Psalmen
Inleiding 1-6 Activiteiten van Gods volk 7-11 Het verbond van God 12-15 De bescherming van de HEERE 16-22 Jozef 23-36 Gods volk in Egypte 37-43 Israël uit Egypte uitgeleid 44-45 Israël in Kanaän
Inleiding

In deze psalm wordt verteld wat God heeft gedaan om Zijn verbond met Abraham te vervullen. De psalmist beschrijft de grote machtsdaden van God bij de oorsprong van Zijn volk, daden die het volk in dankbare herinnering moet houden. Hij bezingt de trouw van God tegenover Zijn volk.

Het gaat in deze psalm alleen over wat God heeft gedaan. Over de zonden en afwijkingen van Gods volk wordt met geen woord gerept. De psalm begint bij het begin van de geschiedenis van Israël en eindigt met de intocht van het volk in het beloofde land.


Activiteiten van Gods volk

1Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.

In 1 Kronieken 16 vinden we de woorden van de verzen 1-151Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.7Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
8Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte [die] Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
9[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
11door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.12Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
van deze psalm bijna woordelijk terug. Daar worden de hier gebruikte woorden aan David toegeschreven (1Kr 16:7-227Toen, op die dag, gaf David voor de eerste maal [deze psalm] om de HEERE te loven door de dienst van Asaf en zijn broeders.8         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
14       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
)
, wat niet automatisch wil zeggen dat deze psalm ook van David is. Dat er geen dichter wordt genoemd, legt nog sterker de nadruk op de inhoud van de psalm als de uiting van elk gelovig hart. In deze verzen worden eerst de activiteiten genoemd waartoe Gods volk wordt opgeroepen (verzen 1-61Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
; 1Kr 16:8-138         Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
                        maak Zijn daden bekend onder de volken.
9         Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
                        spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
10       Beroem u in Zijn heilige Naam,
                        laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
11       Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
                        zoek Zijn aangezicht voortdurend.
12       Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
                        aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
13       nakomelingen van Israël, Zijn dienaar,
                        kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
en daarna de beloften van God (verzen 7-157Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
8Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte [die] Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
9[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
11door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.12Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
; 1Kr 16:14-2214       Hij is de HEERE, onze God,
                        Zijn oordelen gaan over de hele aarde.
15       Denk aan Zijn verbond voor eeuwig,
                        aan de belofte die Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
16       [aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
                        en Zijn eed aan Izak.
17       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
18       door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
                        het gebied dat uw erfelijk bezit is.
19       Toen u [met] weinig mensen was,
                        ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
20       en zij van volk naar volk zwierven,
                        en van het ene koninkrijk naar het andere volk,
21       liet Hij niemand toe hen te onderdrukken,
                        ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
22       Raak Mijn gezalfden niet aan,
                        doe Mijn profeten geen kwaad.
)
.

Als we de verzen 1-61Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
lezen, zien we tot welke activiteiten het volk als nakomelingen van Israël en Jakob wordt opgeroepen. De activiteiten bestaan uit loven, aanroepen, bekendmaken (vers 11Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
)
, zingen, psalmzingen, aandachtig spreken (vers 22Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
)
, beroemen, verblijden (vers 33Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
)
, vragen, zoeken (vers 44Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
)
en denken (vers 55Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
)
.

De psalmist begint met op te roepen de HEERE, de God van het verbond, te loven (vers 11Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
)
. Vervolgens zegt hij dat Gods volk Zijn Naam moet aanroepen, dat is Hem om Zijn hulp vragen. Dat kunnen alleen zij doen die met Hem in een verbondsrelatie staan. Deze verbinding met God heeft ook een aspect naar buiten, naar de volken om hen heen. “Onder de volken” moet Gods volk getuigenis geven van Gods daden. We zien in dit vers dat het volk een heilig priesterdom naar God toe is (vers 1a1Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.)
en tevens een koninklijk priesterdom naar de volken om hen heen (vers 1b1Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
; 1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,)
.

In al deze activiteiten worden de wonderdaden van de HEERE tot voorwerp van het lied gemaakt en worden de daden uitgestald waarin Hij Zich openbaart, ook tegenover de volken. Wij mogen daarbij bedenken dat voor ons dit alles ver overtroffen wordt door de wonderdaden van de Heer Jezus bij Zijn komst in het vlees, Zijn werk op het kruis, Zijn opstanding en Zijn verheerlijking. Wat een aanleidingen zijn dat voor ons om dat alles in aanbidding ‘uit te stallen’ voor God.

Gods volk heeft alle reden om voor Hem te zingen en dat te doen met psalmen (vers 22Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
).
Psalmen zingen is meer dan alleen zingen. Het is het tot uiting brengen van de gevoelens van dankbaar als een ‘kunststuk’, als een doordachte uiting. Daarop sluit de volgende oproep aan: ze moeten “aandachtig van al Zijn wonderen” spreken. God heeft zoveel wonderen voor Zijn volk gedaan. Verderop in de psalm worden er een meerdere genoemd. ‘Aandachtig spreken’ houdt in dat ze over Gods wonderen nadenken en daarvan getuigen (vgl. Ps 77:12-1312Ik zal de daden van de HEERE gedenken,
ja, ik zal denken aan Uw wonderen van oudsher.
13Ik zal al Uw werken overdenken
en over Uw daden spreken.
)
.

De roem van het volk ligt “in Zijn heilige Naam” (vers 33Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
)
. Gods Naam is heilig. Zo heeft Hij Zich bekendgemaakt. Dat zij met Hem verbonden zijn, of beter gezegd, dat Hij hen met Zich heeft verbonden, is alleen Zijn werk. Zij zijn door Hem en voor Hem geheiligd. Er is niets aan henzelf te danken. Elk hart dat zich dit bewust is, zal de HEERE zoeken om Hem te prijzen. God is de bron van blijdschap. Zijn daden zijn een oorzaak van blijdschap.

Wie naar God vraagt, doet dat om Hem beter te leren kennen (vers 44Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
)
. Hij vraagt ook naar “Zijn kracht” die zichtbaar is geworden in zijn verlossing. Van die kracht wil hij meer onder de indruk komen omdat die kracht van Zijn God is. God heeft Zijn kracht ten gunste van hem getoond. Het gevolg daar weer van is het verlangen om “Zijn aangezicht voortdurend” te zoeken, dat wil zeggen voortdurend te leven in Zijn tegenwoordigheid. Het is alsof we Paulus horen spreken (Fp 3:1010om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en <de> gemeenschap aan Zijn lijden, terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word,; Ef 1:19-2019en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,20die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],).

Het laatste waartoe Gods volk hier wordt opgeroepen is te denken “aan Zijn wonderen die Hij gedaan heeft, aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond” (vers 55Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
)
. De wonderen die Hij heeft gedaan zijn stuk voor stuk waard om aan te denken en die te bewonderen. Hij heeft met Zijn mond Zijn oordelen over de vijanden uitgesproken. Daarom heeft Zijn volk niets van hen te vrezen.

De oproep tot al deze activiteiten wordt gedaan aan een volk dat in een bijzondere relatie met Hem staat. Die relatie wordt gegeven in twee namen met elk een andere toevoeging. Ze zijn “nakomelingen van Abraham”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn dienaar” (vers 6a6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
. Met de aartsvader Abraham begint de geschiedenis van het volk, een volk dat gesteld is om God te dienen.

