Jesaja
Inleiding 1-2 Rezin en Pekah tegen Jeruzalem 3-9 Jesaja naar Achaz gezonden 10-13 Achaz mag een teken vragen 14-16 Het teken van de Heere 17-20 Voorzegging van de inval van Assyrië 21-25 Gevolgen van de inval van Assyrië
Inleiding

Hier begint een nieuw gedeelte. Het gaat om de vraag of Israël als knecht van de HEERE voldoet, met als toetssteen of er geloofsvertrouwen is. Dit hoofdstuk laat in Achaz, de koning en vertegenwoordiger van Israël, een beeld zien van een knecht zonder geloofsvertrouwen. Dit verwijst profetisch naar de antichrist bij wie het geloof in de HEERE volkomen ontbreekt. Later zullen we bij Hizkia als vertegenwoordiger van het gelovig overblijfsel het ware geloofsvertrouwen zien (Js 36:1-7,13-221In het veertiende jaar van koning Hizkia gebeurde het dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam.2De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.3Toen ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, [de stad] uit naar hem toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.4Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?6Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.7En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de hoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft [Hizkia] niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen?13En de commandant stelde zich op, riep met luide stem in het Judees en zei: Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië!14Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet kunnen redden.15Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.16Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom uit [de stad] naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn [eigen] wijnstok en ieder van zijn [eigen] vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn [eigen] put,17totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw [eigen] land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden.18Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn [eigen] land, gered uit de hand van de koning van Assyrië?19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?21Maar zij zwegen en antwoordden hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden.22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, in gescheurde kleren naar Hizkia toe. Zij vertelden hem de woorden van de commandant.; 37:1-201Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?5Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.6En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, [de woorden] waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.9Toen [Sanherib] over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden – toen hij dat hoorde, stuurde hij [opnieuw] gezanten naar Hizkia om te zeggen:10Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.11Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú [dan] gered worden?12Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?13Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, de koning van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva?14Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die [brieven] uit voor het aangezicht van de HEERE,15en Hizkia bad tot de HEERE:16HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.17Neig, HEERE, Uw oor, en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor al de woorden van Sanherib die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.18Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben al die landen met hun grondgebied verwoest,19en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield.20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U de HEERE bent, U alleen.).

Na de dood van Uzzia (Js 6:11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.) wordt Jotham koning. Tijdens diens regering, dat is over een periode van vier jaar, heeft Jesaja geen profetie van de HEERE gekregen, althans niet een die moest worden opgeschreven. Hoewel koning Jotham doet wat juist is in de ogen van de HEERE, gaat het volk door met kwaad doen (2Kr 27:22Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had. Alleen ging hij de tempel van de HEERE niet binnen. Maar het volk [ging] nog [door met] zijn verderfelijke praktijken.).

Dan komt Achaz, de goddeloze zoon van Jotham, aan de regering. Dat zorgt voor een nieuwe serie profetieën van de HEERE in het gedeelte van Jesaja 7:1 tot Jesaja 9:6. Het centrale onderwerp daarvan is Immanuel, de Zoon van de maagd, van Wie we in dit hoofdstuk de eerste directe profetie in dit boek hebben (vers 1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.).

De gebeurtenissen in de komende hoofdstukken tot en met Jesaja 12 zijn min of meer chronologisch.


Rezin en Pekah tegen Jeruzalem

1Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen. 2Toen het huis van David verteld werd: Syrië is neergestreken op Efraïm, beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen in het woud beven voor de wind.

