Jesaja
1-6 De verschijning van de Messias 7-11 Hoogmoed van Efraïm geoordeeld 12-16 Onbekeerlijkheid van Efraïm geoordeeld 17-20 Goddeloosheid van Efraïm geoordeeld
De verschijning van de Messias

1Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
2U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
3Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
4Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
5Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.

We komen hier bij het hoogtepunt van het gedeelte dat in Jesaja 7:1 begint. In plaats van het kortzichtige ongeloof van koning Achaz, die zijn volk in diepe duisternis stort, vinden we de Koning Messias, Die, hoewel een Kind, de beloofde Immanuel is. Hij zal alle strijd en ellende beëindigen en een eeuwig koninkrijk introduceren dat gebaseerd is op recht en gerechtigheid.

De eerste vervulling van het laatste vers van het vorige hoofdstuk (Js 8:2323Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor [het land] waarin benauwdheid is.
Zoals Hij in vroeger tijd
minachting heeft gebracht
over het land van Zebulon
en over het land van Naftali,
zo zal Hij in later [tijd] eer bewijzen
aan de Weg van de zee,
de overkant van de Jordaan,
het Galilea [waar] de heidenvolken [wonen].
)
en vers 11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
van dit hoofdstuk zien we in Mattheüs 4. De evangelist haalt dit gedeelte van Jesaja aan om het werk van de Heer Jezus in Galilea te beschrijven (Mt 4:12-1612Toen Hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galiléa;13en Hij verliet Nazareth en kwam in Kapernaüm wonen dat aan de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Nafthali,14opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:15‘Land Zebulon en land Nafthali, aan [de] weg van [de] zee, over de Jordaan, Galiléa van de volken:16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.). Hij is “een groot licht” dat redding aanbiedt aan mensen die “in duisternis” zijn. Hij is het grote licht, de zon van de vierde scheppingsdag (Gn 1:1616En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.), Die alles verlicht (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Hij schijnt als het licht voor mensen die leven in een land waar “de schaduw van de dood” boven hangt en brengt daar licht en leven (Jh 1:44In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.).

De volle vervulling van deze verzen zal plaatsvinden aan het einde van de gramschap van de HEERE (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Als de koning van het noorden terug is in het land na het verslaan van de koning van het zuiden, zal het oordeel worden voltrokken, niet in Judéa, maar in Galilea. Ook bij de eerste komst van Christus is Zijn dienst vooral in Galilea in het noorden. Het leger van het herstelde West-Romeinse rijk (Europa) en het leger van de koning van het noorden zullen beide door de verschijning van de Heer Jezus worden vernietigd.

Van het moment dat het volk het grote licht ziet, gaat de profeet in de verzen 2-62U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
3Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
4Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
5Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
naar een nog verder in de toekomst gelegen gebeurtenis. Hij spreekt in die verzen over de verbreking van de macht van de antichrist en de vestiging van het rijk van vrede en gerechtigheid van de Messias. We zien
1. een groot licht (vers 11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
)
in plaats van duisternis (Js 8:2323Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor [het land] waarin benauwdheid is.
Zoals Hij in vroeger tijd
minachting heeft gebracht
over het land van Zebulon
en over het land van Naftali,
zo zal Hij in later [tijd] eer bewijzen
aan de Weg van de zee,
de overkant van de Jordaan,
het Galilea [waar] de heidenvolken [wonen].
)
,
2. grote blijdschap (vers 22U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
)
in plaats van benauwdheid (Js 8:2222of naar de aarde kijkt, zie, er zal benauwdheid en duisternis zijn, angstaanjagende donkerheid. En men zal voortgedreven worden, het donker in.),
3. bevrijding (vers 33Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
)
in plaats van slavernij en
4. vrede (vers 66Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
)
in plaats van strijd (vers 44Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
)
.

Vers 22U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
is tot op vandaag nog niet ten volle vervuld. Uit de ballingschap is slechts een overblijfsel teruggekeerd en niet een “talrijk” volk. Onder de elkaar opvolgende heidense overheersers is er nooit een situatie geweest van de vreugde die in dit vers wordt beschreven. Als de Heer Jezus in de toekomst aan het einde van de grote verdrukking komt om persoonlijk Zijn aardse volk te bevrijden, zal er grote blijdschap zijn bij het overblijfsel.

Zij hebben een zeer zware tijd doorgemaakt. Gedurende de grote verdrukking zullen zij een zware vervolging doormaken door de hand van de antichrist, die de koning zal zijn van Israël, met behulp van het beest uit de zee, het herstelde Romeinse rijk (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.). Door de grote verdrukking zal het overblijfsel verstrooid zijn over het hele land (Mt 24:21-2221Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.22En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.), over de bergen en in de verste schuilhoeken van het land. Maar als de koning van het noorden het land Israël onder de voet loopt, zullen juist deze gevluchte gelovige Israëlieten de slachting overleven – net als de gevluchte christenen in het jaar 70 ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem (vgl. Op 12:16-1716En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier die de draak uit zijn mond geworpen had.17En de draak werd toornig op de vrouw en hij ging weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben;).

