Jesaja
Inleiding 1-3 Opmars naar Jeruzalem 4-10 Redevoering van de commandant 11 Verweer van het gezantschap 12-20 Vervolg van de redevoering 21-22 Verslag aan Hizkia
Inleiding

Overzicht van het tussengedeelte – Jesaja 36-39

Jesaja en Hizkia – Assyrië en Babel

Het tussengedeelte omvat Jesaja 36-39 en is als volgt onder te verdelen:
1. De belegering en bevrijding van Jeruzalem (Jesaja 36-37)
2. De ziekte van Hizkia (Jesaja 38)
3. Gezantschap uit Babel (Jesaja 39)

Inleiding op Jesaja 36

Jesaja 36-39 bevatten het historische deel van het boek Jesaja. Ze komen grotendeels overeen met de beschrijving van de geschiedenis van Hizkia in 2 Koningen 18-20 en 2 Kronieken 29-32. De geschiedenissen die in 2 Koningen en 2 Kronieken vermeld staan, zijn een onderdeel van “het gezicht van Jesaja” (Js 1:11Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz [en] Hizkia, koningen van Juda.; 2Kr 32:3232Het overige nu van de geschiedenis van Hizkia en zijn gunstbewijzen, zie, die zijn beschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, [en] in het boek van de koningen van Juda en Israël.).

Dat deze geschiedenissen ook door Jesaja worden beschreven, betekent dat ze ook een profetische betekenis hebben. De historische beschrijving van de aanval van de Assyrische legers op Gods volk en Gods redding van Zijn volk in Jesaja 36-37 is een voorbeeld van wat in de eindtijd zal gebeuren. Hetzelfde geldt voor Jesaja 38-39, waarin de ziekte tot de dood van Hizkia en zijn herstel en het bezoek van het gezantschap uit Babel worden beschreven. Dat vertelt ons over de ballingschap van het volk en de bevrijding daaruit. Beide gebeurtenissen vinden kort daarna plaats, maar zien ook op de eindtijd.

Jesaja 36-37, waarin het gaat over de invasie en de smadelijke aftocht van de Assyriërs, vormen de historische vervulling en illustratie van wat Jesaja in de voorgaande jaren heeft voorzegd en wat in Jesaja 7-35 staat opgetekend (Js 10:12-19,33-3412Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.33Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
; 14:24-2524De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,
zoals Ik [het] Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,
en zoals Ik [het] besloten heb, zal het tot stand komen.
25Ik zal Assyrië verbreken in Mijn land,
en op Mijn bergen zal Ik het vertrappen.
Dan zal zijn juk van hen afglijden,
en zijn last zal van hun schouder afglijden.
; 30:28-3128Zijn adem is als een overstromende beek,
[die] reikt tot de hals,
om de heidenvolken te wannen met de wan van nutteloosheid;
en een toom die doet dwalen, ligt op de kaken van de volken.
29Er zal een lied bij u zijn,
als in de nacht waarin men zich heiligt voor een feest;
en blijdschap van hart, als [bij] iemand die met fluit[spel] voortgaat
om te komen tot de berg van de HEERE, tot de Rots van Israël.
30De HEERE zal Zijn majestueuze stem doen horen,
Hij zal het neerkomen van zijn arm doen zien
in grimmige toorn: een vlam van verterend vuur,
slagregens, een vloed, hagelstenen.
31Want door de stem van de HEERE zal Assyrië verpletterd worden,
hij [die] met de roede sloeg.
; 31:88Assyrië zal vallen door het zwaard, [maar] niet [door dat van] een man;
en het zwaard, [maar] niet [van] een mens, zal hem verslinden.
Hij zal vluchten voor het zwaard
en zijn jongemannen zullen herendienst verrichten.
)
. Jesaja 38-39 met daarin het verhaal van de ziekte, het herstel en het falen van Hizkia, vormen de historische basis voor het tweede grote deel van het boek, Jesaja 40-66.

In het profetische voorgaande deel heeft de profeet het doen en laten van de Assyriërs beschreven. Ook heeft hij Gods volk erop gewezen dat deze vijand hen in het nauw zal brengen vanwege hun ontrouw tegenover de HEERE. Hij heeft hen krachtig toegesproken om zich niet tot het sluiten van anti-Assyrische bondgenootschappen te laten misleiden. God gebruikt de Assyriërs als tuchtroede voor Zijn volk. De enige weg om gered en gelukkig te worden is die van bekering en vertrouwen op de HEERE.

