Jesaja
1-4 De vijand wordt vergolden 5-6 De schat van Juda 7-9 Als de vijand is doorgetrokken 10-13 De HEERE staat op 14-19 Wonen bij de HEERE 20-24 Heerlijkheid van Sion
De vijand wordt vergolden

1Wee u, verwoester, u die [zelf] niet verwoest bent,
en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.
Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u [zelf] verwoest worden;
bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.
2HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.
Wees elke morgen hun arm;
ja, ons heil in tijd van benauwdheid.
3Voor het daverend geluid zullen de volken vluchten;
als U Zich verhoogt, zullen de heidenvolken overal verspreid worden.
4Dan zal uw buit verzameld worden, [zoals] zwermsprinkhanen zich verzamelen;
zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.

In Jesaja 28-32 wordt vijf keer een “wee” uitgesproken over Israël en Juda (Js 28:11Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
; 29:1,151Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich gelegerd heeft!
Voeg jaar bij jaar,
laat de feesten hun kringloop hebben,
15Wee hun die zich diep verbergen voor de HEERE
om [hun] voornemen te verbergen;
hun daden vinden in het duister plaats,
zij zeggen: Wie ziet ons
en wie kent ons?
; 30:11Wee de opstandige kinderen,
spreekt de HEERE,
om een plan te maken,
maar niet van Mij uit;
om een verdrag te sluiten,
maar niet [vanuit] Mijn Geest;
[het is] om zonde op zonde
te hopen.
; 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
)
. Het zesde “wee” wordt nu uitgesproken over de “verwoester”, dat is Assyrië, en “u die trouweloos handelt”, dat is de antichrist (vers 11Wee u, verwoester, u die [zelf] niet verwoest bent,
en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.
Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u [zelf] verwoest worden;
bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.
; vers 1313Hoor, u die ver weg bent, wat Ik heb gedaan,
en u die dichtbij bent, erken Mijn macht!
)
. Dit zijn de twee vijanden waarmee het overblijfsel in de eindtijd te maken krijgt, de ene vijand vanbuiten en de andere vijand vanbinnen.

Weer kijkt de profetie vanuit de tijd van Jesaja ook vooruit naar de toekomstige en uiteindelijke omverwerping van de antichristelijke machten en naar de dag van Sions bevrijding. Het oordeel over Assyrië en de antichrist gebeurt naar het beginsel dat een mens oogst wat hij heeft gezaaid (Gl 6:7-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). Dat geldt net zo goed voor volken als voor afzonderlijke personen.

Aan de definitieve afrekening door de HEERE met Assyrië en de antichrist gaat een tijd vooraf dat deze vijanden Gods volk in grote nood zullen brengen. Met het oog op hun dreiging zal het volk bidden en smeken om verlossing (vers 22HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.
Wees elke morgen hun arm;
ja, ons heil in tijd van benauwdheid.
)
. Jesaja vertolkt in de eerste en de laatste regel van vers 22HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.
Wees elke morgen hun arm;
ja, ons heil in tijd van benauwdheid.
de stem van het overblijfsel in de grote verdrukking, de “tijd van benauwdheid”. Hij maakt zich een met hen en voelt hun nood als de zijne. Daarom spreekt hij in die regels over “ons” en “wij”. Ze hebben niet altijd op de HEERE gehoopt, maar als ze zich hebben bekeerd, hopen ze op Hem. Dan leven ze uit genade.

In de middelste regel van vers 22HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.
Wees elke morgen hun arm;
ja, ons heil in tijd van benauwdheid.
smeekt Jesaja de HEERE om “elke morgen hun arm” te zijn. Daar is hij hun voorbidder en vraagt hij de HEERE met het oog op wat ze dagelijks nodig hebben. Hij vraagt voor hen om Zijn dagelijkse ondersteuning, want ze zijn in die tijd van grote nood afhankelijk van Zijn macht. Zonder Zijn macht zijn ze machteloos. De bede “geef ons vandaag ons toereikend brood” (Mt 6:1111Geef ons vandaag ons toereikend brood.), zal dan actueel zijn. De biddende houding van Jesaja is een voorafschaduwing van de houding van het gelovig overblijfsel.