Het volk zal talrijk worden door de terugkeer van het overblijfsel zowel van de twee als van de tien stammen. De blijdschap die er dan is, wordt vergeleken met de blijdschap die er is als de oogst is binnengehaald en als er buit wordt verdeeld. De eerste blijdschap is die over de zegen van het land, de tweede is die over de verslagen vijanden.

De vreugde voor het aangezicht van de Heer mag nu al door ons beleefd worden. Zo zou het altijd moeten zijn. Dat is geen uiting van een natuurlijke vreugde over aardse voorspoed, maar een vreugde in Hem, dat Hij altijd bij ons is.

Vers 33Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
geeft aan wat de reden is van de vreugde in het vorige vers. Het is de vreugde van de verlossing door de HEERE. Dit vers staat in de voltooide tijd, het zogenaamde profetische perfectum, de profetisch voltooide tijd. Dit houdt in dat de gebeurtenis nog wel moet plaatsvinden, maar zo wordt beschreven alsof die al heeft plaatsgevonden.

“Het juk”, “de stok” en “de knuppel”, de symbolen van de machten die Israël hebben onderdrukt, zijn allemaal verbroken. Het volk is ervan bevrijd. Alle tuchtinstrumenten, het juk van de antichrist op het gelovig overblijfsel en de stok en de knuppel van de omringende vijandige volken op Israël – de koning van het noorden – zijn verbroken.

De “Midiansdag” herinnert aan de overwinning die Gideon op Midian heeft behaald (Ri 7:19-2519Zo kwam Gideon met de honderd mannen die bij hem waren, bij de rand van het kamp. [Het was] aan het begin van de middelste nachtwake, net nadat zij de wacht [weer] hadden opgesteld. Toen bliezen zij op de bazuinen en sloegen de kruiken die in hun hand waren, in stukken.20Zo bliezen de drie groepen op de bazuinen en braken de kruiken. Met hun linkerhand hielden zij de fakkels vast en met hun rechterhand de bazuinen om [daarop] te blazen. En zij riepen: Het zwaard van de HEERE en van Gideon!21En zij stonden rondom het kamp, ieder op zijn plaats. Toen ging heel het kamp op de loop. Ze schreeuwden [het uit] en vluchtten weg.22Toen de driehonderd op de bazuinen bliezen, richtte de HEERE het zwaard van de een tegen de ander, en [dat] in heel het kamp. En het leger vluchtte naar Beth-Sitta in de richting van Zerera, tot aan de oever van Abel-Mehola, boven Tabbath.23Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen: uit Naftali, uit Aser en uit heel Manasse. En zij joegen Midian achterna.24Ook stuurde Gideon boden door heel het bergland van Efraïm om te zeggen: Daal af, Midian tegemoet, en ontneem hun de doorwaadbare plaatsen tot aan Beth-Bara en de Jordaan. Zo werden alle mannen van Efraïm bijeengeroepen en zij ontnamen [hun] de doorwaadbare plaatsen tot aan Beth-Bara en de Jordaan.25Vervolgens namen zij twee vorsten van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. Zij doodden Oreb op de rots Oreb, en Zeëb doodden zij in de Perskuip van Zeëb. En zij achtervolgden Midian en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb over de Jordaan bij Gideon.). Toen verloste de HEERE Zijn volk, niet door de militaire kracht van dat volk, waarop het vandaag zo vertrouwt, maar door Zijn eigen keus van een klein gezelschap. Daardoor konden zij de overwinning niet aan hun eigen kracht toeschrijven (Ri 7:22En de HEERE zei tegen Gideon: Het volk dat bij u is, is voor Mij te talrijk om Midian in hun hand te geven. Anders zou Israël zich tegen Mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn [eigen] hand heeft mij verlost!). Zo zal de Heer Jezus ook in de toekomst verschijnen en in eigen Persoon voor Zijn volk opkomen en daarin worden bijgestaan door een klein overblijfsel dat in de grootste zwakheid is, maar sterk wordt door hun verbinding met Hem.

Dit geldt ook voor ons. Als wij de vijand willen bestrijden in eigen kracht, speelt dat de vijand alleen maar in de kaart. Maar als wij zwak zijn, dan zijn wij sterk (2Ko 12:1010Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.; vgl. 2Kr 28:2121Achaz haalde weliswaar het huis van de HEERE en het huis van de koning en de vorsten leeg, en gaf [dat] aan de koning van Assyrië, maar dat hielp hem niet.), want dan is Hij onze kracht. We vermogen alles door Hem Die ons kracht geeft (Fp 4:1313Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.).

