Jesaja
1 Opschrift 2-7 De schuld van het volk vastgesteld 8-9 Een overblijfsel 10-15 Huichelachtige offers 16-20 Oproep tot bekering 21-23 De aanleiding tot het oordeel 24-25 Het oordeel dient tot reiniging 26-27 Herstel voor Jeruzalem 28-31 Oordeel op basis van recht
Opschrift

1Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda.

De naam “Jesaja” (vers 11Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda.) met de betekenis ‘de behoudenis (of: de redding) van de HEERE’ geeft prachtig het kenmerk van zijn profetie aan. Zijn boek is een “visioen”, dat wil zeggen dat hij als een ware ‘ziener’ schrijft over wat hij gezien heeft. Hij heeft zijn boodschap van de HEERE gekregen. Hij is een profeet van God, dat wil zeggen een woordvoerder van God. Hij verkondigt niet zijn eigen gedachten, maar geeft door wat hij van God heeft gehoord en te zien heeft gekregen.

Jesaja wordt tot profeet geroepen als “Uzzia” nog koning van Juda is. Uzzia zal niet lang meer koning zijn, want het roepingsjaar van Jesaja is zijn sterfjaar (Js 6:11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.). Vervolgens profeteert hij tijdens de regering van de koningen “Jotham, Achaz [en] Hizkia”. Dat betekent dat het terrein van zijn dienst het tweestammenrijk of het zuidelijk koninkrijk is. Waarschijnlijk heeft hij Hizkia overleefd, omdat hij de geschiedenis van Hizkia beschrijft (2Kr 32:3232Het overige nu van de geschiedenis van Hizkia en zijn gunstbewijzen, zie, die zijn beschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, [en] in het boek van de koningen van Juda en Israël.).

Drie van de vier genoemde koningen staan als goede koningen te boek. Alleen Achaz is een uitgesproken boze koning. Maar ook onder de goede koningen is de toestand van het volk zeer slecht. Dat wordt direct al in dit eerste hoofdstuk duidelijk.

Het kan ontmoedigend zijn om te beseffen hoe het er in onze dagen werkelijk met Gods volk voor staat. Uiterlijk kan het goed lijken, maar de Heer kent het hart (vgl. verzen 10-1610Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
11Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
)
. Daarom hebben we profetische dienst nodig, want daardoor kan Hij de werkelijke toestand van het hart aan het licht brengen. De eerste hoofdstukken van dit boek houden ons een spiegel voor. Als we er aandachtig, oplettend in kijken, zal het ons ertoe brengen onszelf in het licht van Gods Woord te onderzoeken.


De schuld van het volk vastgesteld

2Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
3Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
4Wee het zondige volk,
volk van zware ongerechtigheid,
nageslacht van kwaaddoeners,
kinderen die verderf aanrichten!
Zij hebben de HEERE verlaten,
de Heilige van Israël verworpen,
zij zijn vervreemd, [van] achter [Hem] vandaan.
5Waarom wilt u nog meer geslagen worden?
U gaat gewoon door met [uw] afvalligheid.
Heel het hoofd is ziek,
en heel het hart is afgemat.
6Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
7Uw land is een woestenij,
uw steden zijn met vuur verbrand,
uw bouwland – voor uw [ogen]
eten vreemden het op;
het is een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd.

Voordat Juda in de rechtszaak met de HEERE de aanklacht te horen krijgt, worden er eerst getuigen opgeroepen (vers 22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
)
en wel “hemel” en “aarde”. Jesaja roept de scheppingswerken van God op om te getuigen in de zaak van het verbond met de HEERE dat zij gebroken hebben. Mozes heeft hetzelfde gedaan bij het sluiten van het verbond (Dt 32:11Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
)
.

Jesaja´s boodschap is niet alleen voor Israël, maar ook voor de volken (Js 49:66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
, ja, voor de hele schepping. De Heer Jezus zal immers ook een nieuwe schepping tot stand brengen. Dat gebeurt op een wijze die volledig openbaar is en dan ook door iedereen beoordeeld kan worden. Door iedereen zal de rechtvaardige wijze worden erkend waarop de HEERE alles heeft gedaan. Er zal door vriend noch vijand, zelfs niet door de duivel, de vinger kunnen worden gelegd op een onrechtmatigheid.

Jesaja voert de HEERE sprekend in. Direct stelt de HEERE Zich als Vader van Zijn volk voor – niet van de individuele Israëliet! – en zegt dat Hij “kinderen grootgebracht” heeft. We zien dat in de geschiedenis tijdens de regeringen van David en Salomo, waar het volk groot is geworden, een volk van aanzien. Hij heeft het volk ook “doen opgroeien”. Dat betekent dat het volk tot volwassenheid is gekomen en een positie heeft gekregen boven alle volken (vgl. de Statenvertaling die vertaalt met ‘verhoogd’, dat wil zeggen verhoogd boven alle volken).

Ondanks alle zorg waarmee Hij hen als Zijn kinderen (Dt 14:1a1U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.) heeft behandeld en waarmee Hij hen heeft omgeven, moet Hij tegen hen zeggen dat ze tegen Hem “in opstand gekomen” zijn. Het zijn afvallige kinderen geworden. Dit woord ‘afvallig’ is door het hele boek heen, tot het laatste vers van het boek (Js 66:2424En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
, een belangrijk begrip.

Dat het woord “zíj” nadruk heeft, onderstreept de ernst van hun opstandigheid. Juist van hen, die op zo’n voortreffelijke wijze door de HEERE zijn grootgebracht en tot volwassenheid zijn gekomen, is een dergelijk gedrag niet te verwachten. Het verwijt is volkomen terecht.

Hierin houdt Israël ons een spiegel voor. Hoe is het met ons, die persoonlijk het recht hebben kinderen van God te zijn, als wij tenminste in de Naam van de Heer Jezus hebben geloofd (Jh 1:1212Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij [het] recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven;; 1Jh 3:11Ziet welk een liefde de Vader ons gegeven heeft, dat wij kinderen van God genoemd zouden worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet heeft gekend.)? Kennen wij in ons praktische geloofsleven onze Vader en zijn wij Hem daarom toegewijd? Wat God voor Israël als volk heeft gedaan, heeft Hij voor ons, die tot de gemeente van de levende God behoren, persoonlijk en geestelijk gedaan. Het verhaal van Israëls ondankbaarheid en opstandigheid is “beschreven tot waarschuwing voor ons” (1Ko 10:1111<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.).

