Jesaja
Inleiding 1-7 De Knecht van de HEERE 8-13 Bevrijd en op weg naar hun land 14-16 De HEERE vergeet Zijn volk niet 17-21 Verwondering 22-23 Wie de HEERE verwachten 24-26 De HEERE Redder en Verlosser
Inleiding

Overzicht hoofddeel 2.2 Jesaja 49-57

Het evangelie van de Knecht van de HEERE

Het tweede gedeelte van het tweede hoofddeel (Jesaja 40-66) omvat Jesaja 49-57 en is als volgt onder te verdelen:
1. De Knecht van de HEERE en het herstel van Israël (Jesaja 49:1-26)
2. Israëls zonde en de gehoorzaamheid van de Knecht (Jesaja 50:1-11)
3. Luister! Ontwaak! (Jesaja 51:1-23)
4. Vertrek! (Jesaja 52:1-52:12)
5. De Man van smarten en Zijn rechtvaardiging (Jesaja 52:13-53:12)
6. Gods glorieuze toekomst voor Jeruzalem (Jesaja 54:1-17)
7. Doeltreffendheid van Gods woord van genade (Jesaja 55:1-13)
8. Redding uitgestrekt tot de benadeelden (Jesaja 56:1-8)
9. Gods boodschap voor de bozen (Jesaja 56:9-57:21)

Inleiding op Jesaja 49

Het doel van het tweede hoofddeel van Jesaja (Jesaja 40-66) is het werk van God in het hart van Zijn volk om inkeer te bewerken. Dan alleen kan God het overblijfsel doen terugkeren en verlossen.

In het eerste onderdeel (Jesaja 40-48) van dit tweede hoofddeel is uitvoerig het contrast tussen God en de afgoden geschilderd. Dit zal in de harten van het overblijfsel een totale veroordeling van afgoderij bewerken, vooral met betrekking tot de afgoderij die openbaar zal worden onder de antichrist in de tijd van de grote verdrukking.

In het tweede onderdeel (Jesaja 49-57) worden de ogen van het overblijfsel, net als de ogen van Saulus uit Tarsus, geopend voor het lijden van Christus, Die zij vervolgd en verworpen hebben. Zij zullen Hem zien, Die zij doorstoken hebben (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.; Op 1:77Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.). Dit zal, net als bij Saulus, een totale omkeer bewerken. Zij zullen over Hem een rouwklacht aanheffen als een rouwklacht over een enig kind (Zc 12:10b10Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.). Zij zullen zich verootmoedigen.

Net als de broers van Jozef die hun ‘broeder’ als onderkoning van Egypte herkennen en erkennen, zullen zij Christus aanvaarden. Dit herkennen we in de komende hoofdstukken, met als hoogtepunt Jesaja 53. Na het herstel van Israël zien we dan de zegeningen voor Israël (Jesaja 54), om daarna te horen hoe de heidenvolken worden opgeroepen zich bij Israël te voegen om in de zegeningen van het koninkrijk te delen (Jesaja 55-57).

We hebben in dit hoofdstuk, Jesaja 49, de tweede van een viertal profetieën of liederen over de Knecht van de HEERE. De vorige profetie (Jesaja 42) gaat over de Knecht als de Uitverkorene. Hier gaat het over Hem als de Verworpene.

Dit hoofdstuk heeft twee onderwerpen: het getuigenis van de Knecht van de HEERE, Wie Hij is (verzen 1-131Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.
4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
5En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.8Zo zegt de HEERE:
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,
en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.
Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,
om de aarde [weer] op te richten,
om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,
9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,
tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!
Op de wegen zullen zij weiden,
op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.
10Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
11Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,
Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.
12Zie, sommigen zullen van ver komen:
zie, anderen uit het noorden en uit het westen,
en weer anderen uit het land Sinim.
13Juich, hemel, en verheug u, aarde,
bergen, breek uit in gejuich,
want de HEERE heeft Zijn volk getroost,
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
)
, en de vertroostende belofte voor het wanhopige Sion (verzen 14-2614Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,
de Heere heeft mij vergeten.
15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
16Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,
uw muren zijn steeds vóór Mij.17Uw kinderen zullen zich haasten,
[maar] uw vernielers en verwoesters
zullen van u weggaan.
18Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.
[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE,
voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,
u zult ze ombinden zoals een bruid [doet].
19Want uw puinhopen, uw woestenijen
en uw vernielde land –
voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege [zoveel] inwoners,
en wie u verslonden, zullen ver [van u] zijn.
20Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,
in uw oren zeggen:
Deze plaats is te nauw voor mij.
Maak plaats voor mij, laat mij [hier] wonen!
21En u zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze [kinderen] voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze [kinderen] – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze [kinderen] – waar waren die?22Zo zegt de Heere HEERE:
Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,
naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.
Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,
en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.
23En koningen zullen uw verzorgers zijn
en hun vorstinnen uw voedsters.
Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde
en zij zullen het stof van uw voeten likken.
U zult weten dat Ik de HEERE ben:
zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.24Zou een machtig [man] zijn buit ontnomen kunnen worden,
of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen?
25Maar zo zegt de HEERE:
Ja, de gevangenen van een machtig [man] zullen [hem] ontnomen worden,
en de buit van een geweldpleger zal ontkomen.
Wie u ter verantwoording roepen, zal Ík ter verantwoording roepen,
uw kinderen zal Ík verlossen.
26Ik zal hen die u onderdrukken, hun [eigen] vlees te eten geven,
en van hun [eigen] bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.
En alle vlees zal gewaarworden
dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
)
. Er is een hernieuwde verbinding van Israël als de knecht van de HEERE met Christus als de volmaakte Knecht van de HEERE. Israël kan niet in die verhouding staan als knecht tot de HEERE los van de vereenzelviging met de ware Knecht Christus als hun Messias op grond van Zijn verzoenend en verlossend werk op Golgotha.

