Jesaja
Inleiding 1-4 Jesaja ziet de HEERE in de tempel 5-7 Zondigheid en verzoening 8-10 Roeping en opdracht 11-13 Totdat …
Inleiding

Voordat de aangekondigde oordelen (Js 5:26-3026Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
27Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
28Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
30Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.
)
tot uitvoering worden gebracht, neemt de Heilige Geest nu de tijd om de roeping van Jesaja tot profeet te beschrijven. De bedoeling ervan is om te laten zien dat er toch altijd een gelovig overblijfsel wordt gespaard als de HEERE straks gaat oordelen (vgl. Op 7:33en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.; 9:44En hun werd gezegd dat zij geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, noch aan enig groen, noch aan enige boom, behalve aan de mensen die het zegel van God niet aan hun voorhoofden hebben.). Dit overblijfsel vernedert zich onder de tuchtigende hand van de HEERE en beeft voor Zijn woord (Js 66:2b2Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
. Jesaja zelf is een type van dit gelovig overblijfsel.


Jesaja ziet de HEERE in de tempel

1In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel. 2Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.

Dit hoofdstuk is nauw verbonden met het vorige hoofdstuk. De droevige staat van zaken die in Jesaja 5 wordt beschreven, bestaat tijdens de regering van koning Uzzia. In 739 v.Chr., het sterfjaar van deze koning, krijgt Jesaja een visioen waarin hij de heerlijkheid van de HEERE, de eeuwige Koning ziet. We zien hier direct het grote contrast tussen een aardse koning en de HEERE. Aardse koningen komen en gaan en sterven, troonswisselingen vinden plaats, maar de HEERE is Koning op Zijn troon tot in eeuwigheid.

Het hele tafereel dat Jesaja ziet, is vol van heiligheid. Dat vormt een scherp contrast met de toestand waarin het volk op aarde zich bevindt. Jesaja ziet “de Heere [Adonai, de absolute, soevereine Heer] zitten op een hoge en verheven troon” (vers 11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.). Het evangelie naar Johannes vertelt ons dat Jesaja hier de heerlijkheid van de Heer Jezus ziet (Jh 12:37-4137Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem;38opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van [de] Heer geopenbaard?’39Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd:40‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.41Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.). Jesaja kan van de heerlijkheid die hij ziet, alleen de “zomen” noemen. De zomen, het onderste deel van Zijn kleed (vgl. Ex 28:33-3433Vervolgens moet u op de zomen ervan granaatappels van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] maken, [dus] rondom op zijn zomen, en daartussenin gouden belletjes, rondom.34Een gouden belletje, daarna een granaatappel, [dan weer] een gouden belletje en een granaatappel, rondom op de zomen van het bovenkleed.), vullen de tempel.

Het verwijst naar de Heer Jezus op aarde. In Hem is God zichtbaar geworden, Die we naar Zijn Wezen niet kunnen zien, omdat Hij “een ontoegankelijk licht bewoont” (1Tm 6:1616Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.). “Hij hult Zich in het licht als in een mantel” (Ps 104:2a2Hij hult Zich in het licht als in een mantel,
Hij spant de hemel uit als een tentkleed.
)
en vult Zijn hemelse woonplaats, zoals eens de wolk van Zijn heerlijkheid de tabernakel vulde (Ex 40:3535zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde.). Toen Mozes en de oudsten de God van Israël zagen, konden ze ook alleen maar beschrijven wat onder Zijn voeten lag (Ex 24:9-109Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, [en ook] Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël.10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was [er iets] als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.).

Drie keer wordt in deze verzen over ‘vullen’ en ‘vol’ gesproken, waarbij telkens hetzelfde Hebreeuwse woord male wordt gebruikt (verzen 1,3,41In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.
)
. Twee keer staat het in verbinding met de tempel en één keer met de aarde. We zien hier aan de ene kant de alles te boven gaande soevereiniteit van God. Aan de andere kant zien we ook hoe Hij aanwezig is in wat van Hem is. Dat Hij alles te boven gaat, houdt niet in dat Hij er op grote afstand van staat. Hij is aanwezig in Zijn tempel en in Zijn schepping. Zijn verhevenheid boven alles én Zijn betrokkenheid bij alles zijn altijd in volkomen evenwicht in Gods Woord.