Na de onbezielde natuur – hemel en aarde – te hebben opgeroepen worden enkele redeloze dieren aan Israël, het hele volk, de twaalf stammen, tot voorbeeld gesteld (vers 33Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
; vgl. Jr 8:77Zelfs een ooievaar in de lucht
kent zijn vaste tijden,
tortelduif, zwaluw en kraanvogel
nemen de tijd van hun aankomst in acht,
maar Mijn volk kent niet
het recht van de HEERE.
)
. “Een rund” en “een ezel” kennen respectievelijk hun “bezitter” en “eigenaar” en weten dat ze bij hem moeten zijn voor hun voedsel. Hij zorgt voor hen. Heeft God niet evenzeer voor Zijn volk gezorgd?

Maar het volk is dommer dan deze redeloze dieren (vgl. Ps 73:2222hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
Ik was een redeloos dier bij U.
)
. Als volk zijn zij Zijn kinderen – God spreekt nog over “Mijn volk” –, maar ze kennen hun Vader niet meer. “Geen kennis” of ‘niet kennen’ heeft de betekenis van ‘er geen relatie mee hebben’. Daardoor missen ze ook het meest elementaire “inzicht” in wat de HEERE van hen vraagt en van de situatie waarin ze zich bevinden. Er is bij hen geen enkele overweging voor Gods aangezicht met het oog op hun functioneren als Zijn volk.

Deze beschrijving toont, naast de opstandigheid die in vers 22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
wordt genoemd, volkomen ongevoeligheid en onverschilligheid voor wat God toekomt. Het volk dat Zijn bezit is en waarvoor Hij zo heeft gezorgd, gaat volkomen voorbij aan Zijn liefde voor hen.

Als Schepper heeft de Heer Jezus recht op ieder mens. Door Zijn werk op het kruis heeft Hij alle mensen – gelovig en ongelovig – gekocht (2Pt 2:11Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester Die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.). Door datzelfde werk heeft Hij als Heiland allen verlost die geloven (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Van hen is Hij is de Eigenaar. Velen van Gods volk vandaag hebben echter geen behoefte aan het voedsel dat Hij voor hen in Zijn ”kribbe” of ‘voederbak’, dat is Zijn Woord, heeft klaarliggen.

De tweevoudige verhouding van het volk tot de HEERE als Bezitter en Eigenaar is een voorbeeld voor ons:
1. Wij zijn het bezit van de Heer Jezus, Hij heeft ons gekocht, we behoren Hem toe en zijn afhankelijk van Hem voor alles wat we nodig hebben;
2. Hij is onze Eigenaar, wij moeten Hem gehoorzamen.

God spreekt in vers 44Wee het zondige volk,
volk van zware ongerechtigheid,
nageslacht van kwaaddoeners,
kinderen die verderf aanrichten!
Zij hebben de HEERE verlaten,
de Heilige van Israël verworpen,
zij zijn vervreemd, [van] achter [Hem] vandaan.
in een zevenvoudige opsomming van hun verdorvenheid het “wee” over hen uit. Die opsomming is in twee onderdelen te verdelen.

In onderdeel 1 gaat het om hun toestand als volk (1 en 2) en als familie (3 en 4):
1. volk: “het zondige volk”, een volk dat het doel van God voor hen mist.
2. volk: “volk van zware ongerechtigheid”, een perverse, verdraaide natie.
3. nageslacht: “nageslacht van kwaaddoeners”, ze doen alleen het kwade en niets goeds.
4. kinderen: “kinderen die verderf aanrichten”, ze zaaien verderf om zich heen.

In onderdeel 2 staat waarin hun toestand tot uiting komt: in hun hart (5), in hun woorden (6) en in hun daden (7). Ze hebben
5. Hem in hun hart verlaten,
6. met hun mond Hem verworpen, dat wil zeggen versmaad of gelasterd en
7. in de weg die zij gaan zich van Hem vervreemd door achter Hem vandaan te gaan en Hem dus niet meer te volgen.

Elk onderdeel van de aanklacht die wordt opgesomd, staat in scherp contrast met wat God voor Zijn volk heeft bedoeld en van hen heeft mogen verwachten (Ex 19:6a6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.; Dt 14:1-21U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.2Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Indrukwekkend wordt Hij hier “de Heilige van Israël” genoemd, een titel die kenmerkend is voor Jesaja en waarvoor hij een voorliefde heeft (zie Inleiding onder ‘Enkele kenmerkende uitdrukkingen’). Het wil zeggen dat de HEERE niet alleen de grootste God is, nee, Hij is de enige God. Het wil ook zeggen dat Zijn Naam wordt geheiligd door het herstel van Israël (Ez 36:22-2322Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe [het] niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.23Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.).

Geestelijk gesproken zijn de leden van Gods volk, zoals Mozes dat zegt, “een verdorven generatie, kinderen in wie geen [enkele] trouw is” (Dt 32:2020Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;
Ik zal zien wat hun einde is,
want zij zijn een totaal verdorven generatie,
kinderen in wie geen [enkele] trouw is.
)
. Voor hen geldt wat de Heer Jezus later tijdens Zijn dagen op aarde tegen de Joden zegt: U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen” (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). We horen het ook in wat Hij tegen de farizeeën en sadduceeën zegt als Hij hen uitmaakt voor “adderengebroed” (Mt 3:77Toen hij echter zag dat velen van de farizeeën en sadduceeën tot zijn doop kwamen, zei hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn te ontvluchten?). Ze zijn van de HEERE “vervreemd”, ze hebben zich van Hem afgewend en hebben Hem verlaten om de afgoden te gaan dienen.

Vanwege hun afwijking heeft de HEERE hen moeten tuchtigen. Hij wil hen daardoor terugbrengen tot Zichzelf. Hij vraagt hun nu: “Waarom wilt u nog meer geslagen worden?” (vers 5a5Waarom wilt u nog meer geslagen worden?
U gaat gewoon door met [uw] afvalligheid.
Heel het hoofd is ziek,
en heel het hart is afgemat.
)
. Hij zegt als het ware: ‘Is het nog niet voldoende geweest? Heeft het nog wel zin jullie verder te slaan’ (Jr 2:30a30Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen,
zij wilden geen vermaning aanvaarden.
Uw zwaard heeft uw profeten verslonden,
als een leeuw die verderf aanricht.
; 5:33HEERE, [zien] Uw ogen
niet uit naar betrouwbaarheid?
U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn.
U hebt hen omgebracht, [maar] zij weigerden vermaning te aanvaarden.
Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,
zij hebben geweigerd zich te bekeren.
)
?

