Psalmen
1-5 Loof de HEERE mijn ziel 6-12 Recht en goedertierenheid 13-19 Ontferming en gerechtigheid 20-22 Loof de HEERE
Loof de HEERE mijn ziel

1[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
2Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.
3Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
4Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
5Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

Dit is een psalm “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
)
. Hij roept zichzelf op om de HEERE te loven (vers 1b1[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
)
. Zijn “ziel” wil zeggen zijn gevoelens. Hij wil ook dat “al wat in mij is”, zijn hele innerlijk, zijn wil, zijn gedachten en overleggingen, Gods heilige Naam looft. Zijn Naam houdt al Zijn eigenschappen en handelingen in. Al Zijn handelingen vloeien voort uit Wie Hij is en dragen Zijn opschrift. Wie Hij is en wat Hij doet, vraagt om lofprijzing door zijn hele persoon.

Zijn Naam is heilig omdat alles wat Hij is en doet, het kenmerk van heiligheid draagt. Het is allemaal volledig vrij van elke smet van de zonde of zelfs van de gedachte daaraan. God is licht en er is geen duisternis in Hem (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.). Dat blijkt duidelijk in alles wat Hij doet.

Nog een keer zegt David dat zijn ziel de HEERE zal loven (vers 22Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.
)
. Hij heeft dat ook in vers 11[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
gezegd, maar nu zegt hij het met betrekking tot al Gods weldaden. Daarvan mag en wil hij er niet één vergeten. Het betreft zowel de stoffelijke als de geestelijke weldaden. Het is nodig dat wij onszelf daaraan herinneren, want we zijn nogal vergeetachtig. Vergeetachtigheid met betrekking tot alle weldaden die God ons heeft bewezen, is niet te verontschuldigen en spreekt van ondankbaarheid.

De grootste en eerstgenoemde weldaad is wel de vergeving van “al uw ongerechtigheid” (vers 33Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
)
. De vergeving van God betreft elke ongerechtigheid, zonder uitzondering. De belijdenis ervan wordt hier voorondersteld (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). Als één ongerechtigheid niet vergeven zou zijn, zouden het werk van Christus en de vergeving God voor eeuwig tekortschieten. Zo is het gelukkig niet. De vergeving voor wie zijn zonden heeft beleden, is totaal omdat het werk van Christus volmaakt is.

De HEERE is ook de Heelmeester (Ex 15:2626Hij zei: Als u aandachtig luistert naar de stem van de HEERE, uw God, en doet wat juist is in Zijn ogen, als u Zijn geboden gehoorzaamt en al Zijn verordeningen in acht neemt, dan zal Ik geen enkele van de ziekten over u brengen die Ik over Egypte gebracht heb, want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.). In samenhang met de vergeving van de ongerechtigheid geneest Hij ook “al uw ziekten”. Het gaat hier om ziekten van de ziel, het zielenlijden als gevolg van het leven in de zonde. Door Zijn striemen, dat zijn de striemen van het oordeel van God, zijn wij genezen (Js 53:55Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
; 1Pt 2:2424Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door Zijn striemen bent u gezond geworden’.)
, dat is vrij gemaakt van de last van de zonde. Ook dat is een weldaad van Hem en een reden om Hem te loven. De lichamelijke genezing van alle ziekten zal in het vrederijk plaatsvinden, want dan zal Zijn volk Hem dienen (Ex 23:2525U moet de HEERE, uw God, dienen. Dan zal Hij uw brood en uw water zegenen. Ik zal ziekte uit uw midden doen wijken.).

Een volgende weldaad om God voor te loven is dat Hij “uw leven verlost van het verderf” (vers 44Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
)
. De gelovige weet dat het verderf geen vat op hem heeft. Hij kan sterven, maar de dood heeft hem niet in zijn macht. De Heer Jezus heeft door Zijn opstanding voor ieder die in Hem gelooft de dood overwonnen. In de opstanding wordt hij gekroond “met goedertierenheid en barmhartigheid”.

God verzadigt de mond van de Zijnen “met het goede” (vers 55Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.
)
. Het gaat hier niet om voedsel, maar om lofprijzing, het spreken en zingen van goede woorden over al de weldaden die God heeft bewezen. De mond zal vol lof zijn. Daaraan komt nooit een einde, want in de opstanding wordt de eeuwige jeugd genoten (vgl. Ps 110:33Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.
; Js 40:30-3130Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;
31maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
.