De “serafs” (saraf = vurig of branden), de vurige bewakers van de heiligheid van de HEERE (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.), wagen het niet deze heerlijkheid te aanschouwen (vers 22Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
; vgl. Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.)
. Daarom bedekken zij, als teken van ontzag, met twee van hun vleugels hun gezicht. In het licht van die heerlijkheid geven zij verder de nederigheid van hun verheven dienst aan door met twee andere vleugels hun voeten te bedekken. Met nog weer twee andere, bewegende, vleugels tonen ze de voortdurende bereidheid tot het verrichten van die dienst.

We zien ook eerst de vleugels waarmee ze zichzelf bedekken en daarna de vleugels van de dienst. Dat geeft aan dat dienst alleen kan gebeuren als we onszelf vergeten, onszelf als het ware bedekken. Dat is het geval als we in de tegenwoordigheid van God zijn.

In hun eerbied voor de heiligheid van de HEERE roepen zij elkaar een drievoudig ‘heilig’ toe (vers 33De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
; vgl. Op 4:88En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, Die was en Die is en Die komt.)
. Het drie keer ‘heilig’ is mogelijk een zinspeling op de Goddelijke drie-eenheid. Een drievoudig gebruik van een woord geeft in het Hebreeuws de hoogste vorm, de overtreffende trap aan. Dat zij dit elkaar, de een tot de ander, toeroepen, wijst op de volkomen eenstemmigheid die zij hierover hebben. Er is geen verschil. In de hemel zijn alle hemelbewoners het volmaakt eens over de heiligheid van God. Ze zijn niet bezig met zichzelf, maar met Zijn heerlijkheid en heiligheid. Dat behoort ook bij ons zo te zijn (Ef 5:1919en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,).

Het aanschouwen van deze drievoudige heiligheid heeft zo’n geweldige uitwerking op Jesaja, dat dit ook zijn dienst zal kenmerken. ‘Heilig’ betekent ‘een aparte plaats innemen tegenover iets anders’ en dat niet alleen tegenover het kwaad. Zo wordt de zevende dag ‘geheiligd’, dat wil zeggen apart gesteld van de andere dagen (Gn 2:33En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). De HEERE is ook heilig ten opzichte van de heilige engelen, dat wil zeggen dat Hij volkomen boven hen is verheven in heerlijkheid en majesteit.

De engelen roepen ook uit wat het raadsbesluit van God is en dat is dat Zijn heerlijkheid de hele aarde vervult (Nm 14:2121Echter, [zo waar] Ik leef, de hele aarde zal met de heerlijkheid van de HEERE vervuld worden!; vgl. Js 11:99Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
; Hk 2:1414Want de aarde zal vol worden
met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE,
zoals het water [de bodem van] de zee bedekt.
)
. Daarmee spreken zij een profetie uit, want het is nog niet zover. De heerlijkheid van de HEERE zal wereldwijd gezien en erkend worden, wat nu nog niet zo is (Jr 31:3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.; Fp 2:1111en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Het Hebreeuwse woord voor “heerlijkheid” (kabod) wordt voor God gebruikt in Zijn openbaring aan Zijn schepselen. Het wezen van Zijn Godheid is ondoorgrondelijk, maar iets van Zijn heerlijkheid kan worden gezien als het Hem behaagt die te openbaren (Ex 33:17-2317Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ook dit woord dat u spreekt, zal Ik doen, want u hebt genade gevonden in Mijn ogen en Ik ken u bij [uw] naam.18Toen zei [Mozes]: Toon mij toch Uw heerlijkheid!19Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal.20Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.21Ook zei de HEERE: Zie, [hier] is een plaats bij Mij, [waar] u op de rots moet gaan staan.22En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben.23En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.; Ez 1:2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.). Op volkomen wijze is die heerlijkheid voor de gelovigen zichtbaar geworden in de Heer Jezus (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.; 1Jh 1:1-41Wat van [het] begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het Woord van het leven2(en het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is);3wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.).

De uitwerking van dit huldebetoon is overweldigend. Er komt beweging bij de ingang van de tempel (vers 44De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.) en de woonplaats zelf wordt vervuld met de rook (Ex 19:1818De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.) van het reukofferaltaar, het symbool van aanbidding. Het spreekt van de persoonlijke heerlijkheden van de Heer Jezus. Zijn heerlijkheid vult het huis.