Ze zijn ook “kinderen van Jakob”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn uitverkorenen” (vers 6b6nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
)
. Bij “kinderen van Jakob” ligt de nadruk op de zwakheid van hun toewijding aan God en de verkeerde wegen die het volk is gegaan. Daarom is het ook zo mooi dat juist achter deze naam de toevoeging “Zijn uitverkorenen” staat. Die toevoeging spreekt ervan dat God hen ondanks hun zwakheid en verkeerde wegen heeft uitverkoren.


Het verbond van God

7Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
8Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte [die] Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
9[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
11door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.

De psalmist wijst op “de HEERE” als “onze God” (vers 77Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
)
. De HEERE is de God van Zijn volk. Maar Hij heeft ook zeggenschap over “heel de aarde”, wat Hij bewijst door daarover Zijn oordelen te laten gaan. We zien dat verderop in de psalm waar Hij Zijn oordelen over Egypte laat gaan. Die oordelen staan in verband met wat Egypte Zijn volk heeft aangedaan. Zijn volk is Zijn verbondsvolk.

Hij denkt altijd aan Zijn verbond met Zijn volk, een verbond dat “voor eeuwig” is (vers 88Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte [die] Hij gedaan heeft, tot in duizend generaties,
; Lk 1:7272om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en te gedenken aan Zijn heilig verbond,)
. Als God aan Zijn verbond denkt, wil dat zeggen dat Hij het vervult. In dat verbond heeft Hij beloften gedaan die “tot in duizend generaties” worden vervuld (vgl. Dt 7:99Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Hij is dé God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties.). Er mogen vele generaties voorbijgaan en grote veranderingen plaatsvinden, maar nooit zal God Zijn verbond vergeten. Hij denkt eraan en vervult elke belofte ervan tot op de letter.

Het is het verbond “dat Hij met Abraham gesloten heeft” (vers 99[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
; Gn 12:1-31De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.2Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.; 15:18-2118Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:19de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.; 17:7,13,197Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.19God zei: Integendeel, uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.)
. Het is een verbond met Abraham persoonlijk en in hem met zijn nageslacht. Hij heeft dat verbond met een eed aan Izak bevestigd (Gn 22:1616Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,; 26:2-5,23-242Toen verscheen de HEERE hem en zei: Trek niet naar Egypte, [maar] woon in het land dat Ik u noemen zal.3Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal dan met u zijn en u zegenen, want aan u en uw nageslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.4Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,5omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.23Hij vertrok vandaar naar Berseba.24De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.). Daarom is de vervulling ervan niet afhankelijk van de mens.

Ook heeft Hij Zijn verbond “voor Jakob … vastgesteld als een verordening” en “voor Israël [als] een eeuwig verbond” (vers 1010Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
; Gn 17:77Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.; 28:13-1513En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.14Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!; 35:9-139En God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was, en Hij zegende hem.10God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, [maar] uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.11Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen.12Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.13Toen voer God op, bij hem vandaan, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.)
. Wat God heeft vastgesteld, staat vast als een rots en kan door geen mens, ook niet door Jakob in zijn ontrouw, ongedaan worden gemaakt. Jakob is door God Israël gemaakt. Het verbond van God met Jakob is voor Jakob een vastgestelde verordening en voor Israël een eeuwig verbond. Daar verandert geen mens iets aan.

Het gaat, kort gezegd, over Gods verkiezende genade en onberouwelijke beloften (Rm 11:2929Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.; Lv 26:42-4542dan zal Ik denken aan Mijn verbond met Jakob. En ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik denken, en Ik zal denken aan het land.43Terwijl het land door hen verlaten is en behagen schept in zijn sabbats[jaren] – het ligt er immers omwille van hen verlaten bij – hebben zijzelf behagen in de straf voor hun ongerechtigheid, omdat, ja, omdat zij Mijn bepalingen verwierpen en hun ziel van Mijn verordeningen walgde.44Maar bovendien: wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, dan zal Ik hen niet verwerpen en niet van hen walgen door hen te vernietigen [en] Mijn verbond met hen te verbreken, want Ik ben de HEERE, hun God.45Ik zal ter wille van hen denken aan het verbond met de voorouders, die Ik voor de ogen van de heidenvolken uit het land Egypte geleid heb om hun tot een God te zijn. Ik ben de HEERE.), en dat alles met het oog op het land Kanaän als hun erfelijk bezit (vers 1111door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.
)
. Bij zoveel zegeningen en zekerheden kan het hart niet onbewogen blijven en de mond niet zwijgen.

God heeft gesproken, wat benadrukt wordt door de woorden “door te zeggen” (vers 1111door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.
)
. Wat God zegt, Zijn woorden, is altijd waar en betrouwbaar. God kan niet liegen. Daarom kunnen we er zeker van zijn dat Hij doet wat Hij zegt. Hij heeft gezegd: “Ik zal u het land Kanaän geven, het gebied dat uw erfelijk bezit is.” Zijn woord is Zijn garantie. Zijn belofte maakt Hij waar. Dat is gebleken, want Hij heeft Zijn volk in Kanaän gebracht.


De bescherming van de HEERE

12Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.

Vanaf hun prilste bestaan, “toen zij [met] weinig mensen waren”, heeft God voor hen gezorgd (vers 1212Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
)
. Dat ze echt met weinig mensen waren, wordt door de toevoeging “ja, weinigen” onderstreept. Ze waren een gemakkelijke prooi voor kwaadwillende lieden en rovende bendes. Daarbij waren ze “vreemdelingen”, mensen zonder enig recht op verblijf en bescherming (vgl. Hb 11:99Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte;). Maar God beschermde hen.

Zo zwierven zij “van volk naar volk” en “van het ene koninkrijk naar het andere volk” vers 1313en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
)
. Abraham is uit Ur der Chaldeeën vertrokken (Gn 11:3131En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen.). Hij is in Kanaän gekomen (Gn 12:4-64Toen ging Abram [op weg], zoals de HEERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok.5Abram nu nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die ze verworven hadden en de mensen die zij in Haran verkregen hadden; en zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän.6En Abram trok door dat land heen tot aan de [heilige] plaats [bij] Sichem, tot de eik van More. De Kanaänieten woonden toen in dat land.), hij is naar Egypte gegaan (Gn 12:10-2010Er kwam hongersnood in dat land. Daarom trok Abram naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, omdat de hongersnood in het land zwaar was.11En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent [die] knap is om te zien.12Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten.13Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.14En het gebeurde, zodra Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaren de vrouw zagen, dat ze bijzonder knap was.15Ook de vorsten van de farao zagen haar en zij prezen haar aan bij de farao. Daarom werd de vrouw meegenomen naar het huis van de farao.16Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.17Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram.18Toen riep de farao Abram en zei: Wat hebt u mij aangedaan? Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is?19Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar tot vrouw genomen heb? Nu, hier is uw vrouw; neem [haar] mee en ga!20En de farao gaf [enige] mannen opdracht met betrekking tot hem en zij begeleidden hem en zijn vrouw en alles wat hij had [het land] uit.) en hij heeft als vreemdeling in het Filistijnse Gerar gewoond (Gn 20:11Abraham trok vandaar naar het Zuiderland en woonde tussen Kades en Sur, en hij verbleef als vreemdeling in Gerar.).

Maar God was bij hen. Hij kwam voor hen op en “liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken” (vers 1414liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
)
. Hij “bestrafte” zelfs “koningen omwille van hen”. Geen gewoon, sterfelijk mens en geen machthebber hebben een vinger kunnen uitsteken naar Gods uitverkorenen zonder dat Hij hem bestrafte.

