Psalmen
1-2 Kenmerken van de rechtvaardige 3 Het resultaat 4-5 De goddelozen 6 Twee wegen, twee bestemmingen
Kenmerken van de rechtvaardige

1Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.

Psalm 1 is de schitterende inleiding op het boek Psalmen. Het is een wijsheidspsalm, een psalm waarbij onderwijs wordt gegeven of samengevat over de twee wegen die de mens in zijn leven kan kiezen: de weg van de rechtvaardige (verzen 1-31Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
of de weg van de goddelozen (verzen 4-64[Maar] zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
5Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.6Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
)
. Deze twee elementen zien we telkens in dit boek terugkomen en in feite in de hele Bijbel. Het is de keus tussen de weg van zegen en de weg van vloek, de weg met blijvende vrucht en de weg waarop alles wordt weggeblazen, de weg van het leven en de weg van de dood (vgl. Dt 30:1919Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht,).

Het is in feite het verschil tussen de weg van Christus en de weg van de antichrist. Christus is de Rechtvaardige bij uitstek. Hij is de Enige Die heeft kunnen zeggen: ”Ik doe altijd wat Hem welbehaaglijk is” (Jh 8:2929En Hij Die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is.). De antichrist is de goddeloze en wetteloze bij uitstek, de mens van de zonde, de mens die in zijn hart zegt: “Er is geen God” (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. Hij leeft zonder in enig opzicht met God rekening te houden.

Er wordt over de rechtvaardige in het enkelvoud gesproken en over de goddelozen in het meervoud. Het is de Godvrezende enkeling te midden van en tegenover de goddeloze, afvallige massa. Het zijn de enkelingen die de smalle weg bewandelen in tegenstelling tot de velen die de brede weg bewandelen.

Deze eerste psalm gaat over de kenmerken van het Godvrezende overblijfsel van Israël. Het zijn de kenmerken in het bijzonder van de Heer Jezus die in de eindtijd ook in het gelovig overblijfsel worden gezien. Bij Hem zijn die kenmerken volmaakt aanwezig en worden bij Hem volmaakt gezien wanneer en waar Hij ze ook maar toont. Het overblijfsel is niet volmaakt, maar zij kunnen ze tonen door hun verbinding met Hem, omdat Zijn Geest dat in hen werkt.

Ook wij, gelovigen die tot de gemeente behoren, hebben de opdracht én de mogelijkheid om de kenmerken van de Heer Jezus te vertonen en wel in overeenstemming met onze hemelse positie. Van ons staat geschreven dat wij “de nieuwe mens” hebben aangedaan, “die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid” (Ef 4:2424en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.). De kenmerken van de nieuwe mens zijn precies dezelfde als die van de Heer Jezus. De nieuwe mens wordt overal zichtbaar waar gelovigen de kenmerken van de Heer Jezus vertonen.

Psalm 1 begint, en daarmee het hele boek Psalmen, met het uitspreken van “welzalig” of “gelukkig”. In de bergrede (Mt 5-7) gebruikt de Heer Jezus dezelfde uitdrukking – weliswaar vertaald vanuit het Hebreeuws, asre, in het Grieks, makarios (Mt 5:3-113Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.4Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.5Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.6Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.7Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.8Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.9Gelukkig de vredestichters, want zij zullen zonen van God worden genoemd.10Gelukkig zij die worden vervolgd ter wille van [de] gerechtigheid, want van hen is het koninkrijk der hemelen.11Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en <liegend> allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij.). Het is een uitroep van diep en blijvend geluk en vreugde van God over de gelovige die te midden van het kwaad leeft in vrees voor Hem.

Deze eerste kennismaking met de Godvrezende benadrukt dat hij leeft in omstandigheden waarin met God geen rekening wordt gehouden. In die omstandigheden wandelt hij met God. Met hem identificeert God Zich graag en Hij zal hem verder Zijn rust en vrede geven. God waardeert het bijzonder dat hij niet voor de druk bezwijkt, maar trouw blijft aan Hem. Zijn ‘welzalig’ is een grote bemoediging voor ieder die trouw wil zijn als de afval van het geloof zich steeds duidelijker manifesteert.