Dit heeft ook betekenis voor ons. Als de Heer Jezus is gestorven, heeft Hij het werk van God volkomen volbracht. Daardoor is de hemel geopend voor verloste zondaars, zodat zij daar in aanbidding tot God kunnen naderen. De troon van God is nu “de troon van de genade” (Hb 4:1616Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.) geworden. Dit geweldige feit van het openstellen van de hemel voor mensen is gepaard gegaan met het beven van de aarde (vgl. Mt 27:5151En zie, het voorhangsel van het tempelhuis scheurde van boven naar beneden in tweeën; en de aarde beefde en de rotsen scheurden.). Als gelovigen het heiligdom binnengaan om God te eren en te smeken, kan daar ook zo’n machtige werking aan verbonden zijn (Hd 4:3131En terwijl zij baden, werd de plaats waar zij waren vergaderd, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.).

Ook het vullen van het huis is iets wat we kunnen meemaken. Wanneer Gods Geest op de bijeengekomen discipelen komt, vult Hij het hele huis (Hd 2:1-21En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.). Dat gebeurt omdat zij allen deze gebeurtenis van God hebben verwacht. Ze hebben daarnaar uitgezien, zonder afgeleid te worden door zoveel dingen van de wereld. Als wij in die gezindheid samenkomen en samenzijn en uitzien naar de openbaring van Zijn heerlijkheid, kunnen wij dat ook beleven. Dan zullen wij, net als Maria, met onze aanbidding het huis met de geur ervan vullen (Jh 12:33Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.).


Zondigheid en verzoening

5Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
6Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, [die] hij met een tang van het altaar had genomen.
7[Daarmee] raakte hij mijn mond aan en zei:
Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad [van u] geweken en uw zonde verzoend.

Terwijl de materie in beweging komt als de heerlijkheid van God wordt geopenbaard, blijven de harten van Gods volk hard en bewegingloos. Maar niet dat van Jesaja. Het visioen heeft tot gevolg dat Jesaja voor de HEERE neervalt. De HEERE is “een verterend vuur” (Js 33:1414De zondaars in Sion zijn angstig,
huiver heeft de huichelaars aangegrepen:
Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur?
Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?
; Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.)
. In dit overweldigende licht ziet hij zichzelf als even doemwaardig als het volk.

Hij gaat beseffen dat zijn lot niet afhankelijk is van een aardse koning (vers 11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.), maar van de HEERE, de hemelse Koning, de driemaal heilige God. Daarom spreekt hij, na de zes weeën over het volk in het vorige hoofdstuk, nu voor de zevende keer een “wee” uit en wel over zichzelf (vers 55Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
.

Het is het ‘wee mij’ van een gelovige die zichzelf leert zien in Gods tegenwoordigheid. Het gaat niet om bepaalde zonden, zoals bij het volk, maar om zijn zondigheid. Dat is een dieper werk. Petrus komt ook tot de overtuiging van zijn zondigheid in tegenwoordigheid van de Heer (Lk 5:88Toen nu Simon Petrus dit zag, viel hij aan de knieën van Jezus neer en zei: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer.). We zien het ook bij Abraham die zich ook zo voelt in Gods tegenwoordigheid, als hij ter wille van Lot voorbede doet voor Sodom (Gn 18:2727Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!; vgl. Jb 42:66Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
. Hetzelfde zien we bij Ezechiël als hij geroepen wordt (Ez 1:2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.), bij Johannes op Patmos (Op 1:1717En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,) en bij Saulus als hij onderweg is naar Damascus (Hd 9:3-43Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damaskus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel;4en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?) als zij oog in oog komen met de Heer Jezus in Zijn heerlijkheid.

Bij ieder van hen wordt hun verdere dienst door deze verschijning en ontmoeting gekenmerkt. Wij krijgen deze visioenen niet, maar hebben die in het Woord. Door het Woord te lezen zullen we dezelfde ervaring krijgen. We zullen met de ogen van ons hart de heerlijkheid van de Heer aanschouwen en naar dat beeld veranderd worden, zoals ook zij erdoor veranderd zijn. We worden door het lezen van Gods Woord op dezelfde wijze overweldigd als Jesaja en de anderen.

