Jesaja
Inleiding 1-4 De uitverkoren Knecht 5-7 De Knecht geroepen en Zijn werk 8-9 Alleen de HEERE kan voorzeggen 10-12 Oproep om de HEERE te loven 13-17 De HEERE trekt uit 18-19 Doof en blind 20-22 Ziende blind en horende doof 23-25 Indringende vragen
Inleiding

In Jesaja 40-41 gaat het over de grootheid en majesteit van de HEERE God, maar ook over Zijn barmhartigheid om Israël te verlossen. De vraag die nog rest, is: Hoe zal God Zijn belofte van verlossing vervullen? Het antwoord van God is niet in de eerste plaats hoe het gebeurt, maar door Wie Hij Zijn beloften zal vervullen. Het antwoord vinden we in dit hoofdstuk, in de eerste grote profetie en openbaring in dit deel van het boek aangaande Jezus Christus. Alle beloften van herstel en de zegen die daarop volgt, vinden in Hem hun centrum (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). Later zal de vraag worden beantwoord hoe Hij het gaat doen: door Zijn offerdood (Js 53:1-121Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.7Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
.

Nu zien we de vreugde van God de Vader in Hem en welke grote dingen door Hem zullen worden volbracht. Het licht van de heerlijkheid van Zijn Persoon stelt Kores hier in de schaduw, hoewel later meer over hem wordt gezegd. Hier komt Christus voor ons als Degene Die Israël zegent en als de Heiland van de heidenen.


De uitverkoren Knecht

1Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal [Zijn stem] niet verheffen,
Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.
3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
4Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.

Eerst spreekt de HEERE over de Knecht tot Zijn volk (verzen 1-41Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal [Zijn stem] niet verheffen,
Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.
3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
4Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.
)
; daarna spreekt Hij tot de Knecht over Zijn taak (verzen 5-75Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk [dat] daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal [U] bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
7om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
)
; ten slotte spreekt Hij opnieuw tot het volk als slotconclusie (verzen 8-98Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de [afgods]beelden.
9De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.
)
.

Na het “zie” als oproep om de afgoden in hun ijdelheid te zien in het laatste vers van het vorige hoofdstuk volgt hier het “zie” om te zien op Hem Die de HEERE uitverkoren heeft (vers 11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
)
. Van Israël, de falende knecht van de HEERE, wordt onze blik nu gericht op de trouwe en ware Knecht van de HEERE, de Heer Jezus.

Christus wordt door de HEERE “Mijn Knecht” genoemd. Zelfs het volk weet, als de Heer Jezus is gekomen, dat de Uitverkorene van God Christus Zelf is (Lk 23:3535En het volk stond toe te zien. Ook de oversten beschimpten Hem en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij Zichzelf verlossen als Deze de Christus van God is, de Uitverkorene.) en niet Israël – zoals veel Joden tegenwoordig beweren. Trouwens, de oproep “zie” is bedoeld om Hem te introduceren, de aandacht op Hem te vestigen, terwijl Israël al eerder is genoemd (Js 41:88Maar u, Israël, Mijn dienaar,
u, Jakob, die Ik heb verkozen,
het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad,
)
en daarom niet meer geïntroduceerd hoeft te worden. De HEERE roept Zijn volk op om op Hem te zien.

Deze eerste profetie over ‘de Knecht van de HEERE’ begint met het uitspreken van het welbehagen dat God de Vader in Hem heeft. We krijgen een blik in Zijn leven en wat Hem kenmerkt tijdens Zijn dagen in het vlees. We komen in aanraking met Zijn tederheid en ook met Zijn kracht en de grote bevrijding die Hij zal bewerken. “Die Ik ondersteun” ziet op het vertrouwen dat God in Hem heeft dat Hij Zijn dienst zal volbrengen. Ondersteunen doen we iemand in wie we vertrouwen hebben. Ondersteunen wil zeggen je met iemands lot verbinden en hem hulp bieden en kracht verlenen.

In de aanhaling van dit vers in Mattheüs 12 wordt Hij in plaats van “Mijn Uitverkorene”, “Mijn Geliefde” genoemd (Mt 12:1818‘Zie, Mijn Knecht Die Ik heb verkoren, Mijn Geliefde in Wie Mijn ziel welbehagen gevonden heeft! Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en oordeel zal Hij de volken verkondigen.), wat de andere betekenis van het Hebreeuwse woord weergeeft. Die betekenis past bij de eerdere verklaring van de Vader in het evangelie naar Mattheüs (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.). Hij is de Uitverkorene in de raadsbesluiten van de Vader.

