Jesaja
Inleiding 1-2 Troost voor Gods volk 3-5 Bereid de weg van de HEERE 6-8 Het vlees tegenover het Woord van God 9-11 Zie, hier is uw God 12-18 God, met niemand te vergelijken 19-20 De nietigheid van een afgod 21-26 Gods verhevenheid 27-31 De eeuwige God geeft de moede kracht
Inleiding

Overzicht hoofddeel 2.1 Jesaja 40-48

De soevereiniteit en belofte van de HEERE

Het eerste gedeelte van het tweede hoofddeel (Jesaja 40-66) omvat Jesaja 40-48 en is als volgt onder te verdelen:
1. Goed nieuws voor Jeruzalem (Jesaja 40:1-11)
2. God, de Onvergelijkbare (Jesaja 40:12-31)
3. God, de Heer van de geschiedenis voor Zijn volk (Jesaja 41:1-29)
4. De Knecht van de HEERE (Jesaja 42:1-25)
5. Genade overvloedig en veracht (Jesaja 43:1-28)
6. Israëls grote God en de dwaasheid van afgoderij (Jesaja 44:1-23)
7. Gods handelingen door Kores voor Jeruzalem (Jesaja 44:24-45:25)
8. De nutteloze afgoden en de HEERE Almachtig (Jesaja 46:1-13)
9. De val van het trotse Babel (Jesaja 47:1-15)
10. Gods voornemen van genade (Jesaja 48:1-22)

Inleiding op Jesaja 40

Met Jesaja 40 begint het tweede grote hoofddeel van Jesaja dat doorloopt tot het einde van het boek. Dit tweede hoofddeel begint met de belofte van de voorloper, Johannes de Doper (Js 40:33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
)
en eindigt met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Js 66:2222Want zoals de nieuwe hemel
en de nieuwe aarde die Ik ga maken,
voor Mijn aangezicht zullen blijven staan, spreekt de HEERE,
zo zullen [ook] uw nageslacht en uw naam blijven staan.
)
.

Het eerste hoofddeel heeft vooral als onderwerp de vroegere geschiedenis van Israël en zijn toekomst, evenals die van de volken waarmee het te doen heeft. Het gaat hier om het werk van God om Israël als volk te verlossen van de macht van de volken – voorgesteld door Assyrië – en het herstel van Israël als natie. In het tweede hoofddeel gaat het vooral om het werk van God in de harten, om het hart naar Hem te doen keren. Daarvoor moet het volk worden verlost uit de macht van Babel, profetisch de godsdienstige macht van de toekomst.

Dit tweede hoofddeel is in drie delen onder te verdelen. Elk deel bevat negen hoofdstukken:
1. Jesaja 40-48
2. Jesaja 49-57
3. Jesaja 58-66

Het onderwerp door alle hoofdstukken heen is tweeledig. Ze bevatten de oproep tot bekering en de belofte van bevrijding. In verbinding met het eerste onderwerp, de oproep tot bekering, sluit elk deel af met een ernstige waarschuwing aan het adres van de goddelozen (Js 48:2222Voor de goddelozen is er [echter] geen vrede, zegt de HEERE.; 57:2121De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!; 66:2424En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
. Deze gelijkluidende waarschuwing markeert de indeling in drie delen van elk negen hoofdstukken.

De oproep tot bekering is gebaseerd op de trouw van God. God blijft trouw ondanks onze ontrouw. Dat blijkt uit Jesaja 7-39. Voor ieder die Hem wil vertrouwen, zoals koning Hizkia (Js 37:1-4,14-201Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?14Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die [brieven] uit voor het aangezicht van de HEERE,15en Hizkia bad tot de HEERE:16HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.17Neig, HEERE, Uw oor, en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor al de woorden van Sanherib die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.18Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben al die landen met hun grondgebied verwoest,19en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield.20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U de HEERE bent, U alleen.), is er altijd verlossing. Hetzelfde geldt ten aanzien van Israël (Js 44:24-2624Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
Uw Formeerder van de [moeder]schoot af:
Ik ben de HEERE, Die alles doet:
Die de hemel uitspant, Ik alleen,
Die de aarde uitspreidt door Mijzelf;
25Die de tekenen van hen die leugens verzinnen verbreekt,
Die de waarzeggers waanzinnig maakt;
Die de wijzen doet terugdeinzen,
Die hun kennis tot dwaasheid maakt;
26Die het woord van Zijn knecht gestand doet,
en de raad van Zijn boden volbrengt;
Die tegen Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden,
en tegen de steden van Juda: U zult herbouwd worden,
en: Ik doe hun puinhopen herrijzen;
)
. Het dienen van de HEERE is voor Israël alleen mogelijk als het volk leert te vertrouwen op de onverdiende genade van God, een God Die ondanks hun ongehoorzaamheid verlossing aanbiedt, zonder geld en zonder prijs (Js 55:11O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.
)
.

In het eerste deel, Jesaja 40-48, spreekt de profeet het volk aan vanwege hun afgoderij. Hij stelt het volk twee contrasten voor: het contrast tussen de HEERE, de God van Israël en de afgoden en het contrast tussen Israël en de heidenen. Afgoderij is de eerste grote zonde van Israël, met name van het tienstammenrijk.

In het tweede deel, Jesaja 49-57, is zijn aanklacht dat zij de Messias hebben verworpen. In dit deel stelt hij het contrast voor tussen het lijden van de Knecht van de HEERE en Zijn toekomstige heerlijkheid. De verwerping van de Messias is de tweede grote zonde van Israël, met name van het tweestammenrijk, Juda.

In het derde deel, Jesaja 58-66, laat hij het contrast zien tussen de huichelachtigen en opstandigen, de afvalligen die de antichrist volgen, en de getrouwen en vervolgden, het gelovig overblijfsel van Israël.

In elk van de drie delen zien we een aspect van het handelen van de drie-enige God:
1. De Persoon van de Verlosser – door God voorgesteld (Jesaja 40-48).
2. Het werk van de verlossing – uitgevoerd door de Zoon, de volmaakte Knecht van de HEERE (Jesaja 49-57).
3. De verlossing – door de Heilige Geest bewerkt (Jesaja 58-66).

Het handelen van God voor Israël zal geschieden in genade en liefde (vgl. Jr 31:2-32Zo zegt de HEERE:
Het volk dat aan het zwaard ontkomen was,
heeft genade gevonden in de woestijn,
toen [Ik op weg] ging om hem, Israël, tot rust te brengen.
3Van verre [tijden] af is de HEERE aan mij verschenen:
[Met] eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,
daarom heb Ik u getrokken [met] goedertierenheid.
)
. In dit tweede grote hoofddeel van Jesaja zien we het resultaat van dit handelen van God in de harten van het gelovig overblijfsel van Israël.