Met de uitroep “wee mij” maakt Jesaja zich een met het zondige volk. Hij voelt zich in de tegenwoordigheid van de HEERE onrein. Hij weet zich geestelijk in dezelfde onreine toestand van melaatsheid als waarin koning Uzzia, genoemd in vers 11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel., door hoogmoed is terechtgekomen (2Kr 26:19-2119Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.21Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, [omdat] hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was [aangesteld] over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.; Lv 13:4545De kleren van de melaatse bij wie de ziekte is [vastgesteld], moeten ingescheurd worden, zijn hoofd[haar] moet hij los laten hangen, hij moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein!). Door het oordeel te erkennen dat hij waard is, ontkomt Jesaja aan het oordeel dat God over het hele volk moet brengen. Zelfoordeel is altijd de weg om persoonlijk te ontkomen aan het oordeel waarmee God het geheel moet slaan. God is namelijk altijd gereed om uitredding te schenken. Jesaja krijgt nu deel aan de zekerheid van de verzoening. Hierin is hij een type van het gelovig overblijfsel in de toekomst.

Zo zou het ook altijd met ons moeten zijn. Hoe meer we de kenmerken van het verzoenend werk van Christus en de heerlijkheden van Zijn Persoon gaan begrijpen, hoe meer we ons onze zondigheid bewust zullen worden. Hoe dichter we bij de Heer zijn, hoe groter het besef van onze onwaardigheid zal zijn. We zullen dan ook leren ons een te maken met de toestand waarin onze medeleden van het lichaam van Christus terechtgekomen zijn als ze ontrouw geworden zijn en een zondige weg gaan. We zullen hun zonden leren belijden als de onze. Ezra en Daniël hebben dit geleerd en gedaan (Ea 9; Dn 9; vgl. Ne 9). Zo alleen kunnen we, zoals Jesaja hier, door de Heer geroepen en gebruikt worden tot een echte zegen voor anderen.

Voor een verslagen hart is er onmiddellijk genade (vgl. Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
. Een seraf brengt Jesaja in contact met wat op het altaar ligt (vers 66Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, [die] hij met een tang van het altaar had genomen.
)
. Op grond van wat het altaar voorstelt – Christus, Die Zichzelf aan God aanbiedt, wat aan God gelegenheid geeft om verzoening aan te bieden (2Ko 5:20-2120Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.21Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.) –, wordt Jesaja verzekerd van de verzoening van zijn zonden (vers 77[Daarmee] raakte hij mijn mond aan en zei:
Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad [van u] geweken en uw zonde verzoend.
)
. Door de toepassing van een kool van het reukofferaltaar wordt hij geschikt gemaakt voor zijn dienst. Hij kan nu uitgaan, omgeven door de reuk van het reukofferaltaar (vgl. 2Ko 2:14-1614En God zij dank, Die ons altijd in triomf omvoert in Christus en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt op elke plaats.15Want wij zijn voor God een welriekende reuk van Christus in hen die behouden worden en in hen die verloren gaan;16voor de laatsten wel een reuk uit [de] dood tot [de] dood, maar voor de eersten een reuk uit [het] leven tot [het] leven. – En wie is tot deze dingen bekwaam?).

In dit gedeelte vinden we dus zowel een troon als een (reukoffer)altaar. Dit verwijst naar de heerlijkheid van de Heer Jezus als Koning en Priester. Bij Israël zijn koning en priester altijd gescheiden. Als koning Uzzia zich aanmatigt een priesterlijke taak te vervullen, wordt hij melaats (2Kr 26:1919Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.). Alleen de Heer Jezus kan, evenals Melchizedek, zowel Koning als Priester zijn.


Roeping en opdracht

8Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij. 9Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.

Jesaja is nu geschikt om zijn ernstige boodschap te brengen. Hij hoort “de stem van de Heere” (Adonai, vers 11In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.) met de vraag wie Hij zal zenden (vers 88Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.). De “Heere”, Die hier voor het eerst spreekt, is God de Heilige Geest (Hd 28:25b-2725En onder elkaar onenig gingen zij weg, nadat Paulus [dit] ene woord had gezegd: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen de woorden gesproken:26‘Ga tot dit volk en zeg: Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;27want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.). Tegelijk is het ook de Heer Jezus, zoals we uit de al aangehaalde tekst uit Johannes 12 weten (Jh 12:4141Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.). Dat verklaart waarom in de eerste vraag “Ik”, enkelvoud, en in de tweede vraag “Ons”, meervoud, staat. Het meervoudig ‘Ons’ (vgl. Gn 1:2626En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!) veronderstelt dat hier de drie-enige God – Vader, Zoon en Heilige Geest – aan het woord is.