Dat hebben Laban, de farao van Egypte en Abimelech van de Filistijnen ervaren (Gn 31:2424Maar God kwam 's nachts in een droom bij Laban, de Syriër, en zei tegen hem: Wees op uw hoede, dat u met Jakob niet goedwillend of kwaadwillend spreekt.; 12:17-2017Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram.18Toen riep de farao Abram en zei: Wat hebt u mij aangedaan? Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is?19Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar tot vrouw genomen heb? Nu, hier is uw vrouw; neem [haar] mee en ga!20En de farao gaf [enige] mannen opdracht met betrekking tot hem en zij begeleidden hem en zijn vrouw en alles wat hij had [het land] uit.; 20:1-181Abraham trok vandaar naar het Zuiderland en woonde tussen Kades en Sur, en hij verbleef als vreemdeling in Gerar.2Abraham zei van zijn vrouw Sara: Zij is mijn zuster. Toen stuurde Abimelech, de koning van Gerar, [een bode] en haalde Sara weg.3Maar God kwam in een nachtelijke droom bij Abimelech en zei tegen hem: Zie, u gaat sterven vanwege de vrouw die u genomen hebt, want zij is met een man getrouwd!4Abimelech was echter [nog] niet tot haar genaderd. Daarom zei hij: Heere, wilt U dan echt een onschuldig volk doden?5Heeft hij mij zelf niet gezegd: Zij is mijn zuster. En zij, ook zijzelf heeft gezegd: Hij is mijn broer. Met een oprecht hart en zuivere handen heb ik dit gedaan.6God zei tegen hem in de droom: Ik weet ook dat u dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb u ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen en daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.7Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.8Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, riep al zijn dienaren en sprak ten aanhoren van hen al deze woorden, en die mannen werden zeer bevreesd.9Abimelech riep Abraham en zei tegen hem: Wat hebt u ons aangedaan! Waarin heb ik tegen u gezondigd, dat u zo'n grote zonde over mij en mijn koninkrijk gebracht hebt? U hebt dingen met mij gedaan die niet gedaan mogen worden.10Ook vroeg Abimelech aan Abraham: Wat hebt u beoogd, dat u dit gedaan hebt?11Daarop zei Abraham: Omdat ik dacht: Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden.12Zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden.13En het gebeurde, toen God mij vanuit het huis van mijn vader liet rondzwerven, dat ik tegen haar zei: Dit is de goedertierenheid die je mij moet bewijzen: in elke plaats waar wij komen, zeg [daar] van mij: Hij is mijn broer.14Toen nam Abimelech kleinvee, runderen, slaven en slavinnen, en gaf die aan Abraham. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug.15Abimelech zei: Zie, mijn land ligt voor u open; ga [maar] wonen waar het in uw ogen goed is.16En tegen Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverstukken gegeven. Zie, laat dat mogen dienen als sluier voor de ogen, voor u én voor allen die bij u zijn. U bent vrijgepleit.17Abraham bad tot God en God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij [weer] kinderen konden krijgen.18Want de HEERE had alle baarmoeders in het huis van Abimelech helemaal gesloten vanwege Sara, de vrouw van Abraham.; 26:6-116Zo bleef Izak in Gerar wonen.7Toen de mannen van die plaats hem naar zijn vrouw vroegen, zei hij: Zij is mijn zuster, want hij was bevreesd om te zeggen: [Zij is] mijn vrouw. [Hij dacht:] Anders zullen de mannen van deze plaats mij doden om Rebekka. Zij was namelijk knap om te zien.8Toen hij daar al lange tijd geweest was, gebeurde het dat Abimelech, de koning van de Filistijnen, uit het venster keek en zag, en zie, Izak was zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen.9Toen riep Abimelech Izak en zei: Nee maar, zie, zij is uw vrouw! Hoe kunt u dan zeggen: Zij is mijn zuster? Izak antwoordde hem: Omdat ik dacht dat ik anders om haar zou moeten sterven.10Abimelech zei daarop: Wat hebt u ons aangedaan? Hoe gemakkelijk had er één van het volk met uw vrouw kunnen slapen, en [dan] zou u een schuld over ons gebracht hebben!11Toen gebood Abimelech het hele volk: Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, zal zeker gedood worden.). God heeft in duidelijke en dreigende taal tegen hen gezegd: “Raak Mijn gezalfden niet aan, doe Mijn profeten geen kwaad” (vers 1515Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
. Zo heeft Hij hen beschermd. Hij heeft erop toegezien dat hun, aan wie Hij Zijn beloften heeft gedaan, geen kwaad is gedaan.

Gods gezalfden zijn zij die Hij voor Zichzelf heeft uitverkoren, die Hij apart heeft gezet om Hem te dienen. Ze behoorden God toe als door Hem geheiligd. Abraham wordt profeet genoemd (Gn 20:77Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.). Ook Izak en Jakob kunnen profeten worden genoemd. Izak heeft een profetie over Jakob uitgesproken (Gn 27:28-2928Moge God je geven
van de dauw van de hemel,
van de vruchtbare streken van de aarde:
overvloed van koren en nieuwe wijn.
29Volken zullen je dienen,
naties zullen zich voor je buigen.
Wees heerser over je broers,
de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen.
Vervloekt [moet zijn] wie jou vervloekt,
en gezegend wie jou zegent!
)
en Jakob heeft profetieën over zijn zonen uitgesproken (Gn 49:11Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
)
.

In de verzen 12-1512Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
wordt het verleden van het volk beschreven, hoe zwak en kwetsbaar het was. Het laat zien hoe ook wij ons in de wereld kunnen voelen. Maar dan wordt het volk eraan herinnerd hoe in die omstandigheden, waarin zij een prooi leken te zijn voor vijandige machten, God voor hen is opgekomen.


Jozef

16Hij riep een hongersnood over het land af,
Hij liet het volledig aan brood ontbreken.
17Hij zond een man voor hen uit:
Jozef werd als slaaf verkocht.
18Men drukte zijn voeten vast in de boeien,
hijzelf kwam [in] de ijzers.
19Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam,
heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd.
20De koning stuurde [boden] en liet hem vrij,
de heerser van de volken liet hem los.
21Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis,
tot heerser over al zijn bezit,
22om zijn vorsten zijn wil op te leggen
en zijn oudsten wijsheid te leren.

Dan lezen we dat God een hongersnood over het land bracht waar Jakob en Zijn zonen woonden (vers 1616Hij riep een hongersnood over het land af,
Hij liet het volledig aan brood ontbreken.
)
. Hij was ten volle betrokken in hun bescherming, maar ook in hun beproeving. Hij liet het “volledig aan brood ontbreken”. Dat wil zeggen dat er geen enkele hap voedsel was waardoor ze kracht zouden krijgen om te leven. De steun van brood werd van hen weggenomen (Js 3:11Want zie, de Heere, de HEERE van de legermachten
gaat van Jeruzalem en Juda wegnemen
steun en stut:
elke steun van brood
en elke steun van water,
)
.

Waarom God dat deed, wordt hier niet vermeld. We lezen daarover in Genesis 41-42. Maar God had al voor iemand gezorgd die Zijn volk van voedsel kon voorzien. God zendt tegenspoed in het leven van de gelovige omdat Hij plannen van zegen in zijn leven wil uitwerken (Rm 8:2828Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.).