Het is opvallend dat de eerste kenmerken van de Godvrezende gelovige bestaan uit het zich onderscheiden van “de goddelozen”, “de zondaars” en “de spotters”. Uit zulke mensen bestaat de massa van Gods volk. Zij maken de dienst uit in Gods volk, net zoals dat ook vandaag gebeurt. De Godvrezende leeft te midden van hen, maar heeft er geen gemeenschap mee. Hij leeft afgezonderd van hen, hij doet niet met hen mee.

Het eerste kenmerk van de rechtvaardige die met God wandelt, is dat hij “niet wandelt in de raad van de goddelozen”. Dat ziet op de manier waarop hij overlegt en waardoor hij tot zijn handelen komt. In de overleggingen van de goddelozen is geen plaats voor God. Een goddeloze leeft zonder God bij zijn leven te betrekken, laat staan Hem daar het gezag over te geven. Het principe van zijn leven is dat alles om hemzelf draait.

Hij “wandelt” daarin, dat wil zeggen dat zijn goddeloze gedrag voortkomt uit zijn verdorven wijze van denken, die weer voortkomt uit het buitensluiten van God in zijn besluitvorming. Hij bedenkt zondige, egoïstische dingen om koste wat het kost tot bevrediging van zijn begeerten te komen. De Godvrezende wandelt niet in de raad van de goddelozen, hij laat zich niet verleiden of dwingen tot een manier van beraadslagen of overleggen waarin God geen plaats heeft, maar hij bedenkt wat God wil, hij betrekt God bij zijn beraadslagingen.

Het tweede kenmerk van de man die met God wandelt, is dat hij “niet staat op de weg van de zondaars”. Het woord ‘staan’ is hier niet een passieve toestand, zoiets als stilstaan. Het woord betekent actief een positie innemen, ergens bewust gaan staan. Zondaars negeren God. Die positie nemen ze bewust. Met “de weg” wordt zoals gebruikelijk de levensweg met zijn einde bedoeld. Zondaars zijn mensen die geen interesse in Gods doel met hun leven hebben.

De betekenis van het woord ‘zonde’ is ‘het doel missen’. Zondaars missen Gods doel met hun leven. Ze leven hun leven zoals ze dat zelf als goed zien. Dat kan liederlijk zijn, maar ook heel netjes. Wat ze ook kiezen, ze vragen niets aan God, maar bepalen zelf wat ze doen. Het is de brede weg, de gemakkelijke en vermakelijke manier van leven, “die naar het verderf leidt” (Mt 7:1313Gaat in door de nauwe poort; want wijd <is de poort> en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor binnengaan;). De Godvrezende leeft niet zo, hij staat niet op hun weg, maar beantwoordt aan Gods bedoeling met zijn leven.

Het derde kenmerk van de man die met God wandelt, is dat hij “niet zit op de zetel van de spotters”. De spotters zijn mensen die God belachelijk maken door gelovigen belachelijk te maken. Hun verwerping van God neemt de grofste vorm aan, die van het bespotten van God. Hun zonde is die van de tong. Zij zijn de grootsprekers, de overmoedigen, de lichtzinnigen. Ze zitten gekluisterd aan hun eigen zetel, hun eigen troon, en zetten een grote mond op tegen God. Het zitten op een zetel geeft blijk van hoogmoed en verharding. De spot die geuit wordt, gebeurt weloverwogen. De Godvrezende verafschuwt die zetel, en geeft God de heerschappij over zijn leven in handen.

We zien een climax: wie als de goddelozen geen rekening met God houden, zullen als de zondaars hun verplichting negeren om te doen wat God zegt, wat voert tot een openlijk spotten met God en Zijn wil.