De HEERE heeft beloofd dat Hij Israël zal beschermen (Js 31:4-54Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Zoals een leeuw
of een jonge leeuw gromt boven zijn prooi
– al wordt tegen hem
een menigte herders samengeroepen,
hij ontstelt niet door hun stemgeluid
en hij krimpt niet ineen voor hun menigte –
zo zal de HEERE van de legermachten neerdalen
om te strijden om de berg Sion en zijn heuvel.
5Zoals vogels [boven hun nest] vliegen,
zo zal de HEERE van de legermachten Jeruzalem beschermen,
Hij zal het beschermen en redden,
Hij zal het voorbijgaan en bevrijden.
)
. Daarom is de uitkomst zeker, niet alleen in de dagen van Hizkia, maar ook in de eindtijd. De vijandige volken, de heidenvolken, die tegen Israël zijn opgetrokken, zullen verstrooid worden doordat de HEERE Zich verheft (vers 33Voor het daverend geluid zullen de volken vluchten;
als U Zich verhoogt, zullen de heidenvolken overal verspreid worden.
)
. Wat deze volken aan buit hebben veroverd, zal door anderen worden weggenomen (vers 44Dan zal uw buit verzameld worden, [zoals] zwermsprinkhanen zich verzamelen;
zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.
)
.


De schat van Juda

5De HEERE is hoogverheven, want Hij woont [in] de hoogte.
Hij heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid.
6Hij zal zijn de vastheid van uw tijden,
een rijkdom aan heil, wijsheid en kennis;
de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.

De verzen 5-65De HEERE is hoogverheven, want Hij woont [in] de hoogte.
Hij heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid.
6Hij zal zijn de vastheid van uw tijden,
een rijkdom aan heil, wijsheid en kennis;
de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.
vormen een tussenspel waarin het gaat over de vestiging van het duizendjarig vrederijk. Dat is nog toekomst, want nergens in de geschiedenis van Israël is wat hier staat ooit vervuld. De HEERE zal dan verheven zijn en Zijn rechtmatige plaats innemen te midden van Zijn volk. Sion zal “met recht en gerechtigheid” vervuld zijn. De HEERE zal Zelf de standvastigheid van de tijden van Zijn volk zijn en hen door die tijden heen met “wijsheid en kennis” de inhoud van hun heil of behoudenis leren kennen. Dit zal hun ware rijkdom zijn. Wijsheid en kennis zijn kenmerken die we ook van de Messias, dat is de Heer Jezus, lezen (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
; 1Ko 1:3030Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;)
.

De schat van Juda zal “de vreze des HEEREN” zijn, in tegenstelling tot het handelen van Hizkia (2Kn 18:13-1613In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in.14Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, [deze boodschap] naar de koning van Assyrië, naar Lachis: Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op.15Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE gevonden werd, en in de schatkamers van het huis van de koning.16In die tijd sneed Hizkia [het goud] af van de deuren en de deurposten van de tempel van de HEERE. Hizkia, de koning van Juda, had die [met goud laten] overtrekken. Hij gaf dat [goud] aan de koning van Assyrië.). Die schat, “de vreze des HEEREN”, is het beginsel van de wijsheid en het beginsel van de kennis (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
)
. Deze vreze des HEEREN wordt gevonden bij gelovigen voor wie Christus de grootste schat is, want in Hem zijn "al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).


Als de vijand is doorgetrokken

7Zie, hun allersterksten schreeuwen het uit daarbuiten,
de vredeboden wenen bitter.
8De gebaande wegen zijn verlaten,
de gebruiker van de weg ontbreekt.
Hij verbreekt het verbond, hij versmaadt de getuigen,
hij acht geen sterveling.
9Het land treurt, verkommert.
De Libanon staat beschaamd, hij is verwelkt,
Saron is geworden als de Vlakte,
en Basan en Karmel schudden [hun bladeren] af.