Het werk dat de Knecht moet doen, kan door niemand anders worden gedaan. Het welbehagen komt tot uiting in de Geest Die de Vader op Hem legt. Het welbehagen is er al voordat de Vader het uitspreekt bij Zijn doop en bij die gelegenheid Zijn Geest geeft (vgl. Js 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
; Sp 8:3030was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
)
. Het woord ‘welbehagen’ is ook een woord dat vaak verbonden wordt met de “aangename geur” van de offers in het boek Leviticus (Lv 1:9,13,179Maar zijn ingewanden en zijn poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.13Maar de ingewanden en de poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles aanbieden en op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.17Dan moet hij [het dier] bij de vleugels inscheuren, zonder [die] eraf te trekken. De priester moet het op het altaar, op het hout dat op het vuur ligt, in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.) en is daarmee ook een verwijzing naar het karakter van het werk dat de Knecht zal gaan doen.

Hier zien we in Jesaja de drie-enige God. Christus neemt het karakter van Knecht aan met het oog op het vervullen van de wil van de Vader, wat Hij doet in de kracht van de Heilige Geest Die op Hem wordt gelegd door de Vader bij Zijn doop. De verklaring “Ik heb mijn Geest op Hem gelegd”, is het centrum van drie grote verklaringen betreffende de Heilige Geest in Jesaja in verbinding met Christus. De eerste spreekt over Zijn vleeswording (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
)
. De tweede, hier, wijst op Zijn doop. De laatste verwijst naar het begin van Zijn openbaar optreden (Js 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
)
.

Het laatste deel van vers 11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
, “Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan”, springt ineens vooruit naar de toekomst, naar Zijn tweede komst en het duizendjarig vrederijk, want dat is niet vervuld tijdens Zijn leven op aarde. Door het evangelie wordt Zijn “recht” in de tegenwoordige tijd geopenbaard tot zegen. In de toekomst zal het gebeuren zowel in het oordeel als in het vrederijk daarna. Hoe dat in vervulling zal gaan, heeft de profeet eerder in detail beschreven (Js 2:1-41Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
.

Toch heeft Hij ook tijdens Zijn leven op aarde de heidenen het recht geopenbaard, het recht van God. Hij heeft dat gedaan zowel in oordeel als in genade voor ieder die zich onder dit oordeel heeft gebogen. Een voorbeeld van dit laatste is de Syro-Fenicische vrouw (Mt 15:24-2824Hij antwoordde echter en zei: Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.25Zij nu kwam en huldigde Hem en zei: Heer, help mij!26Hij echter antwoordde en zei: Het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.27Zij echter zei: Jawel, Heer, want ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.28Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt. En haar dochter werd gezond van dat uur af.).

Als Hij op aarde is, “tijdens Zijn dagen in het vlees” (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),), vestigt Hij de aandacht niet op Zichzelf (vers 22Hij zal niet schreeuwen, Hij zal [Zijn stem] niet verheffen,
Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.
; Mt 24:5,235Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen misleiden.23Als iemand in die tijd tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: hier, gelooft het niet.)
. Mensen doen dat vaak in de drie trappen van stemgeluid die worden genoemd: “schreeuwen”, “verheffen”, “doen horen”. Daarentegen is Zijn optreden rustig, vriendelijk en nederig. De genezen kreupele aan het badwater van Bethesda weet niet waar Hij is (Jh 5:1313Maar de genezene wist niet Wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een menigte op die plaats was.), net zomin als de blindgeborene (Jh 9:1212En zij zeiden tot hem: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.). Verschillende keren zegt Hij tegen hen die Zijn goedheid hebben ervaren dat ze Hem niet moeten bekendmaken.

Hij handelt in volmaaktheid naar het woord dat weldadigheid niet moet worden gedaan “voor het oog van de mensen, om door hen te worden gezien” (Mt 6:1-41Past er <echter> voor op dat u uw gerechtigheid niet doet voor het oog van de mensen, om door hen te worden gezien; anders hebt u geen loon bij uw Vader Die in de hemelen is.2Wanneer u dan weldadigheid bewijst, bazuin het niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, opdat zij door de mensen geëerd worden. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.3Maar u, als u weldadigheid bewijst, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,4opdat uw weldadigheid in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.). Hij doet het voor Zijn Vader. Is dat ook de gezindheid van ons hart en de kwaliteit van ons werk? Wat Hij brengt, is voldoende en hoeft geen bekrachtiging door een opzichtig optreden of een voor zich uit laten bazuinen. De Heer heeft wel in de straten geleerd (Lk 13:2626Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw bijzijn gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd.).

“Hij zal niet schreeuwen”, lijkt in tegenspraak met vers 1313De HEERE zal uittrekken als een held.
Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,
Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,
Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
, “Hij zal het uitschreeuwen”, maar in beide verzen wordt een verschillend woord voor roepen gebruikt. Het eerste woord heeft te doen met Zijn volk, het tweede met Zijn vijanden. Het eerste geeft Zijn vriendelijkheid en tederheid aan, de afwezigheid van een op zichzelf gerichte luidruchtige demonstratie. Hij dringt Zich niet op. Hij is ook niet gekomen om een revolutie te ontketenen tegen de Romeinen. Het tweede is Zijn stem als Veroveraar, waardoor de vijanden van God ten onder gaan aan het einde van de eeuw.