De HEERE heeft hen overal, op alle plekken, geslagen door middel van plagen en vijandige volken. Hij heeft hen zo vaak geslagen, dat er geen plek meer over is waar Hij hen nog zou kunnen treffen. Op steeds andere manieren heeft God hun Zijn tucht laten voelen, maar alles is tevergeefs geweest. Nieuwe tucht lijkt geen zin te hebben, want ze gaan alsmaar “gewoon door met afvalligheid”. Ze zijn totaal ongevoelig en onverschillig geworden voor welke vorm van tucht dan ook. En het is toch niet mis hoe ze eraan toe zijn door alle tuchtiging. De profeet wijst daarop in de verzen 5b-75Waarom wilt u nog meer geslagen worden?
U gaat gewoon door met [uw] afvalligheid.
Heel het hoofd is ziek,
en heel het hart is afgemat.
6Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
7Uw land is een woestenij,
uw steden zijn met vuur verbrand,
uw bouwland – voor uw [ogen]
eten vreemden het op;
het is een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd.
.

“Heel het hoofd”, “heel het hart” (vers 5b5Waarom wilt u nog meer geslagen worden?
U gaat gewoon door met [uw] afvalligheid.
Heel het hoofd is ziek,
en heel het hart is afgemat.
)
, ja, het hele lichaam “vanaf de voetzool tot het hoofd toe” (vers 66Vanaf de voetzool tot het hoofd toe
is er geen gezonde plek aan:
wonden en striemen
en gapende wonden,
niet uitgedrukt, niet verbonden,
en niet met olie verzacht.
)
, dus uiterlijk en innerlijk, is afvallig geworden van God en heeft Zijn tucht gevoeld. Hoofd en hart besturen het lichaam. Met “het hoofd” wordt mogelijk de koning bedoeld (2Kr 28:2222[Zelfs] in de tijd toen men hem in het nauw dreef, ging die koning, Achaz, verder met ontrouw te zijn aan de HEERE.) en met “het hart” het hele sociale leven. Ze zijn ziek in hun hoofd en afgemat in hun hart. Als hoofd en hart ziek zijn, is het hele lichaam ziek. Aan het hele lichaam “is er geen gezonde plek”. Ze kunnen niet meer goed denken met hun hoofd, ze kunnen geen moed meer vatten in hun hart, ze hebben geen lichamelijke kracht over. Toch nemen ze niet tot Hem de toevlucht. Als ze al iets voelen, nemen ze hun toevlucht tot de afgoden (2Kr 28:22-2322[Zelfs] in de tijd toen men hem in het nauw dreef, ging die koning, Achaz, verder met ontrouw te zijn aan de HEERE.23Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, zodat ze [ook] mij zullen helpen. Ze werden echter hem en heel Israël tot een struikelblok.).

Hun nationale bestaan bestaat uit open, pijnlijke, etterende “wonden en striemen en gapende wonden”. Maar ze vragen niet naar een behandeling ervan. Ze worden “niet uitgedrukt, niet verbonden en niet met olie verzacht”. Ze zijn zo verziekt, dat hun toestand hen helemaal niet deert en dat ze geen behoefte aan genezing hebben.

Niet alleen hun leven bewijst hun ontrouw, maar ook de toestand van het land, want dat “is een woestenij” (vers 77Uw land is een woestenij,
uw steden zijn met vuur verbrand,
uw bouwland – voor uw [ogen]
eten vreemden het op;
het is een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd.
).
Jesaja spreekt over “uw land”. De HEERE heeft hun dat land gegeven om er te wonen en de vrucht ervan te genieten. Dat het land een woestenij is, wordt aan het begin en aan het eind van vers 77Uw land is een woestenij,
uw steden zijn met vuur verbrand,
uw bouwland – voor uw [ogen]
eten vreemden het op;
het is een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd.
gezegd. Het sluit direct aan bij de vloek die Mozes heeft voorzegd bij ontrouw van het volk (Lv 26:33b33Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.; Dt 28:49-5249De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat,50een meedogenloos volk, dat oude mensen niet ontziet en jonge [mensen] niet genadig is.51Het zal de vrucht van uw dieren en de vrucht van uw land opeten, totdat u weggevaagd bent. Het zal u geen koren, nieuwe wijn of olie overlaten, noch de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, totdat Hij u heeft omgebracht.52Het zal u benauwen in al uw poorten, totdat uw hoge en versterkte muren, waarop u in heel uw land vertrouwde, neervallen. Het zal u benauwen in al uw poorten, in heel uw land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.). De profeet Jesaja gebruikt de woorden van Mozes en past ze toe op zijn tijd. De verwoestingen zijn het gevolg van de aanval van de Assyriërs (Js 36).

De profeet spreekt ook over “uw steden” en “uw bouwland”. Het is hun allemaal gegeven om te wonen en te leven. Van de steden is echter niets over. Ze zijn met vuur verbrand, er is geen plaats meer om te wonen. Wat het bouwland oplevert, wordt voor hun ogen opgegeten door “vreemden”, de vijand die in het land is. Die vreemden hebben het land “ondersteboven gekeerd”. Door hun ontrouw staat alles op z’n kop. Voor de HEERE is geen plaats meer en daarom worden Zijn volk en de opbrengst van het land aan de heidenen prijsgegeven. Het land is het land van de HEERE (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.), maar de landlieden hebben de erfenis onrechtmatig in bezit genomen (Mt 21:3838Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.).


Een overblijfsel

8De dochter van Sion is overgebleven
als een hutje in een wijngaard,
als een nachthutje op een komkommerveld,
als een belegerde stad.
9Als de HEERE van de legermachten
ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten,
als Sodom zouden wij geworden zijn;
wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.

Te midden van alle ontrouw en Gods oordeel daarover getuigt de HEERE van Zijn liefde voor Sion door over de stad als “dochter” te spreken (vers 88De dochter van Sion is overgebleven
als een hutje in een wijngaard,
als een nachthutje op een komkommerveld,
als een belegerde stad.
)
. Sion is hier de dochter, een jonge vrouw die eigenlijk de bruid van God is. Sion is de dichterlijke naam voor Jeruzalem. Het is dan ook beter om het Hebreeuwse Bath-Tsion niet te vertalen met ‘de dochter van Sion’, maar met ‘de dochter Sion’.

God voorkomt dat de Assyriërs Jeruzalem innemen. Te midden van het verwoeste land staat alleen Jeruzalem nog overeind. Maar er is niet veel over van de vroegere heerlijkheid van de stad. Ze lijkt op “een hutje in een wijngaard” en “een nachthutje in een komkommerveld”. Het ene hutje is voor de bewakers van de wijngaard en het andere voor de bewakers van het komkommerveld. De bewakers zijn de enige menselijke wezens in een wijd en zijd verlaten omgeving. Sion wordt ook vergeleken met “een belegerde stad”. Een stad die belegerd wordt, wordt uitgehongerd. Alle kracht en schoonheid verdwijnen.