De profeet beschrijft vervolgens de beklagenswaardige toestand van Israël. De boden die destijds namens Hizkia met een voorstel voor vrede naar Assyrië zijn gegaan, zijn beschaamd uitgekomen (vers 77Zie, hun allersterksten schreeuwen het uit daarbuiten,
de vredeboden wenen bitter.
; 2Kn 18:14,1714Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, [deze boodschap] naar de koning van Assyrië, naar Lachis: Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op.17Maar de koning van Assyrië stuurde de opperbevelhebber, de bevelhebber van de hofhouding en de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. Nadat zij opgetrokken en [daar] aangekomen waren, stelden zij zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.)
. Zij zijn door Sanherib, de koning van Assyrië, bedrogen. De profeet ziet dat Assyrië zich van zijn gedane toezeggingen niets heeft aangetrokken en het verbond heeft verbroken (vers 88De gebaande wegen zijn verlaten,
de gebruiker van de weg ontbreekt.
Hij verbreekt het verbond, hij versmaadt de getuigen,
hij acht geen sterveling.
)
.

Door de aanwezigheid van vijandelijke Assyrische benden waagt geen mens zich meer op straat (vgl. Ri 5:66In de dagen van Samgar, de zoon van Anath,
in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten,
en zij die de paden bewandelden,
gingen kronkelwegen.
)
. Jesaja ziet in de geest ook hoe vreselijk deze verwoester (vers 11Wee u, verwoester, u die [zelf] niet verwoest bent,
en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.
Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u [zelf] verwoest worden;
bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.
)
tegen steden en mensen tekeer zal gaan. Ook het land krijgt met de binnentrekkende vijand te maken (vers 99Het land treurt, verkommert.
De Libanon staat beschaamd, hij is verwelkt,
Saron is geworden als de Vlakte,
en Basan en Karmel schudden [hun bladeren] af.
)
. Niet alleen de natuur van Juda en Israël, maar ook die van andere gebieden zal zuchten onder het Assyrische geweld.


De HEERE staat op

10Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE,
nu zal Ik verhoogd worden,
nu zal Ik verheven worden.
11U gaat zwanger van stro, u zult stoppels baren;
uw adem is een vuur dat u verteren zal.
12De volken zullen verbrande kalk worden,
[als] afgekapte dorens zullen zij met vuur verbrand worden.
13Hoor, u die ver weg bent, wat Ik heb gedaan,
en u die dichtbij bent, erken Mijn macht!

Het gebed van Hizkia en het gebed van het gelovig overblijfsel in de toekomst worden beantwoord. Het verraad van de koning van Assyrië is in de komende verzen aanleiding voor de HEERE om in te grijpen, ook in de toekomst. Het tijdstip is gekomen dat de HEERE zal “opstaan” en “verhoogd” en “verheven” zal worden (vers 1010Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE,
nu zal Ik verhoogd worden,
nu zal Ik verheven worden.
; vgl. Js 52:1313Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen,
Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden.
)
. Dit zijn drie omschrijvingen van Zijn overgaan tot handelen.

Hij treedt sprekend op en verzekert op drievoudige wijze dat Hij “nu” – drie keer in dit vers! – zal ingrijpen. Het Hebreeuwse woord voor nu, attah, klinkt heel krachtig, bijna explosief. Klank en betekenis horen hier op indrukwekkende wijze bij elkaar. Hij zal opstaan van Zijn troon om Zijn vijanden te oordelen. Hij, dat is de Heer Jezus, zal Zich in Zijn volle grootte, in al Zijn majesteit, vertonen.

Dan zal de nietigheid blijken van alles wat Assyrië zich heeft voorgenomen. Wat zij bij zich dragen, hun plannen, blijken niet meer dan “stro” en “stoppels” te zijn, voedsel voor het vuur van Gods oordeel (vers 1111U gaat zwanger van stro, u zult stoppels baren;
uw adem is een vuur dat u verteren zal.
)
. Hun eigen adem wordt door de HEERE als vuur gebruikt om het stro en de stoppels in brand te steken. Niet slechts hun plannen zullen op niets uitlopen, ook zijzelf zullen geoordeeld worden en wel als gevolg van wat ze zich hadden voorgenomen. Zij zullen vallen in de kuil die ze zelf voor anderen hebben gegraven (Sp 26:2727Wie een kuil graaft, zal erin vallen,
verrolt hij een steen, op hem zal hij terugvallen.
)
.