De noodzaak van inkeer voordat herstel mogelijk is, ook na tweeduizend jaar, laat zien dat zonde nooit verjaart. Zo moesten ook de broers van Jozef, na zo vele jaren, eerst tot inkeer komen, voordat de zegeningen konden komen en hun relatie met hun verworpen broer, die inmiddels onderkoning was, hersteld kon worden. Die inkeer bleek pas op het moment dat voor hen de gevoelens van hun vader belangrijker waren dan hun eigen welzijn.

Zo is het ook met het volk Israël nu. Voordat de beloofde zegeningen van God voor dit volk door Hem gegeven kunnen worden, moeten zij eerst in het reine komen met God met betrekking tot de zonde dat zij Christus hebben verworpen. Ook moeten ze gaan zien wat die zonde voor God betekent. Dan zullen ze ineens tot de ontdekking komen dat Christus aan het kruis juist hun zonden heeft uitgedelgd, zoals de broers van Jozef tot de ontdekking zijn gekomen dat door hun verwerping van hem, God hem heeft gebruikt en gezonden om een groot volk te redden.


De Knecht van de HEERE

1Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.
4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
5En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.

Het gaat in dit gedeelte over de blijde boodschap, niet in de eerste plaats voor Israël, maar voor de volken (vers 11Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
; vers 66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
. Zij worden met de oproep “luister naar Mij” opgeroepen om te luisteren (vers 11Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
; vgl. Js 46:3,123Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
12Luister naar Mij, onbuigzamen van hart,
u die ver bent van gerechtigheid:
)
. Het is de taak van het volk Israël als de knecht van de HEERE om de behoudenis van God tot de heidenvolken in de verte te brengen. Israël is geroepen (Js 51:22Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
)
om als de knecht van de HEERE Zijn lof te verkondigen (Js 43:2121Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
)
aan de volken (Rm 2:17-2017Als u nu een Jood genoemd wordt, op [de] wet steunt, in God roemt,18Zijn wil kent en beproeft wat het beste is, omdat u uit de wet bent onderwezen,19en van uzelf vertrouwt dat u een leidsman bent van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn,20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt, –). Daarin heeft Israël echter jammerlijk gefaald (Rm 2:2424Want om u wordt de Naam van God onder de volken gelasterd, zoals geschreven staat.). De HEERE roept over deze knecht uit: “Wie is er zo blind als Mijn dienaar, doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?” (Js 42:19a19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?
)
.

Net als Adam, de eerste mens, heeft Israël als zoon, knecht en wijnstok gefaald. Maar dan zendt God de Heer Jezus. Hij is de laatste Adam en de tweede Mens (1Ko 15:45-4745Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.46Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.47De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.), de ware Zoon Die Hij uit Egypte heeft geroepen (Mt 2:1515En hij was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei: ’Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen’.), de ware Knecht (Js 42:11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
; 49:3,5,6,73Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.
5En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
; 50:1010Wie is er onder u die de HEERE vreest,
die luistert naar de stem van Zijn Knecht?
Als hij in duisternissen gaat
en geen licht heeft,
laat hij [dan] vertrouwen op de Naam van de HEERE
en steunen op zijn God.
; 53:1111Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
en de ware Wijnstok (Jh 15:11Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.).

De Roepende is hier de ware Knecht van de HEERE, de Messias, Die met Goddelijk gezag de volken oproept om te horen. Met de Geroepene in het tweede deel van vers 11Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
wordt ook de Heer Jezus bedoeld, de ware Knecht, Die gekomen is in de plaats van Israël. We zien hier het door ons niet te begrijpen wonder van Zijn Persoon. Hij is waarachtig God én waarachtig Mens. Hij is van eeuwigheid God, Die in de tijd op de door God bepaalde tijd Mens geworden is.

Zijn Naam wordt door de HEERE genoemd "van de baarmoeder af". Zijn Naam wordt dus niet hier genoemd, maar pas net voordat en net nadat Hij verwekt is. Dan wordt zowel tegen Jozef als tegen Maria gezegd dat de Zoon Die geboren zal worden, de naam Jezus moet krijgen (Mt 1:2121Zij nu zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk behouden van hun zonden.; Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.).

Christus is geroepen om heil te brengen voor Zijn volk en ook voor de volken. Dat doet Hij door het zwaard van het Woord van God (Ef 6:1717En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,; Mt 10:3434Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar een zwaard.) te gebruiken. Zijn mond is een scherp zwaard dat onopvallend is, maar altijd tot gebruik gereed tot oordeel van alles wat in strijd is met de wil van God. De farizeeën en sadduceeën hebben de scherpte van Zijn woorden ervaren. Hij is opgegroeid in de schaduw van Gods hand, onder Diens bescherming. Als een puntige pijl heeft God Hem in Zijn pijlkoker verborgen gehouden. De tijd om Zijn vijanden te verslaan was nog niet gekomen.