Hij had Jozef voor hen uitgezonden (vers 1717Hij zond een man voor hen uit:
Jozef werd als slaaf verkocht.
)
, zoals Jozef zelf ook later getuigt (Gn 45:7-87God heeft mij voor jullie uit gezonden, om voor jullie een overblijfsel [veilig] te stellen op aarde, en jullie door een grote uitredding in leven te houden.8Nu dan, niet jullie hebben mij hiernaartoe gestuurd, maar God. Hij heeft mij aangesteld als een vader voor de farao, als heer over heel zijn huis en [als] heerser over het hele land Egypte.; 50:2020Jullie [weliswaar], jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals [het] op deze dag [is]: om een groot volk in leven te houden.). De psalmist beschrijft de weg waarop God dat heeft gedaan. Het is een weg van diepe vernedering. Het begon met zijn verkoop als slaaf. We weten uit het verslag in Genesis 37 dat zijn broers hem hebben verkocht (Gn 37:2828Toen er Midianitische kooplieden voorbijkwamen, trokken en tilden zij Jozef uit de put en verkochten zij Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Die brachten Jozef naar Egypte.). Dat wordt hier niet vermeld. Het gaat om de weg die God had bepaald voor de man die Zijn volk van brood zou voorzien.

Nadat Jozef door zijn broers als slaaf was verkocht, kwam hij in Egypte in de gevangenis terecht. Hier wordt gezegd wat dat betekende: “Men drukte zijn voeten vast in de boeien, hijzelf kwam [in] de ijzers” (vers 1818Men drukte zijn voeten vast in de boeien,
hijzelf kwam [in] de ijzers.
)
. Dat lezen we niet in Genesis 39. Daar lezen we over zijn trouw aan God die hem in de gevangenis deed belanden (Gn 39:7-207En het gebeurde na deze dingen dat de vrouw van zijn heer haar oog op Jozef liet vallen en zei: Slaap met mij.8Maar hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer neemt, met mij [naast zich], geen kennis [meer] van wat er in dit huis gebeurt, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven.9Niemand heeft meer aanzien in dit huis dan ik; en hij heeft mij niets onthouden dan [alleen] u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?10En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen [en] bij haar te zijn,11toen gebeurde het op zekere dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en niemand van de mensen van het huis daar in huis was,12dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.13En het gebeurde, toen zij zag dat hij zijn kleed in haar hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was,14dat zij de mensen van haar huis riep, en tegen hen zei: Zie, hij heeft een Hebreeuwse man bij ons in [huis] gebracht om de spot met ons te drijven. Hij is naar mij toe gekomen om met mij te slapen, maar ik heb met luide stem geroepen.15En het gebeurde, toen hij hoorde dat ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet, vluchtte en naar buiten ging.16Zij liet zijn kleed bij zich liggen, totdat zijn heer thuiskwam,17en zij sprak tot hem met dezelfde woorden: De Hebreeuwse slaaf die je bij ons [in huis] gebracht hebt, is bij mij gekomen om de spot met mij te drijven.18En het gebeurde, toen ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet en naar buiten vluchtte.19En het gebeurde, toen zijn heer de woorden hoorde die zijn vrouw tot hem sprak: Zoals ik het zeg, heeft jouw slaaf met mij gedaan, dat hij in woede ontstak.20En de heer van Jozef greep hem en leverde hem over in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangenzaten. Zo zat hij daar in de gevangenis.). Hij werd als een grote misdadiger met zijn voeten in de boeien gedrukt, zodat hij niet kon lopen. Dat hijzelf in de ijzers kwam, betekent dat hij innerlijk leed door wat hem werd aangedaan.

Maar God had aan deze zware beproeving een grens gesteld. Toen Zijn woord uitkwam – waarbij we kunnen denken aan de bemoedigende dromen die Jozef van God had gekregen (Gn 37:5-115Ook had Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog meer.6Hij zei tegen hen: Luister toch naar deze droom die ik gehad heb.7Zie, wij waren midden op de akker schoven aan het binden; en zie, mijn schoof stond op en bleef ook overeind staan. En zie, jullie schoven kwamen om hem heen [staan] en bogen zich voor mijn schoof neer.8Toen zeiden zijn broers tegen hem: Wil je dan soms over ons regeren? Wil je dan soms over ons heersen? Daarom haatten zij hem nog meer, vanwege zijn dromen en vanwege zijn woorden.9Hij kreeg nog een andere droom, en vertelde ook die aan zijn broers. Hij zei: Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.10Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, bestrafte zijn vader hem en zei tegen hem: Wat is dat voor een droom die je gehad hebt? Moeten wij, [namelijk] ik, je moeder en je broers, soms naar je toe komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?11Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader hield de zaak [in gedachten].) – zat de gevangenschap van Jozef erop (vers 1919Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam,
heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd.
)
. En hoe heeft Jozef deze kwelling doorstaan? God is al die tijd bij hem geweest met Zijn belofte. Door die belofte is Jozef “gelouterd” (vgl. Jb 23:1010Maar Hij kent de weg [die] ik [ga].
Laat Hij mij beproeven – ik zal er als goud uitkomen.
)
. Elke beproeving in ons leven wil God gebruiken om ons te louteren. Louteren is ons, of ons geloof, zuiver en rein maken, zodat wij steeds meer alleen Hem voor ogen hebben en niet onszelf of onze belangen (vgl. 1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.).

Toen Gods werk aan Jozef klaar was, stuurde “de koning … [boden] en liet hem vrij” (vers 2020De koning stuurde [boden] en liet hem vrij,
de heerser van de volken liet hem los.
)
. De betekenis van de zin kan ook zijn dat God de koning stuurde om Jozef vrij te laten. Deze daad van vrijlating krijgt extra nadruk door in andere woorden hetzelfde nog een keer te zeggen: “De heerser van de volken liet hem los.” We weten dat het Gods werk in de koning was en dat God in feite ‘de Heerser van de volken’ is. Hij heeft de farao een droom laten dromen die niemand van al de wijzen van de koning kon uitleggen. Alleen Jozef kon dat. Daarom heeft de koning Jozef bij zich geroepen (Gn 41:8,15-168En het gebeurde de [volgende] morgen dat zijn geest verontrust was. Hij stuurde [boden] en [liet] al de magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen, en de farao vertelde hun zijn droom. Er was echter niemand die hem aan de farao kon uitleggen.15De farao zei tegen Jozef: Ik heb een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen, maar ik heb over u horen zeggen dat u, [als] u een droom hoort, hem kunt uitleggen.16Jozef antwoordde de farao: Dat is niet aan mij, [maar] God zal antwoorden [wat] het welzijn van farao [dient].).

Na de uitleg ervan en het advies dat Jozef ongevraagd gaf, stelde de farao – ofwel God – Jozef aan “tot heer over zijn huis, tot heerser over al zijn bezit” (vers 2121Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis,
tot heerser over al zijn bezit,
; Gn 41:38-4038Daarom zei de farao tegen zijn dienaren: Zouden wij [ooit] iemand kunnen vinden als deze [man], in wie de Geest van God is?39Daarop zei de farao tegen Jozef: Aangezien God u dit alles heeft bekendgemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u.40U zult zelf over mijn huis gaan en heel mijn volk zal uw bevel eerbiedigen; alleen wat de troon betreft, zal ik meer aanzien hebben dan u.; Hd 7:1010en verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem gunst en wijsheid tegenover Farao, [de] koning van Egypte, en hij stelde hem aan tot leidsman over Egypte en <over> zijn hele huis.)
. Jozef werd na de farao de machtigste man van het land. Hij kreeg gezag om aan de vorsten van de farao “zijn wil op te leggen” en de oudsten van de farao “wijsheid te leren” (vers 2222om zijn vorsten zijn wil op te leggen
en zijn oudsten wijsheid te leren.
)
. In Jozef zien we de zeldzame combinatie van macht en wijsheid. Dit zien in volmaaktheid alleen bij de Heer Jezus, van Wie Jozef een prachtig beeld is.