Jesaja heeft er ook telkens over gesproken dat de HEERE de Assyriërs zal verdelgen. In Jesaja 36-37 zien we de andere kant. We zien hoe Jesaja Hizkia bemoedigt als deze door de Assyriërs in het nauw wordt gebracht. Hizkia is een vrome koning. Hij is een type van het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst. De HEERE wil Israël redden en als dienaar gebruiken, maar dat kan slechts als Israël de weg van het geloofsvertrouwen wil bewandelen. God bemoedigt altijd hen die op Hem vertrouwen. Voor de ongelovigen heeft God zulke bemoedigingen niet. Zij vertrouwen ook niet op Hem en zoeken hun steun bij bondgenoten.


Opmars naar Jeruzalem

1In het veertiende jaar van koning Hizkia gebeurde het dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam. 2De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld. 3Toen ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, [de stad] uit naar hem toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

Hizkia is een vrome koning. De HEERE is met hem. Als Sargon, de vader van Sanherib, vier jaar daarvoor sterft, werpt Juda samen met vele andere volken, waaronder Egypte, het juk van de koning van Assyrië van zich af en dient hem niet meer (vers 5b5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?; 2Kn 18:5-75Hij vertrouwde op de HEERE, de God van Israël, zodat er na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, en [ook niet onder hen] die er vóór hem geweest waren.6Want hij hield zich vast aan de HEERE; hij week er niet van af Hem na te volgen, en hij nam Zijn geboden in acht, die de HEERE Mozes geboden had.7De HEERE was met hem. Overal waarheen hij uittrok, handelde hij verstandig. Bovendien kwam hij in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet [meer].). Daarom trekt Sanherib tegen Juda op. Hij neemt alle versterkte steden – zesenveertig in getal – in, behalve Jeruzalem (vers 11In het veertiende jaar van koning Hizkia gebeurde het dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam.). De laatste versterkte stad, Lachis, is bijna gevallen. Een belangrijk deel van het leger van Egypte is bij de slag te Eltekeh, dertig kilometer ten westen van Jeruzalem, verslagen. Daarmee zijn de profetieën over Egypte vervuld (Jesaja 20; 30-31).

De opmars naar Jeruzalem in 701 v.Chr. is al eerder door Jesaja beschreven (Js 10:28-3228Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
)
. Jeruzalem wordt op een wonderlijke wijze bewaard en de vijand op een bovennatuurlijke wijze vernietigd (Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Uiteindelijk gaat het hier in Jesaja 36-37 om het einde van de tijden van de volken, de volle verlossing van Israël en het begin van het vrederijk.

Aan wat dan in vers 22De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld. volgt, gaat vooraf wat in 2 Koningen 18 staat (2Kn 18:14-1614Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, [deze boodschap] naar de koning van Assyrië, naar Lachis: Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op.15Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE gevonden werd, en in de schatkamers van het huis van de koning.16In die tijd sneed Hizkia [het goud] af van de deuren en de deurposten van de tempel van de HEERE. Hizkia, de koning van Juda, had die [met goud laten] overtrekken. Hij gaf dat [goud] aan de koning van Assyrië.). Daar lezen we dat Hizkia het benauwd krijgt en een gezantschap naar de koning van Assyrië zendt om hem om de voorwaarden te vragen om de dreiging af te kopen. De koning van Assyrië legt Hizkia een zware schatting op die hij met alle mogelijke middelen betaalt. In plaats van nu weg te trekken zendt de koning van Assyrië zijn commandant van Lachis – een belangrijke stad in Judéa tussen Jeruzalem en de Middellandse Zee, die hij heeft ingenomen – met een groot leger naar Jeruzalem (vers 22De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.). Hij pleegt verraad (Js 33:11Wee u, verwoester, u die [zelf] niet verwoest bent,
en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.
Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u [zelf] verwoest worden;
bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.
)
. Zo is de vijand. Na het geld wil hij ook de zielen.

De commandant, Rabsake, ofwel hoofdofficier, stelt zich op bij de plaats waar Jesaja koning Achaz, de vader van Hizkia, heeft ontmoet en hem de opmars en verovering van Juda door de koning van Assyrië heeft voorzegd (Js 7:33En de HEERE zei tegen Jesaja: Ga nu op weg, Achaz tegemoet, u en uw zoon Sjear-Jasjub, naar het einde van de waterloop van de bovenvijver, bij de weg naar het Blekersveld.). De Heilige Geest wijst ons op deze wijze op het contrast tussen het geloof van Hizkia en het ongeloof van Achaz. Het is een plaats die spreekt van reinigen (water) en wit maken (Blekersveld) die beide alleen door geloofsvertrouwen verkregen worden.