Het oordeel over de Assyriërs staat symbool voor het oordeel over alle volken (vers 1212De volken zullen verbrande kalk worden,
[als] afgekapte dorens zullen zij met vuur verbrand worden.
)
. De volken “die ver weg” zijn, die niet daadwerkelijk met Assyrië vergaderd zijn, zijn de heidenvolken die na de wereldwijde oordelen op de dag van Gods toorn nog zijn overgebleven (vers 1313Hoor, u die ver weg bent, wat Ik heb gedaan,
en u die dichtbij bent, erken Mijn macht!
)
. Tot hen wordt gezegd te horen wat Hij heeft gedaan. Zij “die dichtbij” zijn, Juda, worden opgeroepen de macht van de HEERE te erkennen.


Wonen bij de HEERE

14De zondaars in Sion zijn angstig,
huiver heeft de huichelaars aangegrepen:
Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur?
Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?
15Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,
die winstbejag door afpersing verwerpt,
die zijn handen [afwerend] schudt om geen geschenken aan te nemen,
die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,
die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –
16die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
17Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid.
Ze zullen een wijd uitgestrekt land zien.
18Uw hart zal de verschrikking overdenken:
Waar is de schrijver? Waar is de betaalmeester?
Waar is hij die de torens telt?
19Het onbeschaamde volk zult u niet [meer] zien,
het volk met zo'n onbegrijpelijke taal dat je het niet begrijpen kunt,
met die bespottelijke tongval; het is niet te verstaan.

Niet alleen de volken ver weg zijn verbouwereerd. Ook te midden van hen die terugkeren naar Israël bevinden zich nog zondaars (vers 1414De zondaars in Sion zijn angstig,
huiver heeft de huichelaars aangegrepen:
Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur?
Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?
)
. Zij moeten uitgezuiverd worden (Ez 20:3838Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Ook deze weerspannige Israëlieten zullen hun oordeel niet ontlopen (Ez 20:34-3834Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid.35Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.37Ik zal u onder de [herders]stok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.38Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.), want er is bij God geen aanneming des persoons.

Vervolgens stelt Jesaja enkele gewetensvragen. Nu door de oordelen de nabijheid van de HEERE bijna tastbaar is, zien de Israëlieten – net als Jesaja zelf in Jesaja 6 – zichzelf in het licht van God. Uiterlijke belijdenis is niet voldoende. Net als bij Johannes de doper, die voor God de weg moest bereiden, worden de harten nu gelouterd.

Het resultaat is een Godvrezend overblijfsel. Zij zullen kunnen wonen bij “een eeuwige gloed” (vgl. Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.), dat is in de tegenwoordigheid van de Heilige van Israël, omdat er in hen niets te verteren valt. Bij hen zijn de kenmerken aanwezig die in vers 1515Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,
die winstbejag door afpersing verwerpt,
die zijn handen [afwerend] schudt om geen geschenken aan te nemen,
die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,
die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –
worden genoemd (vgl. Ps 15:1-31Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?2Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
)
. Dit behoort ook ons te kenmerken. Daar moeten we maar eens aan denken als we naar een film kijken waarin soms dingen worden getoond en gezegd die hiermee in strijd zijn.

Zij zullen op de hoogten wonen, zij zullen beschermd en gevoed worden (vers 1616die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
)
. Zij zullen hun Koning-Messias in Zijn schoonheid zien als Hij terugkomt om alle beloften te vervullen. Zij zullen het grote, uitgestrekte Israël zien zoals dat aan Abraham is beloofd (vers 1717Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid.
Ze zullen een wijd uitgestrekt land zien.
; Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:)
. Dat is hun beloning omdat zij hun ogen hebben toegesloten om het slechte niet aan te zien (vers 1515Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,
die winstbejag door afpersing verwerpt,
die zijn handen [afwerend] schudt om geen geschenken aan te nemen,
die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,
die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –
)
.