Vers 22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
zegt hoe het komt dat de in vers 11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
genoemde dingen bij de Godvrezende niet aanwezig zijn. Hij vindt namelijk zijn vreugde “in de wet van de HEERE” die hij “dag en nacht overdenkt” (vgl. Ps 26:4-84Ik zit niet bij valsaards,
met huichelaars ga ik niet om.
5Ik haat het gezelschap van kwaaddoeners,
bij goddelozen zit ik niet.
6Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
7om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
)
. Het is onmogelijk dat iemand ‘welzalig’ is, zonder dat hij zich met het Woord van God bezighoudt. Niet het handelen naar de wet staat op de voorgrond, maar het liefhebben van de wet, er zijn vreugde in vinden. Handelen naar de wet zonder liefde en vreugde zien we bij de farizeeën. Het hart van de Godvrezende is er dag en nacht, dat wil zeggen voortdurend, onophoudelijk, mee bezig.

De ‘wet’ is niet beperkt tot de vijf boeken van Mozes en zelfs niet tot het Oude Testament als geheel. Het Hebreeuwse woord voor wet, thora, houdt alle onderwijs in dat afkomstig is van God. De wet is ook Gods eis om naar Zijn geboden te leven en daardoor gerechtvaardigd te worden (Lv 18:55Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.). De psalmist spreekt hier echter niet over de dodelijke effecten die de wet voor ieder mens heeft omdat hij de wet niet kan houden. Hij spreekt over de leven gevende aspecten van de wet. Wie met God wandelt, in gemeenschap met Hem leeft, omdat hij nieuw leven heeft, vindt er zijn diepste vreugde in altijd met het onderwijs van God bezig te zijn, want dat geeft hem het diepste geluk.

Het is voor de Godvrezende een genot om Gods Woord te lezen en er dag en nacht over na te denken (vgl. Ps 19:8-118De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
)
. Hij heeft er een onverzadigbare honger naar en is als de gelovigen in Beréa, van wie we lezen: “Zij ontvingen het Woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren” (Hd 17:1111Dezen nu waren edeler dan die in Thessalonika: zij ontvingen het Woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren.). Het is geen meditatie op een bepaald tijdstip van de dag, maar een dag en nacht ermee bezig zijn. Hij leest een tekst, sluit die in zijn hart en draagt die de hele dag mee. En als hij ’s nachts niet kan slapen, denkt hij er verder over na. Ongeacht de tijd van de dag of de omstandigheden reageert de Godvrezende op het leven in overeenstemming met Gods Woord.

We moeten bij “en Zijn wet dag en nacht overdenkt” bedenken dat de Geest van God door het Woord van God werkt. We kunnen ze niet van elkaar scheiden. Het Woord van God zonder de Geest van God is dode orthodoxie, slechts verstandelijk, zonder nieuw, geestelijk leven. Omgekeerd is de Geest zonder het Woord een onmogelijkheid. Als dat gebeurt, zal de geest met kleine letter, dat wil zeggen de geest van de mens, proberen de werking van de Heilige Geest te imiteren, en dat zal alleen leiden tot ongebreideld fanatisme.

‘Dag en nacht’ betekent niet dat de gelovige vierentwintig uur per dag bijbelstudie doet en niet meer toekomt aan andere dingen. De gelovige die dag en nacht zijn vreugde in het Woord vindt, kunnen we vergelijken met een verliefde jongeman die tijdens alle werkzaamheden constant denkt aan zijn meisje. Tijdens alle activiteiten van de dag wordt alles doordrenkt met het overdenken van het Woord. Wat we lezen van Maria, de moeder van de Heer Jezus, geeft de betekenis aan: “Maria echter bewaarde al deze dingen en overwoog ze in haar hart” (Lk 2:1919Maria echter bewaarde al deze dingen en overwoog ze in haar hart.).

Wat in de verzen 1-21Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
staat, is in en door de Heer Jezus ten volle vervuld. Wat in het vrederijk waar zal zijn van iedere Israëliet (Jr 31:33-3433Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.; Hb 8:1010Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.), is volmaakt waar van Christus. Het ideaal van de eindtoestand wordt nu al in Hem gezien. Hij heeft Zich in geen enkel opzicht laten leiden door de raad van goddelozen, nooit is Hij op de weg van de zondaars gaan staan, om maar helemaal te zwijgen over het zitten op de zetel van de spotters. In Zijn leven op aarde is Hij te midden van mensen die God buitensluiten, terwijl Hij innerlijk volledig van hen gescheiden is.

