Psalmen
Inleiding 1-3 Loflied voor verlossing 4-9 Op een rechte weg geleid 10-16 Uit de duisternis geleid 17-22 Uit de grafkuil bevrijd 23-32 De storm gestild 33-42 De opperheerschappij van de HEERE 43 Wie is wijs?
Inleiding

Met Psalm 107 begint het vijfde en laatste boek van Psalmen. Dit laatste boek beschrijft de wegen van God met Zijn volk waarlangs Hij hen terugbrengt in Zijn land. Psalm 107 is de inleiding en tegelijk een samenvatting vooraf. Hij beschrijft de diverse gebeurtenissen en omstandigheden waar het volk doorheen is gegaan, waarna zij het land zijn binnengetrokken. Het is een beschrijving van moeiten en beproevingen, waarin zij tot de HEERE opkeken.

God heeft het volk steeds weer verlost wanneer het tot Hem riep. Zo zal Hij ook in de toekomst, als ze in de grote verdrukking zijn, naar hen luisteren, wanneer zij tot Hem roepen. Daarmee gaf en geeft Hij hun een reden om Hem te loven te prijzen voor Zijn verlossing.


Loflied voor verlossing

1Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Laten [zo] spreken wie de HEERE verlost heeft,
die Hij verlost heeft uit de hand van de tegenstanders,
3en die Hij uit de landen bijeengebracht heeft,
van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.

De psalm begint met de oproep de HEERE te loven omdat Hij goed is (vers 11Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Hij is de bron van alles wat goed is. Dat is zo vanaf het begin van de schepping. Alles wat Hij doet, is goed (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.). Hij is ook onveranderlijk, daarom is “Zijn goedertierenheid … voor eeuwig”. Zijn goedertierenheid blijft tot in eeuwigheid stromen en faalt nooit. Iedere gelovige kan het met David zeggen: “Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven” (Ps 23:6a6Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
)
.

Zijn goedertierenheid blijk uit de verlossing van Zijn volk “uit de hand van de tegenstanders” (vers 22Laten [zo] spreken wie de HEERE verlost heeft,
die Hij verlost heeft uit de hand van de tegenstanders,
)
. Ze zijn in de hand van de tegenstanders geweest, dat wil zeggen in hun macht. Daaruit zijn ze bevrijd door Hem Die sterker is dan de sterkste vijand, waardoor ze geen gevaar meer hebben te vrezen. We kunnen hierbij denken aan de bevrijding van het overblijfsel uit de twee stammen dat zich in het land bevindt en onder de heerschappij van de antichrist heeft gezucht.

Wie door de HEERE verlost zijn, worden aangespoord dat ook uit te spreken. Het gaat niet alleen om gevoelens van dankbaarheid, maar ook om woorden van dankbaarheid. De verlossing is een bijzondere verlossing en daarom behoort de dank ook een bijzondere dank te zijn. Dat geldt ook voor onze dankbaar ten aanzien van Christus. Hij heeft ons verlost van onze zonden door voor ons tot zonde gemaakt te worden.

In vers 33en die Hij uit de landen bijeengebracht heeft,
van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
gaat het om het overblijfsel uit de tien stammen dat uit de volken terugkeert naar het land (Dt 30:1-41Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen de HEERE, uw God, u verdreven heeft.2En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.3Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had.4Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, [toch] zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen.). God zal allen die in alle windrichtingen verstrooid zijn, uit de landen waarheen zij zijn verstrooid, bijeenbrengen. Hij zal ze “van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee” terugbrengen naar Zijn land (Js 11:11-1211En het zal op die dag gebeuren
dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand
het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,
dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,
in Pathros, Cusj, Elam,
en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.
12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
; 43:5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
; Mt 24:3131En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.)
.

We zien dit sinds het einde van de negentiende eeuw tot nu al gebeuren in de terugkeer van Joden uit alle delen van de wereld naar Israël. Voor ons, christenen, is de Heer Jezus gestorven om ons, die verstrooide kinderen van God zijn, bijeen te vergaderen in de nieuwtestamentisch gemeente (Jh 11:5252en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen.; vgl. 1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.).


Op een rechte weg geleid

4[Er waren er] die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis,
een stad om te wonen vonden zij niet.
5Zij waren hongerig, [ja,] ook dorstig,
hun ziel was in hen bezweken.
6Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
7Hij leidde hen op een rechte weg,
zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.
8Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd
en de hongerige ziel met het goede vervuld.

Dit gedeelte slaat op de beproevingen van de woestijnreis. De veertigjarige woestijnreis heeft het volk aan zichzelf te wijten (vers 44[Er waren er] die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis,
een stad om te wonen vonden zij niet.
)
. De reis zou elf dagen kunnen duren, maar ze hebben er door ongeloof veertig jaar over gedaan (Dt 1:22Vanaf de Horeb in de richting van het Seïrgebergte, tot aan Kades-Barnea, is het elf dagen [reizen].; Nm 32:1313Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven, totdat de hele generatie die gedaan had wat slecht was in de ogen van de HEERE, omgekomen was.). Ze hebben in de woestijn rondgedwaald, “op een weg door de wildernis”. Nergens hebben zij “een stad om te wonen” gevonden. Profetisch is het de woestijn van de volken (Ez 20:3535Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.), waaronder de HEERE hen vanwege hun ontrouw verstrooid heeft (Ps 106:2727dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken
en hen zou verstrooien door de landen.
; Dt 28:6464De HEERE zal u verspreiden onder al de volken, van het [ene] einde van de aarde tot aan het [andere] einde van de aarde. Daar zult u andere goden dienen, die u noch uw vaderen gekend hebben, hout en steen.)
.

