingen 1 staat (Hd 1:15-2615En in die dagen stond Petrus op te midden van de broeders en zei: – er was nu een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen –16Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen;17want hij werd onder ons gerekend en had zijn deel aan deze bediening gekregen.18Deze dan heeft een akker verworven voor [het] loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen is hij midden opengereten en al zijn ingewanden zijn uitgestort.19En het is bekend geworden aan allen die in Jeruzalem wonen, zodat die akker in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat is: bloedakker.20Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’.21Er moet dan van de mannen die met ons samen kwamen al [de] tijd dat de Heer Jezus onder ons inging en uitging,22te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, een van hen met ons getuige van Zijn opstanding worden.23En zij stelden er twee: Jozef, Barsabas geheten, die bijgenaamd was Justus, en Matthias.24En zij baden aldus: U, Heer, Kenner van aller harten, wijs van deze twee één aan die U hebt uitverkoren25om de plaats van deze bediening en dit apostelschap in te nemen, waarvan Judas is afgevallen om naar zijn eigen plaats te gaan.26En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.), maakt duidelijk dat het hier in Psalm 109 profetisch over Judas, de verrader van de Heer Jezus, gaat.

Van alle vijanden is Judas de vijand die Hem het naaste geweest is. Judas heeft Hem van alle vijanden het best gekend en zich ondanks dat in de grootste afvalligheid tegen Hem, de Rechtvaardige, gekeerd. Een grotere goddeloosheid is niet denkbaar. De vloek die over hem wordt afgeroepen, is ten volle door hem verdiend. Het gaat hier niet om wraak voor geleden onrecht, maar oordeel over het grootste onrecht dat ooit is gedaan.

De vloek begint ermee dat God “een goddeloze over hem”, dat is Judas, aanstelt (vers 66Stel een goddeloze over hem aan
en moge de satan aan zijn rechterhand staan.
)
. Deze ‘goddeloze’ is de satan. De satan staat ook “aan zijn rechterhand” om hem aan te klagen (vgl. Zc 3:11[Daarna] liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.; Op 12:1010En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.). Nadat Judas onder aansporing van de satan zijn weerzinwekkende daad van verraad heeft verricht (Lk 22:33Satan nu kwam in Judas, Iskariot geheten, die tot het getal van de twaalf behoorde.), drijft diezelfde satan Judas in zijn uitzichtloze wanhoop tot de daad van zelfmoord (Mt 27:3-43Toen kreeg Judas, die Hem had overgeleverd, berouw, toen hij zag dat Hij was veroordeeld, en bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug en zei:4Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.).

Judas heeft het werk van de satan gedaan en de satan ‘beloont’ hem daarvoor met de enige beloning die hij heeft om te geven: de dood. Wie het werk van de satan doet, vindt in de satan geen verdediger, maar een aanklager die hem met de grootst mogelijk wroeging vult. De satan doet en kan niet anders dan stelen, slachten en verderven (Jh 10:10a10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.).

Judas wordt geoordeeld en gaat als schuldige uit dit leven weg (vers 77Wordt hij geoordeeld, laat hij [als] schuldige uitgaan
en laat zijn gebed tot zonde zijn.
)
. Hij heeft het loon van de zonde, de dood, ontvangen (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Het gebed dat hij uitspreekt, “ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren!” (Mt 27:44Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.), is een gebed dat tegen beter weten in wordt uitgesproken. Het is een gebed dat alleen wordt uitgesproken om bevrijd te worden van de gevolgen van de zonde. Het is niet oprecht, er gaat geen berouw over de begane zonde mee gepaard. Een dergelijk gebed is hem tot zonde. Het voegt een zonde toe aan al de zonden die hij al heeft gedaan (vgl. Es 7:7-87Woedend stond de koning op van het drinken van de wijn en [ging] naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om bij koningin Esther voor zijn leven te smeken, want hij zag dat bij de koning het onheil over hem ten volle besloten was.8Toen de koning uit de tuin van het paleis terugkwam in de zaal waar men de wijn gedronken had, was Haman neergevallen op het rustbed waarop Esther [lag]. En de koning zei: [Zou hij] ook [nog] de koningin in huis aanranden in mijn bijzijn? [Toen] dit woord uit de mond van de koning was gekomen, bedekte men het gezicht van Haman.).