Tijdens Zijn leven op aarde is Zijn vreugde in de wet van Jahweh, die is in Zijn binnenste (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
 Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
. Hij heeft gedaan wat tegen Jozua wordt gezegd: “Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat” (Jz 1:88Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat. Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen.). Hij heeft alles gedaan wat de wet gebiedt en Hij heeft niets gedaan wat de wet verbiedt (vgl. Mt 5:1717Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen.).


Het resultaat

3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.

Hier wordt de gelovige, die niet openstaat voor de zonde (vers 11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
)
, maar door het Woord van God wordt gevormd (vers 22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
, vergeleken met een gezonde, vruchtbare en duurzame boom die aan waterbeken geplant is. De vergelijking van een mens met een boom komt vaker voor, zowel in positieve als in negatieve zin (Jr 17:7-87Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
8Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Lk 6:43-4543Want er is geen goede boom die bedorven vrucht voortbrengt, en evenmin een bedorven boom die goede vrucht voortbrengt;44want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend; want men plukt geen vijgen van dorens en men oogst geen druiven van een braamstruik.45De goede mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort, en de boze brengt uit de boze [schat] het boze voort; want uit [de] overvloed van [het] hart spreekt zijn mond.)
. De Godvrezende is “als een boom, geplant aan waterbeken”. Hij heeft niet zelf die plaats ingenomen, maar is door God geplant. Hij is “een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken” (Js 61:33om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
)
.

Er zijn ook bomen die niet door de HEERE zijn geplant, maar zichzelf hebben geplant. Ze beweren dat ze gezond en vruchtbaar zijn, maar ze matigen zich die plaats aan, zoals de farizeeën. Ze zullen worden uitgerukt, zoals de Heer Jezus met het oog op hen zegt: Elke plant die Mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt” (Mt 15:1313Hij antwoordde echter en zei: Elke plant die Mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt.).

De boom die door God is geplant, staat niet slechts aan één waterbeek, maar aan “waterbeken”, meervoud. We kunnen dit toepassen op wat de Godvrezende in Christus heeft ontvangen, zoals de zegen van vergeving en genade, de zegen van de beloften door de verbinding met Christus, de zegen van de gemeenschap met Christus. Deze en nog veel meer zegeningen zijn de waterbeken die uit het Woord van God tot ons komen als we daaraan geplant zijn.

Het gevolg is dat er vrucht tevoorschijn komt uit het leven van de rechtvaardige en wel “zijn vrucht”, die hij geeft “op zijn tijd”. Elke boom heeft zijn eigen vrucht en brengt die voort op de voor die boom bestemde tijd, niet eerder en niet later. We kunnen bij ‘zijn vrucht op zijn tijd’ bijvoorbeeld denken aan de vrucht van geduld in een tijd van lijden en aan de vrucht van geloof in een tijd van beproeving. Die voorbeelden kan de lezer zelf aanvullen. In het leven van iedere gelovige zijn de voor die gelovige kenmerkende vruchten te zien die tevoorschijn komen in de omstandigheden waarin hij zich bevindt.

Dit maakt ook duidelijk dat Gods waarheid niet maar feitenkennis is. Gods waarheid moet begrepen worden in een gelovig hart. De vrucht gaat dan groeien in voor die vrucht gunstige omstandigheden (vers 22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
; vgl. Mt 13:18-2318U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier.19Als iemand het Woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart was gezaaid; dit is hij die bij de weg is gezaaid.20Hij nu die op de rotsachtige bodems is gezaaid, die is het die het Woord hoort en het terstond met vreugde aanneemt;21hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar is [iemand] van het ogenblik; als nu verdrukking of vervolging komt om het Woord, dan wordt hij terstond ten val gebracht.22Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.23Hij nu die in de goede aarde is gezaaid, die is het die het Woord hoort en verstaat, die dus vrucht draagt en voortbrengt, de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig en de ander dertigvoudig.)
en zal op zijn tijd gaan dragen. De vrucht is niet dat wat wij zelf hebben gepresteerd, maar de vrucht is ‘Christus in ons’. We zien dat in de beeldspraak van de Heer Jezus in Johannes 15. Doordat wij in Christus (ver)blijven, brengen wij, de ranken, vruchten voort (Jh 15:4-54Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft.5Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen.). Deze vruchten zijn afkomstig van de wijnstok en niet van de ranken. Het is het sap van de wijnstok, dat door de ranken worden omgezet in een vrucht. Het is inderdaad Christus in ons, zichtbaar voor anderen.