Bij de beschrijving van vers 44Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
vinden we opnieuw de profetische Assyriërs, die optrekken voor de grote strijd tegen Israël. De grond dreunt van het stampen van de soldatenschoenen van de legers die optrekken (Jl 3:9-149Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.
)
. De soldatenmantels druipen van het bloed van de slachtoffers dat in deze eindstrijd rijkelijk zal vloeien (Js 63:33Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
; Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.)
. Kort en krachtig wordt het einde van al dit geweld beschreven. Het zal als “voedsel voor het vuur” verbrand worden. Het oordeel van de HEERE zal alle tegenstand verteren (Js 66:15-1615Want zie, de HEERE zal komen in vuur,
en Zijn strijdwagens zullen komen als een wervelwind,
om in grimmigheid Zijn toorn te laten gelden,
Zijn bestraffing in vlammen van vuur.
16Want met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE een rechtszaak voeren met alle vlees.
Zij die door de HEERE dodelijk gewond zijn, zullen talrijk zijn.
)
.

Het derde ”want” (vers 55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
geeft de reden van de verlossing (verzen 3-43Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
4Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
)
en de vreugde (vers 22U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
)
aan. Er is vreugde doordat God verlossing schenkt, maar hoe doet Hij dat? Het begint allemaal met de geboorte van de Koning Messias, de Christus en eindigt met Zijn eeuwige regering.

In vers 55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
wordt in één vers zowel de eerste als de tweede komst van Christus genoemd. Dat er sprake is van een eerste en een tweede komst, komt door de verwerping van de Messias. Als Hij niet was verworpen, zou direct aansluitend op Zijn eerste komst het koninkrijk door Hem zijn gevestigd. Zijn verwerping maakt een tweede komst noodzakelijk.

De ontstane tussentijd is wel door God voorzien, maar niet door Hem voorzegd in het Oude Testament. De gemeente maakt geen deel uit van de profetie, want die is voor de profeten een verborgenheid (Ef 3:55die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in [de] Geest geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten:). In de profetie worden de eerste en de tweede komst altijd direct met elkaar verbonden, zonder vermelding van of verwijzing naar de tussentijd waarin wij nu leven, de tijd van het ontstaan en de vorming van de gemeente.

In de verzen 5-65Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
hebben we een van de rijkste beschrijvingen van Christus in het Oude Testament. De hoop van Israël begint met “een Kind” in de kribbe. De vermelding van Zijn geboorte is een uitweiding van de betekenis van “Immanuel” (Js 7:1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.). In Jesaja 7:14 wordt over Hem gesproken als een teken. Hier is Hij een gave. Hij is als “Kindgeboren”, dat houdt in dat Hij “aan bloed en vlees” heeft “deelgenomen” (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Hij is werkelijk en volmaakt Mens, Hij is “[de] Mens Christus Jezus” (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,).

De “ons” onder wie dit Kind geboren is, zijn zij die naar Hem hebben uitgezien, onder wie ook Jesaja zich rekent. We zien hen in het begin van het evangelie naar Lukas, in Jozef en Maria, Zacharia en Elizabeth, de herders, Simeon en Anna. Zij zijn een beeld van het gelovig overblijfsel en de kern van de herboren natie, het hele Israël dat door de grote verdrukking heen behouden zal worden. Het Kind is geboren lang voor die tijd, maar ze zullen Hem begroeten alsof Hij pas geboren is (vgl. Js 66:7-87Voordat zij weeën kreeg,
heeft zij gebaard.
[Nog] voor een wee over haar kwam,
heeft zij een jongetje ter wereld gebracht.
8Wie heeft [ooit] zoiets gehoord?
Wie heeft iets dergelijks gezien?
Zou een land geboren kunnen worden
op één dag?
Zou een volk geboren kunnen worden
in één keer?
Maar Sion heeft [nauwelijks] weeën gekregen,
of zij heeft haar zonen [al] gebaard.
)
. Het is de tijd dat God Zijn Zoon opnieuw in de wereld inbrengt, dan om de heerschappij over de wereld te aanvaarden (Hb 1:66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.).

Vervolgens wordt gezegd dat Hij als “Zoon” is gegeven, wat ziet op Zijn Godheid waardoor Hij het recht heeft om als God macht uit te oefenen. Deze macht en kracht worden uitgedrukt in de constatering ”de heerschappij rust op Zijn schouder” Als Schepper en Losser (Openbaring 4-5) draagt Hij alle heerschappij en alle last. Alle verantwoordelijkheid ervoor rust op Hem. Maar die taak is niet te groot voor Hem. Hij zal alle problemen oplossen en op volmaakt rechtvaardige wijze Zijn heerschappij uitoefenen. Als Degene Die de verlossing tot stand heeft gebracht, kan Hij zeggen: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde” (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.). Die macht zal Hij in zegen en in oordeel gebruiken.