Het eerste gedeelte (Jesaja 40-48) spreekt over verschillende heerlijkheden. We lezen over de heerlijkheid
1. van de HEERE (Jesaja 40; zie Js 40:55De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
,
2. van Zijn raad (Jesaja 41),
3. van Zijn genade (Jesaja 42-43; zie Js 43:2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
)
,
4. van Zijn beloften (Jesaja 44-45) en
5. van Zijn macht (Jesaja 46-48).

Het beroemde, ongeëvenaarde Jesaja 53 is het middelste hoofdstuk van het tweede (middelste) deel van deze drie delen van Jesaja.

Nu duidelijk is vanuit het eerste deel van Jesaja (Jesaja 1-39) hoe de ware toestand van het volk Israël is, komt de vraag of dit het einde is van het boek Jesaja. Heeft het oordeel over Israël – Maher Sjalal Chasj Baz, betekent ‘Snelroof Vlugge Buit’, de naam van de tweede zoon van Jesaja (Js 8:11Verder zei de HEERE tegen mij: Neem u een groot schrijfbord en schrijf daarop, voor iedereen leesbaar: Maher Sjalal Chasj Baz.) – het laatste woord? Het antwoord is een verrassend néén. God is niet een God bij Wie het oordeel het laatste woord heeft. Hij is een God van heil – dat betekent immers de naam ‘Jesaja’. Dat wordt nu in het tweede deel van Jesaja, Jesaja 40-66, getoond waar de betekenis van de naam van de eerste zoon van Jesaja, Sjear-Jasjub (Js 7:33En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld.) – betekent ‘een rest zal terugkeren’ – in vervulling zal gaan.

De verzen 1-111Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.3Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.6Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.9Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
11Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
vormen de inleiding van een nieuw gedeelte. In vier evenwichtige coupletten wordt een fundament gelegd voor de boodschap die in de rest van het boek aan ons wordt gegeven. Daarin zien we bevestigd dat de boodschap voortaan niet meer het oordeel, maar
1. het herstel van Israël is (verzen 1-21Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
)
,
2. dat het herstel een persoonlijk ingrijpen is van God (verzen 3-53Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
,
3. dat geen macht van mensen dit zal kunnen tegenhouden (verzen 6-86Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
)
, en
4. dat daardoor het evangelie van Gods macht en barmhartigheid verkondigd wordt (verzen 9-119Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
11Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
)
.


Troost voor Gods volk

1Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.

De verzen 1-21Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
zijn in feite de titel van het tweede grote deel van het boek. Dit hoofdstuk begint met woorden die een grote bemoediging betekenen voor het lijdende gelovig overblijfsel nu en ook profetisch in de grote verdrukking. De profeet Jesaja krijgt de opdracht het volk van God te troosten. God wil door Zijn profeten Zijn volk troosten (vgl. 1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). Hun wordt troost toegezegd door hun God Die de dringende noodzaak daartoe kent (vers 11Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
)
. Vandaar de herhaling van het woord ‘troost’. Het is de vervulling van de belofte van Jesaja 12 (Js 12:11Op die dag zult u zeggen:
Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,
maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.
)
.

Troost betekent letterlijk ‘diep zuchten, opluchting’. Daarom wordt dit tweede deel van Jesaja ook wel ‘het Troostboek’ genoemd met Jesaja 53 als centrum en hoogtepunt. Het is ook tekenend dat de woonplaats van de Heer Jezus op aarde het dorp Kapernaüm is. Kapernaüm betekent ‘dorp van de vertroosting’. De woorden “zal uw God zeggen” houden in dat deze troost alleen wordt toegezegd aan hen die in betrekking staan tot God, tegen wie “uw God” gezegd kan worden. Deze woorden houden ook de zekerheid van de vertroosting in, want God zegt het.

Het bevel tot vertroosting krijgt extra nadruk door eraan toe te voegen dat moet worden gesproken “naar het hart van Jeruzalem”. Dat wil zeggen dat er vertroostend tot Jeruzalem moet worden gesproken omdat God door de vertroosting het hart wil winnen (vers 22spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
; vgl. Gn 50:2121Nu dan, wees niet bevreesd. Ikzelf zal jullie en jullie kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen en sprak hij naar hun hart.; Ru 2:1313En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen.; Hs 2:1313Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken,
haar de woestijn in leiden,
en naar haar hart spreken.
)
. De tijd van haar lijden is namelijk bijna volbracht en haar ongerechtigheid is geboet. De straf zit er bijna op en ze kan binnenkort vrij uitgaan, weg uit Babel, terug naar Gods land en stad.

De oproep “roep haar toe” heeft de betekenis ‘verklaar!’, ‘proclameer!’ Vervolgens worden drie dingen genoemd:
1. De tijd van haar lijden is volbracht. De straf – dat is lijdenstijd, strijd, oorspronkelijk militaire dienst – zit erop en ze kan vrij uitgaan, weg uit Babel, terug naar Gods land en stad.
2. Haar ongerechtigheid is verzoend – Hij is “om onze ongerechtigheden verbrijzeld” (Js 53:5a5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
)
.
3. Zij heeft dubbel ontvangen voor al haar zonden – de ballingschap en de grote verdrukking hebben hun werk gedaan in hart en geweten, zoals dat destijds bij de broers van Jozef is gebeurd in de gevangenis (Genesis 44-45).

De grondslag voor de verzoening zal gelegd worden door de Heer Jezus, de Knecht van de HEERE, op het kruis (Js 53:1-121Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.7Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
. Gods heiligheid is bevredigd door de verzoening die zal worden aangebracht door het werk van Zijn Zoon, waarvan de waarde voor Hem al van tevoren vast staat. Op grond daarvan kan Hij ook in de periode vóór het kruis de zonden voorbij laten gaan, zonder ze toe te rekenen (Rm 3:2525Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;). Nu ze haar ongerechtigheid heeft erkend, is er volkomen vergeving.

Ze heeft ontvangen voor “al haar zonden”. Er is niets meer wat nog oordeel vereist. Dat zij “het dubbele ontvangen” heeft voor haar zonden – dat is, dat ze het volle pond heeft ontvangen (Js 61:77In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
; Jr 16:1818Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden vervuld.)
–, is in overeenstemming met de wet (Ex 22:44Als inderdaad het gestolene levend in zijn bezit aangetroffen wordt, moet hij het van rund tot ezel, tot kleinvee toe dubbel vergoeden.). Er is niet alleen verlies van goederen te vergoeden, maar er is ook emotionele schade aangericht – God is onteerd – waaraan tegemoet moet worden gekomen. Het kan hier betekenen dat het oordeel tot de volle maat is uitgeoefend over de dubbele zonde die zij heeft begaan: afgoderij (Jesaja 40-48) en verwerping van de HEERE en Zijn wet en Woord (Jesaja 49-57). Daar komt dan nu een dubbele troost, “troost, troost”, voor in de plaats.