Het gaat erom dat wij in Christus zijn en dat Hij in ons is. Dan alleen dragen we “veel vrucht”, want zonder Hem kunnen we “helemaal niets doen”, ook geen vrucht dragen (Jh 15:55Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen.). Bij de Heer Jezus is er altijd een volheid van vrucht. Bij ons overheersen sommige vruchten, terwijl andere vruchten niet zo waarneembaar of zelfs afwezig zijn. Het is Gods bedoeling dat de vrucht van de Geest (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.) in volheid in ons leven zichtbaar wordt. Paulus is een boom die vrucht draagt. Hij schrijft aan de gelovigen in Rome: En ik weet, dat als ik tot u kom, ik in een volheid van zegen van Christus zal komen” (Rm 15:2929En ik weet, dat als ik tot u kom, ik in een volheid van zegen van Christus zal komen.).

Dan wordt nog vermeld dat “het blad niet afvalt”. Het gaat bij een boom vooral om zijn vrucht. Maar ook zijn blad is belangrijk, want daaraan kun je zien of een boom gezond is, ook als er geen vrucht is. Bladeren zijn een symbool voor het uiterlijke, het zichtbare met andere woorden de belijdenis. Bij wie alleen het blad van de belijdenis zichtbaar is, zonder enige goede vrucht, zal verdorren. Maar als het Woord van God in het hart regeert, zal de belijdenis ‘groen’, vol vitaliteit blijven. De belijdenis van de Godvrezende is in overeenstemming met zijn vrucht. In wat hij laat horen en zien, is geen aanmatiging of huichelarij. In woord en daad vertoont zijn leven oprechtheid, frisheid en kracht.

Het leven van zo iemand wordt gekenmerkt door succes. Een succesvol of geslaagd leven van de Godvrezende wordt niet bepaald door de hoogte van zijn banksaldo of het aanzien dat hij onder de mensen heeft verworven. “Al wat hij doet”, komt voort uit zijn gemeenschap met God. Hij kent Zijn wil, want hij overdenkt Zijn Woord voortdurend. Hij is niet uit op eigen succes, maar zijn verlangen is God te verheerlijken. Dat lukt hem ook, want hij trekt zijn levenskracht uit de waterbeken van het Woord van God.

We zien dit in volmaaktheid bij de Heer Jezus. Het is Zijn voedsel om de wil te doen van Hem Die Hem heeft gezonden om Zijn werk te volbrengen (Jh 4:3434Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng.). En dat werk heeft Hij volbracht (Jh 17:44Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;; 19:3030Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog Zijn hoofd en gaf Zijn geest over.). Omdat Hij Zich in alles door Zijn God heeft laten leiden, zal de hele wil van God “goed gelukken”. Terwijl Hij voor het ongeloof de verliezer is, is Hij voor het geloof de grote Overwinnaar. Binnenkort, als Hij naar de aarde terugkomt, zal dat ook voor de hele schepping zichtbaar zijn. Succes moet niet worden bepaald naar onmiddellijk resultaat, maar moet worden gezien in het perspectief van Gods plannen. Dit geldt voor ons persoonlijke leven en voor de wereld in zijn geheel.