Vervolgens komt in de verzen 3-43Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
4Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.
een serie beloften, weer in chiastische of omgekeerde volgorde (a,b,b,a; zie bij Jesaja 40:21): Eerst is er
(a) “het geknakte riet” in vers 33Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
dat Hij niet zal verbreken en dan
   (b) de “uitdovende vlaspit” die Hij niet zal uitblussen. Vers 44Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.
begint met
   (b) “uitdoven”, waarna volgt
(a) “niet geknakt worden”, in de zin van niet ontmoedigd worden.

Hij zal “het geknakte riet” niet verbreken en ook zal Hij Zelf “niet geknakt worden” (a + a), want Hij is in Zichzelf de sterke Die Zich het lot van de geknakte aantrekt. Hij zal de “uitdovende vlaspit”, dat is de bijna uitgedoofde vlaspit, niet helemaal “uitdoven” en ook zal Hij Zelf niet “uitdoven” (b + b), want Hij is in Zichzelf het volle licht dat licht brengt waar het bijna uitgedoofd is. Zo zal Hij ervoor zorgen dat Zijn beproefden in Zijn heerlijkheid zullen delen.

We zien hier Zijn liefdevolle zorg voor ons nu en dat mag ons bemoedigen. Als we ons soms als geknakt riet voelen, alleen maar geschikt om volledig afgebroken te worden of we voelen dat ons licht zo armetierig brandt, laten we dan denken aan Zijn verlangens voor ons. We mogen naar Hem toe gaan om in genade hernieuwd te worden en herstel van krachten van Hem te krijgen.

Er is niets van waarde in geknakt riet. Het doet denken aan het gebroken hart, vertrapt door ruwe behandeling. Zonder enige weerstand wordt het weggeworpen. Het geknakte riet is een beeld van verootmoediging (Js 58:55Zou dit het vasten zijn dat Ik verkies:
dat de mens zich een dag [lang] verootmoedigt,
dat hij zijn hoofd buigt als een riet
en zich neerlegt in rouwgewaad en as?
Noemt u dat vasten
en een dag die de HEERE welgevallig is?
)
. Een rietstengel kun je gebruiken als staf, maar een eenmaal geknakte rietstengel is niet meer te gebruiken, ja, het kan je verwonden (Js 36:66Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.). Normaal zou je zo’n stengel weggooien, maar de Knecht doet het anders.

Het geknakte riet is het toonbeeld van zwakheid in een wereld waarin alleen plaats is voor de sterksten. Ook in de gemeente wordt het als niets geacht. Maar de Heer is in staat van dit geknakte riet een muziekpijp te maken of een meetstok voor het nieuwe Jeruzalem (Op 21:1515En hij die met mij sprak, had een gouden meetrietstok, opdat hij de stad en haar poorten en haar muur zou meten.). Hij is gekomen voor hen die gebroken van hart zijn (Js 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
)
. Hij legt hun geen ijzeren roede op, maar reikt hun de gouden scepter van Zijn genade toe (Es 5:22En het gebeurde, toen de koning koningin Esther in de voorhof zag staan, dat zij genade vond in zijn ogen, zodat de koning Esther de gouden scepter, die in zijn hand was, toereikte. En Esther kwam naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan.). Hij is Zelf verbroken of verbrijzeld (Js 53:5,105Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
; Gn 3:1515En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;
Dat zal u de kop vermorzelen,
en u zult Het de hiel vermorzelen.
)
.

De walmende of uitdovende vlaspit geeft nauwelijks licht en warmte en is ook niet meer in staat een ander aan te steken. Het spreekt van een klein vonkje geloof dat gevonden wordt in het hart van een mensenkind dat het uitroept: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!” (Mk 9:2424Terstond riep de vader van het kind <onder tranen> de woorden: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!). Vaak brandt de liefde in onze harten zo zwak, dat alleen Hij Die alle dingen weet, ook weet dat er toch nog een sprankje liefde aanwezig is (Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.). Zo kan Hij Petrus in zeven weken veranderen van een bijna gedoofde vlam tot een vlam die drieduizend zielen in vlam zet op de Pinksterdag (Hd 2:14,37-4114Petrus echter stond op met de elf, verhief zijn stem en sprak hen toe: Joodse mannen en u allen die in Jeruzalem woont, dit zij u bekend en leent het oor aan mijn woorden.37Toen zij nu dit hoorden, werden zij in het hart getroffen en zij zeiden tot Petrus en de overige apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?38En Petrus <zei> tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.39Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen [de] Heer onze God ertoe zal roepen.40En met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht.41Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.).

Omdat Hij niet geknakt en uitgedoofd wordt, zal Hij het recht op aarde brengen. Hij zal het recht niet door compromissen tenietdoen, maar in trouw en volgens de waarheid uitvoeren. Hij zal ervoor zorgen dat door onderwijs in de wet het recht bekendgemaakt wordt en gehandhaafd blijft. Daarmee voorziet Hij in het verlangen dat er naar dit onderwijs is. Dan zal de vraag: “Waar is de God van het oordeel [of: recht]? (Ml 2:1717U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?
)
definitief worden beantwoord.