Als iemand God trouw dient, is de belofte dat zijn dagen zullen worden vermeerderd (Dt 6:1-21Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de HEERE, uw God, geboden heeft u te leren, om [ze] te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen,2opdat u de HEERE, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen: u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden.; Sp 3:1-21Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet,
en laat je hart mijn geboden in acht nemen,
2want lengte van dagen en jaren van leven
en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.
)
. Die belofte wordt niet altijd al tijdens iemands leven op aarde vervuld. We zien dat in het leven van de Heer Jezus. Hij is in het midden van Zijn dagen op aarde gedood. Maar Hij ontvangt Zijn dagen zonder einde na Zijn opstanding.

Bij Judas is de betekenis van het woord dat “zijn dagen weinig zijn” dat zijn dagen beperkt blijven tot het aardse leven. Na zijn afschuwelijke daad van zelfmoord is hij in de plaats van pijn gekomen om straks door de Rechter op de grote, witte troon naar het eeuwige vuur te worden verwezen.

Het tweede deel van vers 88Laten zijn dagen weinig zijn
[en] laat een ander zijn ambt nemen.
wordt, zoals hierboven al is aangegeven, door Petrus op Judas wordt toegepast. Petrus zegt uitdrukkelijk dat wat hier wordt gezegd, is “vervuld” in wat met Judas is gebeurd (Hd 1:1616Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen;). Dat maakt de hele psalm tot een profetisch getuigenis. “Zijn ambt” is zijn apostelambt. De Heer Jezus heeft hem uitgekozen om apostel te zijn (Jh 6:70-7170Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u, de twaalf uitverkoren? En een van u is een duivel.71Hij nu sprak van Judas Iskariot, [de zoon] van Simon; want die zou Hem overleveren, een van de twaalf.). De Heer heeft hem uitgekozen om apostel te zijn, niet om Zijn verrader te zijn. Dat hij dat is geworden, is omdat hij zich voor de duivel heeft opengesteld.

Behalve oordeel over hemzelf heeft de daad van Judas ook gevolgen voor zijn kinderen, zijn vrouw, zijn bezittingen, zijn omgeving, zijn nagedachtenis en de nagedachtenis van zijn nageslacht. Dat wordt in de verzen 9-159Laten zijn kinderen wezen worden
en laat zijn vrouw weduwe worden.
10Laten zijn kinderen overal rondzwerven en bedelen
en ver van hun verwoeste [plaatsen voedsel] zoeken.
11Laat de schuldeiser beslag leggen op al wat hij heeft,
en laten vreemden zijn arbeid plunderen.
12Laat hij niemand hebben die [hem] goedertierenheid bewijst,
laat er niemand zijn die zijn wezen genadig is.
13Laten zijn nakomelingen uitgeroeid worden,
laat hun naam uitgewist worden in de volgende generatie.
14Laat de ongerechtigheid van zijn vaderen bij de HEERE in gedachtenis blijven,
de zonde van zijn moeder niet worden uitgedelgd.
15Laten ze de HEERE voortdurend voor [ogen] staan,
ja, laat Hij hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
beschreven. Iemand die zondigt, doet niet alleen zijn eigen ziel geweld aan. Hij sleept altijd anderen in zijn val mee (Jz 22:2020Heeft Achan, de zoon van Zerah, geen trouwbreuk gepleegd met wat door de ban gewijd was, en kwam er niet een grote toorn over heel de gemeenschap van Israël? En die man stierf in zijn ongerechtigheid niet alleen!; 2Sm 3:2929Laat [de bloedschuld] op het hoofd van Joab blijven en op heel zijn familie, en laat er in het huis van Joab nooit iemand ontbreken die een vloeiing heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het zwaard valt of gebrek aan brood heeft.). Zoals iemand heeft gezegd: de weg van God af ga je niet alleen (vgl. Ex 20:55U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,).