In de gelijkenis van het verloren en gevonden schaap die de Heer Jezus vertelt, lezen we dat Hij het schaap “op Zijn schouders” (meervoud) legt (Lk 15:4-64Welk mens onder u, die honderd schapen heeft en één daarvan verliest, laat niet de negenennegentig in de woestijn achter en gaat het verlorene na, totdat hij het vindt?5En als hij het vindt, legt hij het blij op zijn schouders.6En wanneer hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Weest blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.). Voor de heerschappij over de wereld is één schouder genoeg; om een verloren schaap bij de kudde terug te brengen, gebruikt Hij Zijn beide schouders. Ook de hogepriester in het Oude Testament draagt in het beeld van de twee edelstenen met daarin de namen van de twaalf stammen het hele volk op zijn beide schouders (Ex 28:9-139Vervolgens moet u twee onyxstenen nemen en daarin de namen van de zonen van Israël graveren:10zes van hun namen op de ene steen, en de namen van de zes overige op de andere steen, in de volgorde van hun geboorte.11[Als] werk van een graveerder van [edel]stenen, zoals men zegels graveert, moet u de twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël. U moet ze [zó] maken dat ze gevat zijn in gouden kassen.12Dan moet u de twee stenen op de schouderstukken van de efod bevestigen, [als] gedenkstenen voor de Israëlieten. Aäron moet hun namen namelijk ter gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE op zijn beide schouders dragen.13U moet ook gouden kassen maken).

Dat Hij de Zoon is Die is “gegeven”, laat zien dat Hij al Zoon is voordat Hij als Kind wordt geboren. Hij is de eeuwige Zoon Die Mens is geworden en op die manier is gegeven. Dat de Zoon is “gegeven”, herinnert ook aan de genade en liefde van God voor verloren mensen: Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.).

De Zoon is niet alleen waardig, Hij is ook bekwaam om heerschappij uit te oefenen. Zijn Naam, die kenmerken van Hem beschrijft, toont dat aan. Zijn Naam is Hij Zelf in Zijn Persoon. Zijn Naam is in de eerste plaats “Wonderlijk” (vgl. Ri 13:1818Maar de Engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom vraagt u zo naar Mijn Naam? Die is immers wonderlijk!). Hij gaat in Zijn Persoon ons menselijk denken te boven, want “niemand kent de Zoon dan de Vader” (Mt 11:27a27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.; Op 19:12b12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.). Zijn Naam is “Wonderlijk” omdat Hij in Zichzelf wonderlijk is en omdat Hij een wonderlijk werk op het kruis tot eer van God en tot onze redding heeft verricht. Tegenover Hem past ons bovenal eerbied en bewondering.

Direct daarop volgt dat Hij “Raadsman” is. Dat ziet op Zijn wijsheid. Niemand geeft Hem raad, nooit hoeft Hij bij iemand te rade te gaan. “Wie is Zijn raadsman geweest?” (Rm 11:3434Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?). Hij werkt volgens een volmaakt door Hemzelf opgevat plan dat Hij in wijsheid zonder aarzeling uitvoert en zonder dat Hij ooit ergens op terug hoeft te komen. Allen die Hij in Zijn plannen betrekt en aan wie Hij ze bekendmaakt, geeft Hij raad (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
; Ps 32:88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
)
. De raad die Hij geeft, is wonderlijk, hij overstijgt de menselijke vermogens. De beide kenmerken ‘wonderbaar’ en ‘raad’ zien we ook in Jesaja 25 en 28 (Js 25:11HEERE, U bent mijn God,
ik zal U roemen, Uw Naam loof ik.
Want U hebt wonderen gedaan.
[Uw] raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker.
; 28:2929Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.
)
.

Het is ook mogelijk om die twee uitdrukkingen te beschouwen als één Naam, een dubbelnaam: Wonderbare Raadsman. Die eenheid in de Naam of dubbelnaam zien we ook in de drie volgende Namen: Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. De Messias, Hij Die Kind en Zoon is, heeft dus vier schitterende Namen met in elke Naam een combinatie van Zijn Wezen en een kenmerk dat Zijn heerlijkheid vergroot. Het zijn allemaal erenamen van de Messias.

Hij is ook in staat om al Zijn voornemens uit te voeren, want Hij is de “Sterke God” (vgl. Js 10:2121[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.). Die Naam geeft het grote contrast aan met de falende, zwakke, sterfelijke mens. De Naam “Eeuwige Vader” is letterlijk ‘Vader van de eeuwigheid’. De Heer Jezus, want om Hem gaat het immers in deze beschrijving, is in de Godheid als de eeuwige Zoon duidelijk onderscheiden van de eeuwige Vader. De Naam “Vader” heeft hier dan ook de betekenis van oorsprong, uit Wie iets voortkomt. De Heer Jezus is ‘Vader van de eeuwigheid’ in de zin dat Hij de oorsprong van de eeuwigheid is. Zo vertaalt de Septuaginta dit vers met: Vader van de toekomende eeuw (vgl. Hb 6:55en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben).