Het recht zal op aarde worden gebracht bij de terugkeer van de Heer Jezus naar de aarde (Ps 72:1-21Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
2Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
)
. De Heer Jezus wacht op het uur van Zijn Vader. Als de satan Hem de koninkrijken van deze wereld aanbiedt, wil Hij die niet ontvangen (Mt 4:8-108Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). De dag komt dat de belofte van de Vader in vervulling gaat en Hij tegen Hem zegt: “Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven, de einden der aarde [als] Uw bezit” (Ps 2:88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
.


De Knecht geroepen en Zijn werk

5Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk [dat] daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal [U] bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
7om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.

Nadat de HEERE de hoorders heeft opgeroepen Zijn Knecht te aanschouwen, richt Hij Zelf Zich in vers 66Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal [U] bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
tot Hem. Als inleiding beschrijft Hij Zijn almachtige kracht (vers 55Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk [dat] daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
)
. Hij spreekt van Zichzelf als “God, de HEERE”, Namen die tot uitdrukking brengen dat Hij de Almachtige en de Eeuwige is. Hij verklaart dat Hij de Schepper (of Samensteller) is van hemel en aarde en alles wat de aarde voortbrengt. Hij is ook de Gever van leven en geest aan de mensen. Hiermee wijst de HEERE Zijn Knecht op de kracht die Hij heeft om Hem te ondersteunen. Het klinkt als het “Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde” waarmee de Heer Jezus Zijn discipelen bemoedigt in Zijn opdracht aan hen om al de volken tot discipelen te maken (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.).

Deze geweldige voorstelling is de basis van wat volgt. Die grote Persoon heeft Zijn Knecht geroepen (vers 66Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal [U] bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
)
. Het is een roeping “in gerechtigheid”, dat wil zeggen een roeping die volkomen beantwoordt aan al de rechtvaardige eisen die God stelt en waaraan iemand moet voldoen om die roeping te kunnen waarmaken (vgl. Mt 3:1515Jezus antwoordde echter en zei tot hem: Laat [Mij] nu [begaan]; want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem [begaan].).

Tegelijk belooft de HEERE dat Hij zal helpen en behoeden in het vervullen van de taak waartoe Hij heeft geroepen. Het bij de hand grijpen wijst op Zijn nabijheid, Zijn gunst en genegenheid voor Hem, Zijn raad en leiding en de kracht die de Knecht van Hem als Mens ontvangt om Zijn werk te doen. Hem behoeden wil zeggen dat Hij Zijn Knecht zal beschermen tegen aanvallen tot het de tijd is dat Hij aan Zijn vijanden wordt overgeleverd.

De Knecht is gesteld “tot een verbond voor het volk”, dat is Israël. Hieruit blijkt dat een andere Persoon dan Israël de Knecht is (vgl. Js 41:8-98Maar u, Israël, Mijn dienaar,
u, Jakob, die Ik heb verkozen,
het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad,
9u, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde,
geroepen uit haar uithoeken,
en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar,
Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen.
)
. In Hem zal alles worden vervuld wat de HEERE Zijn volk heeft beloofd en waartoe Hij Zich door een verbond heeft verplicht. Hij is ook gesteld “tot een licht van de heidenvolken”. Ook de volken zullen door Hem gezegend worden. Hier zien we dat dit veel meer inhoudt dan het herstel van Israël uit de ballingschap. De Knecht komt om licht en behoudenis tot de volken te brengen.

De zegenrijke uitwerking van de positie die de HEERE Hem heeft gegeven, zal in het vrederijk worden waargemaakt door de Heer Jezus, de Knecht van de HEERE. Hij zal ogen openen en vrijheid en licht geven (vers 77om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
)
, want Israël, zo zien we verderop (vers 1818Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
)
, is een dove en blinde knecht van de HEERE. Het openen van de ogen van blinden is het getuigenis dat de Heer Jezus aan Johannes de doper laat geven als deze vraagt of Hij de Messias is (Mt 11:4-5a4En Jezus antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en bericht Johannes wat u hoort en ziet:5blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd;).

Nooit zijn in het Oude Testament de ogen van lichamelijk blinden geopend. Een van de kenmerkende tekenen van de Messias is het openen van de ogen van blinden. De geestelijke betekenis van het openen van de ogen van blinden is onwetenden onderwijzen en hen bekendmaken met God en de weg van de behoudenis (Hd 26:1818opdat zij zich bekeren van [de] duisternis tot [het] licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.).

We mogen deze dingen in tweede instantie ook op onszelf als dienaren van God toepassen, zoals de Heer Jezus aan Paulus laat zien door dit vers aan te halen voor zijn dienst (Hd 26:16-1816Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je <van Mij> hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen,17terwijl Ik je wegneem uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen,18opdat zij zich bekeren van [de] duisternis tot [het] licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.). Hij Die ons heeft geroepen, zal onze hand vastpakken en ons behoeden en ons dienaren van Zijn evangelie maken. Hij zal ons in staat stellen licht en vrijheid te brengen aan hen die in geestelijke duisternis en gevangenschap van de zonde zijn.