De enkele bewoners van de in vers 88De dochter van Sion is overgebleven
als een hutje in een wijngaard,
als een nachthutje op een komkommerveld,
als een belegerde stad.
genoemde hutjes worden aangeduid met de uitdrukking “een gering aantal ontkomenen” (vers 99Als de HEERE van de legermachten
ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten,
als Sodom zouden wij geworden zijn;
wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.
)
. Dat er een overblijfsel is, is alleen aan Gods genade te danken. Hij, “de HEERE van de legermachten”, heeft ervoor gezorgd dat zij “overgelaten” zijn. Als Hij niet zou hebben ingegrepen en een overblijfsel zou hebben bewaard, zouden ze “als Sodom … geworden zijn” en aan “Gomorra gelijk geworden zijn” en net als deze steden letterlijk omgekomen zijn. Door een overblijfsel over te laten verwerpt God Zijn volk niet volledig en niet voorgoed. Het is zelfs zo dat het overblijfsel in dit boek de plaats van het hele volk krijgt.

Profetisch zal dit uiteindelijk vervuld worden als het toekomstige Assyrië, ook aangeduid als de koning van het noorden, Israël zal verwoesten. Ook dan zal God een overblijfsel, “een derde” (Zc 13:8c8Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
)
, voor Zichzelf behouden.

Paulus haalt vers 99Als de HEERE van de legermachten
ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten,
als Sodom zouden wij geworden zijn;
wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.
in zijn brief aan de Romeinen aan om aan te duiden dat de behoudenis van de geredden alleen aan God te danken is (Rm 9:2929En zoals Jesaja tevoren heeft gezegd: ‘Als [de] Heer Zebaoth ons geen nageslacht had gelaten, dan zouden wij als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt’.). Dat geldt in geestelijk opzicht ook voor ons als gemeente van Christus. Vanwege onze ontrouw zou de Heer ons als gemeente niet als Zijn getuigenis op aarde kunnen handhaven. Dat we er, al is het gering in aantal, nog zijn, is alleen aan Zijn genade te danken (vgl. Kl 3:22-2422Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, /cheth/
dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
24Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, /cheth/
daarom zal ik op Hem hopen.
)
. De erkenning daarvan zou ons tot grote toewijding moeten brengen.

Het overblijfsel erkent die genade, want ze zien in dat ze een plotselinge en totale verwoesting hebben verdiend. Het onafwendbare oordeel dat de massa zal treffen, zal na de voltrekking ervan de herinnering oproepen aan wat met Sodom en Gomorra is gebeurd (Dt 29:22-2322Dan zal de volgende generatie, uw kinderen, die na u opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt – als zij de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee de HEERE het getroffen heeft, zien –23zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –). Dat zullen we in de eindtijd zien. Dan zal de goddeloze massa door het vuur van het oordeel omkomen, terwijl het overblijfsel wordt bevrijd en gezegend als knechten van de HEERE onder Zijn rechtvaardige Knecht.

Het is belangrijk in gedachten te houden dat met Sion het aardse Jeruzalem wordt bedoeld en niet de gemeente. Nergens in de profetieën van het Oude Testament is sprake van de gemeente. De gemeente is in de tijd van het Oude Testament namelijk een verborgenheid (Ef 3:55die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in [de] Geest geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten:). De profetieën gaan over Gods koninkrijk op aarde. God heeft dat in Israël vorm willen geven. Door hun ontrouw hebben zij niet beantwoord aan Gods gedachten en zijn zij voor een tijd verworpen. Gods plan zal echter in het vrederijk onder de regering van de Heer Jezus werkelijkheid worden.

Voor de gemeente, die in de hemel thuishoort, is het koninkrijk van God op dit moment niet uiterlijk, maar geestelijk (Rm 14:1717Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.). Allen die belijden christen te zijn, kunnen uit de profetieën wel veel geestelijke lessen trekken voor hun praktische geloofsleven (1Ko 10:6,116En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Dat zien we, als we de overeenkomst zien tussen Israël als falend getuigenis van God op aarde toen en de christenheid als falend getuigenis van God op aarde nu (Rm 11:16-2416Immers, als de eerstelingen heilig zijn, dan ook het deeg; en als de wortel heilig is, dan ook de takken.17En als enkele van de takken afgebroken zijn, en u die een wilde olijfboom was, daartussen geënt bent en mededeelgenoot van de wortel <en> de vettigheid van de olijfboom bent geworden,18beroem u dan niet tegen de takken; en als u zich beroemt, niet u draagt de wortel, maar de wortel u.19U zult dan zeggen: Er zijn takken afgebroken, opdat ik zou worden geënt.20Inderdaad! Zij zijn afgebroken door het ongeloof en u staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees;21want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen!22Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.23En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, weer geënt worden; want God is machtig hen opnieuw te enten.24Want als u uit de van nature wilde olijfboom uitgehouwen en tegen [de] natuur op [de] edele olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke [takken] zijn, op hun eigen olijfboom geënt worden!).


Huichelachtige offers

10Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
11Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.

Jesaja vertolkt de stem van het overblijfsel als hij in vers 99Als de HEERE van de legermachten
ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten,
als Sodom zouden wij geworden zijn;
wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.
erkent dat het aan Gods genade te danken is dat ze niet als Sodom en Gomorra geworden zijn. Maar dat geldt niet voor de goddeloze massa tot wie hij in de verzen 10-2010Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
11Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
18Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
19Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
20maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
het woord richt. In geestelijk opzicht lijkt de toestand van Jeruzalem en Juda op die van Sodom en Gomorra (Ez 16:4949Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet.). Jeruzalem en Juda vertonen de kenmerken ervan, zoals trots, overdaad en zorgeloze rust. In de toekomst zal dit in geestelijk opzicht het geval zijn bij de Joden in hun tempel die zij in ongeloof in Jeruzalem hebben herbouwd (Op 11:88En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is.).

Jesaja richt zich in de eerste plaats tot de leiders van Jeruzalem (vers 1010Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
)
. Hij spreekt hen weinig vleiend aan als “leiders van Sodom”. Hij richt zich ook tot Gods volk dat hij even weinig vleiend “volk van Gomorra” noemt. Dit houdt in dat hun geestelijke toestand onherroepelijk tot Gods oordeel zal leiden. Daarom roept hij de leiders op naar “het woord van de HEERE” te horen en vermaant hij het volk “de wet van onze God ter ore” te nemen.