Wat in vers 11Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen. wordt beschreven, vinden we uitvoeriger in 2 Koningen 16 en 2 Kronieken 28 (2Kn 16:5-205Toen trok Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, ten strijde tegen Jeruzalem. Zij belegerden Achaz, maar waren niet tot strijden in staat.6In diezelfde tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug aan Syrië en verdreef hij de Judeeërs uit Elath; de Syriërs kwamen naar Elath en woonden daar tot op deze dag.7Toen stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan [willen] vallen.8Achaz nam het zilver en het goud dat in het huis van de HEERE en in de schatkamers van het huis van de koning aangetroffen werd, en hij stuurde [dat als] geschenk naar de koning van Assyrië.9De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde [de inwoners] weg naar Kir, en Rezin doodde hij.10Toen ging koning Achaz naar Damascus, Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, tegemoet. Toen hij het altaar dat in Damascus was, gezien had, stuurde koning Achaz een afbeelding van dat altaar naar de priester Uria, [samen] met het ontwerp ervan, overeenkomstig heel zijn vorm.11En de priester Uria bouwde een altaar. Overeenkomstig alles wat koning Achaz [hem] vanuit Damascus toegestuurd had, zo maakte de priester Uria [het], voordat koning Achaz uit Damascus kwam.12Toen de koning uit Damascus gekomen was, zag de koning het altaar. De koning naderde tot het altaar en offerde daarop.13Hij liet zijn brandoffer en zijn spijsoffer in rook opgaan, hij goot zijn plengoffer uit en hij sprenkelde het bloed van zijn dankoffers op dat altaar.14Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, haalde hij van de voorkant van het huis vandaan, van [waar het stond] tussen het [nieuwe] altaar en het huis van de HEERE; en hij zette het aan de noordkant van het [nieuwe] altaar.15En koning Achaz gebood de priester Uria: Laat op het grote altaar het morgenbrandoffer en het avondgraanoffer in rook opgaan, het brandoffer van de koning en zijn graanoffer en het brandoffer van heel de bevolking van het land, hun graanoffer en hun plengoffers. Sprenkel daarop al het bloed van de brandoffers en al het bloed van de slachtoffers. Maar het koperen altaar zal mij tot onderzoek dienen.16En de priester Uria deed overeenkomstig alles wat koning Achaz geboden had.17En koning Achaz sneed de sierlijsten van de onderstellen af en verwijderde het spoelbekken [dat] daarop [stond]. Verder haalde hij de zee van de koperen runderen af, die daaronder waren, en zette die op een stenen vloer.18Ook verwijderde hij de sabbatsgalerij, die zij in het huis gebouwd hadden, en de buitenste ingang voor de koning in het huis van de HEERE, omwille van de koning van Assyrië.19Het overige nu van de geschiedenis van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?20En Achaz ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.; 2Kr 28:5-275De HEERE, zijn God, gaf hem in de hand van de koning van Syrië, zodat zij hem versloegen en een grote [groep] gevangenen van hem wegvoerden en naar Damascus brachten. Ook werd hij in de hand van de koning van Israël gegeven, die hem een grote slag toebracht.6Pekah, de zoon van Remalia, doodde in Juda op één dag honderdtwintigduizend [man], allen dappere mannen, omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden.7Zichri, een held uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning, en Azrikam, de leider van het huis, en Elkana, de tweede [in rang] na de koning.8De Israëlieten voerden van hun broeders tweehonderdduizend [mensen] als gevangenen weg: vrouwen, zonen en dochters. Zij roofden ook veel buit van hen en brachten de buit naar Samaria.9En daar was een profeet van de HEERE [en] zijn naam was Oded. Die ging het leger, dat naar Samaria kwam, tegemoet en zei tegen hen: Zie, door de grimmigheid van de HEERE, de God van uw vaderen, over Juda heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen gedood met een woede [die] tot aan de hemel reikt.10En nu denkt u de Judeeërs en [de inwoners van] Jeruzalem aan u te onderwerpen als slaven en slavinnen. Maar hebt u zelf dan geen schulden bij de HEERE, uw God?11Nu dan, luister naar mij en breng de gevangenen terug die u van uw broeders als gevangenen weggevoerd hebt. Want de brandende toorn van de HEERE is tegen u.12Toen stonden er mannen op [afkomstig] uit de hoofden van de nakomelingen van Efraïm: Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth, Hizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai. [Zij keerden zich] tegen hen die uit het leger kwamen,13en zeiden tegen hen: U mag deze gevangenen niet hier brengen, want [dat leidt] tot een schuld voor ons tegenover de HEERE. Denkt u [nog meer] toe te voegen aan onze zonden en onze schuld? Wij hebben immers [al] veel schuld, en de brandende toorn is tegen Israël.14Toen gaven de gewapende [mannen] de gevangenen en de buit over aan de leiders en heel de gemeente.15De mannen die met [hun] namen aangewezen waren, stonden op, grepen de gevangenen, en allen van hen die naakt waren, kleedden zij van de buit. Zij kleedden en schoeiden hen, lieten hen eten en drinken; zij zalfden hen en leidden allen die verzwakt waren, zachtjes op ezels, en brachten hen bij hun broeders in Jericho, de Palmstad. Daarna keerden zij terug naar Samaria.16In die tijd stuurde koning Achaz [een verzoek] aan de koningen van Assyrië om hem te helpen.17Ook waren de Edomieten nog gekomen. Zij hadden Juda verslagen en gevangenen weggevoerd.18Verder hadden de Filistijnen de steden van het Laagland en het zuiden van Juda overvallen, en hadden Beth-Semes, Ajalon en Gederoth ingenomen, ook Socho en de bijbehorende [plaatsen], Timna en de bijbehorende [plaatsen], en Gimzo en de bijbehorende [plaatsen]. En zij zijn daar gaan wonen.19Want de HEERE vernederde Juda, vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had Juda immers [van God] afgehouden, zodat het trouwbreuk had gepleegd tegen de HEERE.20Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, kwam naar hem toe, dreef hem in het nauw, en steunde hem niet.21Achaz haalde weliswaar het huis van de HEERE en het huis van de koning en de vorsten leeg, en gaf [dat] aan de koning van Assyrië, maar dat hielp hem niet.22[Zelfs] in de tijd toen men hem in het nauw dreef, ging die koning, Achaz, verder met ontrouw te zijn aan de HEERE.23Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, zodat ze [ook] mij zullen helpen. Ze werden echter hem en heel Israël tot een struikelblok.24Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van God, hakte de voorwerpen van het huis van God [in stukken] en sloot de deuren van het huis van de HEERE. Verder maakte hij voor zichzelf altaren op elke hoek in Jeruzalem.25In elke stad in Juda maakte hij [offer]hoogten om aan andere goden reukoffers te brengen. Zo verwekte hij de HEERE, de God van zijn vaderen, tot toorn.26Het overige nu van zijn geschiedenis en al zijn wegen, van het begin tot het einde, zie, dat is beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël.27En Achaz ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad, in Jeruzalem. Zij brachten hem echter niet in de graven van de koningen van Israël, en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). Daar wordt verhaald hoe vanwege de dreiging van het grote rijk Assyrië de kleine koninkrijken Syrië en Efraïm, het tienstammenrijk, een alliantie vormen. Achaz, de koning van Juda, wil daaraan niet meedoen. Daarom vallen Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de koning van Efraïm, Achaz aan. Ze willen hem vervangen door de zoon van Tabeal, van wie we kunnen veronderstellen dat hij een Syrisch gezind man is (vers 66Laten wij oprukken tegen Juda, het in angst laten verkeren, het onder ons verdelen en de zoon van Tabeal er als koning over aanstellen in het midden van haar.
)
. Achaz raakt in paniek en zoekt zijn toevlucht bij Assyrië (2Kn 16:77Toen stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan [willen] vallen.). Als Rezin en Pekah hem dan aanvallen, komt Assyrië hem te hulp (2Kn 16:99De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde [de inwoners] weg naar Kir, en Rezin doodde hij.). Zo wordt het kwaad afgewend en lijkt Achaz in zijn opzet geslaagd.

Achaz is de zoon van de gelovige Jotham en de kleinzoon van de gelovige Uzzia (vers 11Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen.). Geloof is echter geen erfgoed. Achaz is namelijk een van de meest goddeloze koningen van Juda. In Gods tucht over hem trekken de koningen van Syrië en Israël samen Juda binnen. Ze hebben wel overwinningen behaald en Juda een grote slag toegebracht, maar een definitieve overwinning hebben ze niet kunnen behalen. Het is niet gelukt Jeruzalem te veroveren.

Als “het huis van David” – Achaz wordt hier gezien als de vertegenwoordiger daarvan – hoort dat er door de bondgenoten een expeditie tegen hen wordt voorbereid, worden Achaz en het volk erg bang (vers 22Toen het huis van David verteld werd: Syrië is neergestreken op Efraïm, beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen in het woud beven voor de wind.). Wanneer er wordt gesproken over ‘het huis van David’, is daaraan altijd de gedachte aan de Messias, de Zoon van David, verbonden. Dat is tegelijk de reden waarom er een boodschap van de HEERE volgt.