Nadat de commandant om de koning heeft geroepen (2Kn 18:1818Toen zij om de koning riepen, ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, [de stad] uit naar hen toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.), zendt Hizkia drie voorname ambtenaren (vers 33Toen ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, [de stad] uit naar hem toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.) naar de plaats van ontmoeting. Hizkia gaat niet zelf, mogelijk ook omdat hij op dat moment ziek is (Js 38:11In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven.).


Redevoering van de commandant

4Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert? 5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt? 6Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen. 7En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de hoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft [Hizkia] niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen? 8Nu dan, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef aan u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren! 9En hoe zou u [ooit] een aanval kunnen keren van een enkele landvoogd van de geringste dienaren van mijn heer? U vertrouwt voor uzelf echter op Egypte vanwege [zijn] strijdwagens en ruiters. 10Nu dan, ben ik buiten [de wil van] de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek tegen dit land op en richt het te gronde!

De commandant, die ook Hebreeuws spreekt, begint tegen de afvaardiging van Hizkia een snoevende redevoering (verzen 4-104Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?6Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.7En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de hoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft [Hizkia] niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen?8Nu dan, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef aan u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren!9En hoe zou u [ooit] een aanval kunnen keren van een enkele landvoogd van de geringste dienaren van mijn heer? U vertrouwt voor uzelf echter op Egypte vanwege [zijn] strijdwagens en ruiters.10Nu dan, ben ik buiten [de wil van] de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek tegen dit land op en richt het te gronde!). Hij bewijst een geslepen diplomaat te zijn. Hij stelt zijn koning voor in al zijn macht. Tegenover die grootheid plaatst hij de totale hulpeloosheid van alles waarop Hizkia – die hij bewust geen koning noemt – en het volk vertrouwen. Op deze manier wil hij zijn tegenstanders angst aanjagen, zodat ze elke weerstand als zinloos opgeven.

De commandant vertegenwoordigt zijn grote koning en spreekt namens hem (vers 44Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?). Eerst neemt hij het vertrouwen van het volk op de korrel. Als het vertrouwen maar kan worden aangetast, ligt de overwinning zonder langdurige strijd binnen handbereik. Ook voor ons is dit een belangrijke vraag: Waarop is ons vertrouwen gebaseerd? Zodra ons vertrouwen op de Heer weg is, heeft de vijand de overwinning behaald.

De commandant noemt drie dingen waarop Hizkia en het volk volgens hem vertrouwen. Vertrouwen ze soms op propaganda, op stevige uitspraken, op het elkaar moed inspreken (vers 55Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?)? Praten over beleid is niet hetzelfde als het krachtig uitvoeren ervan. Nee, met een grote mond of wollige taal win je geen oorlog. Vertrouwen ze dan op iemand anders? Ja, hij weet het wel, ze vertrouwen op Egypte (vers 66Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.). Maar ook dat vertrouwen zal niet baten. Het zal zich zelfs tegen hen keren. Ze zullen in plaats van erdoor geholpen te worden, erdoor verwond raken.

De commandant praat hier in dezelfde geest tot het volk als Jesaja dat tot het volk heeft gedaan met betrekking tot Egypte (Js 30:3,53Maar de macht van de farao zal u tot schaamte zijn,
en de toevlucht in de schaduw van Egypte tot schande.
5zullen allen beschaamd staan
om een volk dat hun geen nut kan doen,
niet tot hulp of voordeel zal zijn,
maar tot schande en ook tot smaad.
; vgl. Ez 29:6-76En al de inwoners van Egypte zullen weten
dat Ik de HEERE ben,
omdat zij voor het huis van Israël
een rietstaf geweest zijn.
7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,
maar u scheurde heel hun schouder open.
Toen zij op u steunden, brak u,
maar u liet alle heupen op zichzelf staan.
)
. Dit zal hun vertrouwen een extra knak hebben gegeven. Jesaja heeft Juda op hun vertrouwen op Egypte aangesproken en ernstig voor de gevolgen gewaarschuwd. Nu horen ze het uit de mond van de vijand die Jeruzalem omsingeld heeft. De commandant is dus op de hoogte van hun plan om Egypte als bondgenoot in te schakelen!

