Jesaja
Inleiding 1-3 Ziekte en gebed van Hizkia 4-8 Belofte van genezing en bevrijding 9-20 Danklied van Hizkia 21-22 Geneesmiddel en teken
Inleiding

De persoonlijke geschiedenis van Hizkia in dit hoofdstuk is een aanvulling op de voorafschaduwing van het herstel van Israël in de vorige twee hoofdstukken. In die twee hoofdstukken gaat het over het uiterlijke herstel, terwijl het in dit hoofdstuk over het innerlijke, geestelijke herstel gaat.


Ziekte en gebed van Hizkia

1In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven. 2Daarop keerde Hizkia zijn gezicht om naar de muur en bad tot de HEERE 3en zei: Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.

In de dagen van de inval van de koning van Assyrië in Juda en zijn belegering van Jeruzalem, wordt Hizkia ernstig ziek (vers 11In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven.). Jesaja moet hem zelfs melden dat hij zal sterven en dat hij met het oog op zijn dood bepaalde zaken moet regelen voor zijn huis. Hij moet zijn testament maken. Daarop wendt Hizkia zijn gezicht af van alles wat hem zou kunnen afleiden – ook mag niemand zijn gezicht zien – en geeft zich over aan gebed (vers 22Daarop keerde Hizkia zijn gezicht om naar de muur en bad tot de HEERE).

Onder hevig gehuil, wat zijn grote smart laat zien, spreekt hij er tot de HEERE over hoe zijn hart en zijn daden toch volledig op Hem gericht zijn geweest (vers 33en zei: Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.). Hij wil zo graag blijven leven. Dat mannen niet huilen, is een dwaze gedachte. Intens verdriet moet niet onderdrukt worden, maar mag worden geuit tegenover de Heer (Kl 2:1919Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
)
.

Voor de Israëliet is de wens om te blijven leven volkomen gerechtvaardigd. Bij trouw is hem immers een lang leven beloofd. Hizkia is trouw geweest. Te moeten sterven heeft iets in zich van de toorn van God. Zo oud is hij ook nog niet, hij is hier rond de veertig jaar. Daarbij komt dat de toestand van het land slecht is en dat hij geen troonopvolger heeft. Hoewel zijn gebed geen duidelijke vraag om verlenging van zijn leven bevat, weet de HEERE wat het hart van Hizkia bezighoudt.

Profetisch gaat het om het werk dat God gaat doen in het hart van het gelovig overblijfsel in de toekomst. Ook zij zullen worden gered van de dood die dreigt door het gevaar van buitenaf, de Assyriër, en het gevaar van binnenuit, het beest en de antichrist. De HEERE laat dit toe om het gelovig overblijfsel te leren bidden met belijdenis van hun zonden – zoals de broers van Jozef in de gevangenis en zoals ook de tien dagen voorafgaand aan de grote Verzoendag gekenmerkt worden door belijdenis van zonden. Deze belijdenis is noodzakelijk vanwege de twee grote zonden van Israël: de verwerping van de Messias en de afgoderij ofwel het aannemen van de antichrist.


Belofte van genezing en bevrijding

4Toen kwam het woord van de HEERE tot Jesaja: 5Ga tegen Hizkia zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal vijftien jaar aan uw [levens]dagen toevoegen, 6en Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen. 7En dit zal voor u het teken zijn van de HEERE, dat de HEERE dit woord dat Hij gesproken heeft, doen zal: 8Zie, Ik laat op de schaalverdeling van Achaz' [zonnewijzer] de schaduw, die door de zon is gedaald, tien treden teruggaan. En de zon ging [de] tien treden terug die ze op de schaalverdeling was gedaald.

Jesaja mag Hizkia het antwoord van de HEERE op zijn gebed overbrengen (vers 44Toen kwam het woord van de HEERE tot Jesaja:). Het is een antwoord van genade (vers 55Ga tegen Hizkia zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal vijftien jaar aan uw [levens]dagen toevoegen,). De HEERE zegt niets over de trouw en het volkomen hart waarop Hizkia een beroep heeft gedaan. Er is ook geen verwijt. Maar de HEERE geeft antwoord als “de HEERE, de God van uw vader David”. Alle ontferming aan ieder die op Hem een beroep doet, is gegrond op de Heer Jezus, de ware David.