De vraag is niet zozeer een algemene overweging en ook niet tot meerderen gericht, maar is gericht tot het hart van Jesaja persoonlijk. Het is duidelijk dat de vraag niet gesteld is aan de engelen in de hemel. Als dat zo was, zou het hele hemelse leger zich direct hebben gemeld onder het uitroepen van: ‘Zend mij, zend mij!’ De engelen houden zich echter stil. Niemand anders dan Jesaja is geschikt gemaakt om op deze vraag te antwoorden. Hij is het vat dat gereinigd is en daardoor bruikbaar is voor de Meester (2Tm 2:2121Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.).

Jesaja antwoordt dan ook direct. Hij heeft geen vragen of tegenwerpingen en zegt: “Zie, hier ben ik, zend mij.” Geen van “Zijn engelen … die Zijn woord uitvoeren” (Ps 103:2020Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
)
kan voor deze dienst tot zondige mensen worden gezonden. Alleen een man van wie de lippen eerst onrein zijn, maar nu gereinigd zijn, kan worden gezonden tot een volk met onreine lippen. Met hetzelfde doel zijn ook wij nog op aarde.

Er is niets wat de gemeenschap tussen Jesaja en de Heere verhindert. Als alles uit de weg is geruimd wat onze gemeenschap met de Heer Jezus in de weg staat, kunnen we elke taak die Hij ons opdraagt in Zijn kracht vervullen. Dan zal niets wat Hij van ons vraagt, te zwaar voor ons zijn. We zien hier de volgorde:
1. Eerst overtuigd worden van eigen onwaardigheid in Gods tegenwoordigheid, dan
2. reiniging en dan
3. uitgezonden in de dienst van God.

De opdracht die Jesaja krijgt, is een heel zware (vers 99Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
)
. Hij moet tot “dit volk” gaan en hun het oordeel van verharding brengen. Door het volk “dit volk” te noemen – en niet te spreken over ‘Mijn volk’ – neemt de HEERE afstand van Zijn volk (verzen 9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
; vgl. Ex 32:9,21,319Ook zei de HEERE tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.21En Mozes zei tegen Aäron: Wat heeft dit volk je gedaan, dat je [zo'n] grote zonde over hen gebracht hebt?31Toen keerde Mozes terug tot de HEERE en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben voor zichzelf een gouden god gemaakt.; Nm 11:11-1411En Mozes zei tegen de HEERE: Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?12Ben ik [soms] zwanger geweest van heel dit volk? Of heb ík het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een verzorger een zuigeling draagt, naar het land dat U hun vaderen gezworen hebt?13Waar zou ik vlees vandaan moeten halen om al dit volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees, zodat wij kunnen eten!14Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar.)
.

De boodschap van verharding die Jesaja moet brengen (vers 1010Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
, zal later ook door de Heer Jezus tot het volk worden gebracht (Mt 13:10-1510En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tot Hem: Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen?11Hij nu antwoordde en zei tot hen: Omdat het u is gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is het niet gegeven;12want wie heeft, hem zal worden gegeven, en hij zal overvloed hebben; wie echter niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.13Daarom spreek Ik in gelijkenissen tot hen, omdat zij kijkend niet kijken en horend niet horen en niet verstaan.14En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ’Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;15want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.). Dat maakt tegelijk duidelijk waarom dit oordeel van de verharding ten diepste over de massa van het volk moet komen: omdat zij de Heer Jezus afwijzen en verwerpen. Die afwijzing en verwerping zijn duidelijk naar voren gekomen in het toeschrijven van het werk van de Geest in Christus aan “Beëlzebul, de overste van de demonen”, dat is aan de satan zelf (Mt 12:22-3222Toen werd een bezetene bij Hem gebracht, blind en stom; en Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.23En alle menigten waren buiten zichzelf en zeiden: Is Deze niet de Zoon van David?24Toen de farizeeën dit echter hoorden, zeiden zij: Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de overste van de demonen.25<Jezus> echter kende hun gedachten en zei tot hen: Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en elke stad die of elk huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet standhouden.26En als de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld: hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden?27En als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.28Als Ik echter door [de] Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen.29Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst de sterke bindt? En dan zal hij zijn huis beroven.30Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit.31Daarom zeg Ik u: elke zonde en lastering zal de mensen worden vergeven; maar de lastering van de Geest zal niet worden vergeven.32En wie een woord spreekt tegen de Zoon des mensen, het zal hem worden vergeven; maar wie tegen de Heilige Geest spreekt, het zal hem niet worden vergeven, niet in deze eeuw en niet in de toekomstige.).