In het Nieuwe Testament openbaart God Zich in drie Personen als Trooster. God de Vader is “de God van alle vertroosting” (2Ko 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting,). De Heilige Geest wordt door de Heer Jezus enkele keren “Trooster” genoemd (Jh 14:16,2616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:26Maar de Voorspraak, de Heilige Geest, Die de Vader zal zenden in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd.; 15:2626Maar wanneer de Voorspraak is gekomen, Die Ik u zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid Die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen.; 16:77Maar Ik zeg u de waarheid: het is nuttig voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Voorspraak niet tot u komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.). De Heer Jezus wordt ook de Trooster genoemd. Het woord ‘voorspraak’ in 1 Johannes 2 kan ook vertaald worden met ‘trooster’ (1Jh 2:11Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, [de] Rechtvaardige;). Ook het feit dat de Heer de Heilige Geest “een andere Trooster” noemt (Jh 14:1616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:), betekent dat Hij tot de komst van de Heilige Geest voor Zijn discipelen de Trooster is.

Het kenmerk van de Heer Jezus is “om alle treurenden te troosten” (Js 61:2b2om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
)
. Zo mogen wij ons in onze weg op aarde verheugen in het grote voorrecht van de blijvende tegenwoordigheid van de drie-enige God Die ons troost als we teleurstellingen ervaren.

In de eindtijd is ook sprake van een dubbel lijden van het overblijfsel. Het volk is nu al vele eeuwen in ballingschap onder de volken. Velen zijn al teruggekeerd in het land, velen zullen nog terugkeren. Alleen gebeurt alles nu nog in ongeloof. Vanwege de verwerping van de Messias en het ten top voeren van de afgoderij in het aanvaarden van de antichrist, een mens die van zichzelf verklaart dat hij God is en een beeld voor het beest in de tempel opricht (Op 13:1414En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.), zal het volk nog een vreselijke tijd meemaken. Die tijd staat bekend als ‘de grote verdrukking’.

God zal de volken tegen Zijn volk verzamelen en Zijn volk door de volken tuchtigen. Onder die tucht zal het gelovig overblijfsel evengoed lijden als de goddeloze massa. Maar het overblijfsel zal dubbel lijden. Zij zullen lijden zowel van de vijanden die van buiten Israël het land binnenvallen als van de antichrist en de goddeloze massa die zich in Israël bevinden. In het vrederijk zal dit overblijfsel dubbele vergoeding krijgen (Js 61:77In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
)
.


Bereid de weg van de HEERE

3Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.

De troost van vers 11Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
is niet gebaseerd op de goede werken van het volk. Het is ook niet doordat de ballingschap lang genoeg geweest is en de straf voldoende is uitgezeten. Nee, de troost komt door de persoonlijke komst en het ingrijpen van de HEERE: hun God komt (vers 33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
)
!

De terugkeer van een overblijfsel uit Babel naar het beloofde land wordt door de HEERE bewerkt (Ea 1:11In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:), opdat de beloofde Messias aan Zijn volk zal kunnen worden voorgesteld. Door een heraut die hier wordt voorgesteld als “een stem van iemand die roept in de woestijn” – letterlijk “een stem … roepende …” –, kan de komst van de HEERE aangekondigd worden, een komst waarmee de volle zegen van God in het vrederijk tot Zijn volk kan komen.

Dat zien we gebeuren in de evangeliën. De zegen die wordt aangekondigd, is dat het koninkrijk der hemelen nabijgekomen is (Mt 3:22en zei: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.), omdat de beloofde Koning, de Messias, gekomen is en op het punt staat in het openbaar te verschijnen. De heraut is Johannes de doper. De vier schrijvers van de evangeliën laten daarover geen misverstand bestaan (Mt 3:1-31In die dagen nu trad Johannes de doper op en predikte in de woestijn van Judéa2en zei: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.3Want deze is het van wie gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht’.; Mk 1:1-41Begin van het evangelie van Jezus Christus, <[de] Zoon van God>;2zoals geschreven staat in de profeet Jesaja: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor U uit, die Uw weg zal bereiden’;3‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht.’4Johannes kwam en doopte in de woestijn en predikte [de] doop van bekering tot vergeving van zonden.; Lk 1:76-7876En jij, kind, zult een profeet van [de] Allerhoogste worden genoemd, want jij zult voor het aangezicht van [de] Heer heengaan om Zijn wegen te bereiden,77om Zijn volk kennis van [de] behoudenis te geven in [de] vergeving van hun zonden,78door [de] innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee [de] Opgang uit [de] hoogte ons zal bezoeken,; Jh 1:2323Hij zei: Ik ben [de] stem van een roepende in de woestijn: ‘Maakt de weg van [de] Heer recht!’, zoals de profeet Jesaja heeft gesproken.). We zien door de aanhaling van vers 33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
in het Nieuwe Testament dat door de profeet Jesaja hier de Godheid van de Heer Jezus duidelijk geleerd wordt.

“Bereid” betekent ‘verwijderen van hindernissen’. De ontvangst van de Messias gebeurt, met andere woorden, niet omdat de straf erop zit, maar door het opruimen van hindernissen. “De weg” is de weg van verlossing (Js 11:1616Er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
die overgebleven zal zijn in Assyrië,
zoals het met Israël gebeurde
op de dag dat het wegtrok uit het land Egypte.
)
en is vergelijkbaar met de bevrijding uit Egypte. Het is de gebaande weg voor de HEERE, niet een letterlijke weg, maar een geestelijke weg. Op deze weg zal de HEERE komen met verlossing en heil.

Hun geestelijke toestand is als “de woestijn”. Het is het begin van het werk van God in het hart van het volk als het volk zich dat bewust wordt. Ze bevinden zich ver van God en zijn dorstig naar Hem (Ps 63:22O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
; 42:11Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.)
.

De prediking van Johannes de doper heeft echter geen gehoor gevonden. Christus wordt verworpen en daarom kan het beloofde vrederijk niet worden opgericht. Maar Hij zal voor “de tweede keer … verschijnen” (Hb 9:2828zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om [de] zonden van velen te dragen, [de] tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten.). Dat zal in de eindtijd gebeuren.

“Alle dalen zullen verhoogd worden” ziet op allen die in het dal van de vernedering zijn geweest en die uiteindelijk in het vrederijk zullen worden verhoogd (vers 44Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
)
. Het geldt ook voor hen die zich nu vrijwillig vernederen (Jk 4:1010Vernedert u voor [de] Heer en Hij zal u verhogen.; 1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,; Lk 18:1414Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling met de ander; want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd, maar wie zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.; Jb 5:1111om de nederigen op een hoogte te plaatsen,
om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.
)
. Het verlagen van bergen en heuvels heeft de omgekeerde betekenis. Allen die zichzelf verheffen, zullen worden vernederd.

Wat “krom”, oneffen, ongelijkmatig is, zal “recht”, glad en gelijkmatig worden. Er zal bijvoorbeeld niet meer met dubbele tong worden gesproken. De bedoelingen zullen zuiver zijn. “Wat rotsachtig is”, de ruwe plaatsen waar niets groeit, zal tot een vruchtbare “vlakte” worden. Op plaatsen waar geen leven mogelijk is, zal ieder van het leven kunnen genieten zoals de HEERE het bedoeld heeft.