Met ‘eeuwigheid’ wordt in het Oude Testament vaak het duizendjarig vrederijk aangeduid. De vele keren dat wordt gezegd “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (Ps 118:1-41Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; 136:1-261Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.4Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
5Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
7Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
8de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
9de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.10Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
11en Israël uit hun midden uitleidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
12met sterke hand en met uitgestrekte arm,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
13Die de Schelfzee [in tweeën] deelde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
14en Israël er middendoor deed gaan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
15maar de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.16Die Zijn volk door de woestijn leidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
17Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
19Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.21Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.23Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
25Die aan alle vlees voedsel geeft,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.26Loof de God van de hemel,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
zien op die tijd. Het vrederijk is de tijd waarin Hij openlijk als de “Vredevorst” zal regeren. Hij zal iedere opstandeling onderwerpen, elk verstorend element verwijderen en zo vrede voor Zijn volk en alle volken bewerken. Dat is de “vrede op aarde” die de engelen bij Zijn geboorte hebben aangekondigd (Lk 2:1414Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.).

Hij wil Zijn vrede nu al geven in het hart van allen die door Hem vrede met God hebben. Als Christus zegt “vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u” (Jh 14:2727Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.), ziet het eerste ‘vrede’ op vrede met God. Het is de vrede die Christus door Zijn sterven achter’laat’ voor ieder die gelooft. Het tweede ‘vrede’ ziet op de vrede van God die Christus op aarde heeft ervaren door de volmaakte gemeenschap met God en die Hij nu ‘geeft’ aan ieder die zich door Hem laat leiden.

De vrede met God krijgt de zondaar als hij zijn zonden belijdt en gelooft in het werk van de Heer Jezus en dat God dat werk heeft aanvaard (Rm 4:24-2524maar ook ter wille van ons, wie het zal worden toegerekend, ons die geloven in Hem Die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt,25Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.; 5:11Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,). De vrede van God is het deel van de gelovige die alle dingen in het gebed bij God brengt (Fp 4:6-76Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.7En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.). Gebed is een van de bewijzen dat iemand zijn leven stelt onder de heerschappij van de Heer Jezus en Hem nu al als Heer erkent, terwijl de wereld dat nog niet doet.

Het gebied van Zijn heerschappij zal zich steeds meer uitbreiden en alles omvattend zijn (vers 66Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
)
. Het zal hemel en aarde met alle denkbare machten omvatten en erop uitlopen dat God alles en in allen zal zijn (1Ko 15:20-2820(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.24Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.25Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.26Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan.27Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.28Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)).

De duur van Zijn heerschappij zal eindeloos zijn (Lk 1:3333en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.; Op 11:1515En de zevende engel bazuinde, en er kwamen luide stemmen in de hemel die zeiden: Het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van Zijn Christus is gekomen, en Hij zal regeren tot in alle eeuwigheid.). Hij zal niet door een andere heerser worden opgevolgd (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). De belofte dat Hij op de troon van Zijn vader David zal zitten (2Sm 7:1616Uw huis en uw koningschap zullen voor uw [ogen] voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.), zal in vervulling gaan. Het is een troon die “tot in alle eeuwigheid” is (Hb 1:88maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.). Zijn eindeloze regering zal uitmonden in “de dag van God” met zijn “nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont” (2Pt 3:1313Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.).

Dit schitterende resultaat zal niet door menselijke inspanning worden bereikt. Hier komt geen mens aan te pas. De “na-ijver van de HEERE van de legermachten”, dat is de Heer Jezus, is de drijvende kracht achter alles. Zijn na-ijver is ontbrand toen de eer van Zijn Vader werd aangetast (Jh 2:13-1713En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.14En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die [daar] zaten.15En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om;16en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.17Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.). Met dezelfde na-ijver waarmee Hij de tempel heeft gereinigd, zal Hij ook de aarde reinigen, die Hem evengoed toebehoort als de tempel (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
. Zijn na-ijver is het vuur van Zijn verontwaardiging tegenover allen die Zijn aardse, uitverkoren volk boosaardig hebben behandeld, die hebben getracht het te vernietigen. Zijn na-ijver is ook het vuur van Zijn liefde waarmee Hij Zijn volk zal weldoen. Daarom moet dit vuur alle ontrouwen uit hun midden verteren.

Een dergelijke na-ijver legt Pinehas aan de dag, waarvoor hij wordt geroemd en beloond (Nm 25:6-146En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.). Deze na-ijver van de HEERE voor Zijn volk zien we ook bij Paulus voor de gemeente (2Ko 11:22Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.). Het is een na-ijver waardoor alle elementen worden geoordeeld die de volle toewijding aan de Heer Jezus in de weg staan. Wat geldt voor een plaatselijke gemeente als Korinthe, geldt voor elke plaatselijke gemeente vandaag. Het is ook van toepassing op het leven van iedere individuele gelovige.