In de woestijn hebben ze honger en dorst geleden (vers 55Zij waren hongerig, [ja,] ook dorstig,
hun ziel was in hen bezweken.
)
. Ze “waren hongerig, [ja,] ook dorstig”. Daarover hebben ze gemopperd, “want hun ziel was in hen bezweken”. De weg was vol ellende en verdriet. Ze waren vermoeid en verzwakt en wilden terug naar Egypte. Dit was het gevolg van hun ongeloof, rusteloosheid en ontevredenheid. Ze zagen alleen de ellendige omstandigheden en niet de HEERE Die zo trouw elke dag voor hen zorgde.

Dan doen ze het enig juiste wat een mens kan doen als hij in nood is en waartoe God hem ook in die nood heeft gebracht: zij riepen “in hun benauwdheid tot de HEERE” (vers 66Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
)
. Zijn antwoord liet niet op zich wachten: Hij redde “hen uit hun angsten”. Dit vers wordt als een refrein in deze psalm herhaald (verzen 13,19,2813Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
19Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
28Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
leidde Hij hen uit hun angsten.
)
. Het is het hoofdonderwerp van de psalm: als het volk van God in benauwdheid is en het roept tot God, dan redt en verlost Hij.

Na de redding uit hun angsten nam God ook de leiding van het volk op Zich (vers 77Hij leidde hen op een rechte weg,
zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.
)
. “Hij leidde hen op een rechte weg”, een weg recht op Zijn doel af. Dat doel was het beloofde land. Onder Zijn leiding gingen zij “naar een stad … om te wonen”. In het land waren steden voor het hele volk. In een van de steden wonen betekende het einde van hun omzwervingen door de woestijn.

De zegen van eten en drinken, leiding in de woestijn en een stad om te wonen vormt een groot contrast met het dwalen in de woestijn en hun gemopper over hun gebrek. De ontvangen zegen tegen een achtergrond van gemopper moet wel tot gevolg hebben dat “zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen” (vers 88Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
)
. Hij heeft hun niet gegeven wat ze verdienden, maar uit de volheid van Zijn goedertierenheid.

God heeft hun water uit de rots gegeven en brood uit de hemel. Hij heeft niet alleen hun dorst gelest, maar “de dorstige ziel verzadigd” (vers 99Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd
en de hongerige ziel met het goede vervuld.
)
. Dit gaat verder dan alleen water geven. Het is de weldaad van water geven met het bewustzijn van de goedertierenheid van Hem Die het geeft. Dat is niet slechts een lichamelijke verkwikking, maar een verkwikking van de hele mens.

Hetzelfde geldt voor “de hongerige ziel”. Hij heeft niet alleen brood gegeven om de honger te stillen, wat op de lichamelijke behoefte ziet, maar vervult “de hongerige ziel met het goede” (Lk 1:5353hongerigen heeft Hij met goede dingen vervuld en rijken leeg weggezonden;; Mt 5:66Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.). De hele persoon vervult Hij met alles wat goed is, niet alleen in lichamelijk opzicht, maar vooral ook in geestelijk opzicht. Hij vervult de ziel met vrede en vreugde.


Uit de duisternis geleid

10[Er waren er] die in duisternis en [in] de schaduw van de dood zaten,
gevangen in ellende en ijzer.
11Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God
en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.
12Daarom vernederde Hij hun hart door moeite,
zij struikelden en er was geen helper.
13Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
14Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood
en verscheurde hun banden.
15Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
16Want Hij heeft de bronzen deuren opengebroken
en de ijzeren grendels stukgebroken.

Dit gedeelte slaat op de ballingschap en hun bevrijding daaruit. God heeft het volk in ballingschap in Babel laten voeren. Daar zaten ze “in duisternis en [in] de schaduw van de dood (vers 1010[Er waren er] die in duisternis en [in] de schaduw van de dood zaten,
gevangen in ellende en ijzer.
; vgl. Lk 1:7979om te schijnen voor hen die in duisternis en schaduw van [de] dood zitten, om onze voeten te richten op [de] weg van [de] vrede.; Js 9:11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
)
. In een dergelijke situatie ‘zitten’ geeft een uitzichtloze situatie aan. Dat ze daarbij “gevangen in ellende en ijzer” waren, maakte hun situatie volkomen hopeloos. Er was duisternis in hun ziel, de schaduw van de dood omgaf hen, ze voelden zich ellendig en ze konden door de ijzeren gevangenis geen kant op. Velen zijn tijdens de zeventig jaar durende ballingschap gestorven.

De aanleiding van de ballingschap was hun ongehoorzaamheid “aan de woorden van God” (vers 1111Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God
en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.
)
. Het volk als geheel is ongehoorzaamheid geweest aan wat God heeft gezegd, aan Zijn wet. Daniël erkent dat in zijn belijdenis (Dn 9:5-85wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen.6Wij hebben niet geluisterd naar Uw knechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel de bevolking van het land.7Bij U, Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de schaamte op het gezicht – zo is het heden ten dage bij de mannen van Juda, bij de inwoners van Jeruzalem en bij heel Israël, [bij hen] die dichtbij zijn en die ver weg zijn, in alle landen waarheen U hen verdreven hebt om hun trouwbreuk, die zij jegens U gepleegd hebben.8Heere, bij ons [staat] de schaamte op het gezicht, bij onze koningen, bij onze vorsten, bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.). De woorden van God, Zijn wet, bevatten “de raad van de Allerhoogste”. Dit zijn volmaakte raadgevingen met de hoogste wijsheid om tot Zijn eer en hun eigen welzijn te leven.