De verwijzing dat de HEERE de God van David is, herinnert aan de belofte dat het geslacht van David nooit zal ophouden. Op dat moment heeft Hizkia nog geen zoon die hem kan opvolgen. Manasse wordt pas drie jaar later geboren. De belofte van God van de aankondiging van het sterven en de, als het ware, opstanding van Hizkia, waarvan de derde dag spreekt (2Kn 20:55Keer terug en zeg tegen Hizkia, de vorst van Mijn volk: Dit zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik ga u gezond maken; op de derde dag zult u naar het huis van de HEERE gaan.; Hs 6:22Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
zijn er een prachtig illustratie van hoe God binnenkort Israël gaat herstellen. Het zal zijn leven uit de doden (Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?), het herleven van hun doden, het dode lichaam zal opstaan (Js 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
; Ez 37:1-141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.; Dn 12:1-31In die tijd zal Michaël opstaan,
de grote vorst,
hij die stáát voor uw volksgenoten.
Het zal een benauwde tijd zijn,
zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest
tot op die tijd.
In die tijd zal uw volk ontkomen,
ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.2En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.3De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
)
.

God laat Hizkia ook weten dat Hij zijn tranen heeft gezien (vers 55Ga tegen Hizkia zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal vijftien jaar aan uw [levens]dagen toevoegen,). Hij verzamelt ze zelfs en noteert ze in Zijn register, Zijn Goddelijke bibliotheek (Ps 56:99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
. Hij schrijft ze niet op omdat Hij ze zou kunnen vergeten, maar om ons te laten zien hoe belangrijk ze voor Hem zijn.

Hizkia krijgt vijftien jaar extra. Ook bevestigt de HEERE de toezegging dat de koning van Assyrië de stad niet in handen zal krijgen (vers 66en Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen.). Hier blijkt dat de ziekte van Hizkia, zijn gebed en het antwoord daarop chronologisch voorafgaan aan de bevrijding van Jeruzalem die in het vorige hoofdstuk is beschreven. Het gaat de Heilige Geest hier dus om de morele volgorde en niet om de historische.

Hizkia vraagt een teken aan de HEERE, in tegenstelling tot Achaz (Js 7:10-1410Opnieuw sprak de HEERE tegen Achaz:11Vraag voor uzelf een teken van de HEERE, uw God, vraag het beneden in de diepte of boven in de hoogte.12Maar Achaz zei: Ik zal [het] niet vragen en de HEERE niet op de proef stellen.13Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?14Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.). Achaz heeft geweigerd om te geloven, Hizkia heeft de wens om de HEERE te vertrouwen. De HEERE zegt een teken toe als bewijs dat Hij zal doen wat Hij heeft gezegd (vers 77En dit zal voor u het teken zijn van de HEERE, dat de HEERE dit woord dat Hij gesproken heeft, doen zal:). Dit teken bestaat uit een ingreep in de loop van de natuur (vers 88Zie, Ik laat op de schaalverdeling van Achaz' [zonnewijzer] de schaduw, die door de zon is gedaald, tien treden teruggaan. En de zon ging [de] tien treden terug die ze op de schaalverdeling was gedaald.; vgl. Jz 10:12-13a12Toen sprak Jozua tot de HEERE op de dag dat de HEERE de Amorieten aan de Israëlieten overgaf, en hij zei voor [de ogen van] Israël: Zon, sta stil in Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon!13En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken. Is dit niet geschreven in het Boek van de Oprechte? De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een volle dag.). Zoals het teruggaan van de zon tegen de door God gegeven natuurwetten ingaat, zo zal de HEERE de ziekte van Hizkia tegen de natuur in genezen. De genezing van Hizkia wordt verbonden met Gods macht over de zon. De zon is een beeld van een machthebber. Machthebbers moeten wijken als de HEERE het voor Zijn volk, Zijn overblijfsel, opneemt. God zegeviert over de ziekte van Hizkia en ook over de machthebbers die Zijn volk zo hebben laten lijden.