Samengevat kunnen we het volgende zeggen: Wat rijkelijk stromende beken zijn voor een boom die aan de oever ervan is geplant, dat is het Woord van God voor ieder die zich aan de overdenking ervan wijdt. Het maakt hem, in overeenstemming met zijn positie en roeping, altijd vruchtbaar in goede daden die hij op de juiste tijd verricht. Zijn innerlijke en uiterlijke leven blijft er fris en krachtig door. Hij brengt, wat hij ook onderneemt, tot een succesvol einde. De oorzaak daarvan is de werkzame kracht van het Woord van God en de zegen die God daaraan verbindt. In het Oude Testament vinden we dit prachtig geïllustreerd in het leven van Jozef: alles wat hij doet, gelukt.

Als wij nadenken over bladeren die niet verwelken en afvallen, gaan onze gedachten naar de vijgenboom die door de Heer wordt vervloekt (Mt 21:18-1918‘s Morgens vroeg nu, toen Hij naar de stad terugkeerde, had Hij honger.19En toen Hij één vijgenboom langs de weg zag, ging Hij er naar toe en vond niets daaraan dan alleen bladeren. En Hij zei tot hem: Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.). De Heer gaat erheen en vindt daar alleen bladeren aan en geen vruchten. De vijgenboom is een boom die ook in het voorjaar vruchten voortbrengt. Dit zijn onrijpe vruchten van het voorgaande jaar die door de winter heen overgebleven zijn en in de lente rijp worden, de vroege vijgen. Doordat deze vijgenboom helemaal geen vruchten heeft, zegt de Heer Jezus: “Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk” (Mt 21:19b19En toen Hij één vijgenboom langs de weg zag, ging Hij er naar toe en vond niets daaraan dan alleen bladeren. En Hij zei tot hem: Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.).

Profetisch is deze vijgenboom een beeld van Israël (vgl. Mt 24:3232Leert nu van de vijgenboom deze gelijkenis: Wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.). Israël bevat geen vrucht waarnaar het hart van God verlangt (Mi 7:11Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.
)
. Daardoor moeten de bladeren – die spreken van de belijdenis (zie boven) – veroordeeld worden en verwelken en afvallen. In de nieuwtestamentische gemeente zien we hetzelfde bij de gemeente in Efeze (Op 2:1-41Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in [het] midden van de zeven gouden kandelaars wandelt:2Ik weet uw werken en uw arbeid en uw volharding en dat u de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden;3en u hebt volharding en hebt verdragen ter wille van Mijn Naam en u bent niet moe geworden.4Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.). Doordat de vrucht weg is, de eerste liefde is verdwenen – liefde is het eerste kenmerk van de vrucht van de Geest –, moet de Heer Jezus het getuigenis, de kandelaar, wegnemen (Op 2:55Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.).

Israël heeft echter nog een toekomst. De tak van de vijgenboom zal zacht worden en de bladeren zullen uitspruiten (Mt 24:3232Leert nu van de vijgenboom deze gelijkenis: Wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.). Dan zal de Heer wel de vrucht vinden waarnaar Hij zo verlangt die te vinden. Die vrucht zal Hem door het nieuwe Israël worden gebracht, een Israël dat Hij als een overblijfsel naar de verkiezing van de genade voor Zichzelf heeft bewaard. “Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn, voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen. Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden” (Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
)
.

Het is duidelijk dat wij in Psalm 1 een schilderij vinden van het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst (Js 66:1-21Zo zegt de HEERE:
De hemel is Mijn troon
en de aarde de voetbank van Mijn voeten.
Waar zou [dan] het huis zijn dat u voor Mij zou willen bouwen
en waar de plaats van Mijn rust?
2Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
. De goddeloze is dan het ongelovig deel van Israël dat onder Gods oordeel komt (Js 66:3-43Wie een rund slacht, slaat een man neer,
wie een lam offert, breekt een hond de nek,
wie een graanoffer offert, [offert] varkensbloed,
wie wierook brandt als gedenkoffer, looft [daarmee] een afgod.
[Zoals] zíj ook hun [eigen] wegen gekozen hebben
en hun ziel vreugde vindt in hun afschuwelijke [afgoden],
4zo zal Ík [het loon voor] hun handelingen kiezen
en zal Ik over hen doen komen wat zij vrezen,
omdat Ik riep, maar niemand antwoord gaf,
Ik sprak, maar zij niet luisterden.
Zij deden wat slecht is in Mijn ogen
en zij kozen wat Mij niet behaagt.
)
.


