Jesaja
Inleiding 1-4 Profetie over Samaria 5-6 Bemoediging voor de getrouwen 7-10 Dronken priesters en profeten 11-13 Tongentaal als oordeel 14-19 Verbond met de dood 20-22 Het vreemde werk 23-29 Het werk van de HEERE is wijs
Inleiding

Overzicht hoofddeel 1.3 – Jesaja 28-35

God en Zijn volk

Het derde gedeelte van het eerste hoofddeel (Jesaja 1-35) omvat Jesaja 28-35 en is als volgt onder te verdelen:

1. Wee over Samaria (Jesaja 28)
2. Wee over Ariël (Jesaja 29)
3. Wee over de opstandige kinderen (Jesaja 30)
4. Wee over hen die de hulp zoeken van Egypte (Jesaja 31)
5. Gods koninkrijk (Jesaja 32)
6. Wee over de verwoester (Jesaja 33)
7. Oordeel over de wereld en Edom (Jesaja 34)
8. Zegen voor Gods volk (Jesaja 35)

Net als de voorgaande gedeelten, Jesaja 1-12 en Jesaja 13-27, begint dit gedeelte met het oordeel van God en loopt het door tot het vrederijk. Het eindigt ook met een loflied en een opsomming van de zegeningen van het vrederijk.

Inleiding op Jesaja 28

Jesaja 28-29 introduceren een serie van profetieën. Profetisch vinden we hier de twee aanvallen (Dn 11:39-4439Hij zal versterkte vestingen maken met een vreemde god. Hen die hij zal kennen, zal hij in aanzien laten toenemen en hen laten heersen over velen en hij zal het land uitdelen als beloning.40Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.) van de Assyriërs in de tijd van de gramschap van God. Het herstel van Israël vindt tussen deze aanvallen plaats. Na de definitieve vernietiging van de Assyriërs wordt het vrederijk gevestigd.

Dit profetische gedeelte vindt zijn geschiedkundige voorvervulling in de val van Samaria (2Kn 17:1-5,22-231In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël in Samaria [en hij regeerde] negen jaar.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, alleen niet zoals de koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.3Tegen hem trok Salmaneser op, de koning van Assyrië; Hosea werd zijn dienaar en droeg schatting aan hem af.4Maar toen de koning van Assyrië een samenzwering bij Hosea ontdekte, [namelijk] dat deze boden gestuurd had naar So, de koning van Egypte, en dat hij de schatting aan de koning van Assyrië niet als tevoren van jaar tot jaar afdroeg, nam de koning van Assyrië hem gevangen en sloot hij hem op in de gevangenis.5Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het drie jaar [lang].22De Israëlieten wandelden overeenkomstig alle zonden van Jerobeam, die hij gedaan had; zij weken daar niet van af,23totdat de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn dienaren, de profeten. Zo werd Israël in ballingschap uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op deze dag.). De eindvervulling van dit gedeelte is de eerste aanval van de koning van het noorden op Israël (Dn 11:4040Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.).


Profetie over Samaria

1Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
2Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
3Met voeten zal vertrapt worden
de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm.
4En de verwelkende bloem van zijn schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei
zal zijn als een vroege vijg vóór de zomer:
als iemand die ziet,
slokt hij die meteen op uit zijn hand.

Dit hoofdstuk introduceert een nieuwe serie weeën. In Jesaja 5 horen we zes keer een “wee” en nu komen er tot Jesaja 33 nog eens zes bij. De eerste vijf gaan over Israël en vooral over Juda en Jeruzalem. Het zesde is over Assyrië. Het “wee” wordt over Gods volk uitgesproken vanwege het verlaten van de HEERE. Het betreft de goddelozen van Israël. Zij stellen liever hun vertrouwen op Egypte dan op de HEERE. In de eindtijd zullen zij hun vertrouwen stellen op hun koning, de antichrist, en het verbond met het beest, de komende leider van het herstelde Romeinse rijk, de verenigde staten van Europa.