Gods woorden, Zijn raad, dienen ten goede voor het volk (Dt 10:3-43Daarop maakte ik een kist van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, net als de eerste; en ik klom de berg op met de twee tafelen in mijn hand.4Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die de HEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag [dat u daar] bijeenkwam; en de HEERE gaf ze aan mij.). God geeft nooit een bevel dat geen raad is en dat niet wijs is om aan te gehoorzamen. Maar Zijn volk heeft Zijn raad verworpen. En het is nog wel de raad “van de Allerhoogste”. Het is niet alleen dom om Zijn raad te verwerpen vanwege de inhoud, maar ook vermetel en aanmatigend vanwege de verhevenheid van de Raadgever. Wie heeft zich ooit “tegen Hem verhard en vrede gehad” (Jb 9:44Hij is wijs van hart en sterk van kracht;
wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?
)
?

Als een mens zich niet vernedert, moet God hem vernederen (Jk 4:1010Vernedert u voor [de] Heer en Hij zal u verhogen.; 1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,). Hij heeft in Babel het trotse, hoogmoedige hart van Zijn volk vernederd (vers 1212Daarom vernederde Hij hun hart door moeite,
zij struikelden en er was geen helper.
)
. Dat heeft Hij gedaan “door moeite” dat is door ellende, verdrukking, teleurstelling, verdriet (vgl. Dt 26:77Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.). Dat heeft hun kracht gebroken, waardoor “zij struikelden” en neervielen

Daar lagen ze, volkomen vernederd. Omdat ze de raad van de Allerhoogste hadden verworpen, was er “geen helper” die hen hielp om weer op te staan. Geen mens had medelijden en God had hen moeten overleveren vanwege hun verwerping van Hem. Het toont opnieuw de hopeloosheid van hun situatie.

Dan horen we weer dat “zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen” (vers 1313Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
; vers 66Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
)
. Dat is waarop God wacht. Hij staat klaar om een roep uit de benauwdheid te beantwoorden. Dan gaat Hij handelen. Hij verloste “hen uit hun angsten”. De woorden ‘benauwdheid’ en ‘angsten’ geven aan dat ze innerlijk en uiterlijk in grote verdrukking zijn, waardoor ze geen ruimte hebben om uiting te geven aan hun nood of zich te bewegen. Maar de weg naar boven is open en die benutten ze.

God antwoordde en verloste. Hij leidde hen, dat wil zeggen een overblijfsel, “uit de duisternis en de schaduw van de dood en verscheurde hun banden” (vers 1414Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood
en verscheurde hun banden.
)
. Uit de situatie waarin ze waren terechtgekomen door hun ongehoorzaamheid aan de woorden van God (verzen 10-1110[Er waren er] die in duisternis en [in] de schaduw van de dood zaten,
gevangen in ellende en ijzer.
11Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God
en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.
)
, werden ze nu door God uitgeleid omdat ze tot Hem hadden geroepen. De banden van ‘ellende en ijzer’, de symbolen van hun slavernij waarin ze gevangen waren, verscheurde Hij. Ze waren vrij om terug te keren naar hun land. God gebruikte Kores voor hun verlossing, maar het is Zijn werk in deze vorst (Ea 1:1-31In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].).

Voor deze ongedachte wending ten goede worden ze opgeroepen de HEERE te loven (vers 1515Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
)
. Alleen door “Zijn goedertierenheid” zijn ze uit hun ellende bevrijd. Hem komt daarvoor alle eer toe. Het is daarbij ook Gods bedoeling dat zij Hem “om Zijn wonderen” loven “voor de mensenkinderen”. Het is een getuigenis voor de mensen om ons heen als wij God loven voor het wonder van de verlossing die Hij ons heeft gegeven door Zijn Zoon.

Als reden om de HEERE te loven wordt er nog eens nadrukkelijk op gewezen wat Hij voor hen heeft gedaan (vers 1616Want Hij heeft de bronzen deuren opengebroken
en de ijzeren grendels stukgebroken.
)
. Hij heeft “de bronzen deuren” van de gevangenis “opengebroken”. Is dat niet een geweldige zaak? Die deuren konden alleen door de macht van God worden opengebroken.

Die gevangenisdeuren waren ook nog eens voorzien van “ijzeren grendels”. Het was om zo te zeggen dubbel onmogelijk om zichzelf daaruit te verlossen. Maar ook de ijzeren grendels zijn door God “stukgebroken”. Kores was daarvoor het werktuig in Zijn hand (Js 45:1-21Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
)
. God heeft de deuren niet geopend en grendels niet slechts losgemaakt, maar radicaal gebroken, buiten werking gesteld. De verbreking is zo grondig, dat nieuw gebruik onmogelijk is.


Uit de grafkuil bevrijd

17[Er waren] dwazen die om hun weg vol overtreding
en om hun ongerechtigheden gekweld werden.
18Hun ziel had een afschuw van al het voedsel,
zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
19Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
20Hij zond Zijn woord uit, genas hen
en bevrijdde hen uit hun [graf]kuilen.
21Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
22Laten zij lofoffers brengen
en met gejuich van Zijn werken vertellen.

Dit gedeelte beschrijft de nood waarin het volk verkeert ten tijde van de terugkeer van de Heer Jezus. Het volk van God is een volk van dwazen (vers 1717[Er waren] dwazen die om hun weg vol overtreding
en om hun ongerechtigheden gekweld werden.
)
. Ze houden geen rekening met God, ze loochenen Zijn bestaan (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. De weg van zulke mensen kan niet anders dan een “weg vol overtreding” zijn. In het leven van zulke mensen stapelen de “ongerechtigheden” zich op.