Hier zien we dat het zoeken van bescherming bij mensen tegen andere mensen faalt. Alleen als we onze bescherming bij de Heer zoeken, zullen we niet beschaamd uitkomen. Niet dat Hizkia zelf dit verbond heeft gesloten. Dat hebben de verantwoordelijke leiders gedaan die niet het geloof van Hizkia hebben. Toch wordt het tot Hizkia gezegd, want hij is de koning en daarom eindverantwoordelijk of hij er nu van weet of niet.

De commandant heeft nog een pijl op zijn boog. Met de vorige twee pijlen heeft hij vooral op het volk en zijn leiders gemikt. Nu wil hij Hizkia treffen. Die heeft hoog opgegeven van zijn vertrouwen op de HEERE (vers 77En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de hoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft [Hizkia] niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen?). Het volk heeft hem daarin nagesproken. Maar Wie is eigenlijk die God? Het is een God van Wie je blijkbaar zomaar altaren kunt weghalen en Die daar niets tegen doet. En dan bepaalt Hizkia dat die God ook nog slechts voor één bepaald altaar kan worden aangebeden. Wat is dat voor een God?

Het zaaien van twijfel aangaande God is altijd het sterkste wapen van de satan geweest. Als ons vertrouwen niet is gebaseerd op de God Die Zich heeft geopenbaard in de Bijbel als Zijn volmaakte Woord en in Zijn Zoon Jezus Christus, zal de satan erin slagen twijfel bij ons te zaaien. Er is slechts één voorwerp van aanbidding en dat is de Heer Jezus. Al het andere moet worden verwijderd. De wereld zal dat bekrompenheid noemen, voor de gelovige betekent elke verwijdering van het verkeerde meer vrijheid.

Weer gaat de commandant spotten over de machteloosheid van Hizkia (vers 88Nu dan, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef aan u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren!). In grote arrogantie stelt hij voor een weddenschap aan te gaan. Hij geeft tweeduizend paarden als Hizkia daarvoor tweeduizend ruiters kan leveren. Daarmee benadrukt hij de hopeloze positie van Hizkia. Daartegenover verheft hij de heldhaftigheid van zelfs de geringste soldaten van het leger van zijn heer (vers 99En hoe zou u [ooit] een aanval kunnen keren van een enkele landvoogd van de geringste dienaren van mijn heer? U vertrouwt voor uzelf echter op Egypte vanwege [zijn] strijdwagens en ruiters.). Ja, hij wil wel geloven dat Hizkia – in werkelijkheid de leiders van het volk – zijn vertrouwen op Egypte heeft gevestigd (Js 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
)
. Hizkia heeft immers zelf geen enkele kracht.

In zijn ontmoedigingsretoriek schiet de commandant zijn laatste pijl af. Die gaat over de wil van de HEERE (vers 1010Nu dan, ben ik buiten [de wil van] de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek tegen dit land op en richt het te gronde!). Misschien heeft hij wel gehoord van de profetie van Jesaja (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
en speelt hij daarop in. Heel overtuigd zegt hij dat de HEERE hem heeft gezonden met de opdracht het land te verwoesten. Zo’n verwijzing naar de wil van de HEERE moet Hizkia toch wel het laatste restje moed ontnemen.

Een dergelijke bewering werkt verlammend bij mensen die geen eigen omgang met de Heer hebben en niet zelfstandig met Gods Woord bezig zijn om Zijn wil te leren kennen.


Verweer van het gezantschap

11Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen de commandant: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek tegen ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de [stads]muur is.

Het lijkt erop dat de commandant zijn doel heeft bereikt. De afgevaardigden zijn bang dat het volk onder de indruk zal komen van de toespraak van de commandant. Nederig, bijna slaafs – ze spreken tot hem over zichzelf als “uw dienaren” –, in elk geval in een houding die het volk van God onwaardig is, vragen ze de commandant niet meer in het Judees, Hebreeuws, te spreken maar in het Aramees (vers 1111Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen de commandant: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek tegen ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de [stads]muur is.). Aramees is in die tijd de taal die door diplomaten wordt gebruikt bij internationaal overleg. De massa van het volk verstaat die taal niet.

Als toepassing kunnen we zeggen dat de vijand gebruikmaakt van een combinatie van bijbelse uitdrukkingen en de moderne theologie om ons geloof te ondermijnen.