Het bericht over de op handen zijnde expeditie veroorzaakt een crisis in Juda. Een crisis, ook in ons leven, is een test om te zien hoe erop wordt gereageerd. Gaan we naar de Heer of nemen we onze toevlucht tot een mens en menselijke middelen? Achaz en het volk denken, hoe bang ze ook zijn, niet aan de HEERE. De krachtige boodschap die Hij door Zijn profeet Jesaja laat zenden, verandert daar niets aan. In deze geschiedenis gaat de profetie van de HEERE over het ongeloof in Israël (Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
in vervulling.


Jesaja naar Achaz gezonden

3En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld. 4Zeg [dan] tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia. 5Syrië heeft immers kwaad tegen u beraamd, [samen met] Efraïm en de zoon van Remalia, door te zeggen: 6Laten wij oprukken tegen Juda, het in angst laten verkeren, het onder ons verdelen en de zoon van Tabeal er als koning over aanstellen in het midden van haar.
7Zo zegt de Heere HEERE:
Dat zal niet bestaan en dat zal niet gebeuren!
8Want het hoofd van Syrië is Damascus,
en het hoofd van Damascus is Rezin.
En binnen vijfenzestig jaar
zal Efraïm verpletterd worden [en] niet [meer] als volk bestaan.
9Ondertussen zal Samaria het hoofd van Efraïm zijn
en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria.
Indien u niet gelooft,
voorwaar, u zult geen stand houden.

Met het oog op de oorlogsdreiging krijgt Jesaja de opdracht van de HEERE om, samen met zijn zoon Sjear-Jasjub, Achaz tegemoet te gaan (vers 33En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld.). De zoon van Jesaja is er niet voor niets bij. Deze zoon is hem, samen met een andere zoon, gegeven “tot tekenen en wonderen in Israël” (Js 8:1818Zie, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, dienen tot tekenen en wonderen in Israël,
afkomstig van de HEERE van de legermachten, Die op de berg Sion woont.
)
. Er staat niet dat de jongen iets zegt of doet. Alleen zijn naam wordt meegedeeld.

Dat is dan ook precies de reden waarom hij erbij is, namelijk vanwege de betekenis van zijn naam. “Sjear-Jasjub” betekent ‘het overblijfsel zal terugkeren’, een naam die erop wijst dat God altijd een overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade zal hebben (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.). Hierin zien we een voortzetting van de boodschap van het vorige hoofdstuk over “een stronk”, “het heilig zaad” dat overblijft (Js 6:1313Al zal daarin nog een tiende deel [over] zijn,
het zal weer verwoest worden.
[Maar] zoals van de eik en de haageik
na het omhakken een stronk overblijft,
zal hun stronk een heilig zaad zijn.
)
.

Als Jesaja zijn zoon aan Achaz voorstelt en diens naam noemt, zal dat voor Achaz een betekenis moeten hebben. Het zal hem ertoe moeten brengen tot de HEERE terug te keren, dat wil zeggen dat hij zich zal moeten bekeren. Het houdt ook de waarschuwing in dat hij, als hij dit weigert, geen deel zal hebben aan het herstel van dat deel van het volk dat aangeduid wordt met ‘overblijfsel’.

De HEERE wijst Jesaja de plaats van de ontmoeting aan. Het is een tweevoudige aanduiding: “Het einde van de waterloop van de bovenvijver” en “bij de weg naar het Blekersveld” (vgl. “de Benedenvijver”, Js 22:99en de bressen in de Stad van David ziet u.
Ja, het zijn er vele.
U vangt het water van de Benedenvijver op.
). Daar zal de HEERE Zijn genade aan Achaz bekendmaken. Hij wil hem bemoedigen en zijn angst wegnemen. Achaz zal op de aangegeven plaats aanwezig zijn om te zien hoe hij de watervoorraad veilig kan stellen, wat noodzakelijk is met het oog op de aanstaande belegering van Jeruzalem.

Op exact dezelfde plaats wordt later het geloof van Hizkia op de proef gesteld (Js 36:22De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.). De Heilige Geest vermeldt deze plaats tweemaal uitvoerig met de bedoeling dat wij als lezers deze twee Schriftgedeelten met elkaar zullen vergelijken. De eerste Schriftplaats (hier) laat ongeloof zien en de tweede (Js 36:22De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.) laat geloofsvertrouwen zien. De Heer verwacht geloofsvertrouwen van de Zijnen.

Als het alleen om een geografische plaats zou gaan, zou de plek van ontmoeting met de eerste aanduiding voldoende duidelijk aangegeven zijn. Maar de Heilige Geest geeft nog als nadere aanduiding “de weg naar het Blekersveld”. Het “Blekersveld” is het veld waar de bleker de vuile kleding wast en te drogen legt. Kleding die moet worden gewassen, stelt voor dat we onze zondige daden, onze zondige levenspraktijk veroordelen en een gereinigd leven gaan leven. Dan wandelen we op de weg van reinheid en heiligheid (vgl. Js 35:88Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
want hij zal [alleen] voor hen zijn. Wie [deze] weg ook gaat,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.
; 1:18b18Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
; 4:44Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,)
.

In de bleker zien we een beeld van de Heer Jezus. Zijn kleren zijn “blinkend, hel wit, zoals geen volder [= een wolbewerker] op aarde wit kan maken” (Mk 9:33en Zijn kleren werden blinkend, hel wit, zoals geen volder op aarde wit kan maken.). Zijn kleding, Zijn levenspraktijk behoeft geen reiniging. Hij is bezig ons, de Zijnen, te reinigen, wat we zien in de voetwassing die Hij bij Zijn discipelen doet, opdat ze gemeenschap met Hem en de Vader kunnen hebben (Jh 13:1-101Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.).