De “kinderen” van Judas worden door zijn zelfmoord “wezen” en “zijn vrouw” wordt “weduwe” (vers 99Laten zijn kinderen wezen worden
en laat zijn vrouw weduwe worden.
)
. Los van de aanleiding van de dood door zelfmoord, heeft een zelfmoord altijd grote impact op het leven van de achterblijvende familie, vrienden en kennissen. Het is een daad van egoïsme waarbij niet wordt gedacht aan de gevolgen die deze daad voor anderen heeft.

Het gevolg van zijn daad is ook dat “zijn kinderen overal rondzwerven en bedelen en ver van hun verwoeste [plaatsen voedsel] zoeken” (vers 1010Laten zijn kinderen overal rondzwerven en bedelen
en ver van hun verwoeste [plaatsen voedsel] zoeken.
; vgl. Jr 18:2121Geef daarom hun kinderen over aan de honger,
doe hen neerstorten door de macht van het zwaard.
Laten hun vrouwen
van kinderen beroofd en weduwen worden.
Laten hun mannen gesneuvelden worden.
Laten hun jongemannen in de strijd met het zwaard verslagen worden.
)
. Omdat de kinderen hun vader kwijt zijn, moeten ze nu zelf aan de kost zien te komen. Daarvoor moeten ze gaan bedelen. De plaats waar ze hebben gewoond, is een woeste plaats geworden. Ze hebben geen thuis meer.

Judas was een dief (Jh 12:66Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan.). Zijn geldzucht lijkt hem ook tot geldlenen te hebben gebracht, want na zijn dood komt “de schuldeiser beslag leggen op al wat hij heeft” (vers 1111Laat de schuldeiser beslag leggen op al wat hij heeft,
en laten vreemden zijn arbeid plunderen.
; vgl. 2Kn 4:11Een vrouw, een van de vrouwen van de leerling-profeten, riep tot Elisa om hulp en zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven, en u weet zelf dat uw dienaar de HEERE vreesde. Maar [nu] is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven met zich mee te nemen.)
. Ook komen “vreemden zijn arbeid plunderen”. Dit alles maakt de situatie van zijn nakomelingen nog dramatischer.

Omdat hij zelf geen goedertierenheid heeft bewezen, zal hij ook “niemand hebben die [hem] goedertierenheid bewijst” (vers 1212Laat hij niemand hebben die [hem] goedertierenheid bewijst,
laat er niemand zijn die zijn wezen genadig is.
)
. Niemand zal “zijn wezen genadig” zijn. Het is als met kinderen van NSB’ers. De NSB’ers waren landverraders in de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog werden hun kinderen met de nek aangekeken. Ze werden gezien als ten nauwste verbonden met dit kwade werk van landverraad. Op een dergelijke manier vergaat het de kinderen van Judas. Hun vader heeft het grootste verraad ooit gepleegd.

Voor de nakomelingen van Judas is er geen toekomst. Het enige wat hun wacht is “uitgeroeid worden” (vers 1313Laten zijn nakomelingen uitgeroeid worden,
laat hun naam uitgewist worden in de volgende generatie.
)
. Daardoor zal “hun naam uitgewist worden in de volgende generatie”. Er zal niemand meer zijn die aan hen zal denken. Terwijl “de herinnering aan de rechtvaardige … tot zegen” is, zal “de naam van de goddeloze … wegteren” (Sp 10:77De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen,
maar de naam van goddelozen zal wegteren.
; Jb 18:1717De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan,
en hij zal geen naam hebben op de straten.
)
.

Met “de ongerechtigheid van zijn vaderen” wordt gewezen op zijn voorgeslacht en tevens zien we daarin een verwijzing naar de erfzonde (vers 1414Laat de ongerechtigheid van zijn vaderen bij de HEERE in gedachtenis blijven,
de zonde van zijn moeder niet worden uitgedelgd.
)
. Judas komt net als ieder mens uit een familie die ongerechtigheid heeft gedaan. Met de uitdrukking ‘erfzonde’ wordt de zondige natuur van de mens bedoeld. De zonde is door één mens, Adam, in de wereld gekomen, waardoor alle mensen zondigen (Rm 5:1212Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben …).