Door het terug laten gaan van de zon laat de HEERE die dag langer duren dan normaal. Zo wonderlijk als deze ingreep is, zo wonderlijk zal de verlenging van de levensduur van Hizkia zijn. Om dit teken zichtbaar te maken maakt de HEERE gebruik van de zonnewijzer (of: schaalverdeling) van Achaz, de afgodische en goddeloze koning, die deze zonnewijzer als een afgodisch voorwerp heeft gemaakt. De zonnewijzer geeft aan dat de tijd voortschrijdt in de richting van het oordeel. Door Gods macht wordt door de zonnewijzer duidelijk dat Hij de genadetijd langer laat duren en zo het oordeel uitstelt en de genade het oordeel overwint.


Danklied van Hizkia

9[Dit] is het geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was:
10Zelf zei ik: Op de helft
van mijn dagen moet ik heengaan;
in de poorten van het graf word ik beroofd
van de rest van mijn jaren.
11Ik zei: Ik zal de HEERE, de HEERE, niet zien
in het land van de levenden;
ik zal de mensen niet meer aanschouwen
onder de inwoners van de wereld.
12Mijn levenstijd is opgebroken, van mij weggerukt,
als een tent van een herder;
ik heb mijn leven opgerold, zoals een wever [doet],
Hij snijdt mij af van het weefgetouw.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
13Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:
als een leeuw, zo zal Hij
al mijn beenderen breken.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
14Als een zwaluw [of] kraanvogel, zo piepte ik,
ik kirde als een duif.
Mijn ogen waren smekend opgeslagen naar omhoog:
Heere, ik word neergedrukt; wees U mijn Borg!
15Wat zal ik spreken? Zoals Hij mij heeft gezegd,
heeft Híj het gedaan.
[Nu] mag ik al mijn jaren gerust verdergaan,
de bitterheid van mijn ziel te boven [gekomen].
16Heere, bij deze dingen leeft men,
en in al deze dingen is het leven van mijn geest.
Want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
17Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
18Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
20De HEERE was er om mij te verlossen.
Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,
al de dagen van ons leven,
in het huis van de HEERE.

Het historisch gedeelte van Jesaja 36-39 vinden we, zoals al opgemerkt, ook terug in 2 Koningen 18-20 en 2 Kronieken 32. Een uitzondering is het bovenstaande gedeelte. Dat maakt meteen duidelijk dat de eerste betekenis van deze dit gedeelte niet praktisch maar profetisch is. Het is geschreven als een psalm van dankzegging, maar met de structuur van een klaaglied. Het is dus een begrafenislied dat ineens een geboorte- en levenslied is geworden. Het bestaat ook uit twee gedeelten:
1. Een smeking vanwege de ziekte en het lijden van Hizkia (verzen 10-1410Zelf zei ik: Op de helft
van mijn dagen moet ik heengaan;
in de poorten van het graf word ik beroofd
van de rest van mijn jaren.
11Ik zei: Ik zal de HEERE, de HEERE, niet zien
in het land van de levenden;
ik zal de mensen niet meer aanschouwen
onder de inwoners van de wereld.
12Mijn levenstijd is opgebroken, van mij weggerukt,
als een tent van een herder;
ik heb mijn leven opgerold, zoals een wever [doet],
Hij snijdt mij af van het weefgetouw.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
13Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:
als een leeuw, zo zal Hij
al mijn beenderen breken.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
14Als een zwaluw [of] kraanvogel, zo piepte ik,
ik kirde als een duif.
Mijn ogen waren smekend opgeslagen naar omhoog:
Heere, ik word neergedrukt; wees U mijn Borg!
)
.
2. Een danklied vanwege de genezing en nieuw leven van Hizkia (verzen 15-2015Wat zal ik spreken? Zoals Hij mij heeft gezegd,
heeft Híj het gedaan.
[Nu] mag ik al mijn jaren gerust verdergaan,
de bitterheid van mijn ziel te boven [gekomen].
16Heere, bij deze dingen leeft men,
en in al deze dingen is het leven van mijn geest.
Want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
17Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
18Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
20De HEERE was er om mij te verlossen.
Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,
al de dagen van ons leven,
in het huis van de HEERE.
)
.