Ze zullen de verschrikkingen overpeinzen waar ze doorheen zijn gegaan (vers 1818Uw hart zal de verschrikking overdenken:
Waar is de schrijver? Waar is de betaalmeester?
Waar is hij die de torens telt?
)
. Alle vertegenwoordigers van het schrikbewind waaronder ze hebben gezucht, zullen er niet meer zijn. Ze zijn voorbij, voor altijd. De politieke secretaris die de opgebrachte belasting noteert (“schrijver”), de belastingcontroleur die het gewicht van goud en zilver controleert (“betaalmeester” of ‘weger’) en de militaire commandant die de vestingwerken nagaat (“hij die de torens telt”) komen niet meer opdagen. Ja, het hele onderdrukkende volk zal uit hun ogen zijn verdwenen (vers 1919Het onbeschaamde volk zult u niet [meer] zien,
het volk met zo'n onbegrijpelijke taal dat je het niet begrijpen kunt,
met die bespottelijke tongval; het is niet te verstaan.
)
. Ook hun oren zullen niet meer gekweld worden door het horen van een vreemde taal, want dat betekent dat de vijand bij hen aan de macht is en zij slaven zijn. De vijand is er niet meer en verdwenen is dan ook die onbegrijpelijke taal en die bespottelijke tongval.

Paulus haalt dit vers in gewijzigde vorm aan in een vergelijking tussen de bevrijdende kracht van het kruis en de macht van de wereld (1Ko 1:2121Want daar in de wijsheid van God de wereld niet door de wijsheid tot kennis van God is gekomen, heeft het God behaagd door de dwaasheid van de prediking te behouden hen die geloven.). Hij laat zien dat alle macht van de wereld geen mens heeft kunnen bevrijden van zijn zonden, maar hem slechts in slavernij houdt. De wijsheid van God heeft die bevrijding mogelijk gemaakt door het werk van Christus op het kruis. Daardoor kan de gelovige met vrijmoedigheid zeggen: ‘Waar zijn al die vijanden gebleven?’ Dat moet ons overigens niet achteloos maken in ons leven met de Heer, want dan kan zo’n vijand zomaar weer opduiken.


Heerlijkheid van Sion

20Aanschouw Sion, de stad van onze samenkomsten.
Uw ogen zullen Jeruzalem zien,
een veilige woonplaats, een tent die niet afgebroken zal worden,
waarvan de pinnen voor altijd niet uitgetrokken zullen worden
en waarvan geen enkel touw gebroken zal worden.
21Want de HEERE zal daar in [Zijn] macht bij ons zijn.
Het zal een plaats van rivieren, van brede stromen zijn.
Geen roeiboot zal erop varen,
geen statig schip zal er passeren.
22De HEERE is immers onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever,
de HEERE is onze Koning; Híj zal ons verlossen.
23Uw touwen hangen slap,
ze houden hun mast niet op zijn plaats,
ze spannen het zeil niet uit.
Dan wordt er een rijke buit verdeeld,
[zelfs] verlamden roven buit.
24Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.
[Want] het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben [ontvangen].