Hoogmoed van Efraïm geoordeeld

7De Heere heeft een woord gezonden in Jakob,
en het is gevallen in Israël.
8En heel dit volk zal het weten,
Efraïm en de inwoners van Samaria,
die in hoogmoed en in trots zeggen:
9Bakstenen [muren] zijn gevallen, maar wij zullen ze [weer] opbouwen met gehouwen stenen.
Wilde vijgenbomen zijn geveld, wij zullen er ceders voor in de plaats zetten.
10Want de HEERE zal de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten
en Hij zal zijn vijanden ophitsen:
11de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,
zodat zij Israël verslinden met heel [hun] mond.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.

De beloften van de verzen 5-65Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
worden in het volgende gedeelte, Jesaja 9:7-10:4, gevolgd door verdere openlijke veroordelingen van het kwaad en waarschuwingen voor het aanstaande oordeel. Het voorgaande gedeelte, Jesaja 6:1-9:6, kunnen we zien als een tussenzin, en wel een belangrijke, omdat daarin zoveel over Christus staat. Dit laatste bevestigt alleen maar dat “het getuigenis van Jezus … de geest van de profetie” is (Op 19:10b10En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.).

Vanaf Jesaja 9:7 zijn we na een lange tussenzin terug in de sfeer van Jesaja 5. In Jesaja 5 staat de uitdrukking die in het volgende gedeelte, Jesaja 9:7-10:4, als een refrein terugkomt: “Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af; nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt” (Js 5:2525Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 9:11,16,2011de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,
zodat zij Israël verslinden met heel [hun] mond.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.20Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 10:44Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
. Deze uitdrukking heeft te maken met Gods oordeel over een ontrouw en afvallig volk. Het volk moet daar telkens weer aan worden herinnerd.

Het refrein verdeelt het volgende gedeelte in vier delen. Aan de eerste vermelding van het refrein gaat vooraf dat de Heere (Adonai) een woord in Jakob zendt, een woord dat in Israël valt (vers 77De Heere heeft een woord gezonden in Jakob,
en het is gevallen in Israël.
; vgl. Am 3:11Luister naar dit woord dat de HEERE tot u spreekt, Israëlieten, tot het hele geslacht dat Ik uit het land Egypte heb geleid:; 4:11Luister naar dit woord,
koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,
u, die de geringen onderdrukt,
die de armen mishandelt,
die tegen hun heren zeggen:
Breng [ons iets], zodat wij kunnen drinken.
; 5:11Luister naar dit woord dat Ik aanhef over u, een klaaglied, huis van Israël.)
. Hun zondige praktijken maken dit noodzakelijk. Het woord dat tot hen gezonden wordt en op hen valt in overeenstemming met het verbond dat met hen gesloten is, brengt Gods voortdurende wens tot uitdrukking dat ze zich zullen bekeren.

Hun zondige gedrag heeft in overeenstemming met het verbond herhaaldelijk de tuchtiging van de HEERE tot gevolg (Dt 28-30; 1Kn 8; Am 4). Daarom wordt de uitdrukking ‘woord’ hier door de Septuaginta vertaald met ‘plaag’. Die plagen zullen een hoogtepunt bereiken en bekering bewerkstelligen voordat de beloofde zegen en licht gegeven kunnen worden.

Hoewel het een woord is voor “Jakob” en “Israël”, dus voor “heel dit volk”, betreft het met name “Efraïm en de inwoners van Samaria”, dat wil zeggen de tien stammen (vers 88En heel dit volk zal het weten,
Efraïm en de inwoners van Samaria,
die in hoogmoed en in trots zeggen:
)
. De inwoners van Efraïm zijn schuldig aan hoogmoed en grootheidswaanzin. Ze tonen een voortdurende verharding van hun hart. Profetisch zal dan ook vooral het noorden van Israël het zwaar te verduren krijgen door de inval van de koning van het noorden.

Ondanks het falen van het bondgenootschap met Syrië – want dat bondgenootschap heeft niet geholpen om Assyrië tegen te houden – is er geen bekering. De HEERE heeft hen opgeroepen te luisteren naar Zijn roede, Assyrië (Mi 6:99De stem van de HEERE roept tot de stad:
– Uw Naam ziet uit [naar] wat wezenlijk is –
Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.
)
. In plaats daarvan maken ze in hun trots nog grootsere plannen. Ze zullen het nog beter doen dan de vorige keer, de resultaten zullen de voorgaande situatie overtreffen (vers 99Bakstenen [muren] zijn gevallen, maar wij zullen ze [weer] opbouwen met gehouwen stenen.
Wilde vijgenbomen zijn geveld, wij zullen er ceders voor in de plaats zetten.
)
. Hoe hardleers, ja, hoe onverbeterlijk is toch de mens.

Assyrië lijkt oppermachtig, maar Israël moet de les leren dat Assyrië slechts een instrument in de hand van de HEERE is. Dit is een les die alle gelovigen van alle tijden ter harte moeten nemen. Het betekent het in praktijk brengen van de oproep: “Vernedert u dus onder de krachtige hand van God” (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).