Alleen de HEERE kan voorzeggen

8Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de [afgods]beelden.
9De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.

“HEERE” (vers 88Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de [afgods]beelden.
)
is de Naam waarmee Hij Zichzelf aan Mozes heeft geopenbaard als garantie dat Hij Zijn woord zal vervullen met betrekking tot Zijn zending (Ex 3:14-1514En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.15Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.). Die Naam is ook de garantie voor de verlossing van Zijn volk (Ex 6:2-62Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.3Ook heb Ik Mijn verbond met hen gesloten om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij als vreemdeling verbleven.4Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren [voor zich] laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.6Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.). Zijn Naam is de garantie van de vervulling van Zijn Woord. Zijn eer geeft Hij niet aan de afgoden van de volken en kan Hij met niemand delen. De Heer Jezus krijgt die eer (Fp 2:99Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,), want Hij is de HEERE.

Op de verklaring van Zijn Naam volgt de gezaghebbende verzekering dat Hij Zijn eer en lof aan niemand en niets anders geeft. Het is een bekrachtiging van de betekenis van Zijn Naam. Zijn ‘eer’ of ‘heerlijkheid’ is de openbaring van Zijn natuur, kenmerken en kracht. De openbaring van Zijn heerlijkheid lokt de lofprijzing uit bij hen aan wie die openbaring wordt gegeven. Heerlijkheid en lof horen bij elkaar en ze horen bij niemand anders dan bij God. Dat moeten alle afgodendienaren weten.

Tegen de achtergrond van het contrast met de afgoden moet ook de tweevoudige verklaring van vers 99De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.
worden gezien. De eerste verklaring gaat over “de voorgaande dingen”. Wat God heeft voorzegd dat zou gaan gebeuren op de tijd die is aangegeven, is ook zo gebeurd. Ook zijn er “nieuwe dingen” aangekondigd (Js 42:1-71Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal [Zijn stem] niet verheffen,
Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.
3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
4Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.5Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk [dat] daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal [U] bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
7om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
)
die nog niet zijn vervuld, maar die op hun tijd evengoed in vervulling zullen gaan. De HEERE maakt alles van tevoren bekend. Geen andere god kan dat.


Oproep om de HEERE te loven

10Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof vanaf het einde der aarde,
u die de zee en al wat daarin is, bevaart,
u, eilanden en wie daarop wonen.
11Laten de woestijn en zijn steden [hun stem] verheffen,
de dorpen [waar] Kedar woont.
Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,
het vanaf de bergtoppen uitjubelen.
12Laten zij de HEERE eer geven,
en Zijn lof op de eilanden verkondigen.

De verzen 10-1710Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof vanaf het einde der aarde,
u die de zee en al wat daarin is, bevaart,
u, eilanden en wie daarop wonen.
11Laten de woestijn en zijn steden [hun stem] verheffen,
de dorpen [waar] Kedar woont.
Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,
het vanaf de bergtoppen uitjubelen.
12Laten zij de HEERE eer geven,
en Zijn lof op de eilanden verkondigen.13De HEERE zal uittrekken als een held.
Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,
Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,
Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
14Ik heb van oude tijden af gezwegen,
Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.
Als een barende [vrouw] zal Ik het uitschreeuwen.
Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.
15Ik zal bergen en heuvels woest maken
en al hun gras zal Ik doen verdorren.
Ik zal van rivieren eilanden maken
en [water]poelen doen opdrogen.
16En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
17[Maar] wie op gesneden beelden vertrouwen,
wie tegen gegoten beelden zeggen:
U bent onze goden,
die zullen terugwijken [en] diep beschaamd worden.
zijn van toepassing op het vrederijk. Dit gedeelte bevat enkele van de ‘nieuwe dingen’ van vers 99De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.
. Zo is er, nadat de verlossing is genoemd (vers 99De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik [ze] u horen.
)
“een nieuw lied” (vers 1010Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof vanaf het einde der aarde,
u die de zee en al wat daarin is, bevaart,
u, eilanden en wie daarop wonen.
)
. Het is het lied van lofprijzing dat de volken zullen zingen die zich vroeger in geestelijke duisternis hebben bevonden. Het eerste lied van de Bijbel, het lied van Mozes (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
, wordt gezongen door een verlost volk. Dat geldt straks ook voor het lied van Mozes en het Lam (Op 15:33En zij zingen het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de naties!). Dat geldt ook hier in de verzen 10-1210Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof vanaf het einde der aarde,
u die de zee en al wat daarin is, bevaart,
u, eilanden en wie daarop wonen.
11Laten de woestijn en zijn steden [hun stem] verheffen,
de dorpen [waar] Kedar woont.
Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,
het vanaf de bergtoppen uitjubelen.
12Laten zij de HEERE eer geven,
en Zijn lof op de eilanden verkondigen.
. Het werkwoord ‘zingen’ wordt nooit gebruikt voor engelen. Zingen is voorbehouden aan verlosten.