Hizkia ondergaat zijn ziekte en genezing als uit de hand van de HEERE. Het heeft hem in diepe oefeningen gebracht. Hij voelt er behoefte aan deze oefeningen op te schrijven (vers 99[Dit] is het geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was:
)
. Hierin herkennen we veel van wat we in het boek Psalmen lezen over de gevoelens van het overblijfsel dat in grote nood is. Het is de geest van Christus, Die Zich met het overblijfsel verbindt en Die ook in Hizkia werkt. Het lijden van Hizkia is ook het lijden van het overblijfsel in de grote verdrukking, waarvan zij erkennen dat die over hen komt vanwege hun zonden.

Als zoon van David is Hizkia ook een beeld van de Heer Jezus. Wat hij hier meemaakt, is ook een beeld van wat de Heer Jezus heeft ondergaan. Hij heeft het lijden van de dood gesmaakt (Hb 2:99maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.), niet om Zijn eigen zonden, maar om die van Zijn volk. Hij heeft gesmeekt uit de dood verlost te worden en is eruit verlost (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Hij heeft verlenging van leven gekregen, niet slechts vijftien jaren, maar tot in eeuwigheid (Hb 7:1717want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.).

In vers 1010Zelf zei ik: Op de helft
van mijn dagen moet ik heengaan;
in de poorten van het graf word ik beroofd
van de rest van mijn jaren.
wordt de dood voorgesteld alsof deze poorten heeft waardoor een mens naar binnengaat (vgl. Jb 38:1717Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?
Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?
; Ps 9:1414Wees mij genadig, HEERE, /cheth/
zie mijn ellende aan, [mij aangedaan] door wie mij haten,
U Die mij opheft uit de poorten van de dood.
)
. In zijn ziekte ziet Hizkia zich in de kracht van zijn leven met de dood geconfronteerd, waardoor hij zijn jaren niet kan vervullen. Dit sluit aan bij de gevoelens die profetisch van de Heer Jezus staan opgetekend (Ps 102:24-25a24Hij heeft mijn kracht op de weg neergedrukt,
mijn dagen heeft Hij verkort.
25Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen,
Uw jaren duren voort van generatie op generatie.
; vgl. Lk 23:3131Want als men dit doet met [het] groene hout, wat zal er met het dorre gebeuren?)
. “Op de helft van mijn dagen” is letterlijk ‘op het evenwicht van mijn dagen’. Evenwicht betekent halverwege. Dit is waar voor Hizkia, voor de Heer Jezus, maar ook voor het volk Israël.

In zijn ziekte denkt hij er met smart aan dat dit het einde betekent van zijn gemeenschap met de HEERE en met mensen (vers 1111Ik zei: Ik zal de HEERE, de HEERE, niet zien
in het land van de levenden;
ik zal de mensen niet meer aanschouwen
onder de inwoners van de wereld.
)
. Hij zal niet meer kunnen opgaan naar de tempel (Ps 27:44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
)
. Hij voelt hoe door zijn ziekte zijn lichaam, “tent”, wordt afgebroken en weggerukt (vers 1212Mijn levenstijd is opgebroken, van mij weggerukt,
als een tent van een herder;
ik heb mijn leven opgerold, zoals een wever [doet],
Hij snijdt mij af van het weefgetouw.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
; vgl. 2Ko 5:11Want wij weten, dat als onze aardse tent waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig [huis], in de hemelen.; 2Pt 1:13-1413Ik houd het echter voor juist, zolang ik in deze tent woon, u door herinnering op te wekken,14daar ik weet dat het afleggen van mijn tent aanstaande is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij duidelijk heeft gemaakt.)
. Hij vergelijkt de HEERE met een wever. Zoals een wever het weefsel oprolt (vgl. Js 22:17-18a17Zie, de HEERE werpt u weg met de werpkracht van een man,
en rolt u op als een rol.
18Hij zal u helemaal ineenrollen tot een kluwen,
als een bal naar een wijd uitgestrekt land werpen.
Daar zult u sterven en daar zullen uw praalwagens zijn,
[u,] schandvlek van het huis van uw heer!
)
omdat het weven klaar is, zo ziet Hizkia zijn leven als geëindigd. Hij versterkt die gedachte door te spreken over het ‘afsnijden’ van het weefsel van de weversboom.