In beeld ontmoet Jesaja Achaz op een plaats waar reinheid en heiligheid worden verbonden met God als de oorsprong van zegen. Wie in het geloof bij de zegen van God staat, zal ook rein en heilig willen leven. Ook ziet het geloof dat reinheid en heiligheid nodig zijn om aan Gods zegen deel te krijgen. Wie zich niet om God en Zijn zegen bekommert, is blind voor deze dingen en volgt, zoals Achaz, zijn eigen verduisterde verstand.

In Zijn geduld en goedheid toont de HEERE Zijn genade aan Achaz ondanks diens ongerechtigheid. Hij bewijst Zijn goedertierenheid om hem tot bekering te leiden. Bekeert hij zich niet vanwege de hardheid van een onbekeerlijk hart, dan zal hij te maken krijgen met de strengheid van God (Rm 2:4-54Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?5Maar naar uw hardheid en onbekeerlijk hart hoopt u voor uzelf toorn op in [de] dag van [de] toorn en van [de] openbaring van [het] rechtvaardig oordeel van God,; 11:2222Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.). In Zijn goedertierenheid belooft de HEERE hem dat het plan van het noordelijke bondgenootschap niet zal slagen en dat Efraïm verbroken zal worden (verzen 4-94Zeg [dan] tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia.5Syrië heeft immers kwaad tegen u beraamd, [samen met] Efraïm en de zoon van Remalia, door te zeggen:6Laten wij oprukken tegen Juda, het in angst laten verkeren, het onder ons verdelen en de zoon van Tabeal er als koning over aanstellen in het midden van haar.
7Zo zegt de Heere HEERE:
Dat zal niet bestaan en dat zal niet gebeuren!
8Want het hoofd van Syrië is Damascus,
en het hoofd van Damascus is Rezin.
En binnen vijfenzestig jaar
zal Efraïm verpletterd worden [en] niet [meer] als volk bestaan.
9Ondertussen zal Samaria het hoofd van Efraïm zijn
en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria.
Indien u niet gelooft,
voorwaar, u zult geen stand houden.
)
.

Jesaja verzekert hem namens de HEERE dat hij rustig kan blijven (vers 44Zeg [dan] tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia.). Er is geen reden tot paniek. God heeft deze vijanden niet gezonden, dus zullen ze niet in hun voornemen slagen. Wat betekenen die twee vijanden nu helemaal? Ze doen wel alsof ze in “brandende toorn” Juda zullen verteren, maar voor de HEERE zijn het niet meer dan “twee rokende stukken brandhout”, waaruit het vuur is verdwenen en die spoedig tot as zullen vergaan. Hij kent hun plannen tot in bijzonderheden (verzen 5-65Syrië heeft immers kwaad tegen u beraamd, [samen met] Efraïm en de zoon van Remalia, door te zeggen:6Laten wij oprukken tegen Juda, het in angst laten verkeren, het onder ons verdelen en de zoon van Tabeal er als koning over aanstellen in het midden van haar.
)
en zal hun raad verijdelen (vers 77Zo zegt de Heere HEERE:
Dat zal niet bestaan en dat zal niet gebeuren!
)
. Hij deelt die plannen aan Achaz mee, die daar waarschijnlijk helemaal niets vanaf wist.

Ze zullen beiden slechts blijven regeren over hun oorspronkelijke gebied (vers 88Want het hoofd van Syrië is Damascus,
en het hoofd van Damascus is Rezin.
En binnen vijfenzestig jaar
zal Efraïm verpletterd worden [en] niet [meer] als volk bestaan.
)
. Hun idee over uitbreiding van hun gebied – ze willen Juda daaraan toevoegen onder de zoon van Tabeal, een door henzelf aangestelde marionetkoning – zal op niets uitlopen. Wie Tabeal of de zoon van Tabeal is, is niet bekend.

Het is weer zo’n dwaas plan om iemand van eigen keus te plaatsen op de troon die door God aan de Zoon van David is beloofd. Daarbij komt nog dat binnenkort het woord over Efraïm zal worden vervuld, dat wil zeggen “binnen vijfenzestig jaar” zal het niet meer bestaan als volk. Dat ziet op de wegvoering van de tien stammen door de koning van Assyrië in 722 v.Chr.

Om zich de toezegging van de HEERE eigen te maken moet Achaz wel zijn vertrouwen stellen op Gods toezegging (vers 99Ondertussen zal Samaria het hoofd van Efraïm zijn
en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria.
Indien u niet gelooft,
voorwaar, u zult geen stand houden.
)
. Hij krijgt dan ook de waarschuwing dat hij van de beloofde zegen zal worden buitengesloten als hij zal volharden in zijn ongeloof. Als hij niet krachtig is in het geloof in wat Jesaja heeft gesproken, zal hij ook niet krachtig zijn in zijn daden.

Het tekstgedeelte “indien u niet gelooft, voorwaar, u zult geen stand houden” (vers 9b9Ondertussen zal Samaria het hoofd van Efraïm zijn
en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria.
Indien u niet gelooft,
voorwaar, u zult geen stand houden.
)
, is een sleuteltekst in dit gedeelte. Het is weer een woordspeling. Het wil zeggen: als Achaz geen vast geloof heeft, zal hij ook niet vaststaan. De woorden ‘geloven’ en ‘standhouden’ zijn in het Hebreeuws met elkaar verwant. In het Hebreeuws staat: im lo ta-aminu, ki lo te-amenu. Ta-aminu en te-amenu zijn beide afgeleid van de Hebreeuwse stam aman. Ta-aminu betekent geloven en te-amenu betekent bevestigd. Letterlijk staat er: ‘Als (im) niet (lo) geloven, dan (ki) niet (lo) bevestigd’. Vrij vertaald is dat: ‘Zonder geloven is er geen stabiliteit.’

Deze waarschuwing dient om ons in positieve zin te herinneren aan de kracht van het geloof. Geloof wordt bemoedigd en krachtiger door moeilijkheden. Geloof ziet dingen onder ogen die voor het natuurlijk verstand onmogelijk zijn. Terwijl geloof rust op de beloften van God, vertrouwt het op Hem dat Hij Zijn raadsbesluit vervult en dat Hij de hindernissen voor Zijn rekening neemt tot Zijn verheerlijking.


Achaz mag een teken vragen

10Opnieuw sprak de HEERE tegen Achaz: 11Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte. 12Maar Achaz zei: Ik zal [het] niet vragen en de HEERE niet op de proef stellen. 13Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?