Het gevolg kan niet anders zijn dan dat ze “gekweld werden” door allerlei plagen en ziekten. Ze haalden zich die plagen en ziekten zelf op de hals door hun leefwijze zonder God. Ziekte is zeker niet altijd een gevolg van zonden (Jh 9:1-31En toen Hij voorbijging, zag Hij een mens, blind van [de] geboorte af.2En Zijn discipelen vroegen Hem aldus: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?3Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar de werken van God moeten in hem worden geopenbaard.). Maar het kan wel zo zijn, zoals hier (vgl. Jk 5:1515En het gebed van het geloof zal de zieke behouden en de Heer zal hem oprichten; en als hij zonden gedaan heeft, zal het hem vergeven worden.).

De kwellingen die zij over zichzelf brachten, hadden tot gevolg dat “hun ziel …een afschuw van al het voedsel” had (vers 1818Hun ziel had een afschuw van al het voedsel,
zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
)
. Niet God strafte hen, maar ze deden het zichzelf aan. Hun afschuw van voedsel kwam niet bij Hem vandaan, maar van hun verziekte leefwijze, waardoor ze ziek waren geworden. Een zieke heeft niet alleen geen kracht om voedsel te nemen, hij wil het ook niet, hij kokhalst bij de gedachte eraan. Het is een situatie waarbij ze dicht bij de dood zijn gekomen, tot aan de poorten” ervan.

Voor de derde keer is er sprake van een situatie waarin geen uitzicht op verbetering of verlossing is. Voor de derde keer is deze situatie van benauwdheid de aanleiding om “tot de HEERE” te roepen (vers 1919Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
; verzen 6,136Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
13Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
)
. En opnieuw antwoordt Hij met hen uit hun angsten te verlossen. Er wordt niet over belijdenis van zonden gesproken. De roep in de nood houdt de erkenning in dat God de nood terecht heeft laten ontstaat.

God verloste uit de angsten door Zijn woord uit te zenden (vers 2020Hij zond Zijn woord uit, genas hen
en bevrijdde hen uit hun [graf]kuilen.
)
. We kunnen de vervulling daarvan zien in de komst van de Zoon van God, het Woord van God dat vlees is geworden. De verslagen die we van Zijn leven op aarde in de evangeliën hebben, getuigen daarvan. We lezen dat Hij tijdens Zijn leven op aarde mensen heeft genezen en “uit hun [graf]kuilen” heeft bevrijd. Deze mensen zijn de dood nabij geweest, maar Hij heeft hen voor de poorten van de dood weggehaald, zodat ze op dat moment geen prooi van de dood zijn geworden (Mt 8:1717opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden [op Zich] genomen en onze ziekten gedragen’.; Mk 1:3434En Hij genas velen die aan allerlei ziekten leden, en vele demonen dreef Hij uit; en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij wisten Wie Hij was.; Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.).

Deze wonderbaarlijke genezingen en bevrijdingen zijn weer aanleiding om de HEERE te loven (vers 2121Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
; vgl. Js 38:2020De HEERE was er om mij te verlossen.
Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,
al de dagen van ons leven,
in het huis van de HEERE.
)
. Het zijn de bewijzen van “Zijn goedertierenheid”. Het zijn ook “Zijn wonderen voor de mensenkinderen”. God toont telkens hoe goed Hij voor de mensen is. Wij mogen God danken dat Hij Zijn schuldige en lijdende volk niet is vergeten en wensen dat al de mensen om ons heen dat zien.

Hun dankbaarheid voor de ervaren goedertierenheid en wonderen van genezing kunnen ze laten zien door Hem “lofoffers” te brengen (vers 2222Laten zij lofoffers brengen
en met gejuich van Zijn werken vertellen.
)
. Dit houdt aanbidding in voor Hem, Die zo goed voor hen is geweest. Vervolgens wil Hij ook dat ze “met gejuich van Zijn werken vertellen”. Werkelijke dankbaarheid uit zich in de eerste plaats in het lof brengen aan God. Maar daar zal het niet bij blijven. Een dankbaar hart wil ook dat anderen ervan horen en in die God gaan geloven. Daarom zullen ze met hartstochtelijke vreugde getuigen van wat God in hun leven heeft gedaan.


De storm gestild

23[Er zijn er] die met schepen op zee varen
[en] handeldrijven op de grote wateren.
24Zíj zien de werken van de HEERE
en Zijn wonderen in de diepte.
25Wanneer Hij spreekt,
doet Hij een stormwind opsteken,
die haar golven hoog opheft.
26Ze rijzen op naar de hemel,
ze dalen neer in de diepe wateren;
hun ziel smelt weg van ellende.
27Zij wankelen en waggelen als een dronken man,
al hun wijsheid wordt verslonden.
28Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
leidde Hij hen uit hun angsten.
29Hij brengt de storm tot stilte,
zodat hun golven zwijgen.
30Dan zijn zij verblijd, omdat [de wateren] gestild zijn
en Hij hen naar de haven van hun wens leidde.
31Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
32Laten zij Hem roemen in de bijeenkomst van het volk
en op de zetels van de oudsten Hem loven.

Dit gedeelte kunnen we verbinden met het jaar 70. In dat jaar hebben de Romeinen Jeruzalem en de tempel verwoest, veel inwoners gedood en velen in allerlei windrichtingen verstrooid. Sinds die tijd is het volk neergeworpen en wordt het vervolgd. Maar het zal ten slotte door God gebracht in de haven van hun begeerte: het duizendjarig vrederijk.

Na het dwalen in de woestijn, het zitten in gevangenschap en het ondergaan van kwellingen zien we nu het volk “op zee” (vers 2323[Er zijn er] die met schepen op zee varen
[en] handeldrijven op de grote wateren.
)
. De zee is een beeld van de volken. Israël heeft handelgedreven met de volken. Ze zijn “op grote wateren” geweest. Ze hebben handelgedreven met grote naties. Salomo was een handelsman. Hij bouwde een vloot. Dat waren geen pleziervaartuigen, maar koopvaardijschepen (1Kn 9:26-2826Koning Salomo bouwde ook een vloot in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt, aan de oever van de Schelfzee, in het land Edom.27En Hiram stuurde zijn dienaren [mee] met de vloot: scheepslieden, kenners van de zee, [samen] met de dienaren van Salomo.28En zij kwamen in Ofir en haalden daar goud vandaan, vierhonderdtwintig talent, en brachten het naar koning Salomo.; 10:2222De koning had namelijk een Tarsisvloot op zee, [samen] met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.).

Zeelieden zien veel van de werken van de HEERE om zich heen (vers 2424Zíj zien de werken van de HEERE
en Zijn wonderen in de diepte.
)
. En als zij in de diepte kijken, zien ze Zijn wonderen die op het land niet te zien zijn. Het land wordt door de bergen gekenmerkt door hoogten. De zee wordt gekenmerkt door de diepte. Ook voelt men zich op zee door de eenzaamheid en weidsheid meer direct in de tegenwoordigheid van de grote God, Die alles bestuurt (Jb 26:1212Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
; Js 51:1515Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
; Jr 31:3535Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
.

Daarbij is de zee bedreigend, hij is vol gevaren (vers 2525Wanneer Hij spreekt,
doet Hij een stormwind opsteken,
die haar golven hoog opheft.
)
. Stormen op zee zijn veel heftiger dan op het land. God doet een storm ontstaan. Daarvoor hoeft Hij alleen te spreken. In het leven van Jona zien we “een stormwind opsteken, die haar golven hoog opheft”. Jona is ongehoorzaam aan een bevel van God. Hij vlucht en doet dat met een schip. Dan stuurt de HEERE een storm, waardoor het schip dreigt te breken (Jn 1:1-41Het woord van de HEERE kwam tot Jona, de zoon van Amitthai:2Sta op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar, want hun kwaad is opgestegen voor Mijn aangezicht.3Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de prijs [voor de overtocht] en ging aan boord om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.4Maar de HEERE wierp een hevige wind op de zee; er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te breken.).

Door de golven rijzen het schip en zijn bemanning “op naar de hemel” (vers 2626Ze rijzen op naar de hemel,
ze dalen neer in de diepe wateren;
hun ziel smelt weg van ellende.
)
. Een moment later dalen ze “neer in diepe wateren”. De ziel van de schepelingen ”smelt weg van ellende”. Tegenover het geweld van de zee is de mens totaal machteloos. Het is over en uit met al zijn praatjes. Hij wordt geconfronteerd met een macht die hem volledig beheerst en waartegen hij niets in te brengen heeft.

De woedende zee laat de schepelingen wankelen en waggelen als een dronken man” (vers 2727Zij wankelen en waggelen als een dronken man,
al hun wijsheid wordt verslonden.
)
. Hij ontneemt de mens al zijn vastheid en oriëntatie. De zee is volledig in de hand van God (Jb 38:10-1110Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. De onstuimigheid ervan is door Hem veroorzaakt en dient Zijn doel (Jb 26:1212Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
; Ps 148:8b8vuur en hagel, sneeuw en damp,
stormwind, die Zijn woord doet,
)
. Dat doel is dat “al hun wijsheid wordt verslonden”. Al hun wijsheid over scheepvaart is waardeloos met het oog op de omstandigheden waarin ze zijn. Ze hebben geen oplossingen, ze weten niet wat ze moeten doen. Een zeemansgraf is het enige wat hun wacht.

Wat we hier beschreven vinden en bij Jona geïllustreerd zien, is een beeld van de situatie waarin Israël zich bevindt nu het onder de volken verstrooid is. Ook in Israël zelf, dat sinds 1948 een zelfstandige staat is, is de situatie zoals die hier wordt voorgesteld. Israël is voortdurend in nood. Die nood zal het hoogst zijn wanneer de grote verdrukking aanbreekt. Dan zal al hun wijsheid verslonden worden. Ze zullen in hun benauwdheid tot de HEERE roepen en zal Hij hen uit hun angsten uitleiden (vers 2828Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
leidde Hij hen uit hun angsten.
; verzen 6,13,196Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
13Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
19Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
)
.

Wie ten einde raad zijn, hoeven niet aan het einde van hun geloof te zijn. Dat zien we hier ook. De schepelingen roepen tot Hem Die de storm heeft gezonden, want Wie de storm zendt, is ook in staat om “de storm tot stilte” te brengen (vers 2929Hij brengt de storm tot stilte,
zodat hun golven zwijgen.
)
. Dat doet Hij ook. De wind gaat liggen en “hun golven zwijgen”. De Heer Jezus heeft een storm gestild en daarmee een van de vele bewijzen geleverd dat Hij God is (Mt 8:2626En Hij zei tot hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er ontstond een grote stilte.; Mk 4:3939En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.; vgl. Jn 1:1515Daarop pakten zij Jona op en wierpen hem in de zee. En de woedende zee kwam tot bedaren.). Een duidelijker bewijs is niet denkbaar. Hij kan ook de storm in een mensenleven en een mensenhart tot stilte brengen.

De stilte na de storm is een oorzaak van blijdschap (vers 3030Dan zijn zij verblijd, omdat [de wateren] gestild zijn
en Hij hen naar de haven van hun wens leidde.
)
. Er is vreugde als er een einde komt aan een situatie van nood. Hier wordt de stilte direct verbonden aan het aankomen in “de haven van hun wens”. Daar heeft God hen heengeleid. Wie lang op zee is geweest en veel stormen heeft meegemaakt, begint steeds meer naar de haven te verlangen. God is met Zijn volk en met de Zijnen onderweg naar Zijn hemelse land. Naar dat land verlangt iedere gelovige. Naarmate de stormen toenemen in het leven, zal dat verlangen groter worden.

Na de uitredding uit grote nood en het binnengaan van de haven is de oproep om de HEERE te loven (vers 3131Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
)
. Door Zijn goedertierenheid zijn ze bewaard gebleven en hebben ze rust gekregen. Dit geldt niet alleen voor de gevaren van de zee, maar voor de gevaren waarin we ons elke dag bevinden. De wonderen van de diepte in vers 2424Zíj zien de werken van de HEERE
en Zijn wonderen in de diepte.
zijn hier de wonderen ten behoeve van de Zijnen geworden. Hem komt daarvoor alle eer toe.

Wat Hij gedaan heeft, is alle roem waard “in de bijeenkomst van het volk” (vers 3232Laten zij Hem roemen in de bijeenkomst van het volk
en op de zetels van de oudsten Hem loven.
)
. Het is niet slechts een persoonlijke dankbaarheid, maar een die gedeeld wordt met medegelovigen (vgl. Ps 111:11Halleluja!
Ik zal de HEERE loven met heel [mijn] hart, /aleph/
in de kring van de oprechten en [in hun] gemeenschap. /beth/
)
. Samenkomsten van gelovigen dienen er ook toe om ervaringen die met de Heer zijn gedaan met anderen te delen, zodat ook de dank aan God toeneemt (2Ko 1:10-1110Die ons uit een zo grote dood heeft verlost en zal verlossen; op Hem hebben wij onze hoop gevestigd dat Hij ons ook verder zal verlossen;11terwijl ook u voor ons meewerkt door het gebed, opdat voor de genadegave die ons door vele personen [geschonken] is, door velen dankzegging voor ons gedaan wordt.; Hd 15:33Nadat zij dan door de gemeente waren uitgeleid, gingen zij door Fenicië en Samaria, verhaalden de bekering van de volken en bereidden alle broeders grote blijdschap.).

Een speciale oproep wordt gedaan aan “de oudsten” om Hem te loven. Zij hebben meer dan anderen ervaringen opgedaan van de uitreddingen van de HEERE uit de nood. Dat de psalmist spreekt over “de zetels van de oudsten” houdt in dat het om oude gelovigen gaat die een verantwoordelijkheid hebben te midden van Gods volk. Die verantwoordelijkheid is ook om het volk voor te gaan in het roemen van God.


De opperheerschappij van de HEERE

33Hij maakt rivieren tot een woestijn,
waterbronnen tot dorstig land,
34vruchtbaar land tot een zoutvlakte,
vanwege de slechtheid van zijn bewoners.
35Hij maakt de woestijn tot een waterpoel,
het dorre land tot waterbronnen.
36Daar doet Hij de hongerigen verblijven,
zij stichten een stad om te wonen.
37Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden,
die een rijke oogst aan vruchten opbrengen.
38Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden,
hun vee vermindert Hij niet.
39Daarna verminderen zij [wel] en gaan zij gebukt
onder verdrukking, onheil en verdriet.
40Hij stort verachting uit over de edelen
en doet hen dwalen in een woestenij, waar geen weg is.
41Maar de arme zet Hij uit de ellende in een veilige vesting,
Hij maakt de gezinnen [talrijk] als kudden.
42De oprechten zien het en zijn verblijd,
maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.

In de vorige verzen is in vier situaties duidelijk gemaakt dat de HEERE verlost uit benauwdheid als er tot Hem wordt geroepen. In het gedeelte dat nu volgt, wordt de situatie niet bezien vanuit hen die in benauwdheid zijn, maar vanuit Hem Die alles in Zijn hand heeft en alles bestuurt.

Hij is niet alleen de Redder, Hij is ook de verheven, almachtige God. Hij is machtig in verlossing, maar ook machtig in het brengen van verderf. Dat bewijst Hij door bij ontrouw van Zijn volk rivieren te veranderen in een woestijn en waterbronnen in dorstig land (vers 3333Hij maakt rivieren tot een woestijn,
waterbronnen tot dorstig land,
)
. Dat zien we nu in de christenheid gebeuren, waar het Woord van God steeds meer wordt verworpen.

Hij maakt “vruchtbaar land tot een zoutvlakte, vanwege de slechtheid van zijn bewoners” (vers 3434vruchtbaar land tot een zoutvlakte,
vanwege de slechtheid van zijn bewoners.
)
. Wat Hij met Sodom en Gomorra heeft gedaan, is daarvan een voorbeeld. Het was een welvarend land (Gn 13:1010En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.), maar de inwoners van Sodom waren “slecht en grote zondaars tegenover de HEERE” (Gn 13:1313De mannen van Sodom waren echter slecht en grote zondaars tegenover de HEERE.). Daarom heeft God Sodom en Gomorra en de hele vlakte omgekeerd en er een zoutvlakte van gemaakt, waardoor dat gebied volledig onvruchtbaar is geworden en zal blijven (Gn 18:20-2120Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar.21Ik zal nu afdalen en zien of zij [werkelijk] alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.; 19:13,24-2513Want wij gaan deze plaats te gronde richten, omdat de roep [van haar zonden] groot geworden is voor het aangezicht van de HEERE. Daarom heeft de HEERE ons gezonden om haar te gronde te richten.24Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.25Hij keerde deze steden en heel de vlakte ondersteboven, met alle inwoners van de steden en het gewas op het land.).

Voor de getrouwen doet Hij het omgekeerde (vers 3535Hij maakt de woestijn tot een waterpoel,
het dorre land tot waterbronnen.
)
. Voor hen maakt Hij “de woestijn tot een waterpoel” en “het dorre land tot waterbronnen”. Dat zal in het vrederijk worden gezien (Js 35:6-76Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.
7Het dorre land zal tot een [water]poel worden,
het dorstige land tot waterbronnen;
op de woonplaats van jakhalzen, [waar] hun rustplaats was,
zal gras zijn, met riet en biezen.
)
. Dan is er niet alleen de vruchtbaar makende regen van de hemel, maar zullen fonteinen uit de bodem ontspringen waaruit voortdurend fris water zal stromen.

Het vrederijk is in alle opzichten een tijd van verkwikking (Hd 3:1919Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat [de] tijden van verkwikking komen van [het] aangezicht van de Heer). “De hongerigen” dwalen niet meer hongerig en dorstig door een woestijn (verzen 4-94[Er waren er] die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis,
een stad om te wonen vonden zij niet.
5Zij waren hongerig, [ja,] ook dorstig,
hun ziel was in hen bezweken.
6Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten.
7Hij leidde hen op een rechte weg,
zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.
8Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd
en de hongerige ziel met het goede vervuld.
)
, maar “verblijven” in het land van verkwikking (vers 3636Daar doet Hij de hongerigen verblijven,
zij stichten een stad om te wonen.
)
. In geestelijke zin worden zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid hier verzadigd (Mt 5:66Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.).

Ze hebben ook “een stad om te wonen” gevonden. Ze “stichten” die stad, dat wil zeggen dat ze die stad bewoonbaar maken. De steden zijn door de ontrouw van Gods volk ontvolkt en in ruïnes veranderd. Nu het volk terug is bij God, kunnen ze de steden herbouwen en er wonen. Wonen betekent genieten van de rust die na alle omzwervingen en ontberingen is aangebroken.

Ingaan in het vrederijk betekent niet dat er niet meer gewerkt hoeft te worden. “Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden” (vers 3737Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden,
die een rijke oogst aan vruchten opbrengen.
)
. Hun werk zal “een rijke oogst aan vruchten opbrengen”. Het is een herstel van de situatie in het paradijs, waar ook gewerkt werd. Werken is een zegen. De vloek is van de schepping weggenomen. Nu kan het land zijn volle opbrengst gaan geven.

Het is allemaal te danken aan de zegen van God. “Hij zegent hen” (vers 3838Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden,
hun vee vermindert Hij niet.
)
. Alleen daardoor worden “zij zeer talrijk”. Dit is de zegen die Hij heeft beloofd (Gn 13:1616En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden.; 22:1717zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.; 26:44Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,; 32:1212U hebt immers gezegd: Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!) en dan vervult. Ook “hun vee vermindert Hij niet”. Eerder heeft Hij dat moeten doen vanwege hun ontrouw. Maar nu zijn ze trouw aan Hem. Dat komt doordat Hij hun een nieuw hart heeft gegeven en daarin Zijn wet heeft geschreven. Daardoor houden ze zich aan Zijn geboden en zegent Hij hen (Dt 28:1-121En het zal gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaam bent, door al Zijn geboden, die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen, dat de HEERE, uw God, u dan [een plaats] zal geven hoog boven alle volken van de aarde.2En al deze zegeningen zullen over u komen en u bereiken, wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent:3Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld.4Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.5Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog.6Gezegend zult u zijn bij uw komen, gezegend zult u zijn bij uw weggaan.7De HEERE zal geven dat uw vijanden die u aanvallen, door u verslagen worden; over één weg zullen zij tegen u uittrekken, maar over zeven wegen zullen zij voor u wegvluchten.8De HEERE zal de zegen over u gebieden in uw schuren en in alles wat u ter hand neemt. Hij zal u zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.9De HEERE zal u voor Zichzelf bevestigen tot een heilig volk, zoals Hij u gezworen heeft, als u de geboden van de HEERE, uw God, in acht neemt en in Zijn wegen gaat.10En alle volken van de aarde zullen zien dat de Naam van de HEERE over u uitgeroepen is, en zij zullen voor u bevreesd zijn.11En de HEERE zal u een overvloed ten goede geven, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, in het land dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te [zullen] geven.12De HEERE zal voor u Zijn rijke schatkamer, de hemel, openen, door uw land regen te geven op zijn tijd en door al het werk van uw handen te zegenen. U zult aan vele volken uitlenen, maar u zult zelf niet hoeven te lenen.).

De tijd van het vrederijk is echter nog niet aangebroken. Er zijn perioden dat God Zijn volk zegent. Dat is het geval als er een trouwe koning of een trouwe richter is die Gods volk volgens Zijn wet bestuurt. Maar daarna wijkt het volk weer af. Dan “verminderen zij [wel] en gaan gebukt onder verdrukking, onheil en verdriet” (vers 3939Daarna verminderen zij [wel] en gaan zij gebukt
onder verdrukking, onheil en verdriet.
).
Dan moet God vijanden zenden die hen verdrukken, of misoogsten, zodat ze weer tot Hem gaan roepen in hun benauwdheid.

Vooral “de edelen” zal Hij laten voelen hoezeer zij zijn afgeweken (vers 4040Hij stort verachting uit over de edelen
en doet hen dwalen in een woestenij, waar geen weg is.
)
. “Hij stort verachting” over hen uit (vgl. Jb 12:21a21Hij giet verachting uit over edelen,
en de gordel van machtigen maakt Hij los.
)
. Zij zijn bijzonder door Hem bevoorrecht in positie en welvaart om daarmee wel te doen aan anderen. Maar ze hebben die voorrechten alleen voor zichzelf gebruikt. We zien dat in de toekomst in de valse herders en vooral de valse opperherder, de antichrist (Ez 34:1-61Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.; Zc 11:15-1715De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder.16Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
17Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
)
.

Daarom doet Hij “hen dwalen in een woestenij, waar geen weg is”. Zij keren terug naar een staat van leegheid, ontheemding en uitzichtloosheid. Het lijkt te verwijzen naar de wereld achter het graf, het land van de eeuwige duisternis. Er is daar “geen weg” … Dit is de verschrikking van de hel en het lot van iedereen die de Heer Jezus als de Weg naar God heeft afgewezen. Wie Hem niet heeft, heeft geen weg, nu niet en nooit. Dit is wat de antichrist en met hem de afvallige massa van Israël te wachten staat.

Tegenover de edele staat “de arme” (vers 4141Maar de arme zet Hij uit de ellende in een veilige vesting,
Hij maakt de gezinnen [talrijk] als kudden.
)
. Hij heeft niets waarop hij zich kan beroemen. Hij is afhankelijk van genade. Die genade geeft God hem. Hij bevrijdt hem “uit de ellende” omdat hij tot Hem heeft geroepen en zet hem “in een veilige vesting”. Zo zal Hij ook het arme overblijfsel uit hun ellende bevrijden en in een veilige vesting zetten. En daar laat Hij het niet bij: “Hij maakt de gezinnen [talrijk] als kudden.” Binnen die veilige vesting zorgt God voor een talrijk nageslacht. Een groot gezin is een bijzondere zegen van God waaraan een groot genot verbonden is.

“De oprechten zien” de zegen waarmee de HEERE hen overlaadt “en zijn verblijd” (vers 42a42De oprechten zien het en zijn verblijd,
maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.
)
. In hen herkennen we, net als in de arme van het vorige vers, het gelovig overblijfsel dat na de grote verdrukking gezegend wordt. Ze hebben al hun zegeningen te danken aan de gunst van God.

De zegen die God aan Zijn volk geeft, legt de goddelozen het zwijgen op (vers 42b42De oprechten zien het en zijn verblijd,
maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.
)
. De ongerechtigheid heeft lange tijd het hoogste woord gevoerd en God het zwijgen willen opleggen door de Zijnen te verdrukken en om te brengen. De bedrijvers van ongerechtigheid hebben zich de rechten van God aangematigd en gemeend Gods koninkrijk in bezit te kunnen nemen. Het ogenblik komt dat God hen zal confronteren met de waarheid. Dan zullen ze geen verweer hebben en zwijgen (Mt 22:11-1411Toen nu de koning naar binnen was gegaan om hen die aanlagen te bezien, zag hij daar een mens die niet bekleed was met een bruiloftskleed.12En hij zei tot hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen zonder een bruiloftskleed aan te hebben? En hij zweeg.13Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.14Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen.).


Wie is wijs?

43Wie is wijs? Laat hij op deze [dingen] letten,
en de goedertierenheid van de HEERE aandachtig opnemen.

In alle beschreven gebeurtenissen zien we zowel het falen en de zwakheid van de mens als het werk van God in vergeving, bevrijding en herstel. We zien dat God boven alles staat en Zijn werk volbrengt, zelfs daar waar het lijkt dat de mens het Hem onmogelijk maakt. Juist daar blijkt hoezeer Hij boven de mens verheven is.

Ware wijsheid wordt gevonden waar inzicht is in de wegen van God met Zijn volk en met de mens (vgl. Hs 14:1010Wie is [zo] wijs, dat hij deze dingen begrijpt,
en [zo] verstandig dat hij ze kent?
De wegen van de HEERE zijn immers recht.
De rechtvaardigen zullen daarop wandelen,
maar de overtreders zullen erop struikelen.
; Dt 32:2929Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
Zij zouden op hun einde letten.
)
. Wie wijs is, zal daarom “op deze [dingen] letten”, dat zijn de dingen die in deze psalm worden beschreven. Wie daarop let, zal waarnemen dat God een goedertieren God is. Niemand kan de werken van God bestuderen zonder te zien dat er ontelbare inzettingen en verordeningen in Zijn schepping zijn die geen ander doel hebben dan de mens gelukkig te maken.

In al Zijn handelingen met de mens wordt Zijn goedertierenheid zichtbaar. Wie wijs is, zal dat “aandachtig” in zich “opnemen” en op zich laten inwerken. Gods goedertierenheid is de basis van alle zegeningen die tijdens het vrederijk in volheid door de mens worden genoten.

Dit geldt voor ons, christenen, in veel hogere mate. Wij zijn nu al gezegend met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Als we bij de Heer Jezus in het Vaderhuis zijn, zullen we daarvan steeds meer de volle omvang leren kennen. Daar zullen we alles zien zoals God het altijd heeft gezien. Dat vooruitzicht zal ons helpen de weg te gaan die God nu voor ons op aarde heeft, met alle vragen die daarbij horen, waarop Hij het antwoord heeft.


Lees verder