Nog weer later zal dit vers van Jesaja ook duidelijk maken dat het volk het getuigenis van de Heilige Geest door de mond van Paulus verwerpt (Hd 28:25-2725En onder elkaar onenig gingen zij weg, nadat Paulus [dit] ene woord had gezegd: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen de woorden gesproken:26‘Ga tot dit volk en zeg: Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;27want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.). Daarmee zullen ze het oordeel van de verharding bezegelen.

Ze hebben zo volhard in hun zonde van de verwerping van de HEERE en zijn zo hardnekkig in hun weigering om tot Hem terug te keren, dat de mogelijkheid van bekering en genezing nu voorbij is. Ze zullen de prediking wel horen, maar de geestelijke zin ervan niet verstaan. Ze zullen wel menen dat ze zien, ze zullen zich er zelfs op beroemen dat ze zien, maar hun verwerping van de Heer Jezus zal het bewijs zijn dat ze blind zijn en dat hun zonde blijft (Jh 9:39-4139En Jezus zei: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zouden zien, en die zien, blind worden.40En zij die van de farizeeën bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind?41Jezus zei tot hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; [dus] blijft uw zonde.).

Wie onder het oordeel van de verharding valt, is vanaf dat moment niet meer bereikbaar voor het Woord van God. Het hart is van steen geworden. Het is inderdaad waar dat iemand niet meer tot God kan komen als God niet meer aan hem trekt (Jh 6:4444Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader Die Mij heeft gezonden, hem trekt; en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.). Dan heeft God hem overgegeven aan zichzelf en zijn lusten omdat hij daar zelf voor heeft gekozen (Rm 1:24,26,2824Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;26Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;28En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;). Dit is het oordeel over Israël.

Dat oordeel van verharding is niet over heel Israël gekomen, maar voor een deel ervan (Rm 11:2525Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;). Dat deel is wel de massa. Het is de ongelovige massa die zich in het land bevindt. Sinds die tijd is evangeliseren onder orthodoxe Joden nagenoeg zonder enig resultaat, vanwege deze verharding. Er komen wel regelmatig Joden tot bekering, er is altijd een rest, ook in deze tijd (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.), maar dat zijn uitzonderingen. De massa is verhard.

In het begin van het Zionisme, in de negentiende eeuw, leek de nationale opwekking onder Israël te komen. Velen keerden terug naar het land. Sommigen ook kwamen tot bekering. Er kwam geloof in Jezus als de Messias. Aan de hand van hun eigen Geschriften werd en wordt uitgelegd dat de Messias al gekomen is. Maar het overgrote deel van hen die in Israël wonen, moet niets van de Messias Jezus hebben en steunt op eigen kracht en volgt eigen inzichten om de problemen het hoofd te bieden.


Totdat …

11Toen zei ik: Hoelang, Heere? Hij zei:
Totdat de steden verwoest zijn,
zodat er geen inwoner [meer] is,
en de huizen, zodat er geen mens [meer] in is,
en het land verworden is tot een woestenij.
12Want de HEERE zal de mensen ver weg doen gaan,
en de verlatenheid in het land zal groot zijn.
13Al zal daarin nog een tiende deel [over] zijn,
het zal weer verwoest worden.
[Maar] zoals van de eik en de haageik
na het omhakken een stronk overblijft,
zal hun stronk een heilig zaad zijn.

Hoewel Jesaja gewillig is en bereid om te gehoorzamen, voelt hij het gewicht van deze aankondiging. Zijn reactie laat ook zijn gezindheid zien. Hij gaat niet met vreugde deze boodschap brengen. Hij vraagt hoelang die verblinding of verharding zal duren (vers 1111Toen zei ik: Hoelang, Heere? Hij zei:
Totdat de steden verwoest zijn,
zodat er geen inwoner [meer] is,
en de huizen, zodat er geen mens [meer] in is,
en het land verworden is tot een woestenij.
; vgl. Zc 1:1212Toen antwoordde de Engel van de HEERE en zei: HEERE van de legermachten, hoelang [is het nog dat] U Zich niet ontfermt over Jeruzalem en over de steden van Juda, waarop U deze zeventig jaar toornig bent geweest?)
. In de vraag “hoelang, Heere?” beluisteren we het vertrouwen dat hij in de HEERE heeft dat Hij Zijn volk niet voorgoed zal verstoten (vgl. Ex 32:9-149Ook zei de HEERE tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.10Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig. Dan zal Ik ú tot een groot volk maken.11Maar Mozes trachtte het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen, en zei: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met kwade [bedoelingen] heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat Uw brandende toorn varen, en heb berouw over het kwaad voor Uw volk.13Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.14Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.). We herkennen hierin de voorbidder.