Bij de prediking van Johannes de doper die de evangelist Lukas heeft opgetekend, verwijst Lukas naar deze verzen van Jesaja (Lk 3:4-64zoals geschreven staat in [het] boek van [de] woorden van de profeet Jesaja: ‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht.5Elk dal zal gevuld en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en wat krom is zal tot een rechte [weg] worden, en de oneffen tot vlakke wegen.6En alle vlees zal de behoudenis van God zien’.). Lukas is de evangelist die laat zien dat de genade van God voor alle mensen is verschenen. Om die genade te zien en er deel aan te krijgen moet er wel de juiste geestelijke gezindheid zijn.

1. ’Alle bergen en heuvels’ die verlaagd zullen worden, slaat op de hoogmoed van de farizeeën en sadduceeën (Lk 3:7-97Hij zei dan tot de menigten die uitliepen om door hem gedoopt te worden: Adderengebroed, wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn te ontvluchten?8Brengt dan vruchten voort, de bekering waardig; en begint niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg u, dat God uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.9En ook ligt de bijl al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen <goede> vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in [het] vuur geworpen.). Allen die zichzelf verheffen, zullen vernederd worden.
2. ‘Wat krom is’, slaat op de tollenaars die kromme wegen bewandelen vanwege geldzucht. Zij zullen tot een rechte weg worden als ze niets meer vorderen dan hun is voorgeschreven (Lk 3:5b,12-135Elk dal zal gevuld en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en wat krom is zal tot een rechte [weg] worden, en de oneffen tot vlakke wegen.12Nu kwamen er ook tollenaars om gedoopt te worden en zij zeiden tot hem: Meester, wat moeten wij doen?13Hij nu zei tot hen: Vordert niets méér dan u is voorgeschreven.).
3. ‘Wat rotsachtig’ of ruw is, slaat op de ruwe soldaten. Johannes houdt hun voor hoe ze “tot vlakke wegen” kunnen worden (Lk 3:5b,145Elk dal zal gevuld en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en wat krom is zal tot een rechte [weg] worden, en de oneffen tot vlakke wegen.14En ook soldaten vroegen hem aldus: En wij, wat moeten wij doen? En hij zei tot hen: Plundert niemand uit en beschuldigt niemand vals, en weest tevreden met uw soldij.).

In deze veranderde situatie zal de heerlijkheid van de HEERE in de hele schepping zichtbaar worden voor “alle vlees tezamen”, dat wil zeggen voor iedereen die dan leeft (vers 55De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
; Op 1:7a7Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.)
. Dan zullen de woorden van de serafs vervuld worden: “Heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid vol!” (Js 6:33De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
)
.

Zo zien we dat
1. de terugkeer uit Babel wordt verbonden met
2. de tijd dat de Heer Jezus in vernedering op aarde komt, wat vanwege Zijn verwerping vervolgens wordt verbonden met
3. Zijn wederkomst in majesteit om te oordelen en te regeren.

De slotregel van vers 55De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
, “want de mond van de HEERE heeft gesproken”, benadrukt de zekerheid van de dingen die hier worden verkondigd. Deze woorden zijn vergelijkbaar met de woorden van de Heer Jezus die we vaak in het evangelie naar Johannes horen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u.”


Het vlees tegenover het Woord van God

6Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.

Na de beschrijving van de glorieuze staat van dingen in de verzen 3-53Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
, wordt een andere stem gehoord, die de opdracht geeft om te roepen (vers 66Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
)
. Als reactie daarop klinkt de vraag, wat er dan wel moet worden geroepen. Het eerste roepen, in vers 33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
, heeft als inhoud de glorie en luister van de HEERE. Dit tweede roepen heeft als inhoud de nietigheid van de mens.

Het antwoord op de vraag wat moet worden geroepen, is tweevoudig. Er moet een tweevoudige verklaring worden afgelegd. Enerzijds wordt de vergankelijkheid van het vlees verklaard, anderzijds wordt de onvergankelijkheid van het Woord van God verklaard (verzen 7-87Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
; 1Pt 1:23-2523u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.24Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,25maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.)
. Wat God zegt, dat is Hij (Jh 8:2525Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? Jezus zei tot hen: Geheel wat Ik ook tot u spreek.). Vandaar dat, zoals Hij Zelf eeuwig is, ook Zijn Woord eeuwig is. Het Woord is ook een Persoon (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.; Op 19:1313En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.).

Alle heerlijkheid waarop de ongelovigen van Israël zich beroemen, zal vergaan, terwijl wat God gezegd heeft en Wie Hij is, eeuwig zullen blijven. Gods Woord wordt tot op het kleinste letterteken vervuld (Mt 5:1818Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd.). De ongelovige massa zal als het gras verdorren. Dit is een bekend beeld uit Israël van de gevolgen van de hete wind uit de woestijn, de zogenoemde ‘chamsin’. Als deze wind waait, is binnen twee dagen alles verdord wat groeit en bloeit. Dat is wat er van de mens zonder God wordt.

Voor de gelovige is het een bemoediging te weten dat het Woord van God als de onwankelbare steun blijft als alle steun in de mens en van de mens wegvalt. De tegenstelling tussen de vergankelijke natuur van de mens en het onvergankelijke Woord van God kan niet sterker worden voorgesteld.


Zie, hier is uw God

9Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
11Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Nu alles zo ten goede is gekeerd voor Sion, dat is Jeruzalem, wordt Sion opgeroepen op een hoge berg te klimmen (vers 99Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
)
. In het vrederijk zal de berg Sion de hoogste zijn van alle bergen (Js 2:22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
)
, terwijl heel Juda zal zijn als een vlakte (Zc 14:1010Heel het land zal als de Vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning.). De verkondiging van het evangelie zal van Jeruzalem uitgaan (Hd 1:88Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde.). Hier gaat het om de goede boodschap dat God Zelf gekomen is om Israël te verlossen. Dat mag Sion doorgeven aan de andere steden van Juda. Jeruzalem is in het Oude Testament het uitgangspunt voor de openbaring van de heerlijkheid van God.

Door de verwerping van de Heer Jezus is Gods heerlijkheid uit Jeruzalem verdwenen (Ez 10:4,18-194Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Maar nu is God in Christus weer teruggekomen. Daarvan moeten ze als vreugdeboden met kracht en zonder vrees (vgl. 2Tm 1:77Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.) de blijde boodschap uitbazuinen tot alle steden van Juda. Ze mogen het uitroepen: “Zie, uw God!” Het is de geweldige boodschap dat de Messias, Die God is, tot Zijn volk is gekomen en Sion heeft bevrijd. Het gebed van Psalm 14 is verhoord (Ps 14:77Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.
)
! Uit Sion komt de Redder (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.).