In Gods handelen met Jozef om Zijn belofte te vervullen ligt een bemoedigende les voor ons. Wij mogen erop vertrouwen dat God al onze moeiten kent en dat Hij van tevoren al een oplossing daarvoor heeft klaargemaakt. Hij overziet alles en bestuurt alles tot welzijn van de Zijnen. De manier waarop Hij dat doet, kunnen wij vaak pas achteraf zien. Op het moment zelf vragen we ons af, hoe het goed moet komen.

We zien dat ook bij Jozef. Wie zou kunnen bedenken dat God Jozef op deze manier naar Egypte zond, om daar in de tijd van nood voor zijn vader en zijn broers tot zegen te zijn? Die zegen was voor Jakob en zijn zonen in de eerste plaats geestelijk: ze werden in hun relatie met Jozef hersteld. De zegen was ook als stoffelijk: ze kregen voedsel en mochten zelfs in Egypte bij Jozef komen wonen.


Gods volk in Egypte

23Daarna kwam Israël in Egypte,
Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
24Hij deed Zijn volk zeer toenemen
en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders.
25Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten
en Zijn dienaren listig behandelden.
26Hij zond Mozes, Zijn dienaar,
en Aäron, die Hij verkozen had.
27Zij verrichtten onder hen de tekenen die Hij bevolen had,
en wonderen in het land van Cham.
28Hij zond duisternis en maakte het duister
– zij waren Zijn woord niet ongehoorzaam –
29Hij veranderde hun water in bloed
en doodde hun vissen.
30Hun land wemelde van kikkers,
[tot] in de kamers van hun koningen.
31Hij sprak, en er kwamen steekvliegen
[en] muggen in hun hele gebied.
32Hij maakte hun regen tot hagel,
[bracht] vlammend vuur in hun land.
33Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,
Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.
34Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,
treksprinkhanen, niet te tellen,
35die al het gewas in hun land opaten,
ja, zij aten de vrucht van hun akker op.
36Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.

Jozef heeft zijn vader en zijn broers naar Egypte laten komen. De psalmdichter zegt dat “Israël in Egypte kwam” (vers 2323Daarna kwam Israël in Egypte,
Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
)
. ‘Israël’ betekent ‘vorst van God’ of ‘strijder van God’. Het is de naam die wijst op de voorrechten van het volk. Ook de naam ‘Jakob’ wordt genoemd en wel in verband met het vreemdelingschap “in het land van Cham”, dat is Egypte. Jakob is de naam die wijst op de zwakheid van het volk.

God zorgt ook in Egypte voor de voorwerpen van Zijn belofte. “Hij deed het volk zeer toenemen” (vers 2424Hij deed Zijn volk zeer toenemen
en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders.
; Ex 1:77werden de Israëlieten vruchtbaar en breidden zij zich overvloedig uit. Ze werden talrijk en uitermate machtig, zodat het land vol van hen werd.)
. Zo maakte Hij het volk “machtiger dan zijn tegenstanders” (Ex 1:9,129Hij zei tegen zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is talrijker en machtiger dan wij.12Hoe meer zij het echter onderdrukten, hoe talrijker het werd en hoe meer het zich uitbreidde, zodat zij in angst verkeerden vanwege de Israëlieten.). Gods volk groeit altijd tegen de verdrukking in. Een volk dat voor Christus lijdt, is een groeiend volk.

Dan lezen we dat God het hart van de Egyptenaren veranderde, “zodat zij Zijn volk haattenen Zijn dienaren listig behandelden” (vers 2525Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten
en Zijn dienaren listig behandelden.
; Ex 1:1313De Egyptenaren lieten de Israëlieten met harde [hand voor zich] werken.)
. Tot dat ogenblik waren de Egyptenaren Gods volk goed gezind. Maar toen ze een bedreiging begonnen te vormen sloeg hun goedgezindheid om in haat. God had eerder voorkomen dat mensen en koningen Zijn gezalfden iets zouden aandoen (vers 1515Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
. Maar nu begonnen de Egyptenaren Gods volk te onderdrukken en harde slavenarbeid op te leggen.

Maar God voorzag in een bevrijder. Zoals Hij eerder Jozef voor hen uitzond, zo zond Hij nu Mozes en Aäron (vers 2626Hij zond Mozes, Zijn dienaar,
en Aäron, die Hij verkozen had.
; Ex 3:1010Nu dan, ga [op weg]. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.; 4:14-1614Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de leviet, is toch uw broer? Ik weet dat híj uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden.15Dan moet u tot hem spreken en hem de woorden in zijn mond leggen. Ikzelf zal met uw mond en zijn mond zijn en u leren wat u doen moet.16En híj zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het [zó] zijn: Híj zal voor u tot een mond zijn en ú zult voor hem tot een god zijn.)
. Mozes is de dienaar van God (Ex 14:3131Toen zag Israël de machtige hand die de HEERE tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde de HEERE en geloofde in de HEERE en in Mozes, Zijn dienaar.) die God bij het volk vertegenwoordigde, hij sprak Gods woorden tot hen. Aäron is door God uitgekozen om hogepriester te zijn, hij vertegenwoordigde het volk bij God. In hen samen zien we een beeld van de Heer Jezus als de Apostel en Hogepriester (Hb 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,).

Zij werden door God naar Egypte gezonden om daar “de tekenen” te verrichten “die Hij bevolen had” (vgl. Ex 10:22en zodat u ten aanhoren van uw kinderen en uw kleinkinderen kunt vertellen wat Ik in Egypte heb aangericht, en [wat] Mijn tekenen [waren] die Ik onder hen verricht heb. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.), evenals de “wonderen in het land van Cham” (vers 2727Zij verrichtten onder hen de tekenen die Hij bevolen had,
en wonderen in het land van Cham.
; Mi 7:1515Als in de dagen toen u uit het land Egypte trok,
zal Ik het wonderen doen zien.
)
. De tekenen en wonderen die ze hebben gedaan, zijn tekenen en wonderen die rechtstreeks van God kwamen. Hij heeft ze bevolen. Mozes en Aäron deden niet anders dan Gods bevelen uitvoeren.

De psalmist selecteert acht van de tien wonderplagen die zijn verricht. Hij vermeldt ze in een andere volgorde dan waarin ze in Exodus 7-11 worden beschreven. Een teken betekent iets, het is een aanwijzing, het verwijst ergens naar; een wonder is iets bovennatuurlijks, de oorsprong ervan is niet een mens, maar God.