Vandaag de dag reageren de mensen precies zo op rampen, die als een roepstem van God om zich te bekeren over de wereld komen. Wat verwoest is, zullen ze met betere materialen en nog groter en luxer weer opbouwen. Het komt ook de economie nog ten goede. Met ditzelfde onverwoestbare enthousiasme pompen de politici zichzelf moed in om het in een volgende regeringsperiode nog beter te doen.

Vanwege de hardnekkige trots van de tien stammen zal de HEERE Zelf nieuwe vijanden tegen hen “opzetten” en “ophitsen”, zodat zij op hen afkomen (vers 1010Want de HEERE zal de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten
en Hij zal zijn vijanden ophitsen:
)
. Hieruit blijkt dat hun machtige vijanden slechts instrumenten zijn in Gods hand. Dat geldt voor Israël ten tijde van koning Pekah, dat geldt straks ook bij de inval van de koning van het noorden.

Hun bondgenootschap met Syrië heeft geen voordeel opgeleverd, maar integendeel nieuwe vijanden. Vijanden van Rezin, de koning van Syrië (Js 7:11Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen.) – bedoeld wordt de Syrische vijanden van Rezin die aan de zijde van Assyrië staan – zijn nu ook Israël vijandig gezind. Hier zullen we vooral aan Assyrië kunnen denken. Ook Syrië zelf zal hen aanvallen, vanuit het oosten (vers 1111de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,
zodat zij Israël verslinden met heel [hun] mond.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
. Uit het westen komen de Filistijnen. Zo zal Israël door hen gulzig worden verslonden. Vanwege de hardnekkige boosheid van Zijn volk wendt God Zijn toorn niet van hen af en kan Hij Zijn slaande hand niet terugtrekken.


Onbekeerlijkheid van Efraïm geoordeeld

12Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,
en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.
13Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart,
palmtak en riet, op één dag afsnijden.
14De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,
en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.
15Want de leiders van dit volk zijn misleiders:
wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht.
16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.

In de verzen 12-1612Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,
en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.
13Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart,
palmtak en riet, op één dag afsnijden.
14De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,
en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.
15Want de leiders van dit volk zijn misleiders:
wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht.
16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
geeft de profeet een tweede toelichting op de oorzaken en noodzaak van de Goddelijke oordelen. Omdat ze blijven weigeren zich tot de HEERE te bekeren en Hem te zoeken (vers 1212Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,
en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.
)
, moet hij ook dit tweede couplet afsluiten met het refrein dat de toorn van de HEERE niet is afgewend en Zijn hand nog steeds in oordeel tegen hen is uitgestrekt (vers 1616Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
.

Het oordeel is ditmaal intern en bestaat uit het wegnemen van hun politieke en godsdienstige leiders. “Op één dag” zullen zij aan hun einde komen (vers 1313Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart,
palmtak en riet, op één dag afsnijden.
)
, plotseling, terwijl het toch zo vaak is aangekondigd. De “palmtak” zijn de leiders, het “riet” zijn zij die geleid worden. De leidslieden, “de oudste en aanzienlijke”, zijn “de kop”, de meest verantwoordelijken (vers 1414De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,
en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.
)
. De valse profeet is het “riet”. Hij wordt verachtelijk vergeleken met de heen en weer bewegende “staart” van een hond. Zoals het hem uitkomt, profeteert hij. Deze valse profeten laten zich niet door de HEERE leiden, maar door de politieke leidslieden, net als een staart die de gemoedstoestand van de kop weerspiegelt.

Zo brengen de leiders, palmtak ofwel hoge bomen, hen die door hen geleid worden, riet ofwel lage planten, “in verwarring” (vers 1515Want de leiders van dit volk zijn misleiders:
wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht.
)
. Hetzelfde doen de misleiders met hen die zich laten misleiden. Ze kunnen de rechte weg, de weg van de HEERE, niet meer ontdekken en dus ook niet meer gaan.

Het oordeel komt over “hun jongemannen”, de hoop en tegelijk de trots van de natie (vers 1616Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,
en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,
want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners
en elke mond spreekt dwaasheid.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
. Zij rekenen op hun eigen kracht. Daarom kan de HEERE Zich niet over hen verblijden, maar moet hen oordelen. Het oordeel komt zelfs over hen naar wie Gods meeste zorg uitgaat, “hun wezen en hun weduwen”, omdat ook zij de misleiders volgen (vgl. Ps 68:66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
; 146:99De HEERE bewaart de vreemdelingen,
Hij houdt wees en weduwe staande,
maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.
)
. Zij die zich laten misleiden, hebben bewust voor de doolweg gekozen. Ze zijn allen – de misleiders en de misleiden – schuldig aan het verlaten van de HEERE en het niet luisteren naar Zijn waarschuwingen. Daarom blijft Zijn toorn over hen en blijft Zijn hand in oordeel tegen hen uitgestrekt.