De oproep “zie” met betrekking tot de Heer Jezus zien we ook op andere plaatsen, waarvan we er enkele kunnen verbinden met de wijze waarop Hij in de evangeliën wordt voorgesteld:
1. Zo lezen we hier: “Zie, hier is uw God” (Js 40:99Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
)
. Dit verwijst naar het evangelie naar Johannes, waar we de Heer Jezus als God de Zoon zien.
2. We zullen nog horen: “Zie, Mijn Knecht” (Js 42:11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
)
. Dit doet ons aan het evangelie naar Markus denken, waar Hij als de Dienaar wordt voorgesteld.
3. Dan horen we nog: “Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT” (Zc 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. Dit herinnert ons aan het feit dat Hij waarachtig Mens is, Die we vooral in het evangelie naar Lukas ontmoeten.
4. Ten slotte klinkt nog: “Zie, uw Koning zal tot u komen” (Zc 9:99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
)
. Dit bepaalt ons bij het evangelie naar Mattheüs, waarin Hij als Koning wordt beschreven.

Na het eerste “zie” in vers 99Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
volgt in vers 1010Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
nog twee keer een “zie” als verzekering dat de Redder werkelijk gekomen is. Door het ene ‘zie’ wordt het oog van de steden van Juda gericht op Hem Zelf, “de Heere HEERE”. Hij zal ook voor hen Zijn kracht tonen en zij zullen meemaken dat Hij Zijn heerschappij aanvaardt. Het andere ‘zie’ vestigt de aandacht op wat Hij bij Zich heeft. Hij heeft “Zijn loon” bij Zich voor de getrouwen – voor de vijanden van Zijn volk heeft Hij vergelding bij Zich. Hij is de Overwinnaar, Hij is de Rechter.

Deze drie keer ‘zie’ laten ons ook zien dat Israël Christus op drie manieren zal leren kennen:
1. “Zie, uw God.” Als Christus wordt geopenbaard aan Israël, zal het volk zich realiseren dat Christus de God van Israël is. Nu loochent Israël de Godheid van de Heer Jezus, maar dan zal de sluier van hun aangezicht worden weggenomen. Op die dag zal het volk zeer gewillig zijn (Ps 110:33Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.
)
. Net als Thomas, die een beeld is van het gelovig overblijfsel van Israël, zullen ze tot de belijdenis komen: “Mijn Heer en mijn God!” (Jh 20:2828Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!).
2. “Zie, de Heere HEERE.” Met kracht zal Hij komen, en Zijn arm zal heersen. Israël zal ook ontdekken dat de Heer Jezus ook de soevereine Heerser is, de “Heere” (Adonai), de Koning van Israël en de Koning van de koningen, en de “HEERE” (Jahweh), de God Die al Zijn beloften vervult. Net als Nathanaël, die ook een beeld is van het gelovig overblijfsel van Israël, zullen ze erkennen: “U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël” (Jh 1:5050Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël.).

3. “Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich, … als een herder …” (vgl. 1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Het overblijfsel van Israël zal ook ontdekken dat de Heer Jezus de ware “goede Herder” en de “grote Herder” van Israël is (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;; Hb 13:2020De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,). Bij Zijn eerste komst komt Hij als de goede Herder, maar wordt Hij verworpen door Israël. Dan geeft Hij Zijn leven voor Zijn schapen, die verstrooid zijn (Jh 11:5252en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen.). Bij Zijn wederkomst zal Hij de grote Herder zijn, opgestaan uit de doden, en zal Hij de kleinen, het overblijfsel, tot Zich vergaderen (Zc 13:77Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Sla die Herder
en de schapen zullen overal verspreid worden.
[Maar] Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
)
.

Als de HEERE komt en de oproep “zie, uw God!” klinkt, zien we
1. hoe Israël uit de hand van de HEERE dubbel heeft ontvangen voor al zijn zonden (vers 22spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
)
,
2. hoe de mond van de HEERE de verzekering geeft dat Zijn heerlijkheid zichtbaar zal zijn (vers 44Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
)
,
3. hoe de adem van de HEERE alle vijanden en alle ongeloof zal vernietigen (vers 66Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
)
en
4. hoe de arm van de HEERE verlossing schenkt en tegelijkertijd Zijn schapen teder verzorgt (vers 88Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
)
.

Hij zal als Herder al Zijn verstrooide schapen bij elkaar brengen en met een speciale zorg omringen (vers 1111Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
; Jh 10:11-1611Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.13En de huurling vlucht>, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn leven af voor de schapen.16En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.)
. Hij zal Zijn kudde “weiden”, zodat de schapen rust en voedsel krijgen. De kleinen en kwetsbaren zal Hij in Zijn liefdevolle en almachtige armen “bijeenbrengen” om hen te beschermen.

“De zogenden”, zij die de jongen moeten voeden, zal Hij met alle tederheid verder leiden, zonder ze ook maar enigszins op te jagen (vgl. Gn 33:13-1413Hij zei echter tegen hem: Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zogend kleinvee en [zogende] runderen bij mij heb; als men die maar één dag opjaagt, zal al het kleinvee sterven.14Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit gaan; ik wil op mijn gemak verdergaan, naar de gang van het vee dat voor mij is en naar de gang van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.). Zo heeft Hij voor ieder lid van het Godvrezend overblijfsel de aandacht die past bij het stadium van de geestelijke groei.

We vinden hierin een voorbeeld voor hen aan wie vandaag de zorg voor de kudde van God is toevertrouwd (1Pt 5:2-32hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.). Er is veel toewijding en onderscheidingsvermogen nodig om dit voorbeeld van de Heer Jezus na te volgen in het omgaan met de verschillende categorieën waaruit de kudde bestaat. De Heer onderwijst ons de noodzaak om met teder medegevoel en genade om te gaan met hen die aan onze zorg zijn toevertrouwd (vgl. Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.).


God, met niemand te vergelijken

12Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
13Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild
en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen?
14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,
Hem het pad van het recht zou leren,
Hem kennis bij zou brengen
of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?
15Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
16De Libanon is niet genoeg om te branden,
zijn dieren zijn niet genoeg voor het brandoffer.
17Alle volken zijn als niets voor Hem,
zij worden door Hem beschouwd als minder dan niets en [als] leegheid.
18Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?

De verzen 1-111Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.3Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.6Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.9Klim op een hoge berg,
Sion, verkondigster van een goede boodschap;
verhef uw stem met kracht,
Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.
Verhef [die], wees niet bevreesd.
Zeg tegen de steden van Juda:
Zie, uw God!
10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,
en Zijn arm zal heersen.
Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich,
Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.
11Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
van dit hoofdstuk vormen de proloog van dit tweede hoofddeel van het boek Jesaja. Daarin zien we Wie Hij is Die tussenbeide komt voor de verlossing en vertroosting van Zijn volk. Vanaf vers 1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
gaat de profeet getuigen van de onvergelijkbare kenmerken van hun Schepper-God Die voor hen zorgt. Ze moeten zich bewust worden van Zijn oneindige grootheid, kenmerken en kracht.