De vereenzelviging van Christus met Israël komt in vers 33Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.
naar voren. De HEERE zal Zichzelf in Christus als het ware Israël verheerlijken (vgl. Jh 13:31-3231Toen hij dan naar buiten was gegaan, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.32<Als God in Hem verheerlijkt is,> zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken en Hij zal Hem terstond verheerlijken.). De ware Knecht neemt de plaats van het falende Israël in en geeft het Israël van God zijn ware betekenis. Zo is het ook met Israël dat als wijnstok is mislukt (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
, waarvoor in de plaats de Heer Jezus de ware wijnstok is geworden (Jh 15:11Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.). Israël als wijnstok heeft in Hem zijn ware vrucht aan God gegeven.

Met het oog op de bittere ervaringen die zullen voorafgaan aan de tijd van heerlijkheid voor Israël, de tijd dat God Zich in Zijn volk zal verheerlijken in Christus, staat in vers 44Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
een uiting van wat op grote verslagenheid lijkt. Hier wordt de verwerping van Christus voorzegd (Jh 1:1111Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.). Het lijkt er even op alsof ook deze Knecht tevergeefs bezig is geweest. Toch is het geen uiting van ongeloof of wanhoop, want het hart geeft onmiddellijk uitdrukking aan de zekerheid van de waarheid dat alle recht in Gods hand is (vgl. Mt 11:20-2420Toen begon Hij de steden waarin Zijn meeste krachten waren gebeurd, te verwijten dat zij zich niet hadden bekeerd:21Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want als in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, allang zouden zij zich in zak en as hebben bekeerd.22Ik zeg u evenwel: het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.23En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.24Ik zeg u evenwel, dat het voor [het] land van Sodom draaglijker zal zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.; Mt 11:25-3025In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.26Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.28Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.29Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;30want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.).

De dienst die we doen, lijkt vaak weinig of geen resultaat te hebben. Aan de vruchteloosheid worden ook nog eens bijzonder moeilijke omstandigheden en beproevingen toegevoegd die als een enorme last het hart terneer kunnen drukken. Als de satan zijn voornemen zou kunnen uitvoeren, zou hij alles gebruiken om ons in wanhoop neer te werpen om ons te laten ophouden met ons werk. Dan hebben we hier een gedeelte dat door de Geest bedoeld is om ons ertoe te brengen om alle omstandigheden in het licht van alle wijze raadsbesluiten van God te overwegen.

Het gevolg zal zijn dat we te midden van de strijd bemoedigd worden te delen in wat Hem voor ogen staat. We zullen dan weten dat ons recht bij Hem is. Als we ons dat bewust zijn, mogen we, net als de Heer Jezus, alles overgeven "aan Hem Die rechtvaardig oordeelt" (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Dan mogen we erop vertrouwen dat bij Hem de beloning is voor ons schijnbaar vruchteloze werk.

De taal van vers 55En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
en wat volgt, is duidelijk die van de Messias Die hier getuigenis geeft van het doel waarvoor Hij Knecht van de HEERE is. Het is duidelijk dat de Knecht hier niet Israël is, want de taak van de Knecht is hier juist om Jakob, de falende knecht, te herstellen (Rm 15:88Want ik zeg, dat Christus een Dienstknecht van [de] besnijdenis geworden is ter wille van [de] waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen,; Mt 15:2424Hij antwoordde echter en zei: Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.). Alleen Christus kan het werk van terugbrengen en tot Hem vergaderen doen. Dit werk heeft een bijzonder welgevallen voor de Vader Die Hem daarvoor eert. Van het volk heeft Hij die eer niet gekregen.

Tevens is er een voornemen dat nog verder reikt. Dat staat in vers 66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
. Het verheugde hart van de HEERE ziet uit naar een wereldwijde zegen. Als Israël de Knecht heeft verworpen, zal Hij veel meer krijgen, terwijl ook de zegen voor Israël niet definitief verloren is, maar nog zal komen. Het terugbrengen van Jakob zal gebeuren door het volk uit Babel te bevrijden en door wat zal gebeuren in de eindtijd. Het oprichten van "de stammen van Jakob" betekent het herstel van alle twaalf stammen in het land. In de eindtijd houdt dat ook het herstel van het tienstammenrijk in na de grote verdrukking.