Recht en goedertierenheid

6De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.
7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.
8Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.
9Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij [Zijn toorn].
10Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
11Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
[zo] is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.
12Zo ver het oosten is van het westen,
[zo] ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

David heeft in de verzen 1-51[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
2Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.
3Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
4Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
5Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.
de HEERE geloofd voor alle weldaden die Hij aan zijn ziel heeft gedaan. Hij gaat nu verder met het bezingen van de rechtvaardige daden van de HEERE (vers 66De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.
)
. We leven nu nog in een wereld die vol onrechtvaardige daden en onrecht is. Dat komt niet van de HEERE, maar van de mens die zonder Hem leeft.

Als de HEERE regeert, komt er een einde aan alle onrecht. Hij zal daaraan een einde maken door het doen van “rechtvaardige daden”, dat zijn de rechtvaardige oordelen waarmee Hij het onrecht zal straffen en verwijderen. “Aan alle onderdrukten” die ter wille van Zijn Naam onder het onrecht hebben geleden, zal Hij “recht” doen. Hij zal hen binnenvoeren in de rust en zegen van het vrederijk.

God heeft de plannen voor de toekomst van Zijn volk en de wegen waarlangs Hij die zal realiseren “aan Mozes … bekendgemaakt” (vers 77Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.
)
. Mozes is bij Hem geweest om aan hem de tabernakel te laten zien (Ex 25:4040Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.; Hb 8:55Dezen dienen een zinnebeeld en schaduw van de hemelse dingen, zoals Mozes een Goddelijke aanwijzing ontving toen hij de tabernakel zou vervaardigen; want: ‘Zie erop toe’, zegt Hij, ‘dat u alles maakt naar het voorbeeld dat u op de berg getoond is’.). Daarin laat Hij Zijn plan zien en dat is dat Hij te midden van een verlost volk wil wonen. “Aan de nakomelingen van Israël” heeft Hij “Zijn daden” bekendgemaakt. Dat heeft Hij gedaan door hen uit de slavernij van Egypte te verlossen en in het beloofde land te brengen.

Al de wegen en daden van de HEERE laten zien dat Hij “barmhartig en genadig is” en “geduldig en rijk aan goedertierenheid” (vers 88Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.
; Ex 34:6-76Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,7Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die [de schuldige] zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde [geslacht].)
. Elke keer dat Zijn volk zich van Hem heeft afgekeerd en de afgoden is gaan dienen, heeft Hij Zijn barmhartigheid en genade getoond door hen te sparen. Hoe vaak is Zijn geduld op de proef gesteld. Dat Hij hen niet heeft verdelgd, is omdat Hij “rijk aan goedertierenheid” is.

God “zal niet voor altijd ter verantwoording roepen” (vers 99Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij [Zijn toorn].
; Js 57:1616Want Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen
en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn.
Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken,
de zielen die Ík gemaakt heb.
)
. Dat geldt voor iedereen die zijn zonden heeft beleden. De gelovige mag weten dat zijn zonden zijn gedragen door de Heer Jezus op het kruis. God heeft Hem ter verantwoording geroepen en Hem het rechtvaardige oordeel over die zonden gegeven. Daardoor zijn ze uitgeboet en weggedaan. Zijn volle hitte van Zijn toorn over die zonden is over Zijn Zoon heen gegaan. Daarom handhaaft Hij niet voor eeuwig Zijn toorn over de berouwvolle zondaar, maar vergeeft hem en zegent hem.

Iemand die de dwaalleer van de alverzoening aanhangt, heeft deze verzen aangehaald als bewijs dat God iedereen redt. ‘Want’, zo beweerde hij, ‘God is barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en Hij handhaaft Zijn toorn niet voor eeuwig’. Deze manier van bijbeluitleg is een grote misleiding met fatale gevolgen.

We moeten bedenken dat hier David aan het woord is. Hij looft God voor de vergeving van zijn zonden. Hij is zich ervan bewust dat zijn ongerechtigheden vergeven zijn. Hij weet dat zijn leven verlost is van het graf. Hij ervaart dat God vanwege de vergeving niet eeuwig toornt. Hij is bevrijd van deze toorn, die ieder treft die onboetvaardig is. Ieder die gelooft dat Christus voor hem de toorn van God heeft gedragen, zal God daarvoor eeuwig prijzen!