Vers 1010Opnieuw sprak de HEERE tegen Achaz: is een bewijs dat de voorgaande verzen een spreken van de HEERE is. Jesaja spreekt niet over de HEERE, maar namens de HEERE. De HEERE gaat namelijk “opnieuw” spreken. Het ziet echter niet alleen op het feit van het spreken. Deze woorden geven ook aan dat Hij over verderstrekkende en diepere dingen gaat spreken.

De HEERE zegt tegen Achaz dat hij van Hem een willekeurig teken mag vragen (vers 1111Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte.). Hij geeft Achaz als het ware een blanco cheque. Om het vertrouwen van Achaz te winnen doet Hij dat als “de HEERE, uw God”. Een teken is iets – een gebeurtenis, een voorzegging of een wonder – wat door de HEERE gegeven wordt als een pand of bevestiging van Zijn woord of boodschap. Het is te vergelijken met een handtekening van een directeur onder een brief die door de secretaresse is geschreven. Een teken is Gods handtekening onder de boodschap van Zijn profeten.

Achaz mag een teken vragen “beneden in de diepte”. Misschien is dit in bedekte termen een protest tegen zijn gewoonte om zijn toevlucht te nemen tot het raadplegen van de doden. Een teken in de diepte zou bijvoorbeeld een aardbeving kunnen zijn. Hij mag ook een teken vragen “boven in de hoogte”, bijvoorbeeld een teken aan de zon of de maan (vgl. Js 38:7-87En dit zal voor u het teken zijn van de HEERE, dat de HEERE dit woord dat Hij gesproken heeft, doen zal:8Zie, Ik laat op de schaalverdeling van Achaz' [zonnewijzer] de schaduw, die door de zon is gedaald, tien treden teruggaan. En de zon ging [de] tien treden terug die ze op de schaalverdeling was gedaald.). De keus is aan hem.

Zijn keus maakt duidelijk dat hij geen echt kind van Abraham is, dat hij niet het geloof van Abraham bezit. Gehuld in een dekmantel van vroomheid getuigt zijn antwoord van eigenwilligheid (vers 1212Maar Achaz zei: Ik zal [het] niet vragen en de HEERE niet op de proef stellen.). Het is een huichelachtig antwoord omdat de HEERE Zelf aanbiedt dat hij het Hem mag vragen. Hoe kan zoiets worden afgedaan met een opmerking dat hij de HEERE niet wil verzoeken! Achaz waagt het zelfs om iets uit Gods Woord aan te halen als een dekmantel voor zijn ongeloof (Dt 6:1616U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt.). Dit is vroom ongeloof.

Hij wil gewoon niet om een teken vragen omdat hij immers Assyrië in de arm heeft genomen. Waarom zou je de HEERE vragen als je hulp van mensen hebt? Dan lever je je toch niet uit aan Hem? Als hij een teken vraagt, betekent dat ook dat de HEERE te dicht bij hem komt. Die gedachte is altijd beangstigend voor iemand die willens en wetens niet wil geloven en die weigert met het ongeloof te breken.

Jesaja verwijt hem zijn gebrek aan vertrouwen (vers 1313Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?). Hij spreekt niet de afvallige Achaz persoonlijk aan, maar hij spreekt tot het “huis van David”. Daarmee spreekt hij de koninklijke lijn van voorrechten en eer met alle verdere geslachten aan. Het geeft enerzijds aan hoezeer de koninklijke lijn met een koning als Achaz is afgeweken van wat de HEERE ervoor heeft bedoeld en ervan mag verwachten. Anderzijds toont het vervolg aan dat die lijn niet met de goddeloze, ongelovige Achaz zal eindigen, maar door een genadig ingrijpen van de HEERE zal blijven bestaan.

Door zijn weigering de HEERE op Zijn woord te vertrouwen vermoeit Achaz ten zeerste mensen als Jesaja, en anderen met hem, die treuren over de opstandige houding van de koning. Vermoeit hij nu ook nog de lankmoedige God door een houding van zoveel ongeloof, alsof het voor God onmogelijk zou zijn om in Zijn genade uitkomst te geven?


Het teken van de Heere

14Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven. 15Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16Voorzeker, voordat de jongen in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land verlaten zijn, namelijk [het land] van de twee koningen voor wie u in angst verkeert.

Als Achaz dan in ongeloof weigert om een teken te vragen, zal de Heere (Adonai) Zelf in Zijn genade een teken geven (vers 1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.). Dit teken zal niemand anders dan Hij als de soevereine Heer Zelf uitkiezen. Het is een teken dat ver uitgaat boven het ongeloof dat in de dagen van Achaz heerst. Het wordt een blijvend teken. Met dit teken, dat is Christus, zullen de profetieën en beloften die aan ‘het huis van David’ zijn gedaan, in de toekomst hun vervulling vinden. Achaz en mensen van zijn soort zullen de zegeningen en heerlijkheden bij de vervulling ervan niet meemaken en er ook nooit deel aan hebben.

Het woord “zie” waarmee het teken wordt ingeleid, is in Jesaja meestal de inleiding tot iets wat verbonden is met toekomstige omstandigheden. Het is een oproep om in de verte, in de toekomst, te kijken. Wat daar te zien zal zijn, wordt vervolgens voorgesteld. Waar hier het oog van het geloof op wordt gericht, is op de maagd die zwanger zal worden.

Al in het begin van de Bijbel, vlak na de zondeval, heeft God gezegd dat de Overwinnaar van de satan uit een vrouw geboren zal worden (Gn 3:1515En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;
Dat zal u de kop vermorzelen,
en u zult Het de hiel vermorzelen.
)
. Maar de aankondiging daarvan kon pas in het Nieuwe Testament volledig geopenbaard worden: “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet” (Gl 4:44maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,).