Het is een algemene oproep die over de hele aarde klinkt. De oproep begint bij hen die het verst weg zijn, de zeelieden; hij gaat verder naar hen die vlakblij wonen, namelijk de Arabieren in de woestijn; en hij eindigt bij het Joodse volk dat in de hoge bergen woont.

Vers 1111Laten de woestijn en zijn steden [hun stem] verheffen,
de dorpen [waar] Kedar woont.
Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,
het vanaf de bergtoppen uitjubelen.
spreekt over Kedar. Dat is de naam van de tweede zoon van Ismaël (Gn 25:1313Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam;). In deze naam worden de Arabieren voorgesteld. Het is de verzamelnaam voor de Arabische stammen (Js 21:13-1713De last over Arabië.
U moet overnachten in het woud in Arabië,
karavanen van de Dedanieten.
14[Treed] de dorstige tegemoet,
breng water,
inwoners van het land Tema,
treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.
15Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden,
voor het getrokken zwaard,
voor de gespannen boog,
en voor de druk van de oorlog.
16Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn.17Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want de HEERE, de God van Israël, heeft gesproken.
; Ez 27:2121Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u.)
. “Zij die in de rotsen wonen”, wordt ook wel vertaald met ‘bewoners van Sela’, een plaats waar de Edomieten woonden. De woestijn waarvan hier sprake is, is die van Arabië. De Arabieren zullen in de toekomst niet langer de valse profeet Mohammed volgen, maar de HEERE heerlijkheid geven en Zijn lof tot het uiterste van de aarde verkondigen (vers 1212Laten zij de HEERE eer geven,
en Zijn lof op de eilanden verkondigen.
)
.


De HEERE trekt uit

13De HEERE zal uittrekken als een held.
Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,
Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,
Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
14Ik heb van oude tijden af gezwegen,
Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.
Als een barende [vrouw] zal Ik het uitschreeuwen.
Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.
15Ik zal bergen en heuvels woest maken
en al hun gras zal Ik doen verdorren.
Ik zal van rivieren eilanden maken
en [water]poelen doen opdrogen.
16En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
17[Maar] wie op gesneden beelden vertrouwen,
wie tegen gegoten beelden zeggen:
U bent onze goden,
die zullen terugwijken [en] diep beschaamd worden.

De HEERE zal de koning van het noorden tenietdoen (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.) – en daarmee de heerschappij van de islam –, evenals de valse profeet van Zijn volk, de antichrist, samen met de tien koningen en het beest dat over hen regeert. Hij zal daartoe als een held uittrekken (vers 1313De HEERE zal uittrekken als een held.
Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,
Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,
Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
)
. Als Zijn strijdlust ontbrandt en Hij de strijdkreet doet horen (vgl. Jl 3:1616De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
; Jr 25:3030En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:
De HEERE zal brullen [als een leeuw] vanuit de hoogte,
vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.
Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,
Hij zal een vreugderoep als van [druiven]treders aanheffen
tegen alle bewoners van de aarde.
)
, hebben de vijanden geen schijn van kans meer.

Hij heeft Zich lang ingehouden (vers 1414Ik heb van oude tijden af gezwegen,
Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.
Als een barende [vrouw] zal Ik het uitschreeuwen.
Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.
)
en is niet openlijk tussenbeide gekomen om Zijn verdrukte volk, of het nu Israël of de gemeente betreft, te bevrijden. Dat geeft Zijn lankmoedigheid aan die zo kenmerkend is voor de tegenwoordige tijd waarin Hij het evangelie van Zijn genade laat verkondigen, ondanks alle tegenstand en lastering en afval (2Pt 3:99[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.).

Aan deze tegenwoordige tijd komt een einde. Gods zwijgen is niet eindeloos. Hij zal het uitschreeuwen. Het is alsof alle ingehouden woede over de goddeloosheid van de wereld en alles wat Zijn volk is aangedaan, eruit komt. Met de hitte van Zijn toorn zal Hij “bergen en heuvels”, als een beeld van de vijandige machten, en “al hun gras”, als een beeld van hun voorspoed en hun werken, verteren (vers 1515Ik zal bergen en heuvels woest maken
en al hun gras zal Ik doen verdorren.
Ik zal van rivieren eilanden maken
en [water]poelen doen opdrogen.
)
. Alle bronnen van zegen zullen opdrogen, aan elke verkwikking zal een einde komen.

Daartegenover zal Hij Zijn volk barmhartigheid bewijzen. Hij zal hen die verblind zijn door de zonde de ogen openen voor hun nood en hun Zijn behoudenis doen zien (vers 1616En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
)
. Hij zal hen uit de ellende voeren en hen brengen op een weg van licht en zegen, op Zijn eigen weg van gerechtigheid en vrede. Hij zal de duisternis voor hen doen oplichten. De weg zal Hij van hindernissen bevrijden en die glad en begaanbaar maken.