Hij voelt zich door de HEERE prijsgegeven aan de smarten van de dood zonder tot rust te kunnen komen (vers 1313Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:
als een leeuw, zo zal Hij
al mijn beenderen breken.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
)
. Hij voelt het ook als iets wat plotseling over hem komt. Aan het eind van zowel vers 1212Mijn levenstijd is opgebroken, van mij weggerukt,
als een tent van een herder;
ik heb mijn leven opgerold, zoals een wever [doet],
Hij snijdt mij af van het weefgetouw.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
als vers 1313Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:
als een leeuw, zo zal Hij
al mijn beenderen breken.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
zegt hij: “Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.” Daarmee lijkt hij te wijzen op een plotselinge, dramatische verandering in zijn omstandigheden: ’s morgens is hij nog volkomen gezond, ’s avonds is hij dood.

In weer een ander beeld ziet hij de HEERE als een leeuw die al zijn beenderen verbreekt. Hij ervaart dit handelen van de HEERE zo zwaar, dat hij nog eens zegt dat hij er dag en nacht de pijn van voelt. Hij is er geen seconde vrij van. Hij heeft geen kracht meer om te roepen. Zijn stemgeluid is verzwakt tot het getjilp van een zwaluw en het gekir van een duif (vers 1414Als een zwaluw [of] kraanvogel, zo piepte ik,
ik kirde als een duif.
Mijn ogen waren smekend opgeslagen naar omhoog:
Heere, ik word neergedrukt; wees U mijn Borg!
)
.

Hizkia vergelijkt zich niet voor niets met deze vogels. Het zijn vogels die op een speciale manier de verbinding met de tegenwoordigheid van de HEERE symboliseren (Ps 84:44Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
; Mk 1:1010En terstond toen Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemelen scheuren en de Geest als een duif op Zich neerdalen.)
. Hij verlangt naar de nabijheid van de HEERE, maar hij ervaart afstand en verwerping. Zijn smachtende ogen richten zich omhoog, terwijl hij zijn angst uitspreekt tot de HEERE en Hem vraagt of Hij borg voor hem wil staan (Jb 17:3a3Stel U toch borg voor mij bij U;
wie zal er [anders] zijn die [het] met handslag bevestigt?
)
dat hij niet aan het dodenrijk zal worden prijsgegeven.

Nu hij zo zijn gevoelens heeft weergegeven die hij tijdens zijn ziekte heeft gehad, ze als het ware heeft herbeleefd en dat hij nu genezen is, weet hij niet wat hij nog meer moet zeggen (vers 1515Wat zal ik spreken? Zoals Hij mij heeft gezegd,
heeft Híj het gedaan.
[Nu] mag ik al mijn jaren gerust verdergaan,
de bitterheid van mijn ziel te boven [gekomen].
)
. De HEERE heeft immers gesproken dat hij zou sterven en ook dat hij beter zou worden. Hij is hersteld en na het bittere zielenleed zal hij nog jaren mogen leven.

Hij leeft bij dit handelen van de HEERE met hem (vers 1616Heere, bij deze dingen leeft men,
en in al deze dingen is het leven van mijn geest.
Want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
)
. Wat hij van de HEERE heeft gekregen, heeft hem zijn geestkracht teruggegeven. Dat is niet alleen door het feit en het moment van de genezing, maar ook al op het moment dat de HEERE hem de toezegging heeft gedaan. Het gezegde ‘hoop doet leven’ is waar voor allen die erop blijven vertrouwen dat God al Zijn beloften zal inlossen.

Er heeft een geweldige verandering plaatsgevonden. De bittere beproeving is veranderd in heil (vers 1717Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
)
. Het heil of de verlossing is zo groot, omdat de beproeving zo groot en bitter is geweest. Hizkia weet dat hij dicht bij het graf is geweest, bij het moment dat zijn leven daarin zou komen. Dat heeft niets te maken met volkomen ophouden te bestaan. Het gaat om het verdwijnen van het wereldtoneel. Hij zou in het graf verdwijnen en niet meer gezien worden. Het zou lijken alsof hij niet meer bestond, maar de HEERE heeft hem van dat lot gered.