Het Hebreeuwse woord voor “maagd” is hier almah en niet betulah. Almah is de jonge vrouw die klaar is voor een huwelijk, ze is geslachtsrijp en heeft het verlangen om te trouwen, maar ze is nog ongehuwd (vgl. Gn 24:4343zie, ik sta bij de waterbron – laat het dan zo gebeuren dat het meisje dat naar buiten komt om te putten, tegen wie ik zal zeggen: Geef mij toch wat water uit uw kruik te drinken,). Betulah is het meer specifieke woord voor ‘maagd’, maar zonder de gedachte aan leeftijd of geslachtsrijpheid (vgl. Jl 1:88Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad,
[die klaagt] om de man van haar jeugd.
)
. De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de derde eeuw voor Christus, vertaalt het Hebreeuwse woord almah met parthenos, een woord dat alleen ‘maagd’ kan betekenen. We zien dat in de aanhaling van dit citaat van Jesaja door Mattheüs uit de Septuaginta (Mt 1:2323‘Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuel geven’, dat is vertaald: God met ons.).

De verschillende voorwaarden die met deze profetie samenhangen, maken duidelijk dat de enig mogelijke vervulling ervan wordt meegedeeld in de evangeliën. Daarin wordt duidelijk dat de geboorte van de Heer Jezus de vervulling van deze profetie is (Mt 1:22-2322Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei:23‘Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuel geven’, dat is vertaald: God met ons.; Lk 1:31-3531en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.32Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.34Maria echter zei tot de engel: Hoe zal dit zijn, daar ik geen gemeenschap heb met een man?35En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.). Nadat dit teken is vervuld in de komst van Christus, hebben de Joden sluw geprobeerd het maagdelijke aspect van dit woord te verdoezelen. Tot op vandaag worden zij daarin gevolgd door ongelovige christenen.

De Heere zal Zelf als wonderteken geven dat een gewone (ongehuwde) vrouw zwanger zal worden. Maar dat is toch geen wonder? Het is een alledaagse gebeurtenis en daarom een teken van veel lagere kwaliteit dan wat Achaz heeft mogen vragen. Wat is hier dan zo bijzonder aan? Het wonder is dat een maagd zwanger zal worden zonder tussenkomst van een man en dat het Kind Dat geboren zal worden, de Zoon van God zal zijn (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
; Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Het zal gebeuren doordat de maagd door de Heilige Geest overschaduwd zal worden (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.). Dit Kind zal als de ware Zoon van David regeren (Js 11:1-51Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.
; Lk 1:31-3331en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.32Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.)
.

Het teken is ook verbonden aan een naam, “Immanuel”, wat betekent ‘God met ons’. Die Naam houdt in dat God tot ons komt, dat Hij ons bezoekt, dat Hij onder ons komt om bij ons te zijn en ons te helpen (Lk 1:68,7868Gezegend zij [de] Heer, de God van Israël, want Hij heeft Zijn volk bezocht en er verlossing voor bewerkt,78door [de] innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee [de] Opgang uit [de] hoogte ons zal bezoeken,; 7:1616En vrees beving allen en zij verheerlijkten God en zeiden: Een groot Profeet is onder ons verwekt, en: God heeft Zijn volk bezocht.). Die Naam is een grote aanklacht tegen Achaz en zijn handelwijze waardoor hij als het ware zegt: Assyrië met ons.

In de naam Immanuel zien we het teken “beneden in de diepte” (vers 1111Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte.), want Immanuel – ‘God met ons’, of meer letterlijk ‘met ons is God’ – is God Die neerdaalt om Mens te worden. En als Mens zal Hij nog verder neerdalen in de diepten van het plaatsvervangend oordeel en de dood. In die Naam zien we ook het teken “boven in de hoogte” (vers 1111Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte.), want Immanuel is niemand minder dan God (Js 8:1010Beraam een plan – het zal verijdeld worden!
Spreek een woord – het zal niet tot stand komen!
Want God is met ons.
)
. Christus, het teken, is eerst “neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde” en daarna “opgevaren boven alle hemelen” (Ef 4:9-109Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde?10Hij Die is neergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen.).

Het voedsel dat Hij zal eten, bestaat uit “boter en honing” (vers 1515Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.), waarin we het voedsel van het beloofde land samengevat zien (Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.). Het woord “totdat” kan waarschijnlijk beter worden vertaald met “wanneer”. Het is in elk geval begrijpelijker dat de bedoeling is dat Hij boter en honing zal eten “wanneer” Hij is in staat het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.

Boter en honing zijn de enige voedingsmiddelen die beschikbaar zijn als alle akkerbouw door oorlog verwoest is. Het is het voedsel van het arme overblijfsel. We zien daarin een verwijzing naar de omstandigheden van de geboorte en jeugd van Christus. Er is geen welvaart in het huis van Nazareth waar Hij opgroeit. Hij is arm geworden (2Ko 8:99Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.). Israël is arm geworden door hun ongeloof, maar Christus is arm geworden doordat Hij zich een gemaakt heeft met het volk.

Christus is als Baby afhankelijk van de zorg van Zijn ouders, tot de tijd dat Hij in staat is om Zelf te kiezen. Het toont aan dat Hij waarachtig en volkomen Mens is, met uitzondering van de zonde (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). Als Mens neemt Hij toe “in <de> wijsheid en grootte” (Lk 2:5252En Jezus nam toe in <de> wijsheid en grootte en gunst bij God en mensen.), wat natuurlijk nooit van Hem als de waarachtige, eeuwige God gezegd kan worden. Hij heeft als Mens de ontwikkeling van ieder mens doorgemaakt.

Voordat de jongen, Sjear-Jasjub, de zoon van Jesaja, het kwade weet te verwerpen en het goede te verkiezen, zullen ook de landen Syrië en Israël, het tienstammenrijk, in armoede vervallen zijn (vers 1616Voorzeker, voordat de jongen in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land verlaten zijn, namelijk [het land] van de twee koningen voor wie u in angst verkeert.). De leeftijd waarop een kind het verschil kent tussen goed en kwaad, anders gezegd, dat het geweten gaat werken, kan globaal gesteld worden op een jaar of twee. Dat is de tijdsduur waarbinnen de twee koningen voor wie Achaz nu nog zo bang is, het land zullen verlaten.