“En om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen” houdt in dat het overblijfsel van het tweestammenrijk, de Joden, tot inkeer zal komen. Zij hebben Christus verworpen en zij zullen bij het herstel de eerste plaats innemen. In beeld zien we dat in de geschiedenis van Jozef bij Juda die zowel bij de verwerping van Jozef als bij het herstel van de betrekkingen met Jozef een vooraanstaande plaats inneemt (Gn 37:26-2726Toen zei Juda tegen zijn broers: Wat hebben [wij] er voor baat bij, als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen?27Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen; laten wij niet onze hand aan hem slaan. Hij is immers onze broer, ons [eigen] vlees. Zijn broers luisterden [naar hem].; 44:18-3418Toen trad Juda op hem toe en zei: Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord ten aanhoren van mijn heer mogen spreken, en ontsteek niet in woede tegen uw dienaar, want u bent als de farao.19Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u [nog] een vader of een broer?20Toen hebben wij tegen mijn heer gezegd: Wij hebben een oude vader, en [die heeft] een kind van [zijn] ouderdom, de jongste. Zijn broer is dood, en hij is als enig [kind] van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.21Toen hebt u tegen uw dienaren gezegd: Breng hem naar mij toe, zodat ik mijn oog op hem kan slaan.22Wij zeiden toen tegen mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten, want als hij zijn vader verlaat, zal deze sterven.23Toen zei u tegen uw dienaren: Als uw jongste broer niet met u meetrekt, mag u mij niet onder ogen komen.24En het gebeurde, toen wij naar uw dienaar, mijn vader, getrokken waren en wij hem de woorden van mijn heer verteld hadden,25en onze vader zei: Keer terug, koop wat voedsel voor ons,26dat wij zeiden: Wij kunnen [daar] niet heentrekken. [Alleen] als onze jongste broer bij ons is, zullen wij gaan, want wij mogen die man niet [meer] onder ogen komen als onze jongste broer niet bij ons is.27Toen zei uw dienaar, mijn vader, tegen ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij twee [zonen] gebaard heeft.28De ene is bij mij weggegaan, en ik heb gezegd: Hij is vast en zeker verscheurd; ik heb hem tot nu toe niet teruggezien.29Als jullie nu ook deze zoon van mij afnemen en hem een ongeluk overkomt, dan zullen jullie mijn grijze haar van ellende in het graf laten neerdalen.30En nu, als ik bij uw dienaar, mijn vader, [terug]kom zonder dat de jongen bij ons is – want hij is met hart en ziel aan hem verbonden –31dan zal het gebeuren dat hij zal sterven als hij ziet dat de jongen er niet [bij] is. Dan zullen uw dienaren het grijze haar van uw dienaar, onze vader, met verdriet in het graf doen neerdalen.32Uw dienaar heeft zich namelijk bij mijn vader borg gesteld voor de jongen, door te zeggen: Als ik hem niet bij u terugbreng, dan sta ik voor altijd bij mijn vader in de schuld.33En nu, laat uw dienaar toch in plaats van deze jongen de slaaf van mijn heer blijven, en laat de jongen met zijn broers gaan.34Hoe zou ik immers bij mijn vader [terug] kunnen keren, als de jongen niet bij mij is? Anders zou ik de ellende moeten zien dat mijn vader zal treffen.).

Vers 66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
is ook van toepassing op het werk van het evangelie dat in opdracht van de Heer in de hele wereld moet worden gepredikt, tot de einden van de aarde. Zo past Paulus dit vers toe voor vandaag (Hd 13:46-4746En Paulus en Barnabas zeiden met vrijmoedigheid: Het was nodig dat eerst tot u het Woord van God werd gesproken; aangezien u het van u afstoot en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, – zie, wij wenden ons tot de volken.47Want zo heeft de Heer ons geboden: ‘Ik heb U gesteld tot een licht van [de] volken, opdat U tot behoudenis bent tot aan [het] einde van de aarde’.). Genade kun je niet tegenhouden, net zomin als stromend water. Dat water zal, als het wordt tegengehouden, een andere loop nemen en ergens anders heen gaan.

Zo stroomt de genade van God, die door Israël is verworpen, nu naar de volken. De volle vervulling zal gebeuren in het vrederijk door Christus Die een licht tot openbaring voor [de] naties en tot heerlijkheid voor uw volk Israël” (Lk 2:3232een licht tot openbaring voor [de] naties en tot heerlijkheid voor Uw volk Israël.) zal zijn. Door een licht te zijn voor de volken zal de Knecht de taak van Israël vervullen om tot zegen te zijn in deze wereld.

In vers 77Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
worden we weer herinnerd aan de tijd van vernedering van de Knecht. De HEERE spreekt een woord rechtstreeks tot Hem. Zijn vernedering is de noodzakelijke basis om het werk van reddende genade tot stand te brengen. Daarom wordt Hij genoemd “de verachte Ziel” (vgl. Js 53:33Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
)
. Het volk heeft Hem verafschuwd en Hem ook zo behandeld. Als “Knecht van heersers” heeft de Heer Jezus Zich met Zijn volk vereenzelvigd, want dat volk is ook als een knecht onderworpen aan vreemde overheersers (Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.). Er is wel een verschil, want zij zijn onderworpen vanwege hun ontrouw aan hun God, terwijl Christus Zich vrijwillig heeft onderworpen.

Zo heeft Christus Zich in de dagen van Zijn vlees aan de Romeinse overheersers en godsdienstige heersers onderworpen en aan hun wil overgeleverd. Hij lijkt de grote Verliezer, maar het resultaat van dit alles zal worden gezien in de komende heerlijkheid. Dan zullen regeerders het “zien en opstaan” en zich voor Hem, Die Zich eens tot hun Knecht heeft laten maken, “neerbuigen”. Ze zullen ontdekken Wie het is Die zij naar het kruis hebben verwezen. Vers 77Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
is een voorbereiding op wat we zullen tegenkomen in de derde en vierde profetie over de Knecht van de HEERE.


Bevrijd en op weg naar hun land

8Zo zegt de HEERE:
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,
en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.
Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,
om de aarde [weer] op te richten,
om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,
9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,
tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!
Op de wegen zullen zij weiden,
op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.
10Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
11Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,
Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.
12Zie, sommigen zullen van ver komen:
zie, anderen uit het noorden en uit het westen,
en weer anderen uit het land Sinim.
13Juich, hemel, en verheug u, aarde,
bergen, breek uit in gejuich,
want de HEERE heeft Zijn volk getroost,
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.