Goddeloosheid van Efraïm geoordeeld

17Want de goddeloosheid brandt als vuur,
verteert dorens en distels,
steekt het struikgewas in het woud aan,
en ze gaan op in een wolk van rook.
18Door de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten zal het land zwartgeblakerd worden
en het volk zal als voedsel worden voor het vuur.
De een zal de ander niet sparen.
19Hapt men naar rechts, toch lijdt men honger;
eet men naar links, toch wordt men niet verzadigd.
Eenieder zal het vlees van zijn [eigen] arm eten:
20Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.

Voor de derde keer wordt een waarschuwing gegeven van de Goddelijke toorn. De profeet wijst op de goddeloosheid die zij bedrijven en waardoor zij tevens hun eigen ondergang bewerken (vers 1717Want de goddeloosheid brandt als vuur,
verteert dorens en distels,
steekt het struikgewas in het woud aan,
en ze gaan op in een wolk van rook.
)
. Vandaag herkennen we dat in de losbandige manier waarop met seksualiteit in het bijzonder en met het leven in zijn algemeenheid wordt omgegaan. Alle grenzen die God daarvoor heeft gegeven, worden vervaagd en ten slotte uitgewist.

Mensen verteren hun eigen leven door hun goddeloze manier van leven. Goddeloosheid doet zijn verterend (“vuur”) en verstikkend (“rook”) werk onder hen. De opstijgende rook is ook een kenmerk van de hel, de plaats waar alle goddeloosheid aan het eeuwige vuur is prijsgegeven (Op 14:11a11En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben dag en nacht geen rust, zij die het beest en zijn beeld aanbidden, en ieder die het merkteken van zijn naam ontvangt.; 19:3b3En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.).

De HEERE zal het land prijsgeven aan burgeroorlog met alle wreedheid, honger en zelfvernietiging die daarbij horen (vers 1818Door de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten zal het land zwartgeblakerd worden
en het volk zal als voedsel worden voor het vuur.
De een zal de ander niet sparen.
)
. Het land zal zwartgeblakerd worden, waardoor het onmogelijk is er nog iets op te verbouwen. Zoals doornen en distels (vers 1717Want de goddeloosheid brandt als vuur,
verteert dorens en distels,
steekt het struikgewas in het woud aan,
en ze gaan op in een wolk van rook.
)
voedsel zijn voor het vuur, zo is het volk, dat uit verharde zondaars bestaat, voedsel voor het oordeel van de HEERE.

Een van de oordelen waaraan de HEERE Zijn volk prijsgeeft, is dat van een burgeroorlog. Daardoor zal ook het egoïsme de overhand hebben. Niemand gunt een ander een hap brood (vers 1919Hapt men naar rechts, toch lijdt men honger;
eet men naar links, toch wordt men niet verzadigd.
Eenieder zal het vlees van zijn [eigen] arm eten:
)
. De nood zal zo groot zijn, dat zelfs de eigen broers niet gespaard worden (vers 2020Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
. Manasse, de gedeelde stam met de ene helft in het land en de andere daarbuiten, die daardoor toch de gevolgen van verdeeldheid kent, trekt op tegen de grote leider Efraïm. Efraïm, voor wie het altijd moeilijk is geweest de minste te zijn (Ri 12:11Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen en zij staken [de Jordaan] over naar het noorden. En zij zeiden tegen Jefta: Waarom bent u opgetrokken om tegen de Ammonieten te strijden, zonder ons te roepen om met u mee te gaan? Wij zullen uw huis met u [erin] met vuur verbranden.), laat dat niet op zich zitten.

Als ze uitgevochten zijn, keren ze zich samen tegen Juda. Door de verbolgenheid van de HEERE doen ze hun best elkaar van het leven te beroven. Dan klinkt voor de derde keer het refrein dat de toorn van de HEERE niet is afgewend en Zijn hand nog steeds in oordeel tegen hen is uitgestrekt.

Ook onder ons, christenen, kan een broedertwist door de Heer toegelaten worden als een kastijding van Hem, omdat we Hem niet erkennen in ons leven. Als de relatie met Hem niet goed is, heeft dat altijd gevolgen voor de relaties tussen de leden van Zijn volk en tussen de mensen in het algemeen.

Als christenen zich beroemen op uiterlijke godsdienstigheid, terwijl niet wordt geluisterd naar het gebod van de broederliefde, is het gevolg dat ze elkaar bijten en opeten. Wordt dit geen halt toegeroepen, dan zullen ze elkaar verslinden (Gl 5:1515Als u echter elkaar bijt en opeet, kijkt dan uit dat u niet door elkaar verslonden wordt.). In plaatselijke gemeenten waar zulke situaties worden gevonden, is het belangrijk dit te erkennen als een oordeel van God. Dan kan men zich in nederigheid tot Hem en tot elkaar keren in plaats van zich nog langer op zijn voorrechten beroemen.


Lees verder