Voorzegging van de inval van Assyrië

17De HEERE zal over u, over uw volk en over het huis van uw vader dagen doen komen zoals er niet gekomen zijn vanaf de dag dat Efraïm zich van Juda afscheidde, namelijk [de heerschappij van] de koning van Assyrië!
18Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
19Ze zullen komen en allemaal neerstrijken
in de dalen tussen de steile rotswanden, in de kloven van de rotsen,
op alle doornstruiken en op alle drinkplaatsen.
20Op die dag zal de Heere met een scheermes,
ingehuurd aan de overzijde van de rivier [de Eufraat, namelijk] de koning van Assyrië,
het hoofd- en het schaamhaar afscheren;
en het zal ook de baard wegnemen.

Jesaja heeft voor Achaz een goede boodschap en een slechte boodschap. De goede boodschap is dat Israël en Syrië op korte termijn zullen worden verslagen (vers 1616Voorzeker, voordat de jongen in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land verlaten zijn, namelijk [het land] van de twee koningen voor wie u in angst verkeert.). Dat zal gebeuren door Assyrië (2Kn 16:99De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde [de inwoners] weg naar Kir, en Rezin doodde hij.). Die boodschap zal Achaz met genoegen hebben aangehoord. Maar dan verandert de toon en krijgt hij ook slecht nieuws te horen en dat is dat Assyrië, op wie Juda zijn vertrouwen heeft gesteld, daarna ook Juda zal binnenvallen (vers 1717De HEERE zal over u, over uw volk en over het huis van uw vader dagen doen komen zoals er niet gekomen zijn vanaf de dag dat Efraïm zich van Juda afscheidde, namelijk [de heerschappij van] de koning van Assyrië!
)
. Ook hier verbindt Jesaja de gebeurtenissen van zijn tijd met die van de eindtijd.

Hier wordt voor de eerste keer door Jesaja melding gemaakt van Assyrië, de vijand die in de geschiedenis van Israël zo’n grote rol zal spelen. Binnen enkele jaren zal Assyrië Israël, het tienstammenrijk, verslaan. Vervolgens spreekt Jesaja erover dat Assyrië ook Juda zal aanvallen. Wat er dan gebeurt, stelt alles in de schaduw wat er al met Juda is gebeurd sinds de scheuring van het rijk in een noordelijk tienstammenrijk en een zuidelijk tweestammenrijk. Met Efraïm wordt het noordelijke tienstammenrijk bedoeld dat sinds de dagen van de afscheiding onder Rehabeam, de zoon van Salomo, los van Juda staat. Assyrië zal na de wegvoering van de tien stammen ook Juda binnenvallen. Dat zal zijn in de dagen van Hizkia. Hoewel er in die dagen een herstel wordt geschonken, zal dat slechts van tijdelijke aard zijn.

De Egyptenaren, “de vliegen”, en de Assyriërs, “de bijen”, hebben vaak hun strijd om de wereldheerschappij op het grondgebied van Juda uitgevochten. Deze beide grootmachten, tot wie Juda afwisselend om hulp gaat, zullen het land verwoesten en zo de verzen 18-1918Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
19Ze zullen komen en allemaal neerstrijken
in de dalen tussen de steile rotswanden, in de kloven van de rotsen,
op alle doornstruiken en op alle drinkplaatsen.
vervullen. Om hemel en aarde te scheppen heeft God alleen maar hoeven spreken. Om de instrumenten van Zijn oordeel bijeen te verzamelen hoeft Hij alleen maar te “fluiten” (vers 1818Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
)
.

“Vliegen” en “bijen” zijn insecten die in alle hoeken en gaten doordringen en bij mensen irritatie en pijn veroorzaken. Vliegen brengen vuiligheid en verderf. Bijen zijn agressief en achtervolgen en omsingelen vluchters (Ps 118:12a12Zij hadden mij omringd als bijen,
zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur;
in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!
)
. De inwoners van Juda zullen proberen om aan de vijandelijke machten te ontkomen. Daarvoor zullen ze zich op allerlei moeilijk toegankelijke plaatsen verbergen (vers 1919Ze zullen komen en allemaal neerstrijken
in de dalen tussen de steile rotswanden, in de kloven van de rotsen,
op alle doornstruiken en op alle drinkplaatsen.
)
. Maar geen enkele plaats is veilig, want waar ze ook zijn, de vijanden zullen hen weten te vinden.

De details van de verzen 18-1918Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
19Ze zullen komen en allemaal neerstrijken
in de dalen tussen de steile rotswanden, in de kloven van de rotsen,
op alle doornstruiken en op alle drinkplaatsen.
zijn in het verleden maar ten dele in vervulling gegaan. Pas in de eindtijd zullen ze volledig worden vervuld. Merkwaardig is dat in vers 1818Op die dag zal het gebeuren
dat de HEERE de vliegen naar Zich toe zal fluiten
die zich aan het einde van de rivieren van Egypte bevinden,
en de bijen die in het land van Assyrië zijn.
eerst ‘de vliegen van Egypte’ en pas daarna ‘de bijen van Assyrië’ worden geroepen. Daniël 11 maakt dat duidelijk. We lezen daar dat eerst de koning van het zuiden (Dn 11:4040Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.) het initiatief neemt om Israël aan te vallen en pas daarna de koning van het noorden.

Beiden zullen ze Israël aanvallen. Tot nog toe heeft de staat Israël elke oorlog gewonnen, zoals de bevrijdingsoorlog in 1948, de zesdaagse oorlog in 1967, de Yom Kippur oorlog in 1973. Maar deze oorlog zullen ze verliezen, met alle rampzalige gevolgen ervan. In deze oorlog zal de koning van het noorden sterker en gevaarlijker zijn dan de koning van het zuiden, zoals bijen gevaarlijker zijn dan vliegen. Als Israël verwoest is, zal de koning van het noorden doorstoten om de koning van het zuiden te vernietigen (Dn 11:4242Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.).

De koning van Assyrië wordt “een scheermes” genoemd dat door “de Heere” (Adonai) is “ingehuurd” (vers 2020Op die dag zal de Heere met een scheermes,
ingehuurd aan de overzijde van de rivier [de Eufraat, namelijk] de koning van Assyrië,
het hoofd- en het schaamhaar afscheren;
en het zal ook de baard wegnemen.
)
. Achaz heeft besloten Assyrië te huren, zodat deze hem zal helpen het dreigende gevaar van Syrië en Efraïm af te wenden. De HEERE zal datzelfde Assyrië huren – er ligt een zeker sarcasme in het gebruik van dezelfde woorden – om Juda daarmee te scheren.