Daarbij komt nog, en dat is helemaal schokkend, dat zij hun verdorvenheid bedekken met een kleed van godsdienstigheid. Het is de godsdienst van Kaïn. Zij brengen “vele offers” aan God (vers 1111Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
)
, maar Hij verwerpt die. Ze dienen voor Hem nergens toe, omdat ze met een huichelachtig en koud hart worden gebracht (Js 29:1313De Heere zei:
Omdat dit volk tot [Mij] nadert met zijn mond
en zij Mij eren met hun lippen,
maar hun hart ver van Mij houden,
en hun vrees voor Mij
[slechts] een aangeleerd gebod van mensen is,
; Hs 6:66Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer,
in kennis van God meer dan in brandoffers!
; Am 5:21-2421Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.
; Mi 6:6-86Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn [moeder]schoot voor de zonde van mijn ziel?8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
)
.

Ze mogen “vele offers” brengen, maar Hij walgt ervan. Hij heeft genoeg van hun “brandoffers van rammen”. De ram is het dier van het wijdingsoffer. Door een ram te brengen doen ze alsof ze Hem hun leven willen wijden. “Het vet” en “het bloed” van allerlei dieren geven Hem geen vreugde. Ze doen alsof ze Zijn recht erop erkennen, maar in de praktijk doen ze waar ze zelf zin in hebben. Wat een keur aan offers brengen ze en ze doen het precies zoals het is voorgeschreven. Maar Hij kan er niet blij van worden.

Ze komen met uitgestreken gezichten voor Zijn aangezicht en lopen Zijn voorhoven plat (vers 1212Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
)
. Kijk toch eens hoe godsdienstig ze zijn! Maar wie heeft dat van hen gevraagd? Híj in elk geval niet. Ze kunnen beter thuisblijven dan huichelachtig te komen, want als ze zo komen, zijn de offers die ze brengen “nutteloze offers” (vers 1313Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
)
. Ze hebben geen enkele baat, ze bewerken niets. Het “reukwerk” dat ze brengen, is “een gruwel” voor Hem. De HEERE kraakt hun hele dienst, Hij laat er niets van heel. Alles waarmee ze menen Hem te eren, is niets anders dan geestelijk egoïsme. Het dient alleen tot bevrediging van hun godsdienstige gevoelens. Er is niets voor de HEERE bij.

Ook de feestdagen met de daarbij behorende samenkomsten zijn een gruwel voor Hem. “Ik verdraag het niet” moet Hij ervan zeggen, want Hij is de God van het recht, en wat zij doen, is “onrecht”. Zelfs als ze “bijzondere samenkomsten” beleggen – dat zijn de heilige samenkomsten tijdens de zeven jaarlijkse feestdagen die in Leviticus 23 worden beschreven –, is dat voor Hem een verwerpelijke bezigheid. Het zijn feestdagen om zichzelf te goed te doen, terwijl er voor de HEERE geen plaats is.

Het zijn dan ook geen “feestdagen van de HEERE” (Lv 23:22Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen:) meer, maar hun eigen feestdagen. Hij noemt ze daarom ook “uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen” (vers 1414Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
; vgl. Jh 5:11Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.; 6:44En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.; 7:22Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij.)
. Hij haat ze met heel Zijn ziel. Ze zijn Hem tot last en Hij is het moe om ze te dragen (vgl. Js 7:1313Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?). Wij zouden zeggen: Hij heeft het er helemaal mee gehad.

De taal is uitermate krachtig en indringend. God laat op een welhaast emotionele wijze Zijn veroordeling van hun verwerpelijke dienst horen. Hij wil Zijn volk overtuigen van de afschuw die Hij van hun optreden voor Zijn aangezicht heeft. Velen zijn zonder het te weten blind voor wat gepast is voor de HEERE (vgl. Op 3:17-1817Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,18raad Ik u aan goud van Mij te kopen, gelouterd door vuur, opdat u rijk wordt; en witte kleren, opdat u bekleed wordt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt; en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat u kunt kijken.) en hebben zich verweerd tegen deze aanklachten. Ze zijn o zo tevreden over zichzelf en hun dienst.

Wie huichelachtig in het gebed tot God nadert, die ziet en hoort Hij niet (vers 1515En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.
)
. Hij luistert alleen als de praktijk – daarvan spreken de handen – zuiver is (vgl. 1Tm 2:88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.; Ps 24:4-54Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
5Hij zal zegen ontvangen van de HEERE
en gerechtigheid van de God van zijn heil.
; 66:1818Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad,
de Heere zou mij niet hebben gehoord.
)
. Ze staan met uitgebreide handen in de tempel te bidden, maar God luistert niet naar hen, want hun handen zijn besmeurd met bloed. Ze plegen onrecht in het verborgene en zo komen ze voor Zijn aangezicht. Mooi bidden in het openbaar, terwijl de praktijk daarmee is strijd is, daar walgt Hij van.

Hij zegt van hun naderen tot Hem dat zij Hem naderen met hun mond en Hem eren met hun lippen, maar dat zij hun hart ver van Hem houden, en dat hun vrees voor Hem een aangeleerd gebod van mensen is (Js 29:1313De Heere zei:
Omdat dit volk tot [Mij] nadert met zijn mond
en zij Mij eren met hun lippen,
maar hun hart ver van Mij houden,
en hun vrees voor Mij
[slechts] een aangeleerd gebod van mensen is,
)
. God verfoeit een louter uiterlijke godsdienst, toen, nu en in de toekomst. Ook het geweten van de christen kan zo dichtgeschroeid zijn, dat hij de schijn kan ophouden van een christelijke praktijk (2Tm 3:55Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.), terwijl hij in zijn zonden leeft.


Oproep tot bekering

16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
18Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
19Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
20maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.

God roept het volk op zich te wassen en te reinigen (vers 1616Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
; vgl. Ps 51:99Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
)
. In deze oproep horen we de oproep van Johannes de doper tot de godsdienstige leiders die tot zijn doop komen: “Brengt dan vrucht voort, de bekering waardig” (Mt 3:88Brengt dan vrucht voort, de bekering waardig;). Alle offers die zij huichelachtig brengen, bewerken voor God geen reiniging van hun zondige daden.

De oproep zich te wassen betekent dat ze vuil zijn. Wassen gebeurt met water. In geestelijk opzicht houdt dit in, dat iemand door het lezen of horen van Gods Woord, dat met water wordt vergeleken (Jh 15:33U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u.; Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,), inziet dat hij een zondaar is en dat erkent. Belijdenis van de zonden wordt door God beantwoord met reiniging van de zonden. Die reiniging gebeurt op de grondslag van het bloed van Christus (1Jh 1:7b,97Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.9Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.).

Als ze zich gewassen en gereinigd hebben, zal er ook gehoor worden gegeven aan de oproep om de “slechte daden” (vers 16a16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
)
van voor Gods ogen weg te doen. Dan ook is er de gezindheid om op te houden “met kwaad doen” (vers 16b16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
)
, waardoor de weg vrij is om “goed te doen” (vers 1717leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
; Jk 4:8b8Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Reinigt [de] handen, zondaars, en zuivert [de] harten, wankelmoedigen.; Rm 12:99De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het kwade; weest gehecht aan het goede.)
. Iemand kan niet leren goed te doen als hij niet eerst ophoudt met kwaad doen.