Dat moet met betrekking tot Judas “bij de HEERE in gedachtenis blijven”, dat wil zeggen dat er voor Judas geen plaatsvervanger is. Kinderen gaan niet verloren vanwege de ongerechtigheden van de ouders, maar om hun eigen ongerechtigheden. Die ongerechtigheden komen wel voort uit een natuur die geërfd is van de voorouders.

Ook de vermelding van “de zonde van zijn moeder” wijst op de erfzonde. Het gaat niet om een specifieke daad van zijn moeder, maar om wat zij bij het ter wereld brengen van Judas hem heeft meegegeven. Dat moet “niet worden uitgedelgd”. Door zijn geboorte is hij een zondaar geworden, wat uit zijn daden blijkt.

Een en ander betekent niet dat zondige daden nooit kunnen worden uitgedelgd. Het gaat hier over Judas en zijn onberouwelijke daad en zondige leven. Van ieder die erkent dat hij een verdorven natuur heeft en naar die natuur heeft geleefd, kunnen de zonden worden uitgedelgd. Dat gebeurt als de zonden oprecht worden beleden en er wordt erkend dat ze zijn voortgekomen uit een verdorven natuur. Zo iemand mag weten dat Christus het noodzakelijke offer heeft volbracht om met God verzoend te worden. Daardoor gedenkt God de zonden niet meer omdat Hij ze heeft uitgedelgd.

Het laatste vers van de vervloeking spreekt enerzijds over “voortdurend voor ogen staan” en anderzijds over “van de aarde uitroeien” (vers 1515Laten ze de HEERE voortdurend voor [ogen] staan,
ja, laat Hij hun nagedachtenis van de aarde uitroeien.
)
. De HEERE moet er enerzijds voortdurend aan blijven denken welke ongerechtigheid en zonde op aarde is gebeurd. Anderzijds moet de aarde van elke nagedachtenis aan Judas, en van mensen zoals hij, gezuiverd worden. Hun invloed mag in het vrederijk nergens op aarde aanwezig zijn.


De reden van de vloek

16Want hij dacht er niet aan goedertierenheid te bewijzen,
maar vervolgde de man die ellendig was en arm
en verslagen van hart, om [hem] te doden.
17Hij heeft de vloek liefgehad:
laat die over hem komen!
Hij vond geen vreugde in de zegen:
laat die ver van hem blijven!
18Laat hij zich met de vloek kleden als met zijn mantel,
laat die in zijn binnenste doordringen als water,
ja, als olie in zijn beenderen.
19Laat [de vloek] voor hem zijn als het kleed [waarin] hij zich hult,
als een gordel die hij steeds ombindt.
20Laat dit het arbeidsloon zijn van de HEERE voor mijn tegenstanders
en voor hen die kwaadspreken over mijn ziel.

Het woord “want” waarmee vers 1616Want hij dacht er niet aan goedertierenheid te bewijzen,
maar vervolgde de man die ellendig was en arm
en verslagen van hart, om [hem] te doden.
begint, geeft aan dat nu de reden volgt van de vervloekingen die hiervoor zijn uitgesproken. De gedachte aan het bewijzen van “goedertierenheid” ontbrak bij Judas volledig (vgl. Mt 18:21-3521Toen kwam Petrus bij Hem en zei tot Hem: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?22Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven.23Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.). In plaats van goedertierenheid te bewijzen “vervolgde” hij “de man die ellendig was en arm en verslagen van hart”. Dit ziet weer overduidelijk op de Heer Jezus. Judas is erop uit geweest deze Ellendige en Arme en Verslagene van hart “te doden”.

Judas is niet voorbestemd om vervloekt te worden. Hij heeft ervoor gekozen om vervloekt te worden, want “hij heeft de vloek liefgehad” (vers 1717Hij heeft de vloek liefgehad:
laat die over hem komen!
Hij vond geen vreugde in de zegen:
laat die ver van hem blijven!
)
. Hij vond er zijn vreugde in om anderen te vervloeken. Daarom wordt er terecht gevraagd de vloek over hem te laten komen. Tevens heeft God hem de zegen niet onthouden, maar hij heeft die geweigerd, want “hij vond geen vreugde in de zegen”. Daarom wordt er terecht gevraagd “die ver van hem” te laten “blijven”. In beide gevallen gaat het om een bevestiging van de keus van Judas.