Sion zal worden gezien in heerlijkheid (Ps 48:1-151Een lied, een psalm, van de zonen van Korach.2De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, [op] Zijn heilige berg.
3Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
4God is in haar paleizen;
Hij is er bekend als een veilige vesting.
5Want zie, koningen hadden zich verzameld,
zij waren samen opgetrokken.
6Zodra zij [de stad] zagen, waren zij verbijsterd,
zij werden door schrik overmand, zij haastten zich weg.
7Huiver greep hen daar aan,
smart als van een barende [vrouw].
8Met een oostenwind breekt U
de schepen van Tarsis stuk.
9Zoals wij het gehoord hadden,
zo hebben wij het gezien
in de stad van de HEERE van de legermachten,
in de stad van onze God:
God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid. /Sela/10O God, wij gedenken Uw goedertierenheid
in het midden van Uw tempel.
11Zoals Uw Naam is, o God,
zo is Uw roem,
tot aan de einden der aarde;
Uw rechterhand is vol gerechtigheid.
12Laat de berg Sion zich verblijden;
laat de dochters van Juda zich verheugen omwille van Uw oordelen.
13Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
14richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
15Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
)
. Het zal een vredige woonplaats zijn met een duurzame veiligheid die nooit meer in gevaar zal komen (vers 2020Aanschouw Sion, de stad van onze samenkomsten.
Uw ogen zullen Jeruzalem zien,
een veilige woonplaats, een tent die niet afgebroken zal worden,
waarvan de pinnen voor altijd niet uitgetrokken zullen worden
en waarvan geen enkel touw gebroken zal worden.
)
. Het zal een stad zijn waar de feesten van de HEERE weer zullen worden gehouden. De oorzaak daarvan is dat de HEERE Zelf daar woont (vers 2121Want de HEERE zal daar in [Zijn] macht bij ons zijn.
Het zal een plaats van rivieren, van brede stromen zijn.
Geen roeiboot zal erop varen,
geen statig schip zal er passeren.
)
. De heerlijkheid van de stad wordt luister bijgezet door de overvloed aan wateren. Op die rivieren zullen echter geen vijandige oorlogsschepen varen.

De HEERE is hun “Rechter”, Hij zal het recht uitoefenen over de vijanden. Hij is hun “Wetgever”, Hij geeft Zijn wet in hun harten. Hij is hun “Koning”, de Gezalfde over Sion Die zegenrijk regeert. Hij is ten slotte ook hun Verlosser, Die deze heerlijke toestand tot stand heeft gebracht door Zijn volk te verlossen van hun zonden en hun vijanden (vers 2222De HEERE is immers onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever,
de HEERE is onze Koning; Híj zal ons verlossen.
)
. Hij is hun volkomen sterkte. In Hem zal Israël zijn Goddelijke Koning hebben, Die alles wat Zijn volk nodig heeft aan dit volk zal schenken. Het is gegrond op een volkomen verlossing.

In zichzelf is het volk zwak en onbekwaam om de staat Israël, alsof het een schip is, varende te houden (vers 2323Uw touwen hangen slap,
ze houden hun mast niet op zijn plaats,
ze spannen het zeil niet uit.
Dan wordt er een rijke buit verdeeld,
[zelfs] verlamden roven buit.
)
. Toch zal het hun gegeven zijn om de buit van de vijand te verdelen en zullen de verlamden de kracht ontvangen om roof te vergaderen. Lichamelijke en geestelijke ziekten behoren tot het verleden (vers 2424Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.
[Want] het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben [ontvangen].
)
. Geen inwoner van Jeruzalem zal ermee te maken hebben. Dit hangt ten nauwste samen met de vergeving van hun ongerechtigheden (Ps 103:33Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
)
.

Deze toestand is nog niet aanwezig. God wil ons leren, zoals Hij Israël zal leren, dat het onmogelijk is onszelf in eigen kracht te bevrijden. Hij zendt ons zwakheid, opdat we leren in zwakheid sterk te zijn. Jakob heeft dit moeten leren. Toen hij lichamelijk krachteloos werd gemaakt (Gn 32:2525En toen [de Man] zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde.), heeft hij geleerd meer dan ooit te steunen op de almachtige kracht van de HEERE.

Paulus heeft leren roemen in zijn zwakheden, “opdat de kracht van Christus op” hem zou wonen (2Ko 12:99en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.). Het woord ‘wonen’ betekent ‘als een tabernakel spreiden over’ of ‘overschaduwen’. Het ziet hier op de rust en bescherming die Christus geeft aan ieder die weet zelf geen kracht te hebben om door beproevingen heen te gaan en daarom bij Hem kracht zoekt. In onze beproevingen en moeiten leren we de liefde van Christus kennen op een manier die onmogelijk is zonder deze oefeningen. Dan zullen we uit ervaring kunnen zeggen: “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad” (Rm 8:35-3735Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.).


Lees verder