Vervolg van de redevoering

12Maar de commandant zei: Heeft mijn heer mij [alleen] naar uw héér en naar ú gestuurd om deze woorden te spreken? Is het [ook] niet naar de mannen die [daar] op de muur zitten, [om hun te zeggen] dat zij met u hun [eigen] uitwerpselen zullen eten en hun [eigen] urine drinken? 13En de commandant stelde zich op, riep met luide stem in het Judees en zei: Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië! 14Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet kunnen redden. 15Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië. 16Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom uit [de stad] naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn [eigen] wijnstok en ieder van zijn [eigen] vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn [eigen] put, 17totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw [eigen] land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden. 18Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn [eigen] land, gered uit de hand van de koning van Assyrië? 19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered? 20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?

De commandant gebruikt het onderdanige verzoek van het gezantschap (vers 1111Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen de commandant: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek tegen ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de [stads]muur is.) om het volk nog dieper te vernederen (vers 1212Maar de commandant zei: Heeft mijn heer mij [alleen] naar uw héér en naar ú gestuurd om deze woorden te spreken? Is het [ook] niet naar de mannen die [daar] op de muur zitten, [om hun te zeggen] dat zij met u hun [eigen] uitwerpselen zullen eten en hun [eigen] urine drinken?). Waarvoor zij bang zijn, is precies wat hij wenst. Hij doet er nog een schepje bovenop. Hij schildert de mannen af als zozeer uitgehongerd, dat ze hun eigen ontlasting en urine tot zich nemen. Niet dat dit nu al de situatie is, maar hij voorspelt dat het zo zal worden. Daarom doen ze er beter aan zich maar over te geven. Dan zullen ze het beter krijgen, zoals hij verderop zegt.

De commandant komt nog dichterbij om nog beter gehoord te worden (vers 1313En de commandant stelde zich op, riep met luide stem in het Judees en zei: Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië!). Iedereen moet horen wat de grote koning van Assyrië te zeggen heeft. Hizkia moeten ze niet vertrouwen (vers 1414Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet kunnen redden.). Dat is een bedrieger die hen niet zal kunnen redden. Ook de praatjes van Hizkia over de HEERE, dat Hij zal kunnen redden, moeten ze niet geloven (vers 1515Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.).

Dan vraagt de commandant om overgave en om uit de stad naar hem toe te komen (vers 1616Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom uit [de stad] naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn [eigen] wijnstok en ieder van zijn [eigen] vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn [eigen] put,). Als ze dat doen, mogen ze zich eerst te goed doen aan hun eigen vruchtbomen en aan water uit hun eigen put. Daarna zal hij hun een land geven dat net zo goed is als dat waarin ze nu wonen (vers 1717totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw [eigen] land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden.). Daarmee maakt hij een toespeling op de ballingschap, maar stelt die als aangenaam voor.

Weer stelt hij het vertrouwen op de HEERE, waartoe Hizkia heeft opgeroepen, als zinloos voor (verzen 18-2018Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn [eigen] land, gered uit de hand van de koning van Assyrië?19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?). Nog eens wijst hij op onloochenbare wapenfeiten. In zijn hoogmoed stelt hij de HEERE op één lijn met de machteloze afgoden van andere overwonnen landen. Het is een list van de satan om ook vandaag de God van de Bijbel, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, op één lijn te stellen met de afgoden van de islam en het boeddhisme.

Bij het opsommen van de goden van de diverse landen moet de naam van “Samaria” (vers 1919Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?) de gezanten van Hizkia en het volk dat meeluisterde, bijzonder hebben getroffen. Samaria is immers hun broedervolk dat juist vanwege hun afgoderij door de HEERE is overgeleverd in de hand van de koning van Assyrië, die hen heeft weggevoerd en verstrooid.


Verslag aan Hizkia

21Maar zij zwegen en antwoordden hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden. 22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, in gescheurde kleren naar Hizkia toe. Zij vertelden hem de woorden van de commandant.

De woorden van de commandant hebben niet het door hem beoogde effect. Het volk gaat niet in discussie en raakt ook niet in paniek, maar zwijgt (vers 2121Maar zij zwegen en antwoordden hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden.). Deze reactie heeft Hizkia bevolen. Dat wil niet zeggen dat de woorden van de commandant helemaal niets hebben gedaan. De afgevaardigden zijn er diep van onder de indruk geraakt (vers 2222Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, in gescheurde kleren naar Hizkia toe. Zij vertelden hem de woorden van de commandant.). Hun gescheurde kleding spreekt van een diepe verontwaardiging over de Godslasterlijke woorden van de commandant. De toestand lijkt hun hopeloos. Zo doen ze Hizkia verslag.


Lees verder