De goddelozen

4[Maar] zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
5Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.

De tegenstelling tussen de Godvrezende – ofwel het gelovig overblijfsel – die in de vorige verzen is beschreven en de goddelozen die in nu worden beschreven, wordt in vers 44[Maar] zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
sterk uitgedrukt. De eerste regel van vers 44[Maar] zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
luidt in het Hebreeuws “niet zo de goddelozen”, wat aangeeft dat de nadruk op de woorden ‘niet zo’ ligt. Het is een korte en krachtige uitroep waarin wordt gezegd dat het bestaan van de goddelozen totaal anders is. De goddelozen hebben niets van alles wat de Godvrezende heeft en doet. Het is bij de goddelozen volledig afwezig.

De Godvrezende is een krachtige, gezonde, vruchtdragende, altijdgroene boom. Daar steken de goddelozen wel dramatisch tegen af, want zij “zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast”. Het beeld dat nu wordt geschilderd, is niet meer dat van een boom, maar van een dorsvloer, waar het kaf van het koren wordt gescheiden. Op een dorsvloer, meestal op een heuvel, worden zowel het kaf als het koren in de lucht opgegooid, zodat het kaf door de wind wordt weggeblazen en van het koren wordt gescheiden.

Het kaf lijkt uiterlijk op tarwe, maar is waardeloos, nutteloos en gewichtloos. Het kaf, de goddelozen, kan enige tijd tussen de tarwe, de rechtvaardigen, blijven, maar de tijd komt dat de wind van Gods oordeel hen zal wegblazen. Christus zal bij Zijn komst met de goddelozen handelen. Hij zal “het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden” (Mt 3:1212Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer door en door zuiveren en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen, maar het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.; vgl. Jb 21:1818dat zij worden als stro voor de wind,
en als kaf, [dat] de wervelwind wegneemt?
; Ps 35:55Laat hen worden als kaf voor de wind,
wanneer de engel van de HEERE hen wegdrijft.
; Hs 13:33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
)
. Profetisch stelt het kaf de ongelovigen in Israël voor (Zc 13:8-98Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. Zij worden door het oordeel weggenomen, terwijl de rechtvaardigen levend het koninkrijk zullen ingaan (Mt 24:40-4140Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten;41twee [vrouwen] zullen met de molensteen malen, één wordt meegenomen en één achtergelaten.).

Vers 55Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
begint met “daarom”, een woord dat aangeeft dat er een conclusie uit het voorgaande volgt. Omdat de goddelozen zo waardeloos en gewichtloos zijn, “daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht” (vers 55Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
)
. Het einde van de goddelozen is niet altijd duidelijk tijdens hun leven, terwijl ze zich met boosheid bezighouden. Ze kunnen waardering van mensen oogsten. Maar vanuit Gods perspectief hebben de goddelozen geen toekomst. Dat zal blijken wanneer ze voor de grote, witte troon staan om door Christus geoordeeld te worden (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.). Dan hebben ze niets meer te melden. Al hun grootspraak is verdwenen. Ze zullen met stomheid geslagen hun oordeel aanhoren en zonder enig verzet hun oordeel ondergaan: het eeuwige vuur.

Als de goddelozen door het gericht zijn weggeblazen, blijft “de gemeenschap van de rechtvaardigen” over. Geen zondaar maakt daar deel van uit. Het is een heilige gemeenschap. Alle vuil is er vanaf gewassen en de bloedschuld is ervan weggespoeld (Js 4:3-43Dan zal het gebeuren dat wie in Sion overgebleven is, en wie in Jeruzalem overgelaten is, heilig genoemd zal worden, eenieder die in Jeruzalem ten leven opgeschreven is.4Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,). Op aarde is er al een radicale scheiding tussen de rechtvaardigen en de zondaars. Die scheiding zal er eeuwig zijn. Op aarde hebben de zondaars de rechtvaardigen uit hun gemeenschap verstoten. In het vrederijk en tot in alle eeuwigheid zullen de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen zijn (Mt 13:49-5049Zo zal het zijn in de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de bozen uit [het] midden van de rechtvaardigen afscheiden50en hen in de vuuroven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.; Op 21:2727En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.).