Zijn keus laat zien dat hij met de vloek is bekleed “als met zijn mantel” (vers 1818Laat hij zich met de vloek kleden als met zijn mantel,
laat die in zijn binnenste doordringen als water,
ja, als olie in zijn beenderen.
; vgl. Jb 29:1414Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en die bekleedde mij;
mijn recht was als een mantel en een tulband.
)
. De vloek is aan hem te zien. Maar niet alleen in zijn uiterlijk, waarvan zijn mantel spreekt, is de vloek zichtbaar. De vloek is “in zijn binnenste” doorgedrongen “als water”. Het is iets wat hem verkwikt. Hij leeft en beweegt erdoor, het is “als olie in zijn beenderen”.

In vers 1919Laat [de vloek] voor hem zijn als het kleed [waarin] hij zich hult,
als een gordel die hij steeds ombindt.
wordt met andere woorden nog eens gezegd wat al in vers 1818Laat hij zich met de vloek kleden als met zijn mantel,
laat die in zijn binnenste doordringen als water,
ja, als olie in zijn beenderen.
is gezegd. Het geeft aan hoezeer hij en de vloek bij elkaar horen. De vloek rust niet op hem, maar hij voelt er zich behaaglijk in, hij hult zich erin. Het is de kracht van zijn leven, waarvan de “gordel” spreekt “die hij steeds ombindt”.

De vloek is “het arbeidsloon”, iets wat hij heeft verdiend (vers 2020Laat dit het arbeidsloon zijn van de HEERE voor mijn tegenstanders
en voor hen die kwaadspreken over mijn ziel.
)
. Het is als met de dood, die het loon van de zonde is (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.; vgl. Jk 1:13-1513Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.). Dit ‘arbeidsloon’ is echter niet alleen voor Judas, maar voor alle “tegenstanders” van de Heer Jezus. Die tegenstand blijkt uit “kwaadspreken” over Zijn ziel. Mensen die zich niet willen buigen voor Hem, spreken altijd kwaad van Hem. Kwaadspreken van Hem Die alleen en volmaakt goed is, is lastering van Hem. Het is het werk van de duivel. Dit werk verdient niet anders dan de eeuwige dood.


Gebed om Gods hulp

21Maar U, HEERE Heere,
doe [Uw werk] aan mij omwille van Uw Naam,
want Uw goedertierenheid is groot: red mij.
22Want ik ben ellendig en arm,
mijn hart is in mijn binnenste dodelijk verwond.
23Ik ga heen als een schaduw die langer wordt,
ik word afgeschud als een sprinkhaan.
24Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten,
en mijn vlees is vermagerd: geen vet [zit eraan].
25Toch ben ík hun [nog] tot smaad;
zien zij mij, zij schudden hun hoofd.
26Help mij, HEERE, mijn God,
verlos mij, naar Uw goedertierenheid.
27Dan weten zij: ja, dit is Uw hand;
Ú hebt het gedaan, HEERE.
28Laten zíj vloeken, als Ú maar zegent,
laten zij aanvallen, als zij maar beschaamd worden
en Uw dienaar zich verblijdt.
29Laten mijn tegenstanders met schande bekleed worden,
zich hullen in hun schaamte als in een mantel.

Christus heeft Zich nooit verdedigd tegen alle onrecht dat Hem is aangedaan en alle kwaad dat over Hem is gesproken. Met een “maar U” heeft Hij Zich tot de “HEERE Heere” gewend en Hem gevraagd Zijn werk aan Hem te doen (vers 2121Maar U, HEERE Heere,
doe [Uw werk] aan mij omwille van Uw Naam,
want Uw goedertierenheid is groot: red mij.
)
. Het woord “maar” geeft de tegenstelling aan tussen het werk van Judas en dat van Zijn God tot Wie Hij Zich wendt.