In Psalm 103 spreekt een mens die berouw heeft getoond en boete heeft gedaan en zich de vergeving bewust is. Dat zegt geen onbekeerd mens en dat zal in de eeuwigheid geen mens zeggen die zich op aarde niet heeft bekeerd. Op aarde moet bekering gebeuren en op aarde moeten zonden worden vergeven en niet in het hiernamaals. [Zie voor een uitvoeriger weerlegging van de dwaalleer van de alverzoening het boekje ‘Verzoening, dwaling en dwaalleer weerlegd’ op www.oudesporen.nl.]

Wie zijn zonden heeft beleden en vergeving heeft ontvangen, is zich er diep van bewust dat het alleen genade is dat God niet naar zijn zonden heeft gedaan en niet naar zijn ongerechtigheden heeft vergolden (vers 1010Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
)
. David spreekt hier in het meervoud, “ons” en “onze”. Hij vertolkt hier de gevoelens van het gelovig overblijfsel dat in de zegen van het vrederijk is binnengegaan. Ze zijn daar niet op grond van enige eigen verdienste.

Wat het gelovig overblijfsel zegt, geldt in nog hogere mate voor de nieuwtestamentische gelovige. Hij zal ook deelhebben aan alle zegeningen van het vrederijk. Maar hij is daarbovenuit gezegend met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Die zijn hem uit pure genade geschonken door God “Die rijk is aan barmhartigheid” en “vanwege Zijn grote liefde” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,; 2:1-101En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,2waarin u vroeger hebt gewandeld overeenkomstig de tijdgeest van deze wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid,3onder wie ook wij allen vroeger verkeerden in de begeerten van ons vlees, toen wij de wil deden van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van [de] toorn, evenals de overigen.4Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,5toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus (uit genade bent u behouden),6en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,7opdat Hij in de komende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade zou betonen in goedertierenheid over ons in Christus Jezus.8Want uit genade bent u behouden, door [het] geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God;9niet op grond van werken, opdat niemand roemt.10Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.). Zullen we Hem daarvoor niet eeuwig loven en daarmee nu op aarde al beginnen?

Wie kan de afstand meten tussen de aarde en de hemel (vers 1111Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
[zo] is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.
)
? Het is een voor mensen onmetelijke afstand. Niemand heeft ooit het ‘plafond’ van de hemel kunnen ontdekken. Zo onmetelijk hoog als de hemel boven de aarde is, “[zo] is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen”.

Allen die “Hem vrezen” – deze uitdrukking komt drie keer in de psalm voor (verzen 11,15,1711Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
[zo] is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.
15De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
17Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
)
– zijn het voorwerp van de macht van Zijn goedertierenheid. (Dit is, tussen haakjes, opnieuw een bewijs van de leugen van de alverzoening.) God heeft in hen de vrees, dat is het ontzag, voor Hem bewerkt. Het is allemaal Zijn werk.

Het overblijfsel looft hier de macht van Zijn goedertierenheid. In de onbegrensde macht van Zijn goedertierenheid heeft God al Zijn beloften aan een falend volk waargemaakt. Hij heeft Zich vol goedheid op machtige wijze over hen ontfermd, terwijl zij het recht op al Gods beloften volkomen hebben verspeeld. Zijn macht is zichtbaar geworden in Zijn Zoon Die aan alle voorwaarden voor Gods beloften heeft voldaan. Wat voor een mens onmogelijk is, zichzelf redden, daartoe is God machtig (Lk 18:25-2725Want het is gemakkelijker dat een kameel door [het] oog van een naald binnengaat, dan dat een rijke het koninkrijk van God binnengaat.26Zij nu die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan behouden worden?27Hij echter zei: De dingen die onmogelijk zijn bij mensen, zijn mogelijk bij God.).

Voor de overtredingen die het volk heeft gedaan, heeft Hij in de macht van Zijn goedertierenheid ook voor een oplossing gezorgd (vers 1212Zo ver het oosten is van het westen,
[zo] ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.
)
. Overtredingen vragen om vergelding. Die vergelding heeft Hij van Zijn Zoon gevraagd en gekregen. Christus heeft de overtredingen van hen die in Hem geloven voor God beleden als de Zijne en heeft daarvoor het oordeel van God ondergaan (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.). Dit betekent dat God de zonde niet meer ziet bij hen die ze hebben beleden, want Christus is daarvoor gestorven. Hij heeft het loon ervoor ontvangen (Rm 6:23a23Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.).