In het antwoord van de HEERE horen we inderdaad van een “totdat”. Maar eerst moet het oordeel zijn volle uitwerking hebben (verzen 11-1211Toen zei ik: Hoelang, Heere? Hij zei:
Totdat de steden verwoest zijn,
zodat er geen inwoner [meer] is,
en de huizen, zodat er geen mens [meer] in is,
en het land verworden is tot een woestenij.
12Want de HEERE zal de mensen ver weg doen gaan,
en de verlatenheid in het land zal groot zijn.
)
. Dit duurt zolang totdat het land verwoest en ontvolkt is. Wat dan nog over is, “een tiende deel”, dat we herkennen in de teruggekeerden uit de Babylonische ballingschap, wordt ook weer verwoest (vers 1313Al zal daarin nog een tiende deel [over] zijn,
het zal weer verwoest worden.
[Maar] zoals van de eik en de haageik
na het omhakken een stronk overblijft,
zal hun stronk een heilig zaad zijn.
)
. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in het jaar 70 door de Romeinen die Jeruzalem hebben verwoest en een massaslachting onder de inwoners hebben gehouden. Velen zijn toen gevlucht naar Irak, dat buiten het Romeinse rijk lag.

Ook later zijn velen het land ontvlucht voor allerlei onderdrukkers, onder andere de islamitische. Het land is steeds meer ontvolkt geraakt en ook steeds meer verwoest. Het dieptepunt is rond het jaar 1800. Het aantal Joden in het land wordt in die tijd geschat op slechts vijfduizend. Maar altijd is er een overblijfsel in het land geweest, waarmee het wereldwijd verstrooide volk altijd in verbinding heeft gestaan.

Daarna breekt de tijd van het Zionisme aan, met een eerste golf van Russische Joden die aan het einde van de achttiende eeuw terugkeren naar het land. Die terugkeer is doorgegaan. Daardoor zijn er momenteel rond de drie miljoen Joden uit alle vijf continenten uit allerlei landen teruggekeerd naar het land. Niet alleen de inwoners zijn in de loop van de eeuwen verdreven, ook het land is vele eeuwen lang verwoest.

In de eindtijd, de tijd die nu aanstaande is, zullen land en volk ook weer worden verwoest. Als Israël door de grote verdrukking gaat, lijkt er niets meer over te blijven. Maar het overblijfsel zal tot nieuwe bloei komen. Het is ermee als met “de eik en de haageik” waarvan alle takken zijn weggehakt en alleen nog een stukje van de stam over is. In de stronk zit echter leven en daarom zal hij uitspruiten.

Dit uitspruitsel zal “een heilig zaad” zijn, een zaad dat volkomen aan de HEERE zal zijn toegewijd. Dit ziet op het overblijfsel dat de HEERE voor Zichzelf heeft bewaard. Dit komt overeen met de naam van de zoon van Jesaja, Sjear-Jasjub, die betekent dat een rest of een overblijfsel terug zal keren, zich zal bekeren. Het is verbazingwekkend dat de HEERE voor het overblijfsel hetzelfde woord “heilig” (qodes) gebruikt als de Heilige Geest heeft gedaan voor de HEERE Zelf in vers 33De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
. Daardoor komt de verbinding tussen dit overblijfsel en de HEERE sterk tot uitdrukking.

Bovenal ziet het “heilig zaad” op de Heer Jezus, Die uit een naar Jeruzalem teruggekeerd overblijfsel zal worden geboren (Js 11:11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
)
. Hij is “dat Heilige Dat geboren zal worden”, zoals door de engel Gabriël tegen Maria is gezegd (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.). Het “heilig zaad” Israël is heilig door zijn verbintenis met het ware heilige Zaad, Christus.


Lees verder