Hij doet een beroep op de Naam van de HEERE Heere, want Hij heeft Zijn Naam altijd geëerd en altijd alles gedaan in die Naam. Daarom rekent Hij op Gods goedertierenheid die groot is. Hij kent die goedertierenheid als geen ander en Hij weet hoe groot die is. Altijd heeft Hij die ervaren. Dat is de kracht van Zijn leven geweest. Ook nu weet Hij dat Gods goedertierenheid er voor Hem is.

Hij wijst God op zijn toestand: Hij is “ellendig en arm” (vers 2222Want ik ben ellendig en arm,
mijn hart is in mijn binnenste dodelijk verwond.
; vers 1616Want hij dacht er niet aan goedertierenheid te bewijzen,
maar vervolgde de man die ellendig was en arm
en verslagen van hart, om [hem] te doden.
; Ps 40:1818Ík ben wel ellendig en arm,
[maar] de Heere denkt aan mij.
U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;
mijn God, wacht niet langer!
)
. Hij noemt het als een pleitgrond voor God, opdat God Hem te hulp zal komen. Hij neemt het recht niet in eigen hand, want Hij was niet op aarde gekomen om te oordelen, maar om de wil van God te doen. Dit betekende het ondergaan van het groots mogelijke onrecht en het grootst mogelijke lijden. Hij heeft innerlijk diep geleden door alles wat er tegen en over Hem werd gezegd. Dat horen we als Hij zegt: “Mijn hart is in mijn binnenste dodelijk verwond” (vgl. Ps 22:1515Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
; 69:2121Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;
ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,
op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.
)
.

Hij voelde Zijn leven wegvloeien, wat Hij zinnebeeldig omschrijft “als een schaduw die langer wordt” (vers 2323Ik ga heen als een schaduw die langer wordt,
ik word afgeschud als een sprinkhaan.
; vgl. Ps 102:1212Mijn dagen zijn als een langer wordende schaduw
en ík verdor als gras.
)
. Een schaduw bewijst dat er een persoon is, terwijl de persoon zelf niet gezien wordt. Er is geen kracht in een schaduw. Een langer wordende schaduw wijst op het ondergaan van de zon en het vallen van de nacht. Door zijn omgeving wordt hij “afgeschud als een sprinkhaan”. Hij is voor hen als een lastig insect dat je met een schuddende beweging van je lichaam verwijdert.

De kracht om te lopen is verdwenen omdat de “knieën zijn verzwakt door het vasten” (vers 2424Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten,
en mijn vlees is vermagerd: geen vet [zit eraan].
; vgl. Hb 12:1212Daarom, richt op uw slappe handen en uw verlamde knieën)
. Het vasten van de Heer Jezus geeft aan dat Hij heeft afgezien van eten vanwege het verdriet over het afvallige volk. Tegelijk heeft de ijver voor Gods huis Hem verteerd, zodat zijn “vlees is vermagerd: geen vet [zit eraan]”.

Ondanks Zijn meelijwekkende toestand als gevolg van Zijn inzet voor God en het volk, is Hij “hun [nog] tot smaad” (vers 2525Toch ben ík hun [nog] tot smaad;
zien zij mij, zij schudden hun hoofd.
; vgl. Ps 69:2121Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;
ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,
op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.
)
. Ze bespotten Hem. “Zij schudden hun hoofd” in afschuw als zij Hem zien (Mt 27:3939De voorbijgangers nu lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden). Deze verachting voor de volkomen Mens van Wie de daden en woorden vol barmhartigheid waren, is een onbeschrijflijke misdaad.

De Heer Jezus gaat diep gebukt onder al deze lastering en mishandeling. Hij richt Zich op, niet om Zijn tegenstanders neer te vellen, maar om tot de “HEERE, Mijn God” te roepen Hem te helpen (vers 2626Help mij, HEERE, mijn God,
verlos mij, naar Uw goedertierenheid.
)
. Hij vraagt of Zijn God in Zijn trouw Hem naar Zijn goedertierenheid wil verlossen uit de grote nood waarin Hij is.