In de eerste plaats ziet dit op de verlossing uit de Babylonische ballingschap en de weg waarlangs ze uit Babel teruggeleid worden naar Jeruzalem (vgl. Js 43:1919Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
)
. Het volk moet begrijpen dat niet Kores, maar de HEERE Degene is Die hen verlost. Kores is slechts een instrument in Zijn hand. Meer nog zal de HEERE in de eindtijd zo handelen ten gunste van Zijn volk. Ook is de beschrijving van Zijn handelen hier zo algemeen, dat we het kunnen toepassen op heel het verlossingswerk van de Heer Jezus – Hij is de HEERE – dat Hij voor Zijn hemelse volk, de gemeente, heeft verricht.

De HEERE onderstreept Zijn woorden met een plechtige dubbele verklaring, één in positieve en één in negatieve zin, waarbij beide verklaringen elkaar versterken: Hij zal het doen én Hij zal hen niet verlaten. Zo wordt elke twijfel uitgesloten.

Dit handelen van de HEERE heeft ook een gevolg voor de afgodendienaars (vers 1717[Maar] wie op gesneden beelden vertrouwen,
wie tegen gegoten beelden zeggen:
U bent onze goden,
die zullen terugwijken [en] diep beschaamd worden.
)
. Als ze zien wat Hij heeft gedaan voor hen die hun vertrouwen op Hem stellen, zullen ze vol schrik terugdeinzen en het schaamrood zal hun op de kaken komen. De dwaasheid van hun afgoderij en de nutteloosheid van hun afgoden zullen in het volle licht worden gesteld.


Doof en blind

18Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?

In vers 77om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
zien we dat de Knecht van de HEERE de ogen van blinden opent. Hier in vers 1818Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
zien we dat doven horen en blinden zien door het werk van de Knecht of Dienaar van de HEERE. Maar dan zegt vers 1919Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?
dat de dienaar van de HEERE blind en doof is. Het is duidelijk dat er in het boek Jesaja sprake is van twee knechten. Er is een knecht die blind en doof is (Js 6:1010Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
en die eerst genezen moet worden voordat hij gebruikt kan worden door de HEERE. Die dienaar of knecht is Israël (Js 43:1010U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
)
. Er is ook een andere Knecht. Dat is niemand anders dan Christus, in Wie God al Zijn welbehagen gevonden heeft.

Deze verzen bevatten een krachtige en leerzame boodschap voor ons die door genade in Zijn dienst zijn geroepen. Veel komt op ons af wat onze blik op de Heer kan verduisteren en ons doof kan maken voor Zijn stem. Het zijn allemaal dingen waarop ons vlees maar al te zeer geneigd is te reageren. We worden op talloze manieren verzocht om te vergeten dat we op aarde zijn om eenvoudig de wil te doen van Hem Die ons heeft geroepen en gezonden. Het doen van onze eigen wil heeft alleen maar verdriet voor ons hart tot gevolg.


Ziende blind en horende doof

20U ziet [wel] veel dingen, maar u let er niet op.
Hij doet [zijn] oren [wel] open, toch luistert hij niet.
21De HEERE was [hem] genegen omwille van Zijn gerechtigheid,
Hij maakte [hem] groot [door] de wet, en luisterrijk.
22Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;
vastgebonden in holen zitten zij allen,
opgesloten in gevangenissen.
Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;
een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!

In vers 2020U ziet [wel] veel dingen, maar u let er niet op.
Hij doet [zijn] oren [wel] open, toch luistert hij niet.
wordt het verwijt van de blindheid en doofheid van het volk verder toegelicht. Ze zien wel veel, maar de werkelijke inhoud gaat aan hen voorbij omdat ze er niet op letten. Letterlijk staat er dat ze het niet ‘bewaren’ (Statenvertaling) of ‘bewaken’. De uitdrukkingen ‘bewaren’ (Hebr. samar) en ‘luisteren’ (Hebr. sama) zijn kenmerkend voor het boek Deuteronomium in verband met de wet van God (Dt 28:1515Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent door al Zijn geboden en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, nauwlettend te houden, dat al deze vervloekingen over u zullen komen en u zullen treffen:; 29:2-42Mozes riep heel Israël [bijeen] en zei tegen hen: U hebt alles gezien wat de HEERE in het land Egypte voor uw ogen gedaan heeft, met de farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land:3de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, die grote tekenen en wonderen.4Maar de HEERE heeft u geen hart gegeven om [dat] te erkennen, of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op deze dag.; vgl. Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
.

Ze doen hun oren wel open, maar wat ze horen, dringt niet tot hen door. Dat komt omdat hun hart vet is geworden; het is niet op de HEERE gericht en ze jagen alleen hun eigen belangen na. Ze willen niet in Zijn wegen wandelen en zijn niet gehoorzaam aan Zijn wet. Toch is het Zijn voornemen geweest om hun vanuit Zijn Woord, de wet, Zijn heerlijkheid te tonen (vers 2121De HEERE was [hem] genegen omwille van Zijn gerechtigheid,
Hij maakte [hem] groot [door] de wet, en luisterrijk.
)
.