Vers 88Zo zegt de HEERE:
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,
en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.
Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,
om de aarde [weer] op te richten,
om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,
vertelt hoe de HEERE het gebed van Zijn Knecht heeft verhoord als Hij in nederigheid onder Zijn volk is en Hij “met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem” (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Als God Hem uit de doden opwekt, is het “de tijd van het welbehagen”. Dit woord wordt door Paulus toegepast op de gelovigen (2Ko 6:1-21Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt2(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik u verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik u geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),), waardoor wij hier in bedekte termen de verbondenheid van Christus en Zijn gemeente waarnemen, die mag delen in de zegeningen van het nieuwe verbond. Zij die Zijn verwerping delen, mogen troost putten uit deze belofte van een tijd van welbehagen, terwijl zij leven in een periode van verwerping.

Omdat Christus Zich met Israël heeft vereenzelvigd, zullen deze woorden ook waar worden voor het volk dat in zijn herstelde toestand met Hem in gemeenschap is. Dat Christus gesteld is “tot een Verbond voor het volk” wijst op het nieuwe verbond dat straks gesloten wordt met Israël. Dat verbond is nieuw en beter omdat het gegrond is op het werk van de Heer Jezus op het kruis en rust op de kracht van Zijn gestorte bloed, het bloed van het nieuwe verbond.

De “verwoeste erfelijke bezittingen” wijst op de verwoesting die Israël zal ondergaan door de inval van de koning van het noorden, ofwel het bondgenootschap van de Arabische naties. Dat wat verwoest is, zal hersteld worden, ze zullen het weer “ontvangen”. Elke stam van het volk zal zijn erfelijk bezit terugkrijgen (Lv 25:8-138Verder moet u voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zeven keer zeven jaar, zodat de perioden van de zeven sabbatsjaren negenenveertig jaar voor u zijn.9Dan moet u in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, bazuingeschal laten klinken. Op de Verzoendag moet u de bazuin in heel uw land laten klinken.10U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn [eigen] bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie.11Elk vijftigste jaar moet jubeljaar voor u zijn. U mag [dan] niet zaaien, niet oogsten wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, en [de druiven] van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken,12want het is jubeljaar. Het moet heilig voor u zijn. U mag van de akker eten wat het uit zichzelf opbrengt.13In dit jubeljaar mag u terugkeren, ieder naar zijn [eigen] bezit.; Ez 47:13-1413Zo zegt de Heere HEERE: Dit is de grens waar[binnen] u het land onder de twaalf stammen van Israël in erfelijk bezit zult nemen, [met voor] Jozef [twee] gebieden.14U zult die in erfelijk bezit krijgen, zowel het ene als het andere waarover Ik Mijn hand opgeheven heb [en gezworen] dat Ik het aan uw vaderen zou geven. Dit land zal u als erfelijk bezit toevallen.; 48:2929Dit is het land dat u de stammen van Israël als erfelijk bezit moet doen toevallen, en dit zal het land zijn dat hun toebedeeld is, spreekt de Heere HEERE.). De gevangenen in ballingschap zullen bevrijd worden en worden hersteld in hun land. Daar zullen zij zich als Zijn volk openbaren (vers 9a9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,
tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!
Op de wegen zullen zij weiden,
op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.
)
.

De verzen die volgen, geven een prachtige beschrijving van de gevolgen van de tweede komst van Christus. Deze gevolgen gaan ver boven alles uit wat plaatsvindt bij de terugkeer naar het land onder bevel van Kores. Het volk wordt geschilderd als een kudde die naar huis terugkeert en onderweg weide vindt (vers 9b9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,
tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!
Op de wegen zullen zij weiden,
op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.
)
. Ze zullen voldoende voedsel hebben op hun reis naar huis zonder dat ze ver hoeven te gaan om voedsel te vinden. Ze zullen geen honger of dorst kennen en geen last van de hitte hebben (vers 1010Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
)
. Dat is allemaal omdat de HEERE “hun Ontfermer” is Die hen in eigen Persoon zal leiden.

Bij hun terugkeer vanuit alle delen van de wereld zullen hun reizen erdoor gekenmerkt worden dat ze geen onoverkomelijke hindernissen en moeilijkheden zullen ontmoeten (vers 1111Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,
Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.
)
. De HEERE spreekt met nadruk van “Mijn bergen” en “Mijn gebaande wegen”. Ze zijn Zijn schepping en daarom kan Hij er een verandering in aanbrengen op een wijze dat alles de terugkeer van Zijn volk zal begunstigen en voorspoedig zal maken.

We kunnen dit ook toepassen op onze huidige ervaringen. De bergen van moeilijkheden waarmee we te maken krijgen op ons pelgrimspad, kunnen hoogten worden van gemeenschap met God en van vreugdevolle gemeenschap met Zijn volk. Dat zal zo zijn als we met ons hele hart op de Heer vertrouwen en ons hele wezen aan Hem toevertrouwen voor de vervulling van Zijn wil.