Iemand die goed doet, zal het recht zoeken, wat tot uiting komt in zorg voor de zwakken en kwetsbaren in de samenleving. Recht zoeken betekent dan ook, zo zegt Jesaja, het helpen van “de verdrukte”, het recht doen aan “de wees” en het bepleiten van “de rechtszaak van de weduwe”. Juist deze zwakken en kwetsbaren worden door hen uitgebuit (vers 2323Uw vorsten zijn opstandig
en metgezellen van dieven.
Ieder van hen houdt van geschenken,
zij jagen wederdiensten na.
De wees doen zij geen recht,
en de rechtszaak van de weduwe raakt hen niet.
)
. Door een totale omkering van hun gedrag tegenover hen zouden ze laten zien Zijn volk te zijn.

Om dit te bereiken roept de HEERE hen op met Hem een rechtszaak te voeren (vers 1818Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
)
. Dan zal Hij hun de rechtvaardigheid van Zijn handelingen laten zien. Tevens zal Hij, als ze Zijn rechtvaardige handelingen erkennen, hen van hun zonden reinigen en hun Zijn vergeving schenken. Hij kan dat doen op de basis van het werk dat Zijn Zoon, de volmaakte Knecht van de HEERE, als het schuldoffer zal volbrengen aan het kruis (Js 53:7-127Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
; Rm 3:2525Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;)
. God biedt hier op ongeëvenaarde wijze volledige vergeving en reiniging aan op basis van recht, hoe zwaar en vaak iemand ook gezondigd mag hebben.

God wijst hen op hun zonden die “als scharlaken” en “als karmozijn” zijn. Scharlaken en karmozijn zijn beide een bloedrode kleur. Het is de kleur die aangeeft dat er bloedschuld op hen rust. Hun handen zijn rood van het bloed dat ze daarmee vergoten hebben en waarvoor geen middel bestaat waarmee ze het kunnen wegwassen (Jr 2:2222Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
)
. Als ze echter hun zonden belijden en pleiten op Gods genade, zullen ze wit worden door de vergeving die ze na hun belijdenis van God ontvangen. De witheid wordt vergeleken met sneeuw en wol. Het wijst op de onbesmette reinheid van pasgevallen sneeuw en de weldadige warmte van wol die beschermt tegen de kou van de zonde en de wereld.

Profetisch is wat we hier lezen een oproep tot het volk om hun twee zonden te erkennen en te belijden. Die twee zonden zijn ten eerste de verwerping van Christus en ten tweede de afgoderij die uitmondt in het aannemen van de antichrist. Dit profetische aspect wordt vooral in het tweede deel van Jesaja besproken.

De HEERE houdt hun voor dat ze op twee manieren kunnen reageren. Ook houdt Hij hun van elke reactie de gevolgen voor. De eerste reactie kan zijn dat ze gewillig zijn, bereid om naar Hem luisteren (vers 1919Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
)
. Het gevolg daarvan zal zijn dat er zegen komt, dat wil zeggen dat ze “het goede van het land eten” zullen. De tweede reactie is dat ze weerspannig weigeren en ongehoorzaam zijn. In dat geval zullen ze omkomen door het zwaard (vers 2020maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
. Ze kunnen er zeker van zijn dat óf de zegen óf de vloek zal komen omdat “de mond van de HEERE heeft gesproken”. Zijn uitspraken zijn nooit loze uitspraken, maar vol werkzame kracht. Wat Hij zegt, gebeurt.

In de verzen 19-2019Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
20maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
beluisteren we een woordspeling. Als ze gewillig zijn en luisteren, zullen ze het goede van het land eten; maar als ze weigeren en ongehoorzaam zijn, zullen ze door het zwaard gegeten worden. In het ene geval zullen ze voedsel tot zich mogen nemen dat God hun geeft; in het andere geval zullen ze zelf als voedsel dienen voor het zwaard van hun vijanden.

Profetisch is hier sprake van twee groepen mensen die we in de eindtijd vinden. We herkennen de ene groep, zij die ‘eten’, in het gehoorzame gelovig overblijfsel. De andere groep, zij die ‘gegeten worden’, herkennen we in de grote, ongehoorzame massa van Israël. Toen Christus kwam, heeft het volk als geheel Hem niet aangenomen (Jh 1:1111Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.), terwijl het overblijfsel Hem wel heeft aangenomen (Jh 1:1212Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij [het] recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven;).

Maar als straks de antichrist komt, zal het volk hem aannemen (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.), terwijl het overblijfsel hem zal verwerpen. Hierdoor zal het overblijfsel uiteindelijk zegen ontvangen en eten, terwijl het onwillige volk door het zwaard gegeten zal worden. Het zwaard, dat uit de mond van de HEERE komt (vgl. Op 19:1515En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.), is Assyrië, die ook de roede van Gods toorn wordt genoemd (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
.

Luisteren naar de Heer leidt voor ons tot geestelijke zegen. Voor ons betekent het “goede van het land eten” (vers 1919Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
)
dat we ons voeden met “alle geestelijke zegening” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,) die door het werk van de Heer Jezus ons deel is. Als wij ongehoorzaam zijn, zal ons geestelijk leven verdorren en zal ons getuigenis verdwijnen.


De aanleiding tot het oordeel

21Hoe is de trouwe stad
tot een hoer geworden!
Vol recht was zij,
gerechtigheid overnachtte in haar,
maar nu – moordenaars!
22Uw zilver is tot schuim geworden,
uw wijn is vermengd met water.
23Uw vorsten zijn opstandig
en metgezellen van dieven.
Ieder van hen houdt van geschenken,
zij jagen wederdiensten na.
De wees doen zij geen recht,
en de rechtszaak van de weduwe raakt hen niet.

Deze verzen zijn een klaaglied van Jesaja over de ontrouw van Jeruzalem. De uitroep “hoe is” (vers 2121Hoe is de trouwe stad
tot een hoer geworden!
Vol recht was zij,
gerechtigheid overnachtte in haar,
maar nu – moordenaars!
)
is een uiting van smart over de ontstane situatie. De profeet heeft het volk Gods rechten voorgehouden en hen uitgenodigd met God in het gericht te gaan. Hij heeft hun ook Gods bereidwilligheid om te vergeven voorgehouden. Maar “hoe is” de eens trouwe stad door haar liefde voor de afgoden geworden tot een vrouw die een hoer is (Dt 31:1616En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, u gaat bij uw vaderen te ruste; en dit volk zal opstaan en als in hoererij achter de vreemde goden van het land waar het naartoe gaat, aangaan, in het midden van [dat land]. Het zal Mij verlaten en Mijn verbond, dat Ik ermee gesloten heb, verbreken.). Profetisch wijst dit erop dat het aardse Jeruzalem geestelijk gezien een hoer is door de antichrist aan te nemen.