Als Christus door Zijn God verlost wordt, zullen de tegenstanders weten dat Gods hand uitredding heeft gebracht (vers 2727Dan weten zij: ja, dit is Uw hand;
Ú hebt het gedaan, HEERE.
)
. Elke boze macht in het heelal zal weten dat God Christus heeft verkoren om Zijn Koning te zijn. Dat zal gebeuren als het vrederijk is opgericht en de Heer Jezus op de troon van Zijn heerlijkheid zit. Niemand zal kunnen ontkennen dat de HEERE het gedaan heeft.

De tegenstanders kunnen vloeken wat ze willen, het zijn zinloze, lege vloeken, want ze treffen geen doel (vers 2828Laten zíj vloeken, als Ú maar zegent,
laten zij aanvallen, als zij maar beschaamd worden
en Uw dienaar zich verblijdt.
)
. Het enige waar het Christus om gaat, is de zegen van Zijn God. Ze kunnen ook aanvallen zo vaak en wanneer en waar ze maar willen, maar zij zullen beschaamd worden, terwijl Gods “Dienaar Zich verblijdt”. Voor de gelovige die overal de hand van God in ziet, wordt de vloek altijd veranderd in zegen en is het gevolg altijd blijdschap.

Voor de tegenstanders zal het omgekeerde het geval zijn. Zij verheugen zich over de ellende van de Ellendige, maar zij zullen “met schande bekleed worden” (vers 2929Laten mijn tegenstanders met schande bekleed worden,
zich hullen in hun schaamte als in een mantel.
)
. De schande wordt over hen uitgegoten vanwege hun verachting van de Rechtvaardige. Zij zullen “zich hullen in hun schaamte als in een mantel”. Ze zullen zich innerlijk diep schamen over hun leugen en laster die zij over de Arme hebben rondgestrooid.


Belofte om God te loven

30Ik zal de HEERE met mijn mond op luide toon loven,
te midden van velen zal ik Hem prijzen.
31Want Hij zal aan de rechterhand van de arme staan
om hem te verlossen van hen die zijn ziel veroordelen.

De psalm eindigt met de belofte van een loflied. In de zekerheid van de verhoring van Zijn gebed zegt Christus dat Hij de HEERE met Zijn mond op luide toon zal loven (vers 3030Ik zal de HEERE met mijn mond op luide toon loven,
te midden van velen zal ik Hem prijzen.
)
. Hij zal Hem “te midden van velen … prijzen” (vgl. Ps 22:2323Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
; Hb 2:9-129maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.10Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.11Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:12‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.)
. Dit loflied zal Hij aanheffen, wanneer Hij als de Opgestane te midden van de Zijnen is, die Hij door Zijn dood heeft verlost.

Christus weet dat de HEERE “aan de rechterhand van de arme” zal staan (vers 3131Want Hij zal aan de rechterhand van de arme staan
om hem te verlossen van hen die zijn ziel veroordelen.
; vgl. vers 66Stel een goddeloze over hem aan
en moge de satan aan zijn rechterhand staan.
)
. Hij is die Arme. De HEERE staat aan Zijn rechterhand om Hem van elke aanklacht vrij te spreken (Js 50:99Zie, de Heere HEERE helpt Mij.
Wie is het die Mij schuldig verklaart?
Zie, zij allen zullen als een kleed verslijten,
de mot zal hen opeten.
)
. Zo zal Hij worden verlost “van hen die Zijn ziel veroordelen” (vgl. 2Tm 4:16-1716Bij mijn eerste verdediging is niemand bij mij geweest, maar allen hebben mij verlaten; moge het hun niet toegerekend worden.17Maar de Heer heeft mij bijgestaan en mij gesterkt, opdat de prediking door mij ten volle vervuld zou worden en al de volken haar zouden horen; en ik ben uit [de] leeuwenmuil gered.; Rm 8:3333Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;). In Zijn opstanding is de Heer Jezus gerechtvaardigd, dat wil zeggen rechtvaardig verklaard, in alles wat Hij heeft gedaan. Elke aanklacht is daardoor niet alleen volledig ongegrond verklaard, maar als valse aanklacht tentoongesteld.


Lees verder