Het “hoofdhaar afscheren” is een ontluistering van de positie van het volk; “het schaamhaar afscheren” wijst op een geweldige smaad; “de baard wegnemen” betekent het toebrengen van een grote vernedering aan de mannelijkheid. We kunnen dit zo toepassen dat van Juda het koninklijk gezag (hoofdhaar), de nationale waardigheid (schaamhaar) en de mannelijke kracht (de baard) zullen worden weggenomen.

Als een nazireeër zich heeft verontreinigd in zijn afzondering voor de HEERE, moet hij zijn hoofdhaar afscheren (Nm 6:99En wanneer de gestorvene onverwachts, plotseling, in zijn nabijheid sterft, zodat hij het hoofd van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan moet hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag moet hij het scheren.). Israël heeft voor de HEERE afgezonderd moeten zijn, maar heeft zich verontreinigd. De melaatse moet zich ook van alle haar ontdoen (Lv 14:99Op de zevende dag zal het [zo] zijn, dat hij al zijn haar afscheert: zijn hoofd, zijn baard en de wenkbrauwen van zijn ogen. Ja, al zijn haar moet hij afscheren, zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Dan is hij rein.). Zo heeft ook Israël zich verontreinigd en is melaats geworden. Voor de Leviet, de dienaar van de priester, geldt hetzelfde (Nm 8:77Dit moet u met hen doen om hen te reinigen: sprenkel op hen ontzondigingswater; dan moeten zij een scheermes over hun hele lichaam laten gaan, zij moeten hun kleren wassen en zich [zo] reinigen.). Tot een dienst aan de HEERE is Israël ook niet meer in staat.


Gevolgen van de inval van Assyrië

21Op die dag zal het gebeuren
dat een man een jonge koe van de runderen en twee schapen zal houden.
22En het zal gebeuren dat hij van de veelheid aan melk die zij geven,
boter zal eten;
ja, boter en honing zal ieder eten
die in het midden van het land is overgebleven.
23Ook zal het op die dag gebeuren
dat elke plaats die daar was
[met] duizend wijnstokken, [ter waarde] van duizend zilverstukken,
zal dienen voor dorens en distels.
24[Alleen] met pijl en boog zal men daar kunnen komen,
want heel het land zal [vol] dorens en distels zijn.
25Ook al de [wijn]bergen, die met de schoffel geschoffeld worden,
daar zal geen [mens] komen, [uit] vrees voor dorens en distels.
Het zal echter [alleen nog] kunnen dienen om runderen in te drijven
of om het door kleinvee te laten vertrappen.

De verzen 21-2521Op die dag zal het gebeuren
dat een man een jonge koe van de runderen en twee schapen zal houden.
22En het zal gebeuren dat hij van de veelheid aan melk die zij geven,
boter zal eten;
ja, boter en honing zal ieder eten
die in het midden van het land is overgebleven.
23Ook zal het op die dag gebeuren
dat elke plaats die daar was
[met] duizend wijnstokken, [ter waarde] van duizend zilverstukken,
zal dienen voor dorens en distels.
24[Alleen] met pijl en boog zal men daar kunnen komen,
want heel het land zal [vol] dorens en distels zijn.
25Ook al de [wijn]bergen, die met de schoffel geschoffeld worden,
daar zal geen [mens] komen, [uit] vrees voor dorens en distels.
Het zal echter [alleen nog] kunnen dienen om runderen in te drijven
of om het door kleinvee te laten vertrappen.
beschrijven de gevolgen van de inval van Assyrië, de toestand die zal aanbreken nadat Assyrië in Juda tekeer is gegaan. Deze beschrijving vindt zijn volle vervulling in de toekomst, als de koning van het noorden Israël zal binnenvallen (Dn 11:40-4440Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.). Van de overvloed van het land blijft slechts een armzalig restje over, geen grote kudden, slechts één jonge koe en twee schapen of geiten (vers 2121Op die dag zal het gebeuren
dat een man een jonge koe van de runderen en twee schapen zal houden.
)
.

De bevolking die overblijft, is echter zo gering dat het weinige vee voldoende melk zal geven (vers 2222En het zal gebeuren dat hij van de veelheid aan melk die zij geven,
boter zal eten;
ja, boter en honing zal ieder eten
die in het midden van het land is overgebleven.
)
. Een jonge koe geeft zo’n vijf liter melk per dag, kleinvee geeft één liter melk per dag. Van de overgebleven melk kan zelfs boter gemaakt worden. Er is ook voldoende honing in het wild, want in plaats van een land van landbouw zal het land een wildernis zijn.

Het voedsel dat hier wordt genoemd, is ook het voedsel van de Messias (vers 1515Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.). Hier wordt de diepe zin daarvan duidelijk. Hier blijkt dat de Messias zich een maakt met het arme en geringe overblijfsel. Vooral in het evangelie naar Lukas zien we hoe de Heer Jezus Zich een maakt met de armen, zoals de arme Jozef en Maria en de arme herders in het veld.

Waar wijngaarden in overvloed waren, groeien nu slechts dorens en distels (vers 2323Ook zal het op die dag gebeuren
dat elke plaats die daar was
[met] duizend wijnstokken, [ter waarde] van duizend zilverstukken,
zal dienen voor dorens en distels.
)
. Hier gebeurt wat Jesaja heeft aangekondigd (Js 5:66Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
)
. Niet alleen de wijngaarden dienen voor dorens en distels. Heel het land is vol dorens en distels. Wie meent dat de grond iets oplevert, komt beschaamd uit. Het beste is om het land op te gaan met pijl en boog, want dan kan men het wild gedierte verjagen dat in de ontstane wildernis aanwezig zal zijn.

Als een gezelschap van Gods volk de rechte weg van de Heer verlaat, zullen vruchteloze en verderfelijke producten van de menselijke geest tot ontwikkeling komen. Dat zal geestelijke dorheid en pijnlijke ervaringen opleveren in plaats van vruchtbaarheid die God verheerlijkt (Jh 15:88Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult Mijn discipelen zijn.).


Lees verder