Dit hoofdstuk kan in drie delen worden verdeeld:
1. verzen 1-131Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
2Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
3Met voeten zal vertrapt worden
de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm.
4En de verwelkende bloem van zijn schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei
zal zijn als een vroege vijg vóór de zomer:
als iemand die ziet,
slokt hij die meteen op uit zijn hand.5Op die dag zal de HEERE van de legermachten
tot een schitterende kroon en sierlijke krans zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
6tot een geest van het recht voor wie zit om recht te spreken,
en tot een kracht voor wie de strijd terugdringt naar de poort.7Ook dezen [hier] zwalken van wijn,
dwalen rond door sterkedrank.
Priester en profeet zwalken door sterkedrank.
Zij zijn opgeslokt door de wijn,
zij dwalen rond door de sterkedrank.
Zij zwalken bij [het uitleggen van] het visioen,
zij struikelen tijdens [hun] gerechtelijke uitspraak.
8Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel,
geen plek is [schoon].
9Wie kan Hij [dan] de kennis bijbrengen?
Wie kan Hij [dan] het gehoorde doen begrijpen?
Wie [net] van de moedermelk af zijn,
wie [net] van de borst zijn afgehaald?
10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje.11Ja, met belachelijke klanken
en in een andere taal
zal Hij tot dit volk spreken,
12tegen wie Hij zei:
Dit is de rust,
geef de vermoeide rust,
en dit is de verademing –
maar zij wilden niet luisteren.
13Daarom zal voor hen het woord van de HEERE zijn:
gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje,
zodat zij, als zij weggaan, achterovervallen,
verpletterd worden, verstrikt raken en gevangen worden.
,
2. verzen 14-2214Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
15Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
16daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
17Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
18Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
19Zo dikwijls als hij voorbijtrekt,
zal hij u grijpen;
ja, ochtend na ochtend zal hij voorbijtrekken,
bij dag en bij nacht.
Het zal gebeuren dat het begrijpen van het bericht
slechts beroering teweeg zal brengen.20Want het bed zal te kort zijn om zich erop uit te strekken,
en de deken te smal om zich erin te wikkelen.
21Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim.
Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon,
om Zijn werk te doen
– vreemd zal Zijn werk zijn –
en om Zijn daad te verrichten
– ongewoon zal Zijn daad zijn.
22Nu dan, spot niet,
anders zullen uw boeien nog strakker aangehaald worden;
want een [vernietigend] einde – en het is vast besloten, heb ik gehoord
van de Heere, de HEERE van de legermachten – [komt] over heel het land.
,
3. verzen 23-2923Neem ter ore en luister naar mijn stem,
sla er acht op en luister naar mijn woorden!
24Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land [altijd maar] openleggen en eggen?
25Is het niet zo: heeft hij de bovenlaag ervan geëffend,
dan strooit hij wikke uit, zaait er komijn op,
en zet tarwe op rij, gerst per vak,
en spelt aan de rand?
26Zijn God onderwijst hem
over de juiste wijze. Hij onderwijst hem.
27Want men dorst wikke toch niet met een dorsslede,
en rolt over komijn toch geen wagenwiel?
Maar wikke wordt uitgeklopt met een stok,
en komijn met een staak.
28Broodkoren moet [wel] fijngemaakt worden,
maar hij dorst en dorst
[het] niet voor altijd door;
hij plet het niet met zijn wagenwiel,
met zijn paarden verpulvert hij het niet.
29Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.
.

In het eerste deel wordt de ontaarde toestand van de leiders in Israël in die tijd beschreven. In de eerste verzen wordt Samaria openlijk aan de kaak gesteld. Als de hoofdstad van het tienstammenrijk wordt de stad “de trotse kroon” genoemd, waarop het beschonken Efraïm zich beroemt (vers 11Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
)
. De inwoners van Samaria leven in luxe zelfgenoegzaamheid. De stad, die op een berg ligt en daarom als “op het hoofd” wordt gezien, wordt vergeleken met “een verwelkende bloem”, wat het beeld geeft van glorie die aan het vergaan is. De achtergrond van deze profetie is de voorvervulling wanneer Samaria drie jaar lang belegerd en uiteindelijk verwoest wordt door de Assyriërs (2Kn 17:55Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het drie jaar [lang].).

De vruchtbaarheid van de vallei, waaraan de stad als een hoofdsieraad ligt, gebruiken ze voor de bevrediging van hun eigen behoeften (vgl. Am 4:11Luister naar dit woord,
koeien van Basan die op de berg van Samaria zijn,
u, die de geringen onderdrukt,
die de armen mishandelt,
die tegen hun heren zeggen:
Breng [ons iets], zodat wij kunnen drinken.
)
. Het maakt hen dronken en daardoor ongevoelig voor het woord van God bij monde van Zijn profeten. Dit alles zal de HEERE met Zijn oordeel slaan. Assyrië zal het instrument zijn waardoor de HEERE het oordeel zal uitvoeren. Assyrië kunnen we hier vereenzelvigen met de komende koning van het noorden, de alliantie van Noord-Arabische (Ps 83:6-96Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
, islamitische landen met steun van Gog (vgl. Dn 8:2424Zijn kracht zal machtig worden, maar niet door eigen kracht.
Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten,
het zal [hem] lukken, hij zal [het] doen.
Machtigen zal hij te gronde richten,
ook het heilige volk.
)
. Assyrië wordt weer voorgesteld als “geweldige, [alles] wegspoelende wateren” (vers 22Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
; Js 8:77daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
)
.

Assyrië zal Samaria onder de voet lopen en hun trots vertrappen (vers 33Met voeten zal vertrapt worden
de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm.
)
. Hij zal dat met het grootste gemak doen. Met de stad zal worden afgerekend als met “de verwelkende bloem”. Het zal terloops gebeuren met de snelheid waarmee men een vroege vijg ziet, plukt, in de mond stopt en doorslikt (vers 44En de verwelkende bloem van zijn schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei
zal zijn als een vroege vijg vóór de zomer:
als iemand die ziet,
slokt hij die meteen op uit zijn hand.
)
, en hij is er niet meer. Wij zouden zeggen: hap, slik, weg. Deze verzen zijn vervuld in 622 v.Chr.

In dit gedeelte ligt voor ons de waarschuwing ons vertrouwen niet te stellen op onze welvaart. We mogen genieten van wat de Heer ons geeft, maar Hij verlangt van ons dat wij eerst Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken (Mt 6:3333Zoