Psalmen
Inleiding 1-5 Lofprijzing en gebed 6-12 Verlost uit en van Egypte 13-23 Opstandigheid in de woestijn 24-33 Het land versmaad 34-43 In het land 44-48 De goedertierenheid van God
Inleiding

Deze psalm vormt een contrast met de vorige psalm. In Psalm 105 spreekt de psalmist over de trouw van God aan Zijn beloften. Hij laat daar zien hoe God steeds bij Zijn volk is geweest, hen heeft beschermd, in alles heeft voorzien wat ze nodig hadden en hen in het land van de belofte heeft gebracht.

De reactie die Hij mocht verwachten, staat in het laatste vers van de vorige psalm (Ps 105:4545opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.
Halleluja!
)
. De reactie die Hij krijgt, staat in deze psalm. Psalm 106 geeft het verhaal van tergen van God, het versmaden van het land, het vergeten van Gods beloften, ongeloof, ongehoorzaamheid, opstandigheid en afgoderij.

Dat God ondanks die reacties van Zijn volk toch met hen doorgaat, maakt Zijn genade alleen maar des te bewonderenswaardiger. Hij heeft daarvoor wel een rechtvaardige grondslag en dat is de voorbede van Zijn Zoon, waarvan we in de voorbede van Mozes een beeld zien (vers 2323Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.
Als Mozes, Zijn uitverkorene,
niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan
om Zijn grimmigheid af te wenden,
dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.
)
.


Lofprijzing en gebed

1Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,
al Zijn lof verkondigen?
3Welzalig zij die zich aan het recht houden,
die te allen tijde gerechtigheid doen.
4Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;
zie naar mij om met Uw heil,
5zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,
mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,
mij mag beroemen met Uw eigendom.

De psalmist begint met de uitroep “halleluja!”, loof de Heer! (vers 11Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Daarmee sluit hij de psalm ook af. Hij zegt nog een keer “loof de HEERE” en geeft er dan de reden bij: ”Want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.” Hij is goed, dat is Zijn Wezen. Daarom is Zijn goedertierenheid voor eeuwig, want Hij verandert nooit. Dit zal in het vrederijk openlijk gezien en genoten worden.

De psalmist vraagt zich af waar de mensen zijn die “de machtige daden van de HEERE” kunnen “verwoorden” (vers 22Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,
al Zijn lof verkondigen?
)
. Zijn er wel mensen die dat kunnen en willen? Niemand kan het naar waarde en ten volle. Maar velen willen er niet eens een begin mee maken omdat ze met hun eigen zakenbezig zijn, die vinden ze belangrijker. En wie is in staat “al Zijn lof” te “verkondigen”? Het verkondigen van Zijn lof zal door de gelovigen nooit ten volle kunnen gebeuren, want Hij is verheven boven alle lof en prijs (Ne 9:55De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja [en] Petahja zeiden: Sta op, loof de HEERE, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en laat men Uw heerlijke Naam loven, die boven alle lof en prijs verheven is.). Maar wie zal het niet willen doen naar de maat van wat er wel van wordt gezien?

De machtige daden verwoorden en de lof verkondigen blijft onvolkomen door ons beperkte begrip ervan. We kunnen het geheel ervan niet omvatten, laat staan omschrijven. Wat we wel kunnen en wat God van de Zijnen verwacht, is ons aan het recht houden en te allen tijde gerechtigheid doen (vers 33Welzalig zij die zich aan het recht houden,
die te allen tijde gerechtigheid doen.
)
. Als we dat doen, zijn we “welzalig” of ‘gelukkig’. Daartegen ingaan of er geen rekening mee houden is geen kwestie van zwakheid, maar van onwil.

Na zijn lofprijzing spreekt de psalmist een gebed uit (vers 44Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;
zie naar mij om met Uw heil,
)
. Hij vraagt de HEERE aan hem te denken en dat te doen naar het welbehagen dat Hij in Zijn volk heeft. Hij vraagt daarmee of de HEERE hem wil laten delen in de zegen die Hij voor Zijn volk heeft in het vrederijk, als de Messias regeert. Dat blijkt uit zijn vraag of de HEERE naar hem wil omzien met Zijn heil, of behoudenis, dat wil zeggen hem daaraan deel wil geven.

Als de HEERE dat doet, betekent dat voor hem dat hij veel zegen zal ontvangen. Die zegen is in de eerste plaats dat hij “het goede van Uw uitverkorenen mag zien” (vers 55zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,
mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,
mij mag beroemen met Uw eigendom.
)
. Gods volk is het voorwerp van Zijn uitverkiezing. Zij die ertoe behoren, zijn bijzonder bevoorrecht, want zij zijn het in zichzelf niet waard. Dat geldt ook voor ons als nieuwtestamentische gelovigen. Wij zijn ook uitverkoren en ook uitsluitend op grond van genade en in Christus.

De tweede zegen is dat hij zich “mag verblijden met de blijdschap van Uw volk”. Als Gods volk in de zegen van het vrederijk is, zal het zich met blijdschap verblijden. Als de psalmist dat ziet, zal hem dat ook verblijden. Delen in de behoudenis van het vrederijk is delen in de blijdschap.

De derde zegen is dat hij zich “mag beroemen met Uw eigendom”. Hier gaat het ook om het volk van God, want dat is het persoonlijk eigendom van de HEERE (Dt 7:66Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.). De psalmist ziet ernaar uit zich samen met Gods volk te beroemen over de grote voorrechten die verbonden zijn aan het eigendom zijn van God. Voor ons geldt dat wij, wat we persoonlijk bezitten, samen met alle heiligen mogen delen (vgl. Ef 3:16-1816opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u geeft door Zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens,17zodat Christus door het geloof in uw harten woont, terwijl u in [de] liefde geworteld en gegrond bent;18opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,).


Verlost uit en van Egypte

6Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen,
wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld.
7Onze vaderen in Egypte
hebben Uw wonderen niet opgemerkt;
zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke [blijken van] goedertierenheid,
maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee.
8Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,
om Zijn macht bekend te maken.
9Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel;
Hij deed hen door de diepe wateren gaan als [door] een woestijn.
10Hij verloste hen uit de hand van de hater,
Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.
11Water bedolf hun tegenstanders,
niet één van hen bleef over.
12Toen geloofden zij Zijn woorden,
zij zongen Zijn lof.

De psalmist belijdt de zonde van het volk waarvan hij zojuist de voorrechten heeft beschreven. Hij heeft ook aan de HEERE gevraagd om in de zegeningen ervan te mogen delen. Nu maakt hij zich een met Gods volk, waarvan hij deel uitmaakt, en zegt tot drie keer toe: “Wij hebben …” (vers 66Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen,
wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld.
)
.

Zonder enige vergoelijking belijdt hij dat zij hebben “gezondigd” en zich “misdragen” en “goddeloos gehandeld” hebben. Hij erkent dat hij en zijn volk niet beter zijn dan “onze vaderen”. Een dergelijke eenmaking met de zonden van het hele volk, ook die van vroeger, zien we ook bij Daniël en Ezra (Dn 9:4-194Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis en zei: Och Heere, grote en ontzagwekkende God, Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid ten aanzien van hen die Hem liefhebben en zich houden aan Zijn geboden,5wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen.6Wij hebben niet geluisterd naar Uw knechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel de bevolking van het land.7Bij U, Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de schaamte op het gezicht – zo is het heden ten dage bij de mannen van Juda, bij de inwoners van Jeruzalem en bij heel Israël, [bij hen] die dichtbij zijn en die ver weg zijn, in alle landen waarheen U hen verdreven hebt om hun trouwbreuk, die zij jegens U gepleegd hebben.8Heere, bij ons [staat] de schaamte op het gezicht, bij onze koningen, bij onze vorsten, bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.9De Heere, onze God, is vol barmhartigheid en menigvuldige vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.10Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God, om volgens Zijn wetten te wandelen, die Hij ons gegeven heeft door de hand van Zijn knechten, de profeten.11Maar heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken door niet te luisteren naar Uw stem. Daarom is over ons de vervloeking en de eed uitgestort die beschreven is in de wet van Mozes, de knecht van God, want wij hebben tegen Hem gezondigd.12Hij heeft Zijn woorden bevestigd die Hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze richters die ons leiding gaven, door over ons een groot onheil te brengen, dat zich onder heel de hemel nergens heeft voorgedaan zoals dat zich in Jeruzalem voorgedaan heeft.13Zoals het beschreven is in de wet van Mozes, is al dat onheil over ons gekomen. Wij hebben het aangezicht van de HEERE, onze God, niet geprobeerd gunstig te stemmen door ons af te keren van onze ongerechtigheden en verstandig met Uw waarheid om te gaan.14Daarom heeft de HEERE over het onheil gewaakt en heeft Hij het over ons gebracht. Want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, aangezien wij naar Zijn stem niet geluisterd hebben.15Nu dan, Heere, onze God, [U,] Die Uw volk met sterke hand uit het land Egypte geleid hebt en U een Naam gemaakt hebt zoals hij heden ten dage is – wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld.16Heere, laten toch Uw toorn en Uw grimmigheid zich afwenden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg, op grond van al Uw gerechtigheden, want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk tot smaad geworden voor allen om ons heen.17Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw knecht en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is.18Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen, om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid.19Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe [het], wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen.; Ea 9:6-7,10,156En ik zei: Mijn God, ik ben [te zeer] beschaamd en te schande geworden om mijn gezicht tot U op te heffen, mijn God, want onze ongerechtigheden zijn talrijk geworden, tot boven [ons] hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel.7Vanaf de dagen van onze vaderen zijn wij in grote schuld tot op deze dag, en door onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen [en] onze priesters, in de hand van de koningen van de landen [rondom], aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande, zoals op deze dag.10En nu, wat zullen wij hierop zeggen, onze God? Wij hebben immers Uw geboden verlaten,15HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig, want er is ons [gelegenheid tot] ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven.).

Dan begint hij de zonden te noemen. Het is al in Egypte begonnen. Daar hebben “onze vaderen … Uw wonderen niet opgemerkt” (vers 77Onze vaderen in Egypte
hebben Uw wonderen niet opgemerkt;
zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke [blijken van] goedertierenheid,
maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee.
)
. Al de plagen die God voor hun bevrijding over Egypte heeft gebracht, zijn voor Zijn volk ‘tekenen en wonderen’ geweest. Maar ze zijn er blind voor geweest. Het is niet tot hen doorgedrongen hoezeer God dit voor hen deed.

Ook hebben zij “niet gedacht aan Uw talrijke [blijken van] goedertierenheid”. Het volk is niet aangesproken door de talrijke bewijzen van Gods liefde. Het is al erg om één van Gods goedertierenheden te negeren. Het spreekt van totale onverschilligheid als een aan overvloed van goedertierenheden gedachteloos wordt voorbijgegaan.

Het is niet in hun herinnering gebleven omdat ze alleen aan zichzelf dachten. Wat moet het God een verdriet hebben gedaan dat Zijn volk Zijn talrijke liefdedaden zo heeft genegeerd. Is er iets wat pijnlijker is dan een liefdedaad of zelfs talrijke liefdedaden te beantwoorden met onverschilligheid?

En het wordt nog erger. Op ‘niet opmerken’ en ‘niet aan denken’ volgt hun ongehoorzaamheid “bij de zee, de Schelfzee”. Dit is een gebeurtenis direct nadat de HEERE hen uit Egypte heeft verlost. Ze hebben goed en wel de bevrijding van het juk ervaren en zijn op weg naar het beloofde land of het volk toont hun ongehoorzaamheid. Ze verwijten Mozes hun verlossing en geven aan dat ze liever de Egyptenaren dienen dan verder te trekken (Ex 14:10-1210Toen de farao dichtbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de Egyptenaren trokken achter hen aan. Toen werden de Israëlieten zeer bevreesd en riepen tot de HEERE,11en zij zeiden tegen Mozes: Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe hebt u dit met ons kunnen doen door ons uit Egypte te leiden?12Was dit niet wat wij in Egypte [al] tegen u zeiden: Laat ons met rust, laten wij de Egyptenaren [maar] dienen? Want het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen dan in de woestijn te sterven.).

In plaats van Zijn volk om te brengen verloste Hij hen “omwille van Zijn Naam” (vers 88Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,
om Zijn macht bekend te maken.
; vgl. Js 48:99Omwille van Mijn Naam stel Ik Mijn toorn uit,
[omwille van] Mijn roem zal Ik Mij bedwingen, u ten goede,
zodat Ik u niet zal uitroeien.
)
. Dit is de eerste reden. Hij handhaaft altijd Zijn Naam. Een tweede reden, die met de eerste verbonden is, is “om Zijn macht bekend te maken”. Als Hij Zijn macht bekendmaakt, maakt Hij ook Zijn Naam als de Almachtige bekend (Ex 9:1616Maar [juist] hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht [aan] u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.).

De Schelfzee leek een verhindering voor de verlossing, maar God “bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel” (vers 99Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel;
Hij deed hen door de diepe wateren gaan als [door] een woestijn.
; Ex 14:21-22,2921Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.22Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.; Js 50:22Waarom was er niemand toen Ik kwam?
[Waarom] gaf niemand antwoord toen Ik riep?
Is Mijn hand ten enenmale te kort om te verlossen?
Of is er in Mij geen kracht om te redden?
Zie, door Mijn bestraffing maak Ik de zee droog.
Ik maak rivieren [tot] een woestijn.
Hun vissen stinken, omdat er geen water is,
en ze sterven van dorst.
; Na 1:44Hij bestraft de zee en maakt die droog, /gimel/
al de rivieren laat Hij verdrogen.
Basan en Karmel zijn verwelkt, /daleth/
de bloesem van Libanon is verwelkt.
)
. Zo maakte Hij Zijn macht bekend. De zee is aan Hem onderworpen en luistert naar Zijn bevel. Hij baande voor Zijn volk een weg “door de diepe wateren … als [door] een woestijn”. Hij deed hen er doorheen gaan, zodat ze hun weg naar het beloofde land konden vervolgen (Js 63:12-1412Die Zijn luisterrijke arm heeft doen gaan
aan de rechterhand van Mozes,
Die het water voor hun [ogen] doormidden spleet
om Zich een eeuwige Naam te maken,
13Die hen deed gaan door de diepe wateren?
Als een paard in de woestijn struikelden zij niet,
14als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.
)
.

Zo verloste Hij hen “uit de hand van de hater” en bevrijdde Hij hen “uit de hand van de vijand” (vers 1010Hij verloste hen uit de hand van de hater,
Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.
; vgl. Lk 1:7171behoudenis van onze vijanden en uit [de] hand van allen die ons haten;)
. De hater en de vijand is de farao. Zijn hand kon hen niet meer grijpen omdat God voor hen een pad door de zee had gemaakt waardoor ze hem uit handen bleven.

Wat voor Gods volk de weg van verlossing en bevrijding was, was voor tegenstanders de weg van het oordeel (vers 1111Water bedolf hun tegenstanders,
niet één van hen bleef over.
)
. Het water bedolf hen, “niet één van hen bleef over” (Ex 14:27-2827Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.; 15:55         De watervloeden hebben hen bedolven,
                        zij zijn als een steen in de diepten gezonken.
)
. Het oordeel over hun hater en vijand en al zijn soldaten was totaal en voor altijd. Er ging geen enkele dreiging meer van hen uit, want ze waren allemaal omgekomen.

Na de ontplooiing van Gods macht in dit wonder van hun bevrijding en van oordeel over hun vijanden “geloofden zij Zijn woorden” (vers 1212Toen geloofden zij Zijn woorden,
zij zongen Zijn lof.
; Ex 14:3131Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.)
. Ze zagen met eigen ogen dat Hij had gedaan wat Hij had gezegd. Als reactie daarop “zongen” zij “Zijn lof” in het lied van de bevrijding (Ex 15:1-181Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.2         De HEERE is mijn kracht en lied,
                        Hij is mij tot heil geweest.
            Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;
                        de God van mijn vader, Hem roem ik.
3         De HEERE is een Strijder,
                        HEERE is Zijn Naam.4         De wagens van de farao en zijn leger
                        heeft Hij in de zee geworpen.
            De besten van zijn officieren
                        zijn verdronken in de Schelfzee.
5         De watervloeden hebben hen bedolven,
                        zij zijn als een steen in de diepten gezonken.
6         Uw rechterhand, HEERE,
                        was heerlijk in macht;
            Uw rechterhand, HEERE,
                        verpletterde de vijand.
7         In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.
                        U zond Uw brandende [toorn],
                                    die hen als stoppels verteerde.
8         Door de adem van Uw neus
                        is het water opgehoopt,
            de stromen stonden als een dam,
                        de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
9         De vijand zei:
                        Ik achtervolg [hen], haal [hen] in,
                                    deel de buit.
            Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,
                        ik trek mijn zwaard,
                                    mijn hand roeit hen uit.
10       Maar U hebt met Uw adem geblazen,
                        de zee heeft hen bedolven.
            Zij zonken als lood
                        in machtige watermassa's.
11       Wie is als U
                        onder de goden, HEERE?
            Wie is als U,
                        verheerlijkt in heiligheid,
            ontzagwekkend in lofzangen,
                        [U] Die wonderen doet?
12       U strekte Uw rechterhand uit,
                        en de aarde verzwolg hen.13       U leidde in Uw goedertierenheid
                        dit volk, dat U verlost hebt.
            U leidde [hen] zachtjes door Uw kracht
                        naar Uw heilige woning.14       De volken hebben het gehoord, zij sidderden,
                        angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.
15       Toen werden door schrik overmand
                        de stamhoofden van Edom.
            De machthebbers van Moab
                        greep huivering aan.
            Al de inwoners van Kanaän smolten weg [van angst].
16       Op hen viel
                        verschrikking en angst.
            Door de grootheid van Uw arm
                        verstomden zij als een steen,
            terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
                        terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.17       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.18       De HEERE zal regeren
                        voor eeuwig en altijd!
)
.


Opstandigheid in de woestijn

13[Maar] zij vergaten spoedig Zijn werken.
Zij wachtten niet op Zijn raad,
14en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;
zij stelden God op de proef in de wildernis.
15Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,
maar henzelf deed Hij uitteren.
16Zij werden jaloers op Mozes in het kamp,
[en] op Aäron, de heilige van de HEERE.
17De aarde opende zich en verslond Dathan
en bedolf de aanhang van Abiram.
18Een vuur brandde onder hun aanhang,
een vlam verzengde de goddelozen.
19Zij maakten een kalf bij de Horeb
en bogen zich neer voor een gegoten [beeld].
20Zij ruilden hun Eer in
voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
21Zij vergaten God, hun Heiland,
Die grote dingen gedaan had in Egypte,
22wonderen in het land van Cham,
ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee.
23Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.
Als Mozes, Zijn uitverkorene,
niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan
om Zijn grimmigheid af te wenden,
dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.

Nu volgt er een opsomming van zonden van Israël vanaf hun eerste stappen in de woestijn die zij door moesten om in het beloofde land te komen. Het begint met het vergeten en ongeduld (vers 1313[Maar] zij vergaten spoedig Zijn werken.
Zij wachtten niet op Zijn raad,
)
. Gods werken ten gunste van hen in hun verlossing uit Egypte, hun doortocht door de Schelfzee en het oordeel over hun vijanden werden “spoedig” of “met haast” door hen vergeten. Wat een drama’s volgden hieruit. Maar laten we hen niet te hard vallen. Hoe snel vergeten wij al Gods werken ten gunste van ons?

Als we Gods goedheid voor ons vergeten, worden we snel ongeduldig. We vergeten hoe vaak Hij al heeft gezorgd en klagen over onze omstandigheden. Het volk begon te klagen over gebrek aan water en voedsel (Ex 15:2424Toen morde het volk tegen Mozes, en zei: Wat moeten wij [nu] drinken?; 16:2-32En heel de gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn.3De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar door de hand van de HEERE gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven.). Ze vroegen Hem er niet naar en konden niet het geduld opbrengen om op Zijn raad te wachten. Ze keken niet naar Hem, maar naar wat ze misten. Er was gebrek, dus was er reden om te morren.

Toen God hun gaf waar ze om vroegen, werden ze “met gulzigheid bevangen in de woestijn” (vers 1414en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;
zij stelden God op de proef in de wildernis.
; Nm 11:4,6,334Het samenraapsel [van vreemdelingen] dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?6Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen!33Het vlees zat nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, of de toorn van de HEERE ontbrandde tegen het volk, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe.; Ps 78:18,28-2918Zij stelden God in hun hart op de proef:
zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen.
28Hij deed het vallen midden in Zijn kamp,
rondom Zijn woningen.
29Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
; 1Ko 10:66En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.)
. Ze vielen op het voedsel aan en verslonden het. Met hun begeerten stelden zij “God op de proef in de wildernis”. Zij testten Hem uit, of Hij wel in staat was om te geven wat zij wilden.

Wel, God “gaf … hun wat zij begeerden” (vers 1515Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,
maar henzelf deed Hij uitteren.
; Nm 11:31-3231Toen stak er van [de kant van] de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el [hoog] boven het aardoppervlak.32En het volk stond op, die hele dag en die hele nacht, en heel de volgende dag, en men verzamelde de kwakkels. Wie het minst had, had tien homer verzameld, en men spreidde ze wijd voor zich uit, rondom het kamp.)
. Omdat ze maar bleven zeuren, gaf God waar ze om hadden gevraagd. Hij had het hun kunnen onthouden, maar Hij wilde hun een les leren. Die les is dat een begeerte die uit de eigen wil voortkomt niet tot gezondheid leidt, maar tot uittering. Helaas werd de les niet geleerd, want ze gingen door met zondigen.

De volgende zonde is die van jaloersheid (vers 1616Zij werden jaloers op Mozes in het kamp,
[en] op Aäron, de heilige van de HEERE.
)
. Het betreft de jaloersheid van Korach, Dathan en Abiram (Nm 16:1-31Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kahath, zoon van Levi, nam zowel Dathan en Abiram, zonen van Eliab, als On, de zoon van Peleth, nakomelingen van Ruben, [met zich] mee.2Zij kwamen in opstand tegen Mozes, samen met tweehonderdvijftig mannen uit de Israëlieten, leiders van de gemeenschap, afgevaardigden naar de vergadering, mannen van naam.3Zij kwamen vanwege Mozes en vanwege Aäron bijeen, en zeiden tegen hen: U [trekt] te veel naar u [toe], want heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig, en de HEERE is in hun midden. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van de HEERE?). Zij werden “jaloers op Mozes in het kamp” als de leider van het volk door wie God tot het volk te sprak. Zij werden ook jaloers “op Aäron, de heilige van de HEERE”, dat wil zeggen de door de HEERE voor Zichzelf afgezonderde priester om Zijn volk bij Hem te vertegenwoordigen.

Het oordeel over deze jaloersheid werd door de HEERE zwaar gestraft (vers 1717De aarde opende zich en verslond Dathan
en bedolf de aanhang van Abiram.
).
Het was namelijk een frontale aanval op Zijn bestuur van het volk. De straf was daarmee in overeenstemming. Het oordeel dat Hij over Dathan en Abiram voltrok – Korach wordt hier niet genoemd (vgl. Dt 11:66en wat Hij gedaan heeft met Dathan en Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben: dat de aarde haar mond opende en hen verzwolg, met hun gezinnen en hun tenten en alles wat bij hen hoorde, te midden van heel Israël.) –, is niet eerder voltrokken, het is “iets nieuws” (Nm 16:30-3330Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.).

Ook is er een vuur, dat bij de HEERE vandaan kwam (Nm 16:35a35En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.), dat “brandde onder hun aanhang” (vers 1818Een vuur brandde onder hun aanhang,
een vlam verzengde de goddelozen.
)
. De heftigheid van het oordeel wordt benadrukt door eraan toe te voegen dat “een vlam … de goddelozen” verzengde. Zo werden “tweehonderdvijftig mannen” verteerd (Nm 16:35b35En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.). Hier zien we hoe afschuwelijk zondige, egoïstische jaloersheid voor God is.

Dan noemt de psalmist de zonde van afgoderij (vers 1919Zij maakten een kalf bij de Horeb
en bogen zich neer voor een gegoten [beeld].
; Dt 9:7-167Houd in gedachten [en] vergeet niet dat u de HEERE, uw God, zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam, bent u ongehoorzaam geweest aan de HEERE.8Bij de Horeb hebt u de HEERE immers zeer toornig gemaakt; de HEERE werd [zo] toornig op u dat Hij u [wilde] wegvagen.9Toen ik de berg opgeklommen was om de stenen tafelen, de tafelen van het verbond dat de HEERE met u gesloten had, te ontvangen, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water.10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven door de vinger van God; daarop [stonden] alle woorden die de HEERE met u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag [dat u daar] bijeenkwam.11Het gebeurde na verloop van veertig dagen en veertig nachten, toen de HEERE mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,12dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, daal snel vanhier af, want uw volk, dat u uit Egypte geleid hebt, handelt verderfelijk. Zij zijn [al] snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt.13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk.14Laat Mij begaan, dan zal Ik hen wegvagen en hun naam van onder de hemel uitwissen. Dan zal Ik u tot een volk maken [dat nog] machtiger en talrijker [is] dan dit.15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af – de berg brandde van vuur en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.16Ik keek toe en zie: u had tegen de HEERE, uw God, gezondigd; u had voor uzelf een gegoten kalf gemaakt. U was [al] snel afgeweken van de weg die de HEERE u geboden had!)
. Hij verwijst naar “een kalf bij de Horeb” dat zij hadden gemaakt (Ex 32:1-41Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.2En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.). Dit is een overtreding van het tweede gebod (Ex 20:4-64U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.). Zij hebben zich “voor een gegoten [beeld]” neergebogen. Daarmee hebben zij God bijzonder gegriefd Die Zich zo duidelijk in Zijn goedheid voor hen had geopenbaard.

Zij hebben door deze aanbidding van een stuk dode materie “hun Eer” verruild “voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet” (vers 2020Zij ruilden hun Eer in
voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
)
. De toevoeging ‘dat gras eet’ maakt de absurditeit van het aanbidden van het dier des te groter. Hun Eer is God Zelf (Jr 2:1111Heeft een volk [ooit] goden ingeruild?
– en het zijn niet eens goden! –
Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild
voor [wat] niet van nut is.
)
. Hoe dwaas kan een mens toch zijn om Hem te verruilen voor een dom, grasetend dier!

Paulus citeert dit vers in Romeinen 1. Dit vers maakt namelijk duidelijk wat het resultaat is als de mens de heerlijkheid van de onvergankelijke God inruilt voor iets wat lijkt op een vergankelijk, voorbijgaand mens of dier. Het resultaat is dat God hem in de begeerten van zijn hart overgeeft aan onreinheid (Rm 1:23-2423en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.24Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;). Als we niet blind zijn, zien we het vandaag de dag overal om ons heen.

Ze vergaten niet alleen de werken van God (vers 1313[Maar] zij vergaten spoedig Zijn werken.
Zij wachtten niet op Zijn raad,
)
, ze vergaten “God, hun Heiland” Zelf (vers 2121Zij vergaten God, hun Heiland,
Die grote dingen gedaan had in Egypte,
)
. Gods volk is tot afgoderij vervallen met alle liederlijkheid die daarmee gepaard gaat omdat ze Hem vergaten, “Die grote dingen gedaan had in Egypte” (vers 2121Zij vergaten God, hun Heiland,
Die grote dingen gedaan had in Egypte,
)
. Hij heeft daar bewezen ‘hun Heiland’, dat is hun Redder, hun Bevrijder, hun Behouder te zijn.

Om hen te behouden had Hij “wonderen in het land van Cham” en de “ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee” gedaan (vers 2222wonderen in het land van Cham,
ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee.
; Dt 10:2121Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.)
. Deze dingen zouden tot de verbeelding moeten blijven spreken. Wat God in Egypte en bij de Schelfzee had gedaan, zou hen constant met het grootste vertrouwen in Zijn almacht hebben moeten vullen. Maar ze zijn Hem vergeten. Dit mag wel tot ons hart en geweten spreken dat wij het nooit vergeten wat Hij voor heeft gedaan in onze verlossing.

Op een dergelijke vergeetachtigheid bij Zijn volk en de daaruit voortvloeiende afgoderij kon God niet anders reageren dan met het dreigement om hen weg te vagen (vers 2323Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.
Als Mozes, Zijn uitverkorene,
niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan
om Zijn grimmigheid af te wenden,
dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.
)
. Hij was, om het menselijk te zeggen, helemaal klaar met Zijn volk. Hij zou Zijn voornemen ook hebben uitgevoerd “als Mozes, Zijn uitverkorene, niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan” (vgl. Ez 22:3030Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.).

Zoals een soldaat in de bres van een muur staat om de vijand met inzet van zijn leven de doorgang te verhinderen, zo lag Mozes voor Gods aangezicht om Gods grimmigheid af te wenden. Op grond van het hartstochtelijke pleidooi van Mozes heeft God hen niet te gronde gericht en zijn zij gespaard gebleven (Dt 9:25-2925Ik wierp mij neer voor het aangezicht van de HEERE, die veertig dagen en veertig nachten dat ik mij neergeworpen had, omdat de HEERE gezegd had dat Hij u zou wegvagen.26En ik bad tot de HEERE en zei: Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom [toch] niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.27Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, naar zijn goddeloosheid, en naar zijn zonde;28anders zal het land waar U ons uit geleid hebt, zeggen: Omdat de HEERE hen niet kon brengen in het land waarover Hij tot hen gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij hen uitgeleid, om hen te doden in de woestijn.29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!).

Mozes is hierin een beeld van de Heer Jezus, Die de grote Voorbidder en Pleitbezorger voor Zijn volk op aarde is. Alleen door Zijn voorbede bij God zal er een overblijfsel van Gods volk de eindstreep halen en de zegen binnengaan. Dat geldt niet alleen voor Gods aardse volk, Israël, maar ook voor Gods hemelse volk, de gemeente (Rm 8:3434wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.).


Het land versmaad

24Zij versmaadden het begerenswaardige land,
zij geloofden Zijn woord niet,
25maar zij morden in hun tenten;
naar de stem van de HEERE luisterden zij niet.
26Daarom hief Hij Zijn hand tegen hen op
[en zwoer] dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,
27dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken
en hen zou verstrooien door de landen.
28Ook koppelden zij zich aan Baäl-Peor,
zij aten de offers voor de doden.
29Zij verwekten [de HEERE] tot toorn met hun daden,
zodat er een plaag onder hen uitbrak.
30Toen stond Pinehas op en oefende gericht
en de plaag werd tot stilstand gebracht.
31Het is hem gerekend tot gerechtigheid,
van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.
32Zij maakten [Hem] zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging Mozes slecht omwille van hen.
33Want zij tergden zijn geest,
zodat hij met zijn lippen ondoordachte [woorden] sprak.

Het versmaden van “het begerenswaardige land” (vers 2424Zij versmaadden het begerenswaardige land,
zij geloofden Zijn woord niet,
; Jr 3:1919Ík had wel gezegd:
Hoe kan Ik u tot kinderen maken
en u een begerenswaardig land geven,
het sierlijke erfelijk bezit van de heidenvolken?
Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader,
en u zult zich van achter Mij niet afkeren.
; vgl. Ez 20:66Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, [een land] dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.)
gebeurde nadat de verspieders er waren geweest en verslag hadden gedaan van hun bevindingen. De oorzaak ervan is ongeloof. Ze geloofden het verslag van tien ongelovige verspieders. Het woord van God, Zijn belofte om hun het land te geven, geloofden ze niet (Dt 1:3232Maar ondanks deze woorden geloofde u niet in de HEERE, uw God,) en evenmin wat Jozua en Kaleb getuigden (Nm 14:3-103Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden [van de vijand]? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren?4En zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren!5Toen wierpen Mozes en Aäron zich met hun gezicht [ter aarde], voor heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten.6En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, [twee] van hen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren,7en zeiden tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een bijzonder goed land.8Als de HEERE ons genegen is, zal Hij ons in dat land brengen en zal Hij het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing.9Alleen, kom tegen de HEERE niet in opstand, en u, wees niet bevreesd voor de bevolking van het land, want zij zijn ons tot voedsel, hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons. Wees niet bevreesd voor hen!10Toen zei heel de gemeenschap dat men hen met stenen moest stenigen. Maar de heerlijkheid van de HEERE verscheen in de tent van ontmoeting, voor al de Israëlieten.).

Het gevolg van hun ongeloof is dat “zij morden in hun tenten” (vers 2525maar zij morden in hun tenten;
naar de stem van de HEERE luisterden zij niet.
; Nm 14:1-21Toen begon heel de gemeenschap [luid te weeklagen] en bleef het volk in die nacht luid jammeren.2Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven! Waren wij maar gestorven!; 1Ko 10:1010Moppert ook niet, zoals sommigen van hen mopperden en door de verderver omkwamen.)
. Ze waren zeer ontevreden over Gods handelwijze met hen. Daarover zaten ze in hun tenten te mokken en te mopperen. Ze beïnvloedden elkaar met hun ontevredenheid, maar hadden geen oor voor wat de HEERE te zeggen had: “Naar de stem van de HEERE luisterden ze niet.”

Daarom “hief Hij Zijn hand tegen hen op” om de plechtige eed te zweren “dat Hij hen zou neervellen in de woestijn” (vers 2626Daarom hief Hij Zijn hand tegen hen op
[en zwoer] dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,
)
. Niemand van dit mopperende, ongehoorzame geslacht zou in het land komen, behalve Jozua en Kaleb (Nm 14:29-3029In deze woestijn zullen uw dode lichamen vallen, [te weten] allen van u die geteld zijn, naar hun volledige aantal, van twintig jaar oud en daarboven, [u] die tegen Mij gemord hebt.30U zult beslist niet in dat land komen waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou laten wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.).

Hetzelfde zou gebeuren met “hun nageslacht” (vers 2727dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken
en hen zou verstrooien door de landen.
)
omdat zij eenzelfde geest van mopperen, ongeloof en ongehoorzaamheid openbaarden. God zou hen “verstrooien door de landen” (Lv 26:3333Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.; Ez 20:2323Ik heb ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven om hen te verspreiden onder de heidenvolken en hen te verstrooien in de landen,). Dat is gebeurd toen de Assyriërs het tienstammenrijk wegvoerden en toen de Babyloniërs het tweestammenrijk wegvoerden.

Veertig jaar later zijn ze in de vlakten van Moab, aan de grens met het beloofde land. Daar hebben ze zich aan de afgod Baäl-Peor, een lokale Moabitische afgod gekoppeld (vers 2828Ook koppelden zij zich aan Baäl-Peor,
zij aten de offers voor de doden.
; vgl. 2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?)
. Hun afschuwelijke, overspelige verbintenis met de Moabieten ging gepaard met het eten van “de offers voor de doden”, dat zijn de offers voor de dode afgoden (Nm 25:1-21Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.). Het zijn ook offers die de dood van de offeraar tot gevolg hebben. Wat een contrast met de levende God Die Zich voor hen heeft ingezet.

Deze gruwelijke verbinding was de HEERE een doorn in het oog. “Zij verwekten” Hem “tot toorn met hun daden” (vers 2929Zij verwekten [de HEERE] tot toorn met hun daden,
zodat er een plaag onder hen uitbrak.
)
. Hun daden waren zondige daden, misdaden. Daarmee tartten ze Hem. Hun uitdagende houding en handelingen tegenover Hem beantwoordde Hij met “een plaag” die “onder hen uitbrak” (Nm 25:1,91Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.).

Paulus verwijst in zijn eerste brief aan de Korintiërs naar deze gebeurtenis om ons ervoor te waarschuwen niet in dezelfde zonde te vallen (1Ko 10:8,118Laten wij ook niet hoereren, zoals sommigen van hen hoereerden, en er vielen er op één dag drieëntwintigduizend.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Wanneer wij liefde opvatten voor personen die met God niets te maken willen hebben, hoereren wij in geestelijk opzicht. Jakobus windt er geen doekjes om als hij duidelijk stelt: “Overspeligen, weet u niet dat vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God?” (Jk 4:44Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.).

In dit geval is voorbede van Mozes niet de oplossing om de plaag te laten ophouden, maar het voltrekken van het oordeel over het kwaad. Dat deed Pinehas, de kleinzoon van Aäron (vers 3030Toen stond Pinehas op en oefende gericht
en de plaag werd tot stilstand gebracht.
)
. Hij doodde de Israëlitische man die God had getart door een Midianitische vrouw in het kamp te brengen. Hij doodde ook de vrouw. Toen hield de plaag op (Nm 25:6-86En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.).

Wat Pinehas deed, is een daad van gerechtigheid (vers 3131Het is hem gerekend tot gerechtigheid,
van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.
)
. Het is een daad van toewijding aan de HEERE, een opkomen voor Zijn eer, het bewijs dat hij een rechtvaardig man was. God heeft hem die daad “tot gerechtigheid” gerekend (vgl. Jk 2:21-2521Is onze vader Abraham niet op grond van werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Izaäk op het altaar geofferd had?22U ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken en het geloof uit de werken volmaakt werd.23En de Schrift werd vervuld die zegt: ‘En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend’, en hij werd een vriend van God genoemd.24U ziet dat een mens op grond van werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen op grond van geloof.25En is niet evenzo ook Rachab de hoer op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had?). Het is een rechtvaardige daad die nooit zal worden vergeten. Het is zelfs zo, dat zijn nageslacht “van generatie op generatie, tot in eeuwigheid” daarvan de zegen zal ondervinden (Nm 25:10-1310Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.).

Met nog iets minder dan een half jaar te gaan voordat Israël het beloofde land zou binnengaan, maakte het volk de HEERE “zeer toornig bij het water van Meriba” (vers 3232Zij maakten [Hem] zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging Mozes slecht omwille van hen.
)
. De Israëlieten klaagden over water alsof God niet bij machte was om hen van water te voorzien. God zei tegen Mozes dat hij tegen de rots moest spreken, maar Mozes sloeg op de rots, tot twee keer toe (Nm 20:8-118Neem de staf en roep de gemeenschap bijeen, u en Aäron, uw broer, en spreek voor hun ogen tot de rots, en die zal zijn water geven. Zo zult u water voor hen voortbrengen uit de rots, en u zult de gemeenschap en hun vee laten drinken.9Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de HEERE, zoals Hij hem geboden had.10En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.).

Mozes werd door de HEERE zwaar voor zijn ongehoorzaamheid gestraft: hij mocht het volk niet in het land brengen (Nm 20:1212Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.). De schuld lag bij het volk, “het verging Mozes slecht omwille van hen”. Maar de kant van Mozes’ ongehoorzaamheid wordt hier niet belicht. Hier gaat het om de kant van het volk. Zíj maakten Hem zeer toornig.

Keer op keer hadden ze Mozes getergd en keer op keer was hij voor hen in de bres gaan staan voor God. Hij was in de school van God de zachtmoedigste man op aarde geworden (Nm 12:33Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.). Er moest heel wat gebeuren, wilde hij zijn geduld verliezen. Maar het volk kreeg het uiteindelijk voor elkaar. Ze gingen ruzie met Mozes maken over hun gebrek aan water (Nm 20:2-52Maar er was voor de gemeenschap geen water. Toen kwamen zij bijeen vanwege Mozes en vanwege Aäron.3En het volk kreeg onenigheid met Mozes. Zij zeiden: Hadden wij maar de geest gegeven, toen onze broeders voor het aangezicht van de HEERE de geest gaven!4En waarom hebt u de gemeente van de HEERE in deze woestijn gebracht? Om hier te sterven, wij en ons vee?5En waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken? Om ons op deze ellendige plaats te brengen? Het is geen plaats voor zaaigoed, evenmin voor vijgenbomen, wijnstokken en granaatappels. Ook is er geen water om te drinken.). Dit deed de maat aan geduld bij Mozes overlopen. Hij werd zozeer getergd in zijn geest, dat “hij met zijn lippen ondoordachte [woorden] sprak” (vers 3333Want zij tergden zijn geest,
zodat hij met zijn lippen ondoordachte [woorden] sprak.
; Nm 20:1010En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?)
.


In het land

34Zij vaagden de volken niet weg,
zoals de HEERE hun bevolen had;
35maar zij vermengden zich met de heidenvolken
en leerden hun gebruiken.
36Zij dienden hun afgoden,
die hun tot een valstrik werden.
37[Bovendien] offerden zij hun zonen
en hun dochters aan de demonen.
38Zij vergoten onschuldig bloed,
het bloed van hun zonen en dochters.
Zij offerden [hen] aan de afgoden van Kanaän,
zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.
39Zij verontreinigden zichzelf door hun werken,
zij bedreven hoererij door hun daden.
40Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk,
Hij had een afschuw van Zijn eigendom.
41Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken;
wie hen haatten, heersten over hen.
42Hun vijanden onderdrukten hen,
zij werden vernederd onder hun hand.
43Hij redde hen vele keren,
zíj echter tergden [Hem] door hun plannen
en raakten uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

Als het volk in het land is aangekomen, gaan hun gehoorzaamheid en hun geloof er niet op vooruit. Jozua had hen opgeroepen tot trouw aan de HEERE (Jz 13:1-71Jozua nu was oud [en] op dagen gekomen, en de HEERE zei tegen hem: U bent zelf oud geworden en op dagen gekomen, en er is [nog] zeer veel land overgebleven om dat in bezit te nemen.2Dit is het land dat overgebleven is: alle gebieden van de Filistijnen en heel [het land van] de Gesuriet;3vanaf de Sichor, die tegenover Egypte ligt, tot aan het gebied van Ekron in het noorden, dat tot [het gebied van] de Kanaänieten wordt gerekend. De vijf stadsvorsten van de Filistijnen, die van Gaza en die van Asdod, die van Askelon, die van Gath en die van Ekron, en de Avvieten;4vanaf het zuiden heel het land van de Kanaänieten, en Meara, dat van de Sidoniërs is, tot aan Afek, tot aan het gebied van de Amorieten;5bovendien het land van de Giblieten, en de hele Libanon, waar de zon opkomt, vanaf Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan Lebo-Hamath;6allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb.7Nu dan, verdeel dit land als erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam Manasse,; 23:9-119De HEERE heeft immers grote en machtige volken van voor uw [ogen] verdreven. En wat u betreft: niemand heeft tegenover u stand kunnen houden tot op deze dag.10Eén man uit u zal er duizend achtervolgen, want het is de HEERE, uw God, Zelf Die voor u strijdt, zoals Hij tot u gesproken heeft.11Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.), maar dat was tegen dovemans oren gezegd. Ze gingen door op de weg ongehoorzaamheid en ongeloof. De HEERE had hun bevolen de volken weg te vagen, maar “zij vaagden de volken niet weg” (vers 3434Zij vaagden de volken niet weg,
zoals de HEERE hun bevolen had;
; Dt 7:2,162en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.16U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.)
. Het boek Richteren geeft een verslag van hun ongehoorzaamheid aan dit bevel van de HEERE.

In plaats van de heidenvolken weg te vagen vermengden zij zich met hen (vers 3535maar zij vermengden zich met de heidenvolken
en leerden hun gebruiken.
; Dt 7:1-51Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.3U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u [al] snel wegvaagt.5Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.; Ri 3:5-65Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden,6namen zij hun dochters voor zich tot vrouwen en gaven zij hun [eigen] dochters aan hun zonen. En zij dienden hun goden.; Ea 9:1-21Toen deze [dingen] voltooid waren, traden de vorsten op mij toe en zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen [rondom] wat hun gruwelen betreft, [namelijk] van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.2Zij hebben immers uit hun dochters voor zichzelf en voor hun zonen [vrouwen] genomen en hebben het heilige zaad vermengd met de volken van de landen [rondom], en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk.)
. Voor ons luidt de opdracht onszelf onbesmet van de wereld te bewaren (Jk 1:2727Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.). Doen we dat niet dan zullen steeds meer gewoonten van de wereld ons gaan aankleven, want verkeerde omgang bederft goede zeden (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.).

Dit zien we bij Israël: zij “leerden hun gebruiken” en traden zo het gebod met voeten dat ze de gebruiken van Kanaän niet mochten navolgen (Lv 18:33U mag de gebruiken van het land Egypte waarin u gewoond hebt, niet navolgen, en [ook] de gebruiken van het land Kanaän, waar Ik u naar toe breng, mag u niet navolgen. U mag niet in hun verordeningen gaan.). Het zijn trouwens ook onzinnige gebruiken (Jr 10:2-32Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
)
. Maar daaraan had het volk geen boodschap, want ze wilden leven zoals de volken om hen heen. Dat sprak hen meer aan dan te doen wat God hun had geboden, geboden die ten leven zijn.

Door hen vermenging met de heidenvolken en het leren van hun gebruiken gingen ze hun afgoden dienen (vers 3636Zij dienden hun afgoden,
die hun tot een valstrik werden.
)
. Ze zegden de HEERE, Die zo goed voor hen was geweest, vaarwel, en knielden neer voor de afgoden van de heidenvolken. De afgoden leverden echter geen voorspoed op, maar werden “hun tot een valstrik” waarin ze gevangen werden en zouden sterven (Ex 23:3333Zij mogen niet in uw land blijven wonen, anders zullen zij u doen zondigen tegen Mij. Als u hun goden dient, voorzeker, het zal voor u tot een valstrik worden.; Dt 7:1616U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.).

Ze zaten zozeer gevangen in de valstrik, dat ze niet alleen de afgoden dienden en vereerden, maar bovendien “hun zonen en hun dochters” daaraan offerden (vers 3737[Bovendien] offerden zij hun zonen
en hun dochters aan de demonen.
; 2Kn 16:33maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.; Ez 16:2020U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg,; 20:3131Ja, door het opheffen van uw offergaven, door uw kinderen door het vuur te laten gaan, verontreinigt u zich met al uw stinkgoden tot op deze dag. En zou Ík Mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen!; Js 57:55U die gloeit [van lust] bij de eiken,
onder elke bladerrijke boom;
u die de kinderen slacht in de beekdalen,
onder [in] de kloven van de rotsen.
)
. Zo stortten ze ook hun kinderen in het verderf. Hier staat dat zijn hun zonen en dochters “aan de demonen” offerden. Dat is wat ze in werkelijkheid deden. Achter dode afgoden van hout en steen gaan de demonen schuil (1Ko 10:2020[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.; Dt 32:1717Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;
aan goden die zij niet kenden,
aan nieuwe [goden], die kortgeleden gekomen zijn,
voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.
; Op 9:2020En de overigen van de mensen, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich zelfs niet van de werken van hun handen, dat zij niet aanbaden de demonen en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen kijken, niet horen en niet lopen;)
.

Door hun handelwijze “vergoten” zij “onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters” (vers 3838Zij vergoten onschuldig bloed,
het bloed van hun zonen en dochters.
Zij offerden [hen] aan de afgoden van Kanaän,
zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.
; vgl. Jr 19:4-54omdat zij Mij verlaten hebben, deze plaats [van Mij] vervreemd hebben, en reukoffers gebracht hebben aan andere goden, die zij niet gekend hebben, zij, hun vaderen en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met bloed van onschuldigen.5Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun kinderen met vuur te verbranden [als] brandoffers voor de Baäl, wat Ik niet geboden en niet gesproken heb, en in Mijn hart niet is opgekomen.)
. Zij waren bloedschuldige moordenaars van hun eigen kinderen. Hun offers “aan de afgoden van Kanaän” had tot gevolg dat “het land door deze bloedschulden ontheiligd werd”. Door hun gruwelijke praktijken ontheiligden zij het land dat van God was, Zijn eigendom (vgl. Nm 35:33-3433U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.34Verontreinig dus het land niet waarin u woont, in het midden waarvan Ik woon; immers Ik, de HEERE, woon in het midden van de Israëlieten.; Js 24:55Want het land is ontheiligd door zijn inwoners:
zij overtreden de wetten, zij veranderen [elke] verordening,
zij verbreken het eeuwige verbond.
; Jr 3:1-2,91Men zegt:
Als een man zijn vrouw wegstuurt,
zij bij hem weggaat
en [de vrouw] van een andere man wordt,
mag hij nog naar haar terugkeren?
Zou dat land
niet ten zeerste ontheiligd worden?
U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden,
en [dan] naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.
2Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,
waar bent u niet beslapen?
U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,
als een Arabier in de woestijn.
Zo hebt u het land ontheiligd
met uw hoererijen en uw kwaad.
9Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout.
)
.

Zij ontheiligden niet alleen Gods land, maar “zij verontreinigden” ook “zichzelf door hun werken” (vers 3939Zij verontreinigden zichzelf door hun werken,
zij bedreven hoererij door hun daden.
)
. Hun werken waren een en al zonde. Hoe zou God hen ooit in die toestand in Zijn tegenwoordigheid kunnen dulden? “Zij bedreven hoererij door hun daden”, dat wil zeggen dat hun wijze van leven de grofste ontrouw tegenover God betekende. God had Israël immers tot vrouw genomen (Jr 2:1-31Het woord van de HEERE kwam tot mij:
2Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
3Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
)
. Maar door in ontrouw tegenover Hem gemeenschap met de afgoden te hebben, pleegden ze schaamteloos hoererij (vgl. Js 1:2121Hoe is de trouwe stad
tot een hoer geworden!
Vol recht was zij,
gerechtigheid overnachtte in haar,
maar nu – moordenaars!
; Hs 2:1-121Klaag uw moeder aan, klaag [haar] aan,
want zij is Mijn vrouw niet
en Ik ben haar Man niet.
Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,
en haar overspel van tussen haar borsten.2Anders zal Ik haar naakt uitkleden,
haar neerzetten als op haar geboortedag,
haar maken als de woestijn,
haar doen worden als een dor land
en haar doen sterven van de dorst.3Ook over haar kinderen zal Ik Mij niet ontfermen,
omdat zij kinderen van de hoererijen zijn.4Want hun moeder heeft hoererij bedreven;
zij die van hen zwanger is geweest, heeft zich schandelijk gedragen.
Zij zegt immers:
Ik ga achter mijn minnaars aan;
die geven [mij] mijn brood en mijn water,
mijn wol en mijn vlas,
mijn olie en mijn drank.5Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.6Zij zal haar minnaars najagen, maar hen niet inhalen;
hen zoeken, maar hen niet vinden.
Dan zal zij zeggen:
Ik ga, ik keer terug naar mijn vorige Man,
want toen had ik het beter dan nu.7Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.8Daarom keer Ik terug
en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd,
en Mijn nieuwe wijn op de daarvoor vastgestelde tijd.
Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg,
waarmee zij haar naaktheid moet bedekken.9Nu dan, Ik zal haar schaamte ontbloten
voor de ogen van haar minnaars,
en niemand zal haar uit Mijn hand redden.10Ik zal al haar vreugde doen ophouden,
haar feesten, haar nieuwemaansdagen en haar sabbatten,
ja, al haar feestdagen.11Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten,
waarvan zij zegt: Die vormen voor mij het hoerenloon
dat mijn minnaars mij gegeven hebben.
Maar Ik zal er een woud van maken
en de dieren van het veld zullen ervan vreten.12Ik zal haar de dagen van de Baäls vergelden,
waarop zij reukoffers aan hen bracht.
Zij tooide zich met haar ring en haar halssieraad
en ging achter haar minnaars aan,
maar Mij vergeet zij, spreekt de HEERE.
)
.

God werd hierdoor op het diepst gegriefd. Hij kon dit niet ongestraft laten. “Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk” (vers 4040Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk,
Hij had een afschuw van Zijn eigendom.
)
. Zijn land en Zijn volk waren afschuwelijk verontreinigd. Hij keerde Zich met weerzin van hen af, “Hij had een afschuw van Zijn eigendom”. Hun gedrag veroorzaakte walging bij Hem. Er is geen enkele verzachtende omstandigheid te bedenken waardoor ze minder toerekeningsvatbaar verklaard zouden kunnen worden.

Het bloed van de afgodendienaars moest vloeien vanwege de bloedschuld die zij op zich hadden geladen door hun rituele moorden. Daarom gaf Hij hen “in de hand van de heidenvolken” (vers 4141Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken;
wie hen haatten, heersten over hen.
)
. Deze volken die “hen haatten, heersten over hen”. De heidenvolken waren afgodenaanbidders. Door hen wilde God Zijn volk de harde dienst van afgodendienaars leren, opdat Zijn volk daardoor tot bezinning zou komen.

Gods ongehoorzame, opstandige volk werd door hun vijanden onderdrukt (vers 4242Hun vijanden onderdrukten hen,
zij werden vernederd onder hun hand.
)
, maar het was in werkelijkheid de hand van God die op hen drukte. Op deze wijze werden zij “onder hun hand vernederd”. De onderdrukkers vielen hun land binnen, verwoestten hun wijngaarden, namen hen gevangen en verplichtten hen tot slavenarbeid. Zij moesten hun nek buigen onder hun heerschappij.

Als zij dan in hun ellende tot God riepen, redde Hij hen (vers 4343Hij redde hen vele keren,
zíj echter tergden [Hem] door hun plannen
en raakten uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
)
. Dat heeft Hij “vele keren” gedaan. Dat Hij dit vele keren heeft gedaan, betekent dat het volk steeds weer van Hem afweek en Hij hen steeds weer in de hand van de heidenvolken moest geven. Dit zien we in het boek Richteren (Ri 2:16,1816En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden.18En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde de HEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten.).

Zij bleven Hem echter tergen “door hun plannen”. Zij hadden zo hun eigen mening over het dienen van God. Dat God had gezegd hoe Hij gediend wilde worden, daaraan stoorden ze zich niet. Het is als een vader die steeds tegen zijn kind zegt hoe het iets moet doen, maar het kind doet het telkens eigenzinnig op zijn eigen foute manier, waardoor steeds alles mislukt. Hoe tergend is dat voor een vader.

Het resultaat voor het volk is dat zij “uitgeteerd” raakten “door hun ongerechtigheid”. De zonde is slopend voor de krachten en mat af. Iemand die volhardt in de zonde, raakt uitgeteerd. Ze waren verzwakt, hun nationale kracht was uitgeput, er was geen kracht meer om zich te verdedigen. Dit was de straf voor hun zonden.


De goedertierenheid van God

44Toch zag Hij hun benauwdheid,
toen Hij hun roepen hoorde.
45Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;
Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.
46Daarom bewees Hij hun barmhartigheid
bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.
47Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw heilige Naam loven
[en] ons beroemen in Uw lof.
48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid;
laat heel het volk zeggen: Amen.
Halleluja!

De slotverzen van de psalm zijn een loflied op de genade van God. Hij had gereageerd op hun benauwdheid en hun roepen (vers 4444Toch zag Hij hun benauwdheid,
toen Hij hun roepen hoorde.
)
. Het had Zijn aandacht getrokken. Hij had Zich niet van hen afgewend, maar zag hun benauwdheid en hoorde hun roepen. Hij was hen niet uit het oog verloren. Hij had Zijn oor niet voor hen gesloten. De reden daarvoor is dat Hij hen niet uit Zijn hart had verwijderd.

“Hij dacht” namelijk “aan Zijn verbond” (vers 4545Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;
Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.
)
, aan de beloften die Hij aan de vaderen had gedaan. Daarom dacht Hij “ten goede” aan hen. Het verbond dat Hij met hen had gesloten, kon Hij niet vergeten. Daarom kon Hij hen niet volledig vernietigen (Lv 26:44-4544Maar bovendien: wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, dan zal Ik hen niet verwerpen en niet van hen walgen door hen te vernietigen [en] Mijn verbond met hen te verbreken, want Ik ben de HEERE, hun God.45Ik zal ter wille van hen denken aan het verbond met de voorouders, die Ik voor de ogen van de heidenvolken uit het land Egypte geleid heb om hun tot een God te zijn. Ik ben de HEERE.). Zijn verbond maakt Hij waar en alle beloften die daaraan verbonden zijn, vervult Hij.

Het berouw dat Hij had, is geen spijt over een verkeerde daad of beslissing. God vergist Zich nooit. Hij hoeft nooit ergens op terug te komen (1Sm 15:2929Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.). Als Hij ergens op terugkomt, vindt dat zijn aanleiding in “Zijn grote goedertierenheid”. In dit geval stopt Hij met Zijn tucht over Zijn volk omdat Hij hen anders ten volle te gronde zou richten (vgl. Ex 32:1414Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.; Ri 2:1818En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde de HEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten.; 2Sm 24:1616Maar toen de engel zijn hand over Jeruzalem uitstrekte om er verderf aan te richten, kreeg de HEERE berouw over dit kwaad, en Hij zei tegen de engel die verderf onder het volk aanrichtte: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. Nu was de engel van de HEERE [op dat moment] bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.). Hij kan Zijn goedertierenheid bewijzen omdat Christus aan alle voorwaarden voor het verbond heeft voldaan. Allen die met Hem verbonden zijn, ontvangen de beloften en zegeningen van het verbond.

Op grond van het werk van Zijn Zoon, dat Hij vooruitzag, heeft Hij hun barmhartigheid kunnen bewijzen (vers 4646Daarom bewees Hij hun barmhartigheid
bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.
)
. Die barmhartigheid heeft Hij bewerkt in het hart van allen die Zijn volk “als gevangenen hadden weggevoerd”. We zien er een voorbeeld van bij Kores (Ea 1:1-31In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].). We zien hier de macht van God over het hart van mensen, ook van koningen (1Kn 8:5050Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen.; Sp 21:11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
; Dn 1:99God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen.)
.

Deze bewijzen van goedertierenheid en barmhartigheid in de ellende die door de eigen schuld van het volk over hen is gekomen, brengen de psalmist tot een gebed en een lofprijzing. Zijn gebed is een profetisch gebed. Het ziet op de situatie waarin Gods volk in de eindtijd, de tijd van de grote verdrukking, zal zijn. Dan zullen ze bidden: “Verlos ons, HEERE, onze God, breng ons bijeen vanuit de heidenvolken” (vers 4747Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw heilige Naam loven
[en] ons beroemen in Uw lof.
)
. Het is een gebed om de tussenkomst van God tot hun bevrijding uit de macht van de heidenvolken.

Als God dat doet, zullen zij in staat zijn om Zijn “heilige Naam” te “loven” op de plaats waar Hij woont, in Jeruzalem. Ze zullen zich beroemen in Zijn lof, wat wil zeggen dat er voor hen niets anders en hogers zal zijn dan God te loven voor Zijn machtige daden.

De psalmist begint er als het ware al mee als hij het uitjubelt: “Geloofd zij de HEERE, de God van Israël” (vers 4848Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid;
laat heel het volk zeggen: Amen.
Halleluja!
)
. Deze jubel zal nooit ophouden, maar “van eeuwigheid tot eeuwigheid” doorgaan. God is de aanbidding in het vrederijk en tot in alle eeuwigheid waard. De psalmist roept “heel het volk” ertoe op met een volmondig “amen”, wat betekent ‘zo is het', daarmee in te stemmen.

Dan besluit hij de psalm zoals hij die is begonnen, met een luid “halleluja”, loof de HEERE (vers 11Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
.

Vers 11Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
en de verzen 47-4847Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw heilige Naam loven
[en] ons beroemen in Uw lof.
48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid;
laat heel het volk zeggen: Amen.
Halleluja!
van deze psalmen komen ook voor in 1Kronieken 16 en wel als een aansluitend gedeelte (1Kr 16:34-3634        Loof de HEERE, want Hij is goed,
                        want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
35       En zeg: Verlos ons, o God van ons heil,
                        en breng ons bijeen, en red ons vanuit de heidenvolken,
            opdat wij Uw heilige Naam loven
                        [en] ons beroemen in Uw lof.
36       Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
                        van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En heel het volk zei: Amen! En het prees de HEERE.
)
. Dit onderstreept de bijzondere verbinding tussen het begin en het einde van de psalm. Bij vers 11Halleluja!
Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
hebben we gezien dat de aanleiding voor de oproep om God te loven Zijn goedertierenheid is die voor eeuwig is. Door daarop direct aan te sluiten met het gebed van de verzen 47-4847Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw heilige Naam loven
[en] ons beroemen in Uw lof.
48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid;
laat heel het volk zeggen: Amen.
Halleluja!
wordt duidelijk dat het vertrouwen in Gods goedertierenheid de basis is van het gebed om verlossing.


Lees verder