Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-7 Loflied en gebed 8-10 God heeft gesproken 11-14 God is enige Helper
Inleiding

Deze psalm is samengesteld uit het slot van Psalm 57 (verzen 2-62O God, mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen,
ook [zal] mijn eer [U loven].
3Ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
4Ik zal U loven onder de volken, HEERE;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
5Want Uw goedertierenheid is groot [en reikt tot] boven de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
6Verhef U boven de hemel, o God,
en Uw eer over de hele aarde,
; Ps 57:8-128Mijn hart is bereid, o God,
mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.
9Ontwaak, mijn eer,
ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
10Ik zal U loven onder de volken, Heere;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
12Verhef U boven de hemel, o God;
Uw eer zij over de hele aarde.
)
en (verzen 7-147opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
10Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen,
over Filistea zal ik juichen.11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
12Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
13Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens is nutteloos.
14Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
; Ps 60:7-147opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en antwoord ons.8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
10Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
12Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
13Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens [te verwachten] is nutteloos.
14Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
)
. Dat de twee delen hier in één psalm worden samengebracht, betekent dat er een verband tussen de beide delen is. Het eerste deel is een loflied voor God vanwege Zijn goedertierenheid en trouw (vers 55Want Uw goedertierenheid is groot [en reikt tot] boven de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. In het tweede deel horen we Gods reactie daarop, die Hij geeft in Zijn heiligdom. Hij verklaart Zijn heerschappij over alle volken, een recht dat Hij zal opeisen door middel van Zijn volk (vers 1414Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
)
. Het resultaat is dat Zijn eer over de hele aarde zal zijn, waar het overblijfsel, Zijn beminden, om heeft gevraagd (verzen 6-76Verhef U boven de hemel, o God,
en Uw eer over de hele aarde,
7opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.
)
.


Opschrift

1Een lied, een psalm van David.

Deze “psalm” wordt “een lied” genoemd. Met ‘een lied’ wordt gewoonlijk een loflied bedoeld. Het is “een psalm van David.” Dit is de eerste van vijftien psalmen in dit vijfde psalmboek die de naam van David in het opschrift hebben.


Loflied en gebed

2O God, mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen,
ook [zal] mijn eer [U loven].
3Ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
4Ik zal U loven onder de volken, HEERE;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
5Want Uw goedertierenheid is groot [en reikt tot] boven de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
6Verhef U boven de hemel, o God,
en Uw eer over de hele aarde,
7opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.

Na de ervaringen waarover de psalmist in de vorige psalm heeft geschreven, is het hart tot rust gekomen (vers 22O God, mijn hart is bereid;
ik zal zingen, ik zal psalmen zingen,
ook [zal] mijn eer [U loven].
)
. Zijn “hart is bereid”, het is er klaar voor, het is in staat om te zingen, ja, psalmen te zingen tot eer van God. De eer die hij heeft gekregen van God als koning over Zijn volk, is niet tot zijn eigen glorie, maar tot lof van God.

Er is een nieuwe dag ofwel een nieuwe periode aangebroken in zijn leven (vers 33Ontwaak, luit en harp;
ik zal de dageraad doen ontwaken.
)
. Hij wil die beginnen met een lied onder begeleiding van “luit en harp”. Hij spreekt tot deze instrumenten om wakker te worden, om hun stilzwijgen te verbreken. Dat is zo geweest in de tijd van verdrukking. Maar die tijd is voorbij en nu kunnen ze hun welluidende tonen te laten horen. Daarmee wil hij als de ware “de dageraad doen ontwaken”. Het is een warm welkom van de nieuwe dag.

Die nieuwe dag breekt niet alleen aan in zijn leven en voor zijn volk, maar ook voor de volken (vers 44Ik zal U loven onder de volken, HEERE;
ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.
; Ml 1:1111Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.)
. Het loflied voor de HEERE moet ook “onder de volken” klinken. De psalmen die hij voor de HEERE zingt, moeten ook onder de naties gehoord worden. Dit zal in het vrederijk zo zijn.

De aanleiding – weergegeven door het woord “want” – voor deze vreugde-uitingen zijn Gods “goedertierenheid” en “trouw” (vers 55Want Uw goedertierenheid is groot [en reikt tot] boven de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. De goedertierenheid van God is groot, ofwel omvangrijk en hoog. Ze gaat niet alleen tot aan de hemel, maar “[reikt tot] boven de hemel”. Deze goedertierenheid zien we in de Heer Jezus. Hij “is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles vervullen zou” (Ef 4:1010Hij Die is neergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen.).