Ze is zo slecht en verdorven geworden, dat er geen hoop op herstel is. Zij die “vol recht” is geweest, in wie “gerechtigheid overnachtte”, is een stad van “moordenaars” geworden. Dag en nacht is de stad een weldaad geweest voor haar inwoners vanwege het recht dat er heeft geheerst. Het is een veilige plaats geweest om te wonen. Maar de rechtspraak is vervallen tot geweldpleging. De rechters zijn onrechtvaardige rechters geworden, mensen die het recht verdraaien. Daardoor zijn zij zelf moordenaars en tevens laten ze moordenaars ongestraft, zodat die in de stad een woonplaats hebben. Hierdoor heeft de stad alles verloren wat het aangenaam en veilig heeft gemaakt om er te wonen. Het meest schrijnende geval van onrechtvaardige rechtspraak en moord is wel de veroordeling van de Heer Jezus en de doodstraf die aan Hem is voltrokken in en door deze stad.

Er heeft een ongoddelijke vermenging plaatsgevonden (vers 2222Uw zilver is tot schuim geworden,
uw wijn is vermengd met water.
)
. Wat van waarde zou moeten zijn als zilver, waarmee de leiders van Gods volk worden bedoeld, is verworden tot waardeloos schuim. De leiders zijn door hun zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid verdorven, waardeloze lieden geworden. De leiders, die als de wijn tot een vreugde voor de inwoners zouden moeten zijn, zijn verworden tot een drank die niet te drinken is en wordt uitgespuugd.

Als toepassing kunnen we zeggen dat wat voor God waardevol is, zilver, en Hem vreugde geeft, wijn, in een rechtvaardige rechtspraak, is verdwenen. Schuim, dat waardeloos is, en water, dat de wijn verdunt, bijvoorbeeld menselijke traditie, verwijderen of vertroebelen Gods recht.

De leiders zijn tirannen geworden. Ze zijn tegen de HEERE opgestaan en hebben met Hem afgerekend (vers 2323Uw vorsten zijn opstandig
en metgezellen van dieven.
Ieder van hen houdt van geschenken,
zij jagen wederdiensten na.
De wees doen zij geen recht,
en de rechtszaak van de weduwe raakt hen niet.
)
. Het gezelschap van dieven is hun liever dan het gezelschap van de HEERE. Hun diefstal plegen ze door de sociaal zwakkeren te plukken. Ze handelen naar het principe ‘voor wat hoort wat’. Ze verdraaien het recht, maar verwachten daarvoor wel een tegenprestatie van hen ten gunste van wie zij het recht verdraaien. Voor steekpenningen van de rijken verdraaien ze het recht en knijpen ze de arme en weerloze wees en weduwe nog meer uit.


Het oordeel dient tot reiniging

24Daarom spreekt de Heere,
de HEERE van de legermachten,
de Machtige van Israël:
Wee u! Ik zal troost halen bij Mijn tegenstanders,
Ik zal Mij wreken op Mijn vijanden.
25Ik zal Mij tegen u keren,
Ik zal uw schuim als met loog uitzuiveren
en Ik zal al uw tin wegnemen.

Jesaja plaatst de onrechtplegers tegenover “de Heere, de HEERE van de legermachten, de Machtige van Israël” (vers 2424Daarom spreekt de Heere,
de HEERE van de legermachten,
de Machtige van Israël:
Wee u! Ik zal troost halen bij Mijn tegenstanders,
Ik zal Mij wreken op Mijn vijanden.
)
. Het is alsof de HEERE Zich in Zijn verontwaardiging over het onrecht van de leiders en het volk in de hele macht van Zijn Wezen verheft.

Het onderscheid tussen de namen die zijn vertaald met “Heere” en “HEERE”, is belangrijk en door het hele Oude Testament heen op te merken. Ook bij de verdere bestudering van het boek Jesaja is het noodzakelijk op dit onderscheid te letten. Telkens als in de Nederlandse vertaling het woord “Heere” staat, met kleine letters, is dat de vertaling van het Hebreeuwse woord Adonai. Met deze Naam wordt God aangeduid als de Gebieder, de Heer, de soevereine Gezaghebber.

Als er “HEERE” staat, met hoofdletters, is dat de vertaling van het Hebreeuwse woord Jahweh. Dat is de naam van God als de God van het verbond, de Naam die Zijn betrekking met de schepping en de mens en vooral met Zijn aardse volk aangeeft. De naam “HEERE” wordt voor het eerst in Genesis 2 genoemd, eerst in verbinding met de schepping en daarna in verbinding met de mens (Gn 2:4-224Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte –5er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want de HEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,6maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem –7toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.8Ook plantte de HEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had.9En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.10Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofd[stromen].11De naam van de eerste [rivier] is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.12En het goud van dit land is goed; [ook] is er balsemhars en de [edel]steen onyx.13En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.14En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.15De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.16En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.18Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als [iemand] tegenover hem.19De HEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.20Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp als [iemand] tegenover hem.21Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.22En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.). In verbinding met Israël maakt Hij Zich met deze Naam aan hen bekend als Hij hen uit Egypte gaat bevrijden (Ex 6:1-81Toen sprak God tot Mozes en zei tegen hem: Ik ben de HEERE.2Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.3Ook heb Ik Mijn verbond met hen gesloten om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij als vreemdeling verbleven.4Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren [voor zich] laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.6Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.8Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes, door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.). Deze Naam geeft dan de bijzondere betrekking aan die Hij met dit volk aangaat.

“De Machtige van Israël”, een titel die Jesaja alleen hier gebruikt, kan de ontrouw van Zijn volk niet ongestraft laten. Hij is machtig om met hen die Hij “Mijn tegenstanders” noemt te handelen op een wijze dat Hij daar “troost” uit haalt. Troost is nodig bij verdriet. Hij heeft groot verdriet over hun afvalligheid. Zijn troost vindt Hij in het oordeel over hun afvalligheid, waardoor die van voor Zijn aangezicht wordt weggedaan.

Hij moet over Zijn tegenstanders en vijanden wraak oefenen. Maar let op. De tegenstanders en de vijanden zijn hier niet de Assyriërs, zoals het volk dat graag ziet, maar God spreekt hier over hen, Zijn volk! Met “Mijn tegenstanders” en “Mijn vijanden” bedoelt Hij hen. Zij, de opstandige Joden, zijn tegenstanders en vijanden van Zijn wet en Zijn regering.