Het overblijfsel is zich ervan bewust dat er nooit meer enige verbinding zal zijn tussen hen en hun overtredingen. Ze geven de afstand tussen hen en hun overtredingen aan door te wijzen op de afstand tussen “het oosten” en “het westen” (vers 1212Zo ver het oosten is van het westen,
[zo] ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.
)
. Er is niet ergens een grens waarover je van het oosten in het westen komt, zoals dat wel het geval is met het noorden en het zuiden, waar je via de evenaar van het noordelijk halfrond op het zuidelijk halfrond en omgekeerd stapt. Dat de vergeven overtredingen hen nooit meer zullen achterhalen, wordt op andere manieren door andere verzen in de Schrift bevestigd (Js 38:17b17Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
; Jr 50:2020In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE,
zal gezocht worden naar de ongerechtigheid van Israël, maar die zal er niet zijn,
en naar de zonden van Juda, maar ze zullen niet gevonden worden,
want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik laat overblijven.
; Mi 7:1919Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
; Hb 8:1212Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.)
.


Ontferming en gerechtigheid

13Zoals een vader zich ontfermt over [zijn] kinderen,
[zo] ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.
14Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
[en] blijft bedenken dat wij stof zijn.
15De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
17Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
18voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.
19De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

David vergelijkt de HEERE met “een vader” die “zich ontfermt over [zijn] kinderen” (vers 1313Zoals een vader zich ontfermt over [zijn] kinderen,
[zo] ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.
)
. De HEERE, Jahweh, de God van het verbond met Zijn volk, ontfermt Zich op gelijke wijze als een vader “over wie Hem vrezen”. We zien hier de tedere zorg van God voor Zijn kwetsbare volk, dat zijn zij die ontzag voor Hem hebben en in eerbied voor Hem leven. Zij zijn door Hem in die relatie gebracht.

David heeft God niet als Vader gekend, en ook het gelovige overblijfsel zal Hem niet zo kennen. Meerdere keren wordt God de Vader van Zijn volk genoemd. Dat stelt echter niet de relatie van de gelovige Israëliet tot Hem voor, maar heeft de betekenis van ‘oorsprong’ (Dt 32:66Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
; Js 63:1616Toch bent U onze Vader,
want Abraham weet van ons niet
en Israël kent ons niet.
U, HEERE, bent onze Vader;
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
; 64:88Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
; Jr 31:99Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
; Hs 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. In die zin is God de Vader van Zijn volk. Het is het voorrecht van de individuele nieuwtestamentische gelovige God als Vader te kennen en Hem door de Geest van zoonschap “Abba, Vader” te noemen (Rm 8:1515Want u hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar u hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!; Gl 4:66En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!).

Het overblijfsel is zich van hun zwakheid bewust. En dat is juist de reden van Zijn ontferming: “Want Híj [met nadruk] weet wat maaksel wij zijn” (vers 1414Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
[en] blijft bedenken dat wij stof zijn.
)
. God “blijft bedenken dat wij stof” zijn. Hij zal dat nooit vergeten, want Hij heeft ons uit “het stof van de aardbodem” gemaakt (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.; 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. Als wij dat blijven bedenken, zullen we onze afhankelijkheid van Hem erkennen.

In de verzen 15-1615De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
weidt David uit over de zwakheid en vergankelijkheid van de mens. De mens is slechts een “sterveling” met een kortstondig bestaan op aarde (vers 1515De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
)
. De korte duur en de snel verwelkende pracht ervan stelt hij als volgt voor: “Zijn dagen zijn als het gras, als een bloem op het veld, zo bloeit hij” (vgl. Js 40:77Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
; 1Pt 1:2424Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,; Ps 90:5-65U spoelt hen weg, zij zijn [als de] slaap.
In de morgen zijn zij als het gras [dat] opkomt:
6in de morgen bloeit het en komt het op,
's avonds wordt het afgesneden en het verdort.
)
. Zijn leven is zo broos, dat een zucht wind hem wegblaast (vers 1616Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
)
. Dan “is hij er niet [meer]en zijn plaats kent hem niet meer”. Hij is voorgoed uit het zicht verdwenen zonder een spoor van zijn eerdere aanwezigheid na te laten.