Direct aan Zijn goedertierenheid of liefde is weer Zijn trouw of waarheid verbonden. Zijn goedertierenheid gaat altijd samen met Zijn trouw, met trouw aan Zichzelf en aan Zijn waarheid. Zijn trouw reikt tot de wolken. De wolken worden door Hem bestuurd. Ze brengen zegen waar Hij dat wil en oordeel waar dat nodig is.

Vanuit de zekerheid van de verhevenheid van Gods goedertierenheid en trouw (vers 55Want Uw goedertierenheid is groot [en reikt tot] boven de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
vraagt de psalmist aan God om Zich te verheffen, dat wil zeggen in overeenstemming daarmee te handelen (vers 66Verhef U boven de hemel, o God,
en Uw eer over de hele aarde,
)
. De psalmist vraagt dat niet in de eerste plaats met het oog op zijn eigen nood, hoewel ook dat aspect een rol speelt, zoals het volgende vers aangeeft, maar opdat Gods eer of glorie “over de hele aarde” zichtbaar zal zijn.

De enige echte bron van troost is het besef dat het welzijn van het universum en van Zijn volk van God afhangt. Gods goedertierenheid en waarheid zijn van meer belang voor het universum en ons dan het succes van onze plannen, onze gezondheid, onze welvaart of ons leven. Als dat onze eerste gedachte is, krijgen we vervolgens de zekerheid dat Hij Zich ons lot op aarde aantrekt en in redding en verlossing zal voorzien, zoals we in het volgende vers horen.

Als Gods eer over de hele aarde is, betekent dat het einde van alle vijandschap tegen God en de Zijnen (vers 77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.
)
. De psalmist spreekt tot God over Zijn volk als “Uw beminden” (vgl. Dt 7:88Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.; Jr 31:33Van verre [tijden] af is de HEERE aan mij verschenen:
[Met] eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,
daarom heb Ik u getrokken [met] goedertierenheid.
)
. Hij doet een beroep op God vanuit het besef dat God Zijn volk liefheeft. God zal Zijn beminden redden als Hij Zich in Zijn goedertierenheid en trouw boven de hemel verheft. Dan wordt Zijn kracht, waarvan Zijn rechterhand spreekt, openbaar tot verlossing van Zijn volk en vindt er verhoring van het gebed van de Zijnen in hun nood plaats. Het resultaat wordt in het volgende gedeelte vermeld.


God heeft gesproken

8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
10Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen,
over Filistea zal ik juichen.

David en de zijnen hebben in vers 77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.
aan God om verhoring gevraagd. Nu horen we dat God in reactie daarop “heeft gesproken in Zijn heiligdom” (vers 88God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
)
. David is niet in het Gods heiligdom geweest. Toch weet Hij dat God heeft gesproken. Mogelijk is het hem verteld door een priester die de urim en de tummim heeft gebruikt om Gods wil te leren kennen. Het kan ook zijn dat God een profeet heeft gestuurd.

Waar het om gaat, is dat we Gods zicht op een situatie alleen leren kennen in het heiligdom, waar God woont. Daar maakt Hij Zijn gedachten als antwoord op onze vragen bekend. Als we weten hoe God over een zaak denkt, geeft dat aanleiding tot het opspringen van vreugde, zoals we hier lezen dat David dat doet. Dan verdwijnen wanhoop en twijfels en komt er zekerheid over de uitkomst van de strijd.

Dan horen we wat God heeft gesproken. In de derde regel van vers 88God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
is God de Spreker. Eerst spreekt God over Zijn recht op Sichem, Sukkoth, Gilead, Manasse, Efraïm en Juda (verzen 8b-98God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
)
. Deze gebieden liggen allemaal in Israël. Sichem en Sukkoth wijzen op het begin van de terugkeer van Jakob naar het beloofde land (Gn 33:17-1817Maar Jakob trok naar Sukkoth. En hij bouwde een huis voor zichzelf en maakte hutten voor zijn vee. Daarom gaf hij die plaats de naam Sukkoth.18Jakob kwam veilig aan [bij] de stad Sichem, die in het land Kanaän [ligt], nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was; en in het zicht van die stad zette hij zijn tenten op.). Dat God Sichem zal “verdelen”, bewijst Zijn recht erop (vers 8b8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen:
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
)
. Hij zal het geven aan wie het toebehoort. Het “opmeten” van het dal van Sukkoth heeft dezelfde betekenis. God zal het hele gebied opmeten en het precies opgemeten gebied geven aan wie het toebehoort, niet meer en niet minder.