Twee wegen, twee bestemmingen

6Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.

Het woord “want” waarmee vers 66Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
begint, geeft aan dat de reden, ofwel de samenvatting, volgt van het oordeel van de vorige verzen. “De weg”, zowel die “van de rechtvaardigen” als die “van de goddelozen”, ziet op de hele levenswandel van beide groepen. De HEERE weet hoe beide wegen zijn en waarop ze uitlopen.

Van de weg van de rechtvaardigen lezen we dat “de HEERE” die “kent”. Dit ‘kennen’ heeft een diepere betekenis dan dat Hij ermee bekend is, dat Hij weet welke weg ze gaan. Het is niet een louter intellectueel kennen, maar een kennis gegrond op ervaring door levensgemeenschap, een kennen uit liefde. Het kennen van de weg van de rechtvaardigen betekent dat Hij met de rechtvaardigen op de weg die zij gaan, gemeenschap heeft. Hij deelt in hun ervaringen. Zij gaan hun weg met Hem en daarom gaat Hij met hen.

“Maar” – dit geeft het contrast aan met de vorige regel – “de weg van de goddelozen zal vergaan”. Hun weg is een weg die leidt tot verwoesting en dood. De HEERE kent hun weg niet. Zij leven hun leven op een manier die Hij verafschuwt. Hun hele leven zal vergaan, net als het kaf. Als Hij hen oordeelt, zal Hij tegen hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid! (Mt 7:2323En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!). Zij zullen het vrederijk niet binnengaan, maar eeuwig ongelukkig en ellendig zijn.

Dit laatste vers maakt het verschil duidelijk tussen de reden van het geluk van de rechtvaardigen en de reden van de rampspoed van de goddelozen. God kent, keurt goed, heeft lief en verheugt zich over het leven van de rechtvaardigen. Maar Hij heeft geen deel aan het leven van de goddelozen. Dat leven keurt Hij niet goed, Hij heeft het niet lief en Hij verheugt Zich er niet over. Van Zijn waardering van het leven van beide groepen hangt hun eeuwige bestemming af.

De psalm begint met de zegen van God voor de enkeling, voor de rechtvaardige (enkelvoud). De psalm eindigt met de waarschuwing dat iemand die toch de weg van de goddelozen (meervoud) kiest, de weg zonder Hem, zal eindigen in het verderf.

Ook in de bergrede begint de Heer Jezus met een veelheid van zegeningen: Gelukkig, gelukkig, gelukkig … (Mt 5:1-111Toen Hij nu de menigten zag, klom Hij op de berg; en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe.2En Hij opende Zijn mond en leerde hen aldus:3Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.4Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.5Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.6Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.7Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.8Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.9Gelukkig de vredestichters, want zij zullen zonen van God worden genoemd.10Gelukkig zij die worden vervolgd ter wille van [de] gerechtigheid, want van hen is het koninkrijk der hemelen.11Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en <liegend> allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij.). De bergrede eindigt met de twee wegen: de brede weg, die velen bewandelen, en de smalle weg, die weinigen, enkelingen, bewandelen (Mt 7:13-1413Gaat in door de nauwe poort; want wijd <is de poort> en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor binnengaan;14hoe nauw is de poort en smal de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.). Er is ook sprake van twee bouwers: een die op het zand bouwt en een die op de rots bouwt. De laatste is diegene die de woorden van de Heer Jezus, “deze Mijn woorden”, gehoorzaamt (Mt 7:2626En ieder die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, zal vergeleken worden met een dwaas man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd;).

Dit laatste vinden we nog niet in Psalm 1. We horen hier wel over de weg met God, maar we horen nog niets over geloven in een persoon, de Christus, de Immanuel ofwel de God met ons. Over Hem gaat de rest van de psalmen.


Lees verder