Zo stelt Jesaja Hem voor in contrast met de afgoden van de volken om hen heen die zij hebben gediend (verzen 15-1715Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
16De Libanon is niet genoeg om te branden,
zijn dieren zijn niet genoeg voor het brandoffer.
17Alle volken zijn als niets voor Hem,
zij worden door Hem beschouwd als minder dan niets en [als] leegheid.
)
en met de natuur van de afgoden en hun makers (verzen 18-2018Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?19De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt [er] zilveren kettingen [voor].
20Wie te arm is [voor] een hefoffer,
kiest een stuk hout [dat] niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.
)
. Dat voert tot een hernieuwing van vertroostende zekerheden (verzen 29-3129Hij geeft de vermoeide kracht
en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.
30Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;
31maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
. In het licht van de majesteit van God wordt duidelijk hoe nietig de afgoden zijn. Zo gaat het met het evangelie ook. Als de Heer Jezus wordt voorgesteld, verbleekt al het andere, omdat niets de voldoening geeft die Hij geeft.

In de verzen 12-1412Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
13Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild
en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen?
14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,
Hem het pad van het recht zou leren,
Hem kennis bij zou brengen
of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?
stelt Jesaja twee series vragen. De eerste serie gaat over Gods almacht (vers 1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
)
en de tweede serie over Gods alwetendheid (verzen 13-1413Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild
en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen?
14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,
Hem het pad van het recht zou leren,
Hem kennis bij zou brengen
of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?
)
. Eerst enkele voorbeelden van Gods almacht (vers 1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
)
tegenover de geringheid van de mens:
1. Wat kan de holte van een mensenhand aan water bevatten? Enkele milliliters? God meet met de holte van Zijn hand alle oceanen en andere watergebieden.
2. Wat kan een mens meten met een span, dat is de afstand tussen duim en pink? Ongeveer twintig centimeter? God meet met een span de hele uitgestrektheid van de hemelen.
3. Wat is de inhoud van een menselijke maat? Een paar liter? In de maat van God gaat al het stof van de aarde.
4. Wat kan een mens op een weegschaal afwegen? Een paar kilo? God stelt het gewicht van heuvelen en bergen vast en regelt zo het evenwicht van de aarde.

Gods almacht is onmetelijk groot en indrukwekkend ver verheven boven de mens van wie de mogelijkheden en macht hierbij vergeleken als totaal onbeduidend in het niet verdwijnen. Dat wordt nog extra benadrukt doordat in het Hebreeuws het werkwoord voor ‘meten’ (vers 1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
)
en ‘peilen’ (vers 1313Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild
en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen?
)
hetzelfde is. De vraag is dan ook: De mens, die niet eens in staat is om de schepping (de wateren) te meten, wil hij de Schepper, de Geest van de HEERE, trachten te meten?

Gods alwetendheid is al even ver verheven boven het weten van de mens (verzen 13-1413Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild
en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen?
14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,
Hem het pad van het recht zou leren,
Hem kennis bij zou brengen
of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?
)
:
1. Is er buiten de Geest van de HEERE een standaard waarnaar Hij kan handelen, iemand die Hem zegt wat Hij moet doen en hoe Hij het moet doen?
2. Heeft Hij onderwijs van iemand anders nodig om op de juiste wijze op de juiste weg te wandelen naar Zijn doel?

Wat hier van de Geest van de HEERE wordt gezegd, laat zien dat Hij een combinatie van de kundigheden van kennis, wijsheid en verstand bezit. Met andere woorden: Hij heeft geen ‘denktank’, geen hemelse werkgroep of dagelijks bestuur nodig met wie Hij moet overleggen en die Hem adviseert. Hij Die “Wonderlijk” en “Raadsman” (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
genoemd wordt, heeft echt geen onderricht nodig van een raadsman.

De vragen lijken op de vragen die God aan Job stelt (Jb 40:1-4,20-251Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
2Omgord nu als een man uw heupen,
[dan] zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:
3Wilt u ook Mijn recht vernietigen?
Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u [zelf] rechtvaardig bent?
4Hebt u een arm zoals God?
En kunt u zoals Hij met [uw] stem donderen?
20Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken,
of zijn tong met een touw neerdrukken?
21Kunt u een riet door zijn neus steken,
of met een doorn zijn kaak doorboren?
22Kan hij u talrijke smeekbeden doen?
Kan hij zachte dingen tegen u spreken?
23Kan hij een verbond met u sluiten?
Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?
24Kunt u met hem spelen als [met] een vogeltje?
Of hem vastbinden voor uw meisjes?
25Kunnen de handelaars hem verkopen?
Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?
; 41:1-5a1Niemand is [zo] onverschrokken dat hij hem wakker maakt;
wie is dan degene die staande kan blijven voor Mijn aangezicht?
2Wie treedt Mij tegemoet, zodat Ik [het hem] zou vergelden?
Wat onder heel de hemel is, is van Mij.
3Ik zal niet zwijgen over zijn ledematen,
over [zijn] geweldige kracht, en over de fraaiheid van zijn gestalte.
4Wie zou de bovenkant van zijn gewaad durven opslaan?
Wie durft zijn dubbele pantser te benaderen?
5Wie kan de deuren van zijn gezicht openen?
Rondom zijn tanden is verschrikking.
)
. In de aangegeven gedeelten wijst God Job op de verschillen tussen de mens en (onderdelen van) Zijn schepping. Hier in Jesaja vergelijkt God Zich met de mens.

Maar Hij is in nog meer dingen verheven. Zo heeft Hij als de Bestuurder van de volken absolute controle over alles. Deze controle geeft Hem nooit enig probleem en bezorgt Hem nooit een moeilijkheid. Het is met Zijn bestuur over de volken als met een druppel aan een emmer water: die extra druppel bezorgt de drager geen enkele extra last (vers 1515Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
)
. Het is als met een stofje dat neerdwarrelt op een weegschaal: de weegschaal komt er niet door in beweging. Met eilanden handelt Hij als een stofje dat wordt opgetild door een windvlaag en zo wordt weggeblazen.

Als Degene Die alle aanbidding waard is, kan Hem nooit worden gebracht wat Hem werkelijk toekomt. Nooit kan een mens een offer brengen dat volledig tot uitdrukking brengt Wie Hij is. Al het hout van de wouden op de Libanon is eenvoudig niet genoeg om als brandhout te dienen en er zijn niet genoeg dieren om daarop geofferd te worden (vers 1616De Libanon is niet genoeg om te branden,
zijn dieren zijn niet genoeg voor het brandoffer.
)
. Het enige hout dat voor God voldoet, is het hout van het kruis van Golgotha. Geen ander offer dan dat van het lichaam van Jezus Christus heeft voor God waarde. Wat de bevoorrechte Jood Hem ook zou kunnen offeren, het schiet altijd tekort bij de heerlijkheid van Zijn Wezen. De heidense volken tellen al helemaal niet mee vanwege hun verdorvenheid (vers 1717Alle volken zijn als niets voor Hem,
zij worden door Hem beschouwd als minder dan niets en [als] leegheid.
)
.