“Gilead” ligt in het Overjordaanse en “Manasse” ligt gedeeltelijk in het land en gedeeltelijk in het Overjordaanse (vers 99Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
)
. Zowel van Gilead en als van heel Manasse zegt God: die is “van Mij”. “Efraïm” staat voor de tien stammen en “Juda” staat voor de twee stammen. Samen vormen ze het hele land Israël. Van Efraïm zegt God dat hij de bescherming van Zijn hoofd ofwel het hoofddeel of grootste deel van het land is, dat is het noordelijke deel. Van Juda zegt God dat hij Zijn wetgever is (vgl. Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
; Nm 21:1818Put, die de vorsten gegraven hebben,
die de edelen van het volk gedolven hebben,
met een scepter, met hun staven.
Van de woestijn [reisden zij] naar Mattana,
)
. Van Juda uit zal Zijn wet overal geleerd en gehandhaafd worden. Dit zal de situatie zijn als de Messias regeert.

Vervolgens laat God weten dat Hij ook het eigendomsrecht heeft op alle gebieden buiten Israël. Daarvan noemt Hij “Moab”, “Edom” en “Filistea” bij name (vers 1010Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen,
over Filistea zal ik juichen.
)
. Ook aan deze namen voegt God iets toe. Van Moab zegt Hij: “Moab is Mijn waskom.” Een waskom of wasvat dient om voeten te reinigen. God zal Moab gebruiken om daar het deel van Zijn volk te reinigen dat uit het land zal vluchten en in Moab een onderkomen zal vinden (Js 16:44Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
)
.

Van Edom zegt Hij dat Hij daarop Zijn schoen zal werpen. Dit betekent dat Hij dit volk aan Zich zal onderwerpen (vgl. Ru 4:77Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.). God zal over Filistea juichen. Dit volk heeft gejuicht bij de overwinningen die zij over Gods volk hebben behaald (vgl. 2Sm 1:2020Maak het niet bekend in Gath,
breng de boodschap niet op de straten van Askelon,
anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,
anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.
)
. Maar de rollen worden omgekeerd als de Messias regeert (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
)
.


God is enige Helper

11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
12Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
13Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens is nutteloos.
14Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

Nadat God Zijn eigendomsrecht op diverse plaatsen en gebieden binnen en buiten Israël heeft bekendgemaakt, vraagt David wie hem zal “brengen in een versterkte stad” (vers 1111Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
)
. De burcht Petra, de hoofdstad van Edom, gebouwd in rotsen, is die versterkte stad. Door de natuurlijke ligging is het menselijk onmogelijk die stad te veroveren. Is er wel iemand, zo vraagt David zich af, die hem “tot in Edom”, tot het centrum ervan, kan leiden?

Hij geeft zelf het antwoord op zijn vraag. Het kan niemand anders zijn dan God (vers 1212Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
)
. Maar God heeft hen verstoten. Hij heeft dat moeten doen vanwege hun ontrouw aan Hem. Dat David toch zegt dat God hem tot in Edom zal leiden, toont zijn geloof. De God Die hen heeft verstoten, is de Enige Die hem en zijn leger kan helpen. Zeker, God is niet met de legers van Zijn volk uitgetrokken omdat Zijn volk zich van Hem heeft afgewend. Daarom zijn ze verslagen. Maar dat maakt tegelijk duidelijk dat de enige mogelijkheid om te overwinnen is dat God weer met hen meegaat.

Zij die God vrezen, kunnen dan ook op niemand anders een beroep doen in hun benauwdheid dan op Hem alleen (vers 1313Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens is nutteloos.
)
. God heeft hen in die benauwdheid gebracht en daarom is Hij de Enige Die hen er ook uit kan leiden. Daarom roepen ze om Zijn hulp. Ze erkennen waarin ze in het verleden hebben gezondigd: “Heil van een mens [te verwachten] is nutteloos” (vgl. Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
.

Dit kunnen we ook geestelijk toepassen. Als een mens in geestelijke nood is over zijn zonden, is er geen mens die hem kan helpen. De Enige Die kan helpen, is God. Hij alleen kan hem bevrijden van de last van zijn zonden, niemand anders. Daarvoor heeft Hij Zijn Zoon gegeven. Hetzelfde geldt voor de leiding in het leven van de gelovige. Alleen God weet welke weg hij moet gaan. Daarom moet hij bij Hem zijn en zich niet door mensen laten leiden. Hij heeft Zijn Woord en Zijn Geest gegeven om hem te leiden.

Alleen met God, met Zijn hulp, kan Gods volk krachtige daden doen (vers 1414Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
)
. Hij voorziet Zijn volk van kracht en moed om de vijanden te bestrijden. Deze uitspraak getuigt van vertrouwen op God in het besef van eigen krachteloosheid. Als Hij met hen is, zullen ze hun tegenstanders vertrappen, wat erop neerkomt dat God hen vertrapt (vgl. Rm 16:20a20De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus <Christus> zij met u!).


Lees verder