Het is Zijn vreugde om hen “groot [door] de wet en luisterrijk” te maken. Dit kan ook vertaald worden met “een grote, heerlijke onderwijzing geven”. Het gaat hier om de wet, echter niet in de beperkte zin van de tien geboden, maar in al de heerlijke uitspraken die een God openbaren Die met Zijn wet, Zijn onderwijzingen, de zegen van Zijn volk op het oog heeft. Zijn gerechtigheid verlangt daarnaar, maar hun ongerechtigheid heeft dat onmogelijk gemaakt.

Het voornemen van God heeft zijn volle vervulling in het volmaakte leven van de Heer Jezus op aarde gevonden. We zien dat het Zijn lust is om Gods wil te doen. Gods wet is in Zijn binnenste en bepaalt Zijn hele leven (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
, dat van begin tot eind wordt gekenmerkt door volmaakte gehoorzaamheid (Fp 2:88En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.). De HEERE heeft in de Persoon van Zijn Zoon de wet groot en heerlijk gemaakt, zowel in Zijn leven als in Zijn dood. Bij Hem zien we in alles de heerlijkheid van de wet in contrast met de wegen van het volk aan wie de wet is gegeven.

Het volk bevindt zich in een toestand van verharding. In plaats van God te verheerlijken door de wet te onderwijzen aan de volken om hen heen hebben ze Gods wet, Zijn ‘heerlijke onderwijzing’, naast zich neergelegd. Als gevolg daarvan zijn ze overgeleverd in handen van de heidenvolken. Het is een volk dat “beroofd en uitgeplunderd” is (vers 2222Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;
vastgebonden in holen zitten zij allen,
opgesloten in gevangenissen.
Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;
een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!
)
. Het is ook een volk dat in kerkerholen en gevangenissen geboeid en opgeborgen is. Er is geen bewegingsvrijheid meer. Ze hebben zelf verlossing nodig.

Dat is ook in geestelijk opzicht het geval als een gelovige buiten de wil en de weg van God gaat leven. Dan zullen geestelijke machten zo iemand beroven van alle christelijke waarden en hem tot een slaaf van de zonde en tot oneer van God maken.


Indringende vragen

23Wie onder u neemt dit ter ore?
[Wie] slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?
24Wie heeft Jakob tot buit gegeven
en Israël [overgeleverd] aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan
en zij luisterden niet naar Zijn wet.
25Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn
en het geweld van de oorlog.
Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;
het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.

Met vers 2323Wie onder u neemt dit ter ore?
[Wie] slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?
begint het laatste deel van dit hoofdstuk, waarin een laatste serie van indringende vragen wordt gesteld. Deze vragen staan in verband met wat eraan is voorafgegaan en hebben direct te maken met de jammerlijke toestand waarin het volk zich bevindt. De vraag is hier waarom een volk dat bestemd is om een knecht van de HEERE te zijn, aan wie de wet, het onderwijs van God, toevertrouwd is, niet in staat is om deze taak te vervullen, ja, zelf verlossing nodig heeft. Wie van hen zal deze les, deze vraag, ter harte nemen?

Het lijden door de hand van de heidenvolken zal nog groter worden. Slechts een overblijfsel zal in het vervolg luisteren. “Wat hierna zal zijn”, ziet op de toekomst. Het houdt de oproep in om met de toekomst bezig te zijn. De gevolgen daarvan voor het praktische leven zullen niet uitblijven. Alleen het overblijfsel zal erkennen dat het lijden dat over het volk is gekomen, door de HEERE is bewerkt (vers 2424Wie heeft Jakob tot buit gegeven
en Israël [overgeleverd] aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan
en zij luisterden niet naar Zijn wet.
)
.

Zij zullen erkennen dat de ballingschap het gevolg is van hun eigen zonden. De eerste ballingschap is die naar Babel. Daar zijn ze zeventig jaar geweest omdat zij de wet niet hebben gehouden en afgoderij hebben gepleegd. De andere ballingschap is die naar alle uithoeken van de aarde voor een periode die nu al zo’n tweeduizend jaar duurt. Waardoor komt dat? Het is vanwege de verwerping van de Heer Jezus (vgl. Gn 42:2121Toen zeiden zij tegen elkaar: Werkelijk, wij zijn schuldig vanwege onze broer. Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte, maar wij gaven hem geen gehoor! Daarom komt deze benauwdheid over ons.).

Omdat de goddeloze massa van het volk niet wil luisteren, zullen nog intensere plagen hen treffen (vers 2525Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn
en het geweld van de oorlog.
Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;
het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.
)
. Nog erger dan de tuchtiging zelf is het niet onderkennen dat de HEERE dit over hen brengt. Deze dingen worden geschreven om ons te leren erkennen dat de kastijdende hand van de Heer in ons leven wordt bestuurd door Zijn genadige voornemen, wijsheid en liefde.


Lees verder