In de komende dag zal Israël vergaderd worden vanuit alle delen van de wereld naar het hun toegewezen aardse centrum (vers 1212Zie, sommigen zullen van ver komen:
zie, anderen uit het noorden en uit het westen,
en weer anderen uit het land Sinim.
)
. Onder “het westen” kunnen we wel West-Europa en de Verenigde Staten van Amerika verstaan en ook gebieden in Afrika. Van de Sinieten is wel verondersteld dat dit inwoners van China zijn. Dit vooruitzicht van een zo weidse en algemene bijeenvergadering bewerkt een oproep tot gejubel en gejuich (vers 1313Juich, hemel, en verheug u, aarde,
bergen, breek uit in gejuich,
want de HEERE heeft Zijn volk getroost,
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
)
. Alles en iedereen, hemel, aarde en bergen, moeten tot een uitbarsting van vreugde komen over wat de HEERE voor Zijn volk heeft gedaan.


De HEERE vergeet Zijn volk niet

14Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,
de Heere heeft mij vergeten.
15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
16Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,
uw muren zijn steeds vóór Mij.

Het lijkt alsof het volk dit alles niet kan geloven. Ze klagen erover dat de HEERE hen heeft verlaten in de tijd van de verdrukking die aan de hiervoor beschreven terugkeer voorafgaat. De lange periode van lijden heeft het volk dat gevoel gegeven (vers 1414Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,
de Heere heeft mij vergeten.
)
. De verdrukking is rechtvaardig, hun klacht is dat niet. Op de klacht volgt tot vertroosting een uiteenzetting en verzekering van Gods liefde. Die liefde is niet alleen net zo groot als die van een moeder voor haar kind, maar gaat daar nog ver bovenuit ook (vers 1515Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
)
. Dat een moeder haar zuigeling vergeet, is moeilijk voorstelbaar; dat de HEERE Zijn volk vergeet, is volledig onvoorstelbaar.

Verre van Sion – dat wil zeggen haar inwoners – te vergeten, heeft Hij hen onlosmakelijk aan Zich verbonden en staat Hij met Zijn handelingen voor hen garant (vers 1616Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,
uw muren zijn steeds vóór Mij.
)
. De Joden hadden een gewoonte om in hun handen of ergens anders het merkteken van de stad en de tempel te zetten als teken van hun toewijding en tot voortdurende herinnering. God neemt in Zijn genade dit beeld over om hun zekerheid te geven. Hij heeft hen in Zijn handpalmen gegraveerd.

Met één hand heeft Hij de aarde gegrondvest (Js 48:1313Ook heeft Mijn hand de aarde gegrondvest,
en Mijn rechterhand heeft de hemel uitgespannen.
Roep Ik ze,
dan staan ze er tezamen.
)
. Maar Zijn geliefd volk heeft Hij met Zijn beide handen omgeven (vgl. Jh 10:28-2928En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.). Het spreekt zowel van absolute zekerheid, veiligheid en geborgenheid als van het feit dat Hij voortdurend voor hen aan het werk is. Die handen zijn eens voor ons doorboord toen Hij gekruisigd werd. Het spreekt van een volkomen liefde. Daaraan mogen we telkens denken als Hij ons Zijn handen toont (Jh 20:19-2919Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!20En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen.21<Jezus> dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u.22En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.23Wie u ook de zonden vergeeft, zij zijn hun vergeven; wie u ook [de zonden] houdt, zij zijn [hun] gehouden.24Thomas nu, een van de twaalf, die Didymus heette, was niet bij hen toen Jezus kwam.25De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Als ik in Zijn handen niet het teken van de nagels zie en mijn vinger steek in het teken van de nagels en mijn hand steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u!27Daarna zei Hij tot Thomas: Breng je vinger hier en zie Mijn handen, en breng je hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig.28Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!29Jezus zei tot hem: Omdat je Mij hebt gezien, heb je geloofd? Gelukkig zij die niet gezien en [toch] geloofd hebben.).

In de oudheid was het de gewoonte om de naam van de meester te graveren in de hand van zijn slaven. De slaaf was daardoor onlosmakelijk verbonden met zijn meester. Maar hier is het andersom. Hij heeft Zich onlosmakelijk aan hen verbonden. Hij denkt onophoudelijk aan hen en is altijd voor hen bezig. Ze moeten niet denken dat de zaak Hem uit de hand loopt, want zij zijn altijd in Zijn hand. De muren van Sion, hoe verwoest ze ook door de vijand zijn, ziet Hij altijd voor Zich in hun volmaakte, toekomstige staat.

Het in de handpalm gegraveerd zijn veronderstelt de nauwste vereniging met Hem Zelf. Het ziet op Zijn onveranderlijke liefde en op Zijn voortdurende denken aan ons in alles wat Hij voelt en doet. Graveren in de handpalm is ook een uiterst pijnlijke zaak. Hij heeft de pijn op het kruis ervoor over gehad om ons zo met Zich te verenigen.

In al Zijn handelingen denkt Hij aan ieder van de Zijnen. In ons ongeloof en onze vergeetachtigheid verliezen we vaak uit het oog hoe kostbaar we voor Hem zijn in Christus. Gods liefde vindt haar volheid in de liefde van Christus. Die liefde vernemen we als Hij Zijn hart hierover uit tegenover Zijn discipelen in de bovenzaal. Hij zegt daar tegen hen: “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb Ik u liefgehad; blijft in Mijn liefde” (Jh 15:99Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn liefde.).