Zowel de tekenen als de wonderen zijn voor Gods volk een getuigenis van Gods trouw, dat Hij het voor hen opneemt. Wat voor Gods volk tekenen en wonderen waren, waren voor de Egyptenaren plagen. Telkens spreekt de psalmist bij het noemen van de tekenen en wonderen of de plagen over twee dingen:
1. God veroorzaakt de plagen. Ze komen van Hem. We lezen in deze verzen steeds over wat “Hij” doet. Ze beschrijven Zijn daden en Zijn wonderen. De psalmist heeft in de verzen 1-21Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
opgeroepen die te bezingen.
2. De plagen gaan over alles wat van de Egyptenaren was. Dat zien we zien aan het telkens terugkerende “hun”, zoals “hun water”, “hun vissen”. Het betrof “hun land”, “hun hele gebied”.

De eerste plaag die de psalmist noemt, is de negende, die van de duisternis (vers 2828Hij zond duisternis en maakte het duister
– zij waren Zijn woord niet ongehoorzaam –
; Ex 10:21-23a21Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, zodat er duisternis komen zal over het land Egypte, en de duisternis te tasten is.22Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen [lang].23Zij zagen elkaar niet, en drie dagen [lang] stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.)
. God “zond” deze plaag, zoals Hij eerder Jozef en daarna Mozes had gezonden, “en maakte het duister” (vgl. Js 45:6-76opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar [hij] ondergaat,
dat er buiten Mij niets is.
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
7Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
)
. Tijdens deze plaag was alle licht in Egypte afwezig en heerste er duisternis. Dit was het gevolg van het verwerpen van God, de bron van het licht. Maar er was licht “voor alle Israëlieten … in hun woongebieden” (Ex 10:23b23Zij zagen elkaar niet, en drie dagen [lang] stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.).

Mozes en Aäron “waren Zijn woord niet ongehoorzaam”, maar hebben alle plagen in gehoorzaamheid aan Gods bevel aangekondigd. Ze hebben zich niet laten afschrikken door de dreigingen van de machtige en trotse farao. Zij hebben hem bij elke weigering om Gods volk te laten gaan, telkens weer onverschrokken de wraak van de hemel voorgehouden als trouwe boodschappers van God.

De tweede plaag is de eerste in Egypte. Het is het teken van de verandering van water in bloed (vers 2929Hij veranderde hun water in bloed
en doodde hun vissen.
; Ex 7:15-2515Ga in de ochtend naar de farao, zie, hij zal naar het water toe gaan. Ga dan aan de oever van de Nijl staan om hem te ontmoeten, en de staf die veranderd is geweest in een slang, moet u in uw hand nemen.16U moet dan tegen hem zeggen: De HEERE, de God van de Hebreeën, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen in de woestijn. Zie, u hebt echter tot nu toe niet [willen] luisteren.17Zo zegt de HEERE: Hieraan zult u weten dat Ik de HEERE ben. Zie, ik zal met deze staf die in mijn hand is, op het water slaan dat in de Nijl is, en het zal in bloed veranderd worden.18En de vissen die in de Nijl zijn, zullen sterven, zodat de Nijl zal stinken. De Egyptenaren zullen moeite doen om het water uit de Nijl te kunnen drinken.19Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Neem je staf en strek je hand uit over de wateren van Egypte. [Strek hem uit] over hun stromen, over hun rivieren, over hun [water]poelen en over hun hele watervoorraad, zodat zij bloed worden. Er zal bloed zijn in heel het land Egypte, zelfs in de houten en stenen [vaten].20Mozes en Aäron deden precies zoals de HEERE geboden had. Hij hief de staf op en sloeg voor de ogen van de farao en zijn dienaren het water dat in de Nijl was. En al het water dat in de Nijl was, werd in bloed veranderd.21De vissen die in de Nijl waren, stierven en de Nijl stonk, zodat de Egyptenaren het water uit de Nijl niet konden drinken. Er was bloed in heel het land Egypte.22Maar de Egyptische magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde, zodat het hart van de farao zich verhardde. Hij luisterde niet naar hen, zoals de HEERE gesproken had.23En de farao keerde zich om, ging naar zijn huis en nam ook dit niet ter harte.24Maar alle Egyptenaren groeven in de omgeving van de Nijl naar drinkwater, want van het water van de Nijl konden zij niet drinken.25Zo gingen zeven dagen voorbij, nadat de HEERE de Nijl geslagen had.)
. Wat leven moet betekenen, water, veranderde in bloed, wat de dood van alle leven in het water inhield. De vissen worden met name genoemd als het leven dat werd gedood omdat vis een voedselbron is (Nm 11:5a5Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook.).

De kikkers, de tweede plaag in Egypte (Ex 8:1-71Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen.2En indien u weigert [het] te laten gaan, zie, dan zal Ik heel uw gebied met kikkers treffen,3zodat de Nijl krioelen zal van kikkers. Ze zullen [eruit] omhoog klimmen en in uw huis komen, in uw slaapkamer, ja, op uw bed, ook in de huizen van uw dienaren en bij uw volk, ja, in uw ovens en in uw baktroggen.4Tegen u, tegen uw volk en tegen al uw dienaren zullen de kikkers omhoog klimmen.5Verder zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek je hand met je staf uit over de stromen, over de rivieren en over de [water]poelen, en laat [er] kikkers [uit] omhoog klimmen over het land Egypte.6Toen strekte Aäron zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er klommen kikkers uit en zij bedekten het land Egypte.7Maar de magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde. Ook zij lieten kikkers over het land Egypte omhoog klimmen.), wordt door de psalmist als derde genoemd (vers 3030Hun land wemelde van kikkers,
[tot] in de kamers van hun koningen.
)
. Hij zegt dat “hun land wemelde van kikkers”. Kikkers werden door de Egyptenaren als heilig beschouwd en met eerbied behandeld. Ze mochten daarom niet worden gedood. Deze afgoden namen onder de oordelende hand van God de vorm van een plaag aan. De kikkers kwamen overal, in alle huizen, ook in de vaak goed beschermde “kamers van hun koningen”, waarbij we ook de vorsten van de diverse steden moeten denken.

De kikkers zijn een beeld van onreine geesten, met name de seksuele onreinheid (Op 16:13-1513En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten [komen] als kikkers;14want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.15Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.). De liefde tussen man en vrouw in het huwelijk is een natuurlijke zegen die God aan de mens heeft gegeven. Maar die zegen is tot een vloek geworden. We zien dat in de maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de homoseksuele relaties, de buitenhuwelijkse of voorhuwelijkse seksuele relaties, pornografie in tijdschriften en via televisie en internet, seksshops, seksclubs.

Dan volgen de “steekvliegen” (vers 3131Hij sprak, en er kwamen steekvliegen
[en] muggen in hun hele gebied.
)
, de vierde plaag in Egypte (Ex 8:2424En zo deed de HEERE: er kwam een zwerm steekvliegen in het huis van de farao, in de huizen van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Het land werd door de steekvliegen te gronde gericht.). De steekvliegen kwamen door het spreken van God. “Hij sprak” en ze kwamen. De steekvliegen, mogelijk een mengsel van allerlei ongedierte, dragen allerlei ziekten over. Hierdoor werd het leven van de mensen verontreinigd en verdorven.

Als toepassing voor onze tijd kunnen we denken aan allerlei irritaties, jaloezie, pesterijen, elkaar op alle mogelijke manieren dwarszitten. Dit soort dingen verderft de sfeer tussen mensen en maakt dat het leven er ondraaglijk door wordt. Harde muziek bij de buren, wangedrag in het verkeer, uitdagend gedrag in de winkel en zoveel andere dingen die je het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen.