Dat Hij Zich – letterlijk: Zijn hand – tegen Zijn volk keert, is bedoeld om hen te zuiveren van hun ongerechtigheden, zodat ze een zuiver zilver zullen zijn (vers 2525Ik zal Mij tegen u keren,
Ik zal uw schuim als met loog uitzuiveren
en Ik zal al uw tin wegnemen.
)
. De goddeloze massa is schuim en tin geworden (vgl. vers 2222Uw zilver is tot schuim geworden,
uw wijn is vermengd met water.
)
. Dat schuim is waardeloos en het tin lijkt wel edelmetaal, maar is nep. Beide elementen zal Hij wegdoen door het oordeel van het vuur. Wat overblijft, is een Godvrezend overblijfsel dat een welgevallen is voor Zijn hart (Zc 13:9a9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
; Ml 3:22Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
)
.


Herstel voor Jeruzalem

26Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
27Sion zal door recht verlost worden,
en wie van haar zich bekeren, door gerechtigheid.

Na de uitoefening van het oordeel zullen rechtvaardige “rechters” door de HEERE worden aangesteld “als vroeger”, dat wil zeggen als in de dagen van David en Salomo (vers 2626Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
)
. Bij de “raadslieden als in het begin” kunnen we denken aan Mozes en Jozua. Dat zal een totaal andere situatie tot gevolg hebben dan zoals die nu is met de onrechtvaardige leidslieden die de dienst uitmaken en het leven van het volk beheersen. Het gevolg is dat Jeruzalem weer “stad van de gerechtigheid, trouwe stad” kan worden genoemd (vgl. vers 2121Hoe is de trouwe stad
tot een hoer geworden!
Vol recht was zij,
gerechtigheid overnachtte in haar,
maar nu – moordenaars!
; Zc 8:33Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.
)
. We kunnen ook zeggen dat Jeruzalem weer een geloofwaardige stad is geworden (‘geloof’ en ‘trouw’ zijn in het Hebreeuws hetzelfde woord).

De heerlijke kenmerken van vers 2626Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
zullen het resultaat zijn van Gods verlossing van Sion op basis van Zijn oordelen die Hij in gerechtigheid uitvoert (vers 2727Sion zal door recht verlost worden,
en wie van haar zich bekeren, door gerechtigheid.
)
. Gods rechtvaardige genade voert tot gerechtigheid en standvastigheid in het leven van hen die gerechtvaardigd zijn. De basis van de verlossing is het werk van Christus Die op het kruis het rechtvaardig oordeel van God heeft ontvangen over de zonden van ieder die zich bekeert.


Oordeel op basis van recht

28Maar er zullen rampen zijn voor zowel overtreders als zondaars;
wie de HEERE verlaten, zullen omkomen.
29Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken
die u begeerd hebt,
en u zult rood worden van schaamte over de tuinen
die u uitgekozen hebt.
30Want u zult zijn
als een eik waarvan de bladeren verwelken,
en als een tuin die geen water heeft.
31En de sterke zal tot vlasafval worden
en wie het bewerkt, tot een vonk;
die twee zullen samen verbranden,
en niemand zal er blussen.

In tegenstelling tot hen die zich bekeren en het vrederijk zullen binnengaan en de zegen ervan zullen genieten (verzen 26-2726Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
27Sion zal door recht verlost worden,
en wie van haar zich bekeren, door gerechtigheid.
)
, staan zij die de antichrist zullen volgen. Zij zijn “overtreders” van Gods geboden (vers 2828Maar er zullen rampen zijn voor zowel overtreders als zondaars;
wie de HEERE verlaten, zullen omkomen.
)
. Daarmee wordt de afvallige massa van Gods volk bedoeld. Met “zondaars” worden de wetteloze heidenen bedoeld, mensen die niet aan Gods doel beantwoorden – het woord ‘zonde’ betekent letterlijk ‘het doel missen’. “Rampen” zullen hen treffen, want zij hebben allen “de HEERE verlaten” en “zullen omkomen”.

De machtigen van de aarde op wie zij hebben vertrouwd, voorgesteld in “de eiken”, zullen hen teleurstellen (vers 2929Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken
die u begeerd hebt,
en u zult rood worden van schaamte over de tuinen
die u uitgekozen hebt.
)
, evenals de heerlijkheid van de wereld, voorgesteld in “de tuinen”. Ze hebben gedacht door hun verbinding met ‘de eiken’ en de ‘tuinen’ zelf een “eik” en een “tuin” te worden, maar zullen daarin zwaar teleurgesteld worden (vers 3030Want u zult zijn
als een eik waarvan de bladeren verwelken,
en als een tuin die geen water heeft.
)
. Zij zullen samen met hen omkomen.

Vers 3131En de sterke zal tot vlasafval worden
en wie het bewerkt, tot een vonk;
die twee zullen samen verbranden,
en niemand zal er blussen.
wijst op het eindoordeel aan het slot van het boek (Js 66:2424En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
, wat de gedachte onderstreept dat dit eerste hoofdstuk de inleiding op het hele boek is. In “de sterke” herkennen we het beest uit de zee, de heerser over de Europese Unie, het herstelde West-Romeinse rijk (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.). In “wie het bewerkt” herkennen we het beest uit de aarde, de antichrist (Op 13:11-1811En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.).

“Die twee [het beest uit de zee en het beest uit de aarde] zullen samen verbranden”, ze zullen beiden levend in de hel, de poel van vuur, worden geworpen (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.). Het vuur van het oordeel komt hier niet van buitenaf, maar van binnenuit. Zoals “vlasafval” dat vuurvonk bevat en het vlasafval van binnenuit in brand zet, zo draagt de zonde het oordeel in zichzelf en roept het oordeel erover zelf af. Hun zelfvertrouwen is hun ondergang.

Samenvatting Jesaja 1

We hebben in dit eerste hoofdstuk gezien dat het de inleiding is op het hele boek omdat hierin de beginselen van Gods handelwijze ten opzichte van het volk Israël worden uiteengezet. Het begint met de aanklacht over hun zonden en een oproep tot bekering. Daarop volgen Zijn belofte om hen die gehoorzamen, het gelovig overblijfsel, te zegenen, en Zijn dreiging om hen die onwillig zijn, de goddeloze massa van het volk, te oordelen.

Nadat het oordeel is voltrokken en loutering heeft plaatsgevonden, zal Gods zegen in het vrederijk door Zijn Messias tot Israël en via Israël tot de volken komen. Dat zullen we in de komende hoofdstukken zien.


Lees verder