Verwondering

17Uw kinderen zullen zich haasten,
[maar] uw vernielers en verwoesters
zullen van u weggaan.
18Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.
[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE,
voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,
u zult ze ombinden zoals een bruid [doet].
19Want uw puinhopen, uw woestenijen
en uw vernielde land –
voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege [zoveel] inwoners,
en wie u verslonden, zullen ver [van u] zijn.
20Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,
in uw oren zeggen:
Deze plaats is te nauw voor mij.
Maak plaats voor mij, laat mij [hier] wonen!
21En u zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze [kinderen] voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze [kinderen] – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze [kinderen] – waar waren die?

Deze verzen bevestigen opnieuw de belofte van de uiteindelijke vergadering van de verstrooide verworpenen van het volk terug in hun land. Er vindt een wisseling van de bevolking plaats. De oorspronkelijke bevolking trekt met snelheid het land binnen en zij die het land hebben veroverd en verwoest, trekken weg (vers 1717Uw kinderen zullen zich haasten,
[maar] uw vernielers en verwoesters
zullen van u weggaan.
)
. De kinderen van wie Sion heeft gedacht dat ze verloren zijn, komen in menigte terug (vers 1818Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.
[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE,
voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,
u zult ze ombinden zoals een bruid [doet].
)
. Zij zullen als een versiering voor het land zijn, op dezelfde wijze als een bruid versierd is voor haar man.

De reden, aangegeven door “want” (vers 1919Want uw puinhopen, uw woestenijen
en uw vernielde land –
voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege [zoveel] inwoners,
en wie u verslonden, zullen ver [van u] zijn.
)
, dat de verslinders ver weg verdreven worden, is dat er geen ruimte genoeg zal zijn voor al haar inwoners. Zo talrijk zal het volk zijn, dat er ruimte moet worden gemaakt (vers 2020Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,
in uw oren zeggen:
Deze plaats is te nauw voor mij.
Maak plaats voor mij, laat mij [hier] wonen!
)
. Het volk van Sion is in ballingschap gegaan, de stad is verlaten en eenzaam geweest (vers 2121En u zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze [kinderen] voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze [kinderen] – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze [kinderen] – waar waren die?
)
. Nu is ze omgeven door een menigte van haar kinderen. Met de "verbannen" kinderen kunnen wel de twee stammen bedoeld zijn en met de "verdreven" kinderen de tien stammen. Verwonderd vraagt ze zich af waar ze zijn geweest en waar ze toch vandaan komen. Het antwoord wordt in de volgende verzen gegeven.

Soms maakt de Heer de bedoeling van Zijn handelingen niet openbaar. Hij beproeft daarin ons geloof en laat ons wachten tot de door Hem bepaalde tijd is aangebroken om Zijn handelingen en de betekenis daarvan bekend te maken. De vreugde is veel groter wanneer de ontvouwing komt, dan wanneer er geen duistere omstandigheden zouden zijn geweest. Ook de heerlijkheid van Zijn genade zal veel groter zijn.


Wie de HEERE verwachten

22Zo zegt de Heere HEERE:
Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,
naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.
Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,
en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.
23En koningen zullen uw verzorgers zijn
en hun vorstinnen uw voedsters.
Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde
en zij zullen het stof van uw voeten likken.
U zult weten dat Ik de HEERE ben:
zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.

Vanaf hier tot het eind van het hoofdstuk geeft de HEERE antwoord op de verbaasde vragen die bij Sion zijn opgekomen in het vorige vers. Hij laat zien hoe de menigten verstrooide Israëlieten zullen worden bevrijd uit hun ballingschap en van hen die hen onderdrukten en hoe Hij hen in hun land zal brengen. Het kan hier niet gaan om de terugkeer van een klein overblijfsel uit de Babylonische ballingschap. Ook gaat het niet alleen over een uiterlijke terugkeer naar het land, maar ook over een innerlijke omkeer tot de HEERE door geloof in de Verlosser. Wat hier wordt beschreven, zal in de eindtijd plaatsvinden.

De HEERE zal heidense naties gebruiken om deel te nemen in het ten uitvoer brengen van deze verzameling van Zijn volk. Daartoe zal Hij Zijn hand opheffen (vers 2222Zo zegt de Heere HEERE:
Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,
naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.
Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,
en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.
)
. Het opheffen van de hand veronderstelt een bepaald teken waardoor de volken weten wat ze moeten doen. Het verheffen van een banier komt vaker voor in Jesaja (Js 5:2626Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
; 11:10,1210Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
; 18:33Alle inwoners van de wereld
en bewoners van de aarde,
wanneer men de banier omhoogheft op de bergen, zult u het zien;
en wanneer men [op] de bazuin blaast, zult u het horen!
; 62:1010Ga door, ga door, de poorten door,
bereid de weg voor het volk,
verhoog, verhoog de gebaande weg,
zuiver [hem] van stenen,
steek een banier omhoog boven de volken.
)
. Het heeft met strijd te maken. Als Hij Zijn banier omhoogsteekt, gaat het om een strijd waarmee Hij te maken heeft en staat tegelijk de uitkomst vast.