Hij ziet daarin het bewijs dat de HEERE al zijn zonden achter Zijn rug heeft geworpen (vgl. Mi 7:1919Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
)
. Als Hizkia zou zijn gestorven, zou hij de HEERE niet meer op aarde kunnen prijzen (vers 1818Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
)
. Hij weet nog niet dat de gestorven gelovigen leven in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.). En Paulus verlangt er zelfs naar om heen te gaan om de volmaakte gemeenschap met Hem genieten (Fp 1:2323maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;).

De verwachting van de oudtestamentische gelovigen was wel dat zij eens zullen opstaan en de zegen van de gemeenschap met de HEERE zullen genieten (Jb 19:25-2725Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben,
zal ik uit mijn vlees God aanschouwen.
27Ik zelf zal Hem aanschouwen,
en mijn ogen zullen [Hem] zien, niet een vreemde;
mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.
; Ps 17:1515Ik [echter] zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen;
ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.
)
. Voor Hizkia is het loven van de HEERE verbonden aan het leven op aarde (vers 1919De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
)
. Dat wil hij ook doorgeven aan zijn kinderen, aan de volgende generatie (Ps 22:31-3231Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
32Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.
; 71:1818Ja, ook nu de ouderdom en grijsheid gekomen is –
verlaat mij niet, o God,
totdat ik [deze] generatie Uw [sterke] arm verkondigd heb,
alle nakomelingen Uw macht.
)
. Een vader is iemand die aan zijn kinderen vertelt over de trouw van de Heer.

Hoewel wij als nieuwtestamentische gelovigen, dat is als leden van de gemeente, niet met de aarde maar met de hemel verbonden zijn, moet ons leven op aarde toch ook dit grote kenmerk hebben: dat het een voortdurende lofzang is op de heerlijkheid van de Heer Jezus (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Wij mogen op aarde beginnen met iets wat we tot in alle eeuwigheid zullen voortzetten en dat is: de Vader “aanbidden in geest en waarheid” (Jh 4:2323Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.). Laten we dat doorgeven aan de volgende generaties, totdat de Heer komt om ons te halen.

In vers 2020De HEERE was er om mij te verlossen.
Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,
al de dagen van ons leven,
in het huis van de HEERE.
verplaatst Hizkia zich terug naar het moment dat Jesaja hem namens de HEERE meedeelt dat hij beter zal worden. Hizkia is daarover zo verheugd, dat hij zijn hele volk – wat blijkt uit het woord “wij” – betrekt in de blijdschap daarover. De plaats waar die blijdschap wordt geuit, is het huis van de HEERE. Het is ook geen kortstondige uiting, maar een uiting die er “al de dagen van ons leven” zal zijn.


Geneesmiddel en teken

21Jesaja had namelijk gezegd: Laat men een klomp vijgen nemen en [die] als een pleister op de zweer leggen; dan zal hij genezen. 22En Hizkia had gezegd: Wat is het teken dat ik naar het huis van de HEERE zal opgaan?

Hizkia heeft gebeden om genezing en Jesaja heeft Hizkia de verhoring van zijn gebed meegedeeld. Jesaja heeft geen gebedsgenezingcampagne op touw om de al toegezegde genezing met vertoon te omlijsten. Hij heeft voor de genezing een middel gebruikt dat bekend is om zijn genezende werking (vers 2121Jesaja had namelijk gezegd: Laat men een klomp vijgen nemen en [die] als een pleister op de zweer leggen; dan zal hij genezen.). Hizkia had een boosaardige zweer, en er is verondersteld dat de vijgenkoek het gif aantrok dat in het lichaam was. In elk geval is de genezing gebeurd door de kracht die de HEERE aan die vijgenkoek heeft gegeven.

De toezegging van de genezing is niet onvoorwaardelijk door Hizkia geloofd, maar heeft nog enige zwakheid van zijn geloof aan het licht gebracht. Hij heeft dan wel de belofte gekregen dat hij beter zou worden en het medicijn mocht dan wel zijn aangebracht, maar hij heeft ook gevraagd of er nog een teken kon worden gegeven (vers 2222En Hizkia had gezegd: Wat is het teken dat ik naar het huis van de HEERE zal opgaan?). De reden dat hij beter wilde worden, spreekt wel van liefde voor de HEERE. Hij wilde namelijk beter worden om te kunnen opgaan naar het huis van de HEERE.


Lees verder