Daartegenover staat “de goedertierenheid van de HEERE” (vers 1717Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
)
. Die is niet vluchtig, tijdelijk, voorbijgaand, “maar …van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen. Het is een eigenschap van Hem Die de Eeuwige is. Aan Zijn goedertierenheid komt nooit een einde. Eerder is van Zijn goedertierenheid gezegd dat die in haar ruimte onmetelijk, onbevattelijk is (vers 1111Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
[zo] is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.
)
. Nu wordt gezegd dat Zijn goedertierenheid nooit ophoudt, eindeloos is, zich tot in alle eeuwigheid uitstrekt.

En over wie strekt ze zich uit? “Over wie Hem vrezen.” Dit kenmerkt de gelovige in alle tijden en het gelovig overblijfsel in het bijzonder in de eindtijd. Het is het bewijs van nieuw leven. Zij gaan het vrederijk binnen. Wie God vrezen, wie in eerbied en ontzag voor Hem leven, zijn het eeuwige voorwerp van Zijn goedertierenheid.

In de derde regel van vers 1717Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
gaat het niet over de goedertierenheid van de HEERE, maar over “Zijn gerechtigheid”. Goedertierenheid en gerechtigheid zijn nooit met elkaar in strijd. Goedertierenheid is gebaseerd op gerechtigheid. “De kinderen van hun kinderen” zijn de navolgende generaties. Zij zullen eerst Gods gerechtigheid in het oordeel moeten erkennen over wie zij zijn. Dan zullen ze aan de goedertierenheid van God deel krijgen.

De volgende generaties moeten Gods “verbond in acht nemen en aan Zijn bevelen denken om ze te doen” (vers 1818voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.
)
. Zij die dat doen, laten daardoor zien dat ze zich voor Hem hebben gebogen met belijdenis van hun zonden. Zij hebben een nieuwe natuur gekregen waardoor zij Hem zullen gehoorzamen. Van nature kan de mens dat niet en wil hij dat ook niet (Rm 8:6-86want wat het vlees bedenkt, is [de] dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede;7omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.8En zij die in [het] vlees zijn, kunnen God niet behagen.). Hij kan het alleen als hij een nieuw hart heeft (vgl. Ez 36:25-2725Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.27Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.).

Dat de goedertieren God ook de rechtvaardige God is, wordt onderstreept door de opmerking dat “de HEERE … Zijn troon in de hemel gevestigd” heeft (vers 1919De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.
)
. Dat is nu, in deze tijd het geval en zal ook in het vrederijk zo zijn. Een gevestigde troon is een vaste, onwankelbare troon. Hij verandert niet in Zijn regering. Tijdens het vrederijk zal Zijn troon ook op aarde staan. In die tijd heerst “Zijn Koninkrijk … over alles” in de hemel en op de aarde.


Loof de HEERE

20Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
21Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.
22Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.
Loof de HEERE, mijn ziel!

Wanneer de tijd is aangebroken dat het koninkrijk van de HEERE over alles heerst, volgt er een oproep aan allen en alles om de HEERE te loven. De eersten die worden opgeroepen om Hem te loven zijn “Zijn engelen, sterke helden, die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt” (vers 2020Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
)
. Zij staan dicht bij Hem. Ze zijn ‘sterke helden’, die zonder enige tegenwerping in gehoorzaamheid het woord uitvoeren dat Hij spreekt. Zij worden uitgezonden tot dienst van hen die de behoudenis verwachten (Hb 1:1414Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?).

Dan wordt de kring van hen die worden opgeroepen de HEERE te loven verder uitgebreid tot “al Zijn legermachten” (vers 2121Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.
)
. Zijn legermachten zijn alle hemelse en aardse legermachten. Engelen zijn sterke helden. Wat moet een legermacht van engelen dan wel voor enorme kracht bezitten. Maar zij staan allemaal onder het opperbevel van de HEERE en zijn slechts “dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen”.

Ten slotte worden “al Zijn werken, op alle plaatsen van Zijn heerschappij” opgeroepen Hem te loven (vers 2222Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.
Loof de HEERE, mijn ziel!
)
. Hier is de kring van Godlovers uitgebreid tot het hele universum. Er is immers geen gebied in het universum dat niet onder Zijn heerschappij valt.

De laatste regel van vers 2222Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.
Loof de HEERE, mijn ziel!
maakt het weer persoonlijk. Alles en iedereen zal Hem loven. Maar doe ik het ook? Voor de psalmist is het geen vraag. Hij besluit waarmee hij deze psalm in vers 11[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
is begonnen: de oproep aan zijn ziel om de HEERE te loven. Hij is het eeuwig waard.


Lees verder