De psalmist vervolgt met de plaag van de “muggen”, de derde plaag in Egypte (Ex 8:16-1916Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek je staf uit en sla het stof van de aarde, zodat het tot muggen wordt in heel het land Egypte.17En zo deden zij. Aäron strekte zijn hand met zijn staf uit en sloeg het stof van de aarde, en de muggen kwamen op de mensen en op de dieren. Al het stof van de aarde werd tot muggen, in heel het land Egypte.18De magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde om muggen voort te brengen, maar zij konden [het] niet. De muggen zaten op de mensen en op de dieren.19Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.). Ze kwamen door hetzelfde spreken van God. Muggen zijn diertjes die het bloed, het leven, uit de mens wegzuigen. Onze gecompliceerde maatschappij is vol muggen. Talloze mensen zijn angstig, verward, zenuwziek, achterdochtig. De psychiatrische inrichtingen zitten steeds vol. Geestelijke spanningen nemen hand over hand toe. Velen worden tot zelfmoord gedreven. Het leven heeft voor hen geen zin meer, het biedt geen uitzicht meer. De muggen doen hun vernietigend werk.

De volgende plaag die de psalmist noemt, is dat God “hun regen tot hagel” maakte (vers 3232Hij maakte hun regen tot hagel,
[bracht] vlammend vuur in hun land.
)
. De hagel ging gepaard met flitsend vuur te midden van de hagel. Dit is de zevende plaag in Egypte (Ex 9:22-2622Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel en er zal in heel het land Egypte hagel vallen: op de mensen en de dieren en op al het veldgewas in het land Egypte.23Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.24Er viel hagel en er flitste vuur te midden van de hagel, een zeer zware [bui]. Iets dergelijks was er in heel het land Egypte nooit gebeurd, sinds het een volk was geworden.25De hagel sloeg in heel het land Egypte alles neer wat op het veld was, van mens tot dier. De hagel sloeg al het veldgewas neer en versplinterde alle bomen van het veld.26Alleen in de landstreek Gosen, waar de Israëlieten woonden, viel er geen hagel.). De oordelen troffen in alle heftigheid het hele land Egypte. “Hij”, dat is God, trof met Zijn hagel “hun wijnstok en hun vijgenboom” (vers 3333Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,
Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.
)
. “Hij” dat is God, brak met Zijn hagel “de bomen in hun gebied in stukken”.

God liet uit “de schatkamer van de hagel” de hagel neerkomen die Hij daarin heeft bewaard “voor een dag van strijd en oorlog” (Jb 38:22-2322Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
23die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,
voor een dag van strijd en oorlog?
)
, de dag die voor Egypte was aangebroken. Het is een voorbeeld van de grote hagel waardoor de wereld binnenkort geteisterd zal worden als de gemeente is opgenomen (Op 16:2121En een grote hagel, [elke steen] ongeveer een talent zwaar, viel uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan is zeer groot.).

God moest doorgaan met het tonen van Zijn wil ten aanzien van Zijn volk omdat de farao Zijn volk niet wilde laten gaan. “Hijsprak, en er kwamen veldsprinkhanen, treksprinkhanen, niet te tellen, die al het gewas in hun land opaten, ja, zij aten de vrucht van hun akker op” (verzen 34-3534Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,
treksprinkhanen, niet te tellen,
35die al het gewas in hun land opaten,
ja, zij aten de vrucht van hun akker op.
).
Dit is de achtste plaag die God over Egypte bracht (Ex 10:12-1512Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over het land Egypte omwille van de sprinkhanen, zodat zij over het land Egypte opkomen en al het gewas van het land opvreten, al wat de hagel heeft overgelaten.13Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte, en de HEERE bracht die hele dag en die hele nacht een oostenwind in het land. [En] het gebeurde, toen het morgen geworden was, dat de oostenwind de sprinkhanen meevoerde.14De sprinkhanen kwamen op over heel het land Egypte en streken neer op heel het gebied van de Egyptenaren, een zeer grote [zwerm]. Nooit eerder is er zo'n [zwerm] sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit [weer] zo een zijn,15want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land [erdoor] verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land Egypte.). Eén enkele sprinkhaan is onbetekenend, hij stelt niets voor en is zomaar dood te trappen. De Israëlieten in hun ongeloof voelden zich zo tegenover de reuzen in Kanaän (Nm 13:3333Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.). Maar in grote aantallen zijn ze overweldigend en verwoestend (vgl. Ri 6:55Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.; 7:1212En Midian en Amalek en al de mensen van het oosten lagen in het dal, zo talrijk als sprinkhanen. En hun kamelen waren ontelbaar, zo talrijk als de zand[korrels] die zich aan de oever van de zee bevinden.).

Ten slotte is daar de laatste plaag, de tiende in Egypte, die ook hier het laatst wordt genoemd (vers 3636Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.
; Ex 11:55en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin die achter de handmolen zit, en alle eerstgeborenen van het vee.; 12:29-3029En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.30Toen stond de farao 's nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.)
. Het uur van het oordeel was gekomen. Het kan lang duren, God is geduldig, maar dan is er geen uitstel meer. God doodde “alle eerstgeborenen in hun land, de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.” Deze plaag brak alle weerstand. Er was in heel Egypte geen huis waarin geen dode te betreuren is. Het was de definitieve slag.


Israël uit Egypte uitgeleid

37Hij leidde hen uit met zilver en goud,
onder hun stammen was niemand die struikelde.
38Egypte was blij toen zij wegtrokken,
want angst voor dit [volk] was op hen gevallen.
39Hij spreidde een wolk uit om [hen] te bedekken
en [gaf] vuur om de nacht te verlichten.
40Zij baden, en Hij deed kwartels komen,
Hij verzadigde hen met hemels brood.
41Hij opende een rots en er vloeide water uit,
[dat als] een rivier door de dorre plaatsen stroomde.
42Want Hij dacht aan Zijn heilige woord,
aan Abraham, Zijn dienaar.
43Zo leidde Hij Zijn volk uit met vreugde,
Zijn uitverkorenen met gejuich.

De ontplooiing van Gods macht in en tegen Egypte heeft de kracht van Egypte gebroken. Er was geen kracht meer om Gods volk nog langer in slavernij te houden en ook geen lust daartoe. De plagen waren Gods wijze om Zijn volk uit het slavenhuis uit leiden (vers 3737Hij leidde hen uit met zilver en goud,
onder hun stammen was niemand die struikelde.
)
.

Het was geen zorgvuldig voorbereide ontsnapping of een angstige vlucht. Egypte deed het volk uitgeleide en voorzag hen van zilver en goud (Gn 15:1414Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.; Ex 3:2222[Elke] vrouw moet aan haar buurvrouw en aan haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen, en kleren, die u uw zonen en dochters te dragen moet geven. Zo zult u Egypte beroven.; 11:22Spreek toch ten aanhoren van het volk [en zeg] dat iedere man van zijn naaste en iedere vrouw van haar naaste zilveren en gouden voorwerpen moet vragen.; 12:35-3635De Israëlieten hadden gedaan overeenkomstig het woord van Mozes en hadden van de Egyptenaren zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en kleren gevraagd.36Bovendien had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, zodat zij hun het gevraagde gaven. Zo beroofden zij de Egyptenaren.). God voorzag hen ook van de nodige kracht, want hun krachten hadden ze onder het harde slavenjuk verbruikt. Daardoor was er “onder hun stammen … niemand die struikelde” (vgl. Js 5:2727Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
; Zc 12:88Op die dag zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschermen. Wie onder hen wankelt, zal op die dag als David zijn, en het huis van David zal zijn als goden, als de Engel van de HEERE voor hun [ogen].)
. Hij ondersteunde hen door Zijn aanwezigheid. Wat een geweldige God is Hij voor Zijn volk!