De heidenvolken zullen de zonen en dochters in hun armen en op hun schouders terugbrengen. Koningen en vorstinnen zullen zich toewijden aan de zorg voor Gods volk (vers 2323En koningen zullen uw verzorgers zijn
en hun vorstinnen uw voedsters.
Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde
en zij zullen het stof van uw voeten likken.
U zult weten dat Ik de HEERE ben:
zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.
)
. Zij die zelf voorwerpen van eerbetoon zijn, zullen dit volk hun eer betonen. Ze zullen zich daarbij niet als grootmoedige weldoeners opstellen, maar zich aan dit volk onderwerpen tot in het stof, wat een totale omkering van de situatie zal zijn. Tot deze dienst van het reinigen van de voeten zullen zij worden gedwongen. Voor ons geldt dat we het voorbeeld van de voetwassing door de Heer Jezus navolgen en elkaar de voeten wassen zoals Hij dat bij Zijn discipelen heeft gedaan (Jh 13:1-171Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.12Toen Hij dan hun voeten gewassen en Zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?13U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het.14Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen;15want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan.16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden.17Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet.).

Vroeger hebben de machthebbers van de wereld dit volk tot in het stof vernederd, maar nu zijn zij vernederd tot in het stof (Mi 7:1717Zij zullen stof likken als de slang;
als kruipende [dieren] van de aarde
zullen zij sidderend uit hun burchten komen,
naar de HEERE, onze God, zullen zij in angst [komen],
en zij zullen voor U bevreesd zijn.
)
. Zo diep zullen de vijanden zich ook bukken voor de Messias (Ps 72:99De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
)
, waardoor weer blijkt hoezeer het volk met Zijn Messias is verbonden. Israël had een zegen moeten zijn voor de volken. Als ze dat uiteindelijk zullen zijn, zullen de heidenvolken door de HEERE worden gebruikt om Israël te zegenen.

In dit alles zal Sion de HEERE en Zijn wegen erkennen. Ze zullen de geweldige vertroosting ontdekken dat zij die de HEERE verwachten, niet beschaamd worden. Dit is meer negatief, terwijl Jesaja 40 meer positief is, waar aan verwachten ‘kracht’ wordt gekoppeld (Js 40:3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
. Hier gaat het om de oefening van het geduld, het volharden te midden van moeilijkheden en tegenstand, tot de tijd van de HEERE om te bevrijden is gekomen.

We verwachten het voor nu van Hem in het gebed. We wachten op Hem voor de toekomst. Daarbij mogen we het zekere vertrouwen hebben dat de huidige omstandigheden van beproeving en verdriet zullen veranderen in blijdschap en gekenmerkt zullen zijn door vrede. Deze verandering kan alleen plaatsvinden door de directe en openbare tussenkomst van de Heer Zelf.


De HEERE Redder en Verlosser

24Zou een machtig [man] zijn buit ontnomen kunnen worden,
of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen?
25Maar zo zegt de HEERE:
Ja, de gevangenen van een machtig [man] zullen [hem] ontnomen worden,
en de buit van een geweldpleger zal ontkomen.
Wie u ter verantwoording roepen, zal Ík ter verantwoording roepen,
uw kinderen zal Ík verlossen.
26Ik zal hen die u onderdrukken, hun [eigen] vlees te eten geven,
en van hun [eigen] bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.
En alle vlees zal gewaarworden
dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.

In deze verzen gaat het over de tirannen met al hun macht en boosaardige bedoelingen. De retorische vraag in vers 2424Zou een machtig [man] zijn buit ontnomen kunnen worden,
of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen?
heeft twee delen. Het eerste deel, het ontnemen van de buit aan de sterke, gaat niet alleen over Babel, maar geldt ook in de toekomst voor de Assyriër, de koning van het noorden, en voor de beide beesten van Openbaring 13.

Het tweede deel, het ontkomen van de gevangenen, gaat niet over wettig gevangenen, maar over hen die aan de HEERE toebehoren en in de toekomst uit de hand van de antichrist zullen worden gerukt, die onder invloed van de satan erop uit is de getrouwen om te brengen. Ook gaat het hier om hen die het overblijfsel van de verloren tien stammen vormen en die dan door de volken teruggegeven zullen worden.

De zekerheid wordt gegeven dat de HEERE Zelf hiervoor zal zorgen (vers 2525Maar zo zegt de HEERE:
Ja, de gevangenen van een machtig [man] zullen [hem] ontnomen worden,
en de buit van een geweldpleger zal ontkomen.
Wie u ter verantwoording roepen, zal Ík ter verantwoording roepen,
uw kinderen zal Ík verlossen.
)
. Dit zal gebeuren als de Heer Jezus voor de tweede keer verschijnt. Dan zal de hele wereld ontdekken en erkennen dat de HEERE de “Heiland” en “Verlosser” van Israël is, “de Machtige van Jakob” (vers 2626Ik zal hen die u onderdrukken, hun [eigen] vlees te eten geven,
en van hun [eigen] bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.
En alle vlees zal gewaarworden
dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
)
.

Alle pogingen van de Verenigde Naties om vrede en veiligheid op aarde te vestigen, hoe goed de bedoelingen ook mogen zijn, zijn gedoemd te falen. De laatste grote strijd in de wereld, waarin het Joodse vraagstuk de centrale plaats zal innemen, zal de vervulling van de Schriften duidelijk maken. Die vervulling bestaat daaruit dat gerechtigheid alleen op aarde kan worden gevestigd door de persoonlijke komst van Christus in oordeel over de vijanden van God en in de bevrijding van Zijn volk.


Lees verder