Is er ook maar iets waarmee God te vergelijken is (vers 1818Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?
)
? De vraag stellen, is hem beantwoorden. De Schepper is met niets van Zijn schepping te vergelijken. In heel eenvoudige en daardoor krachtige bewoordingen wordt in dit gedeelte de majesteit van de allerhoogste God geschilderd.


De nietigheid van een afgod

19De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt [er] zilveren kettingen [voor].
20Wie te arm is [voor] een hefoffer,
kiest een stuk hout [dat] niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.

Nadat Jesaja de nietigheid van alle menselijke kunnen en kennen in het licht van Gods almacht en alwetendheid heeft aangetoond, drijft hij op bijtende toon de spot met de afgoden (verzen 19-2019De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt [er] zilveren kettingen [voor].
20Wie te arm is [voor] een hefoffer,
kiest een stuk hout [dat] niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.
)
. Hij stort zijn sarcasme uit over de afgodenmakers en de afgodenaanbidders. Hij laat zien hoe dwaas het is, iets uit de schepping als god te vereren.

Hij beschrijft twee afgoden. De ene afgod wordt door een vakman uit metaal gegoten en met goud overtrokken en met zilver versierd. De andere afgod is van een arme man die met een stuk hout naar een vakman gaat om er een afgod van te maken die niet wankelt. Beide afgodendienaars gebruiken materiaal dat God heeft geschapen en beide afgoden worden gemaakt door mensen met bekwaamheden die God hun heeft verleend. God is de Schepper van alle dingen en alle mensen en daarom met niemand te vergelijken! Het is toch de dwaasheid ten top als nietige schepselen menen de eeuwige God te kunnen formeren?


Gods verhevenheid

21Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
23Hij is het Die vorsten maakt tot niets,
rechters van de aarde maakt tot leegheid.
24Ja, zij zijn niet geplant,
ja, zij zijn niet gezaaid,
ja, hun [afgehouwen] stronk wortelt niet in de aarde.
Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,
en een storm neemt hen weg als stoppels.
25Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
26Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.

In vers 2121Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
stelt Jesaja vier vragen. Het gaat hier niet om zien, maar om horen. Horen is verbonden met het Woord van God (vers 88Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
)
, gesproken door de mond van de HEERE (vers 66Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
)
. Het is een contrast met de verzen 19-2019De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt [er] zilveren kettingen [voor].
20Wie te arm is [voor] een hefoffer,
kiest een stuk hout [dat] niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.
waar gaat om het zien van de afgodsbeelden. Jesaja stelt zijn vragen in een zogenaamde ‘chiastische’ volgorde, waarbij de eerste en de laatste bij elkaar horen evenals de middelste twee. Deze volgorde wordt wel als volgt voorgesteld: a, b, b, a. In vers 2121Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
is de volgorde

(a) weten,
   (b) horen,
   (b) verkondigd,
(a) begrip hebben van.

Deze wijze van voorstellen is een krachtige manier van onderwijzen. Hierdoor dringen de vragen diep in het geweten door en dwingen de aangesprokene om er goed over na te denken.
Wie niet uit de schepping weet (a) en erkent dat God de grondvesten van de aarde heeft gelegd, dat Hij alles heeft geschapen – dit wordt in de verzen 22-2622Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
23Hij is het Die vorsten maakt tot niets,
rechters van de aarde maakt tot leegheid.
24Ja, zij zijn niet geplant,
ja, zij zijn niet gezaaid,
ja, hun [afgehouwen] stronk wortelt niet in de aarde.
Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,
en een storm neemt hen weg als stoppels.
25Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
26Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
nader aangetoond –,
zal verstoken blijven van de kennis van Zijn wil door de prediking (b) en
door lering (b),
omdat zijn verstand verduisterd (a) is.
De wonderen van de natuur moeten bij ons bewondering voor de Maker bewerken.

In de verzen 22-2422Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
23Hij is het Die vorsten maakt tot niets,
rechters van de aarde maakt tot leegheid.
24Ja, zij zijn niet geplant,
ja, zij zijn niet gezaaid,
ja, hun [afgehouwen] stronk wortelt niet in de aarde.
Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,
en een storm neemt hen weg als stoppels.
spreekt Jesaja wisselend over Gods positie, kracht en gezag in het waarneembare heelal en de bewoners van de aarde. De hemel is voor Hem als een doek die Hij uitbreidt en als een tent die Hij uitspant, zodat erin kan worden gewoond.

Zij die daarin op aarde wonen, zijn voor Hem als “sprinkhanen” (vgl. Nm 13:3333Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.). Ook de machtigsten onder hen, de “vorsten” en “rechters”, zijn als niets en worden “tot leegheid”. Zij hebben zichzelf voorbestemd of zijn door anderen voorbestemd om een glorieuze groei door te maken en tot grote hoogte te stijgen. Macht, grote invloed en veel regeringsbevoegdheden liggen in het verschiet. Maar een plotselinge ingreep van Zijn machtige hand maakt aan die begeerde toekomst een abrupt einde (vgl. Js 11:44Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
; 2Th 2:88En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;)
.

Evenals in vers 1818Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?
, waar de uitdaging klinkt na het aangeven van de onbeduidendheid van de naties, klinkt in vers 2525Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
de uitdaging na het aantonen van de eindigheid van de bewoners en de verdwijning van de bestuurders. In vers 1818Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?
vraagt Jesaja wie met God te vergelijken is. Het antwoord is dat Hij met niets te vergelijken is. In vers 2525Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
is God Zelf als “de Heilige” aan het woord en stelt dezelfde vraag.

Hij geeft Zelf het antwoord en zegt dat Hij met niemand te vergelijken is, “aan wie ben Ik gelijk?”. Het is alsof Hij zegt: Het getuigt van wijsheid als je je niet aan enigerlei vergelijking waagt. Het gaat niet om Zijn onbegrensdheid en hun nietigheid, maar om Zijn wezenlijke en absolute heiligheid en de zelfverlaging van Zijn verdorven en afgodisch volk.

Voor de derde keer wordt het volk gewezen op de onvergelijkbare macht van God als Schepper (vers 2626Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
. Eerder is op God als Schepper gewezen om hen te doordringen van hun eigen nietigheid (vers 1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
)
en om hen eraan te herinneren wat ze van de schepping hadden moeten leren (verzen 21-2221Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
)
. Nu klinkt die verwijzing naar de Schepper als een bevel. Ze moeten naar boven kijken, het heelal in. Dan zien ze die talloze hemellichamen, die in veel godsdiensten als goden worden vereerd. Ze worden allemaal door Hem in hun baan gesteld en gehouden.

Hij kent ze ook allemaal bij naam en commandeert ze, ze staan allemaal onder Zijn bevel. De hemellichamen bestaan en bewegen zich niet uitsluitend via door de Schepper ingestelde natuurwetten. De Zoon van God is ook het onderhoudende Centrum, de Drager en Bestuurder ervan (Ko 1:16-1716want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.). Hij is het Die “alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht” (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Alleen een almachtig God is daartoe in staat.