“Egypte was blij” met hun vertrek omdat dit het einde van de plagen betekende (vers 3838Egypte was blij toen zij wegtrokken,
want angst voor dit [volk] was op hen gevallen.
; Ex 12:3333De Egyptenaren drongen sterk aan bij het volk, om het snel uit het land te laten gaan, want zij zeiden: Wij gaan [anders] allemaal sterven!)
. Door die plagen was er “angst” voor Gods volk “op hen gevallen” (vgl. Gn 31:4242Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Izak niet met mij geweest was, zou u mij nu met lege [handen] weggestuurd hebben. God heeft mijn ellende en de inspanning van mijn handen gezien en heeft u gisternacht bestraft.; 35:55Daarop braken zij op. Gods verschrikking lag over de steden die hen omringden, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden.; Es 9:22De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle gewesten van koning Ahasveros, om de hand te slaan aan hen die hun onheil zochten. Niemand was tegen hen bestand, want angst voor hen was op alle volken gevallen.). Het land was verwoest door alle plagen. In alle huizen was verdriet over de dood van de eerstgeborene. Het was angst voor de God van dit volk. Hij had immers Zijn plagen over Egypte gebracht. De plagen over Egypte waren het bewijs van Gods zorg voor Zijn volk.

Na hun uittocht uit Egypte is Gods zorg voor Zijn volk niet gestopt. God is voor Zijn volk blijven zorgen. De voorzieningen van God voor Zijn volk bij hun uittocht uit Egypte en hun reis door de woestijn zijn allemaal onverbrekelijk verbonden aan de eed die Hij Abraham heeft gezworen. Voor hun reis door de woestijn heeft Hij voor een bedekking tegen de hitte overdag gezorgd door “een wolk” (vers 3939Hij spreidde een wolk uit om [hen] te bedekken
en [gaf] vuur om de nacht te verlichten.
)
. Door die wolk heeft Hij hen ook geleid. Tijdens de nacht werd die wolk een vuurkolom om hen te leiden (Ex 13:21-2221De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.22Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.; vgl. Js 4:5-65dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en ‘s nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.6Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.).

Op hun gebed om voedsel heeft Hij geantwoord door “kwartels” te laten komen en hen met “hemels brood”, het manna, te verzadigen (vers 4040Zij baden, en Hij deed kwartels komen,
Hij verzadigde hen met hemels brood.
; Ex 16:13-1613En tegen de avond gebeurde het dat er kwartels kwamen aanvliegen, die het kamp overdekten, en in de ochtend was er een laag dauw rondom het kamp.14Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.15Toen de Israëlieten dat zagen, zeiden zij tegen elkaar: Wat is dat? Want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tegen hen: Dit is het brood dat de HEERE u te eten gegeven heeft.16Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten [kan], een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet [het] nemen voor hen die in zijn tent zijn.)
. Om hun dorst te lessen heeft Hij heeft “een rots” geopend “en er vloeide water uit” (vers 4141Hij opende een rots en er vloeide water uit,
[dat als] een rivier door de dorre plaatsen stroomde.
; Ex 17:1-71Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op [en trok] van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.2En het volk kreeg onenigheid met Mozes en zei: Geeft u ons water, zodat wij kunnen drinken! Mozes zei tegen hen: Waarom hebt u onenigheid met mij? Waarom stelt u de HEERE op de proef?3Het volk smachtte daar naar water en het volk morde tegen Mozes en het zei: Waarom hebt u ons toch uit Egypte laten vertrekken? Om mij, mijn kinderen en mijn vee van dorst te laten omkomen?4Toen riep Mozes tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij stenigen.5De HEERE zei tegen Mozes: Trek vóór het volk uit, en neem [enkelen] van de oudsten van Israël met u mee. Neem uw staf, waarmee u de Nijl sloeg, in uw hand en ga op weg.6Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.7Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?)
. Dit water is blijven stromen. Het heeft hen als “een rivier door de dorre plaatsen” van de woestijn gevolgd, zodat ze steeds fris water hadden om te drinken (Js 41:1818Ik zal op kale hoogten rivieren doen ontspringen,
midden in valleien bronnen.
Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel,
het dorre land tot waterbronnen.
; 48:2121En: Zij leden geen dorst,
[toen] Hij hen leidde door de woeste [plaatsen].
Water uit een rots
deed Hij voor hen stromen.
Toen Hij de rots kloofde,
stroomde het water eruit.
; 1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.))
.

Hij heeft voor al deze weldaden een reden, wat we zien aan het woord “want” (vers 4242Want Hij dacht aan Zijn heilige woord,
aan Abraham, Zijn dienaar.
)
. Hij heeft dit allemaal gedaan omdat “Hij dacht aan Zijn heilige woord, aan Abraham, Zijn dienaar”. Dat Hij eraan dacht, wil niet zeggen dat Hij het was vergeten. Als Hij eraan denkt, betekent het dat Hij aan het werk gaat om Zijn gedane belofte te vervullen. Zijn heilige woord is Zijn absoluut betrouwbare woord. Hij doet, wat Hij heeft gezegd (vgl. Jz 23:1414En zie, ik ga heden de weg van heel de aarde, en u weet met heel uw hart en met heel uw ziel dat er geen enkel woord van al de goede woorden die de HEERE, uw God, over u gesproken heeft, onvervuld gebleven is. Alles is uitgekomen voor u, er is geen enkel woord van onvervuld gebleven.).

“Zo”, op deze manier en daarom, “leidde Hij Zijn volk uit met vreugde” (vers 4343Zo leidde Hij Zijn volk uit met vreugde,
Zijn uitverkorenen met gejuich.
)
. Het is Zijn volk. Hun bevrijding door Hem van het slavenjuk heeft bij hen vreugde veroorzaakt. Wat zijn ze blij geweest. Zij zijn “Zijn uitverkorenen”. Alleen daarom heeft Hij zo met hen gehandeld. Wat een genade waarover ze hebben gejuicht.


Israël in Kanaän

44Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.
Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,
45opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.
Halleluja!

Hij heeft hun ten slotte “de landen van de heidenvolken” gegeven (vers 4444Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.
Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,
)
. In Kanaän woonden minstens zeven heidenvolken (Gn 15:19-2119de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.). Gods volk heeft niet anders hoeven doen dan in bezit nemen “waarvoor de volken hadden gezwoegd” (Dt 6:10-1110Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,11huizen, vol van allerlei kostbare [dingen], waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt – en u gegeten hebt en verzadigd bent,).

Hij heeft het gedaan met het doel dat “zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden en Zijn wetten in acht zouden nemen (vers 4545opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.
Halleluja!
).
God wilde dat Zijn volk een gehoorzaam volk zou zijn. Zou Hij iets anders mogen verwachten na al Zijn weldaden voor Zijn volk? Wat moet een dergelijk volk dat zo rijk door God gezegend is, toch een dankbaar volk zijn. Wat moet een dergelijk volk een verlangen hebben om die God met al de liefde van hun hart te gehoorzamen.

De psalm eindigt terecht met de uitroep “halleluja”, loof de Heer!


Lees verder