De eeuwige God geeft de moede kracht

27Waarom zegt u [dan], Jakob,
en spreekt u, Israël:
Mijn weg is voor de HEERE verborgen
en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?
28Weet u het niet?
Hebt u het niet gehoord?
De eeuwige God, de HEERE,
de Schepper van de einden der aarde,
wordt niet moe en niet afgemat.
Er is geen doorgronding van Zijn inzicht.
29Hij geeft de vermoeide kracht
en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.
30Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;
31maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.

Als God zo machtig verheven is boven de schepping, Zijn schepping, zou Hij dan hen niet kunnen helpen die in nood zijn? Zouden we ons zorgen maken over de plannen van regeerders op aarde, als Hij hen bestuurt? Daarom komt nu een boodschap van troost voor het overblijfsel dat profetisch hun ervaringen vertelt waar ze doorheen gaan in de tijd van de grote verdrukking (vers 2727Waarom zegt u [dan], Jakob,
en spreekt u, Israël:
Mijn weg is voor de HEERE verborgen
en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?
)
.

Het gelovig overblijfsel wordt hier aangesproken eerst als Jakob en dan als Israël. Dat is om hen te herinneren aan hun ontstaan, aan de ontmoeting van hun stamvader met de HEERE in Pniël (Gn 32:24-3124Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak.25En toen [de Man] zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde.26En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent.27En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob.28Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.29Jakob vroeg daarop: Vertel [mij] toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar.30En Jakob gaf die plaats de naam Pniël. Want, [zei hij,] ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.31En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.). Die ontmoeting heeft Jakobs leven veranderd. Daar wordt hij van een ‘hielenlichter’ – de betekenis van de naam Jakob – een ‘vorst of strijder Gods’ – de betekenis van de naam Israël. En wanneer gebeurt dat? Dat gebeurt op het moment dat hij om genade smeekt (Hs 12:55Hij streed met de Engel en overwon;
wenend vroeg hij Hem om genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
)
.

Het heeft erop geleken dat God hen had prijsgegeven aan de vijand en niet meer aan hen dacht. Ze hebben gedacht dat hun weg, die door de grote verdrukking heen heeft gevoerd, voor Hem verborgen was of door Hem over het hoofd werd gezien. Maar zou Hij, Die de planeten hun weg wijst, niet de weg kennen die de Zijnen gaan? Ze hebben gemeend dat Hij geen oog had voor hun recht en dat Hij hen had overgeleverd aan vijanden die vol van onrecht zijn. Maar zou Hij, die machthebbers en regeerders wegblaast, Zijn overblijfsel dat op Hem vertrouwt het recht onthouden?

De overwegingen die in dit vers tot uitdrukking komen, kunnen ook wij hebben. We vragen ons af: ‘Waarom laat God het toe? Ontbreekt het Hem aan kracht? Heeft Hij geen belangstelling voor ons?’

De gedachte dat Hij hen aan hun lot zou overlaten, is ongegrond. Daarvan moet ook de dubbele vraag van vers 2828Weet u het niet?
Hebt u het niet gehoord?
De eeuwige God, de HEERE,
de Schepper van de einden der aarde,
wordt niet moe en niet afgemat.
Er is geen doorgronding van Zijn inzicht.
, dezelfde als in vers 2121Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?
, hen overtuigen. Als wij onder de druk van de omstandigheden door wanhoop worden overvallen, moeten we weer de hand leggen op de feiten die we hebben aanvaard toen we tot geloof kwamen. Ook mogen we moed putten uit onze ervaringen van Gods barmhartigheden bij eerdere gelegenheden. Hij, de Schepper van alle dingen, “is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.).

Met dezelfde kracht waarmee Hij de werelden heeft geschapen, staat Hij ons ter beschikking. Hij raakt nooit vermoeid, laat staan oververmoeid. Ook Zijn verstand is ondoorgrondelijk en daarom kent Hij ook ons en onze omstandigheden. Onze grootste beproevingen, of ze nu uit onszelf of van buiten ons komen, kent Hij niet alleen, maar ze staan onder Zijn absolute controle. Hij bepaalt in Zijn wijsheid de tijd en wijze van Zijn tussenkomst en onze bevrijding en dat is anders en hoger dan onze wijsheid.

In plaats van moe te worden geeft Hij kracht aan de vermoeiden (vers 2929Hij geeft de vermoeide kracht
en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.
)
. Wat wij moeten doen, is ons hart openstellen om kracht te ontvangen. Hij staat altijd klaar om die aan ons te geven als we beproeving ondergaan. Dan maakt Hij tijden van beproeving tot tijden van zegen. Zijn doel is dat wij ons bewust zijn van onze eigen machteloosheid, zodat we een beroep doen op Zijn kracht in plaats van wanhopig te worden onder de verdrukking.

Zelfs de sterkste kan er niet zeker van zijn dat hij altijd van vermoeidheid gevrijwaard zal zijn (vers 3030Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;
)
. Die vermoeidheid kan overgaan in moedeloosheid als het uitzicht op uitredding en het zicht op de Redder worden belemmerd. Ook kan een obstakel op zijn weg hem laten struikelen. Door een plotselinge gebeurtenis kan er neerslachtigheid komen. De enige kracht die onuitputtelijk is en voor vallen en struikelen bewaart, is het verwachtend opzien naar de HEERE (vers 3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
.

Het wachten op de Heer is niet slechts een kwestie van geduld of zelfs van verlangen, maar vooral dat onze hoop op Zijn uitkomst wordt gekenmerkt door vertrouwen. Dan gaan we “van kracht tot kracht” (Ps 84:6-86Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
7Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij [God] tot [hun] bron;
ook zal de regen [hen] overvloedig bedekken.
8Zij gaan voort van kracht tot kracht,
zij zullen verschijnen voor God in Sion.
)
, waarbij we voortdurend uit de bron van Zijn kracht putten. Met vleugels verheffen we ons boven de moeilijkheden, om boven de mist en duisternis van de aarde uit te stijgen en te komen in het heldere zonlicht van Gods tegenwoordigheid.

Een kenmerk van “arenden” is dat hun verendek regelmatig wordt vernieuwd. Dat is mooi beeld van het putten van nieuwe kracht door hen die de HEERE verwachten (vgl. Ps 103:55Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.
)
. Andere kenmerken van een arend zijn snelheid, scherpe reuk en een scherp oog. Het omhoog gaan is dan ook niet alleen dat we ons verheffen boven de moeilijkheden, maar ook dat we snel inzicht krijgen in de wil en de weg van God met een scherpe blik op Hem Zelf door het geloof. Als dat onze verwachting is, zullen we “snel lopen”, wat inspanning veronderstelt, maar “niet afgemat worden”. We zullen ook “lopen” of wandelen, wat gemeenschap veronderstelt en daarvan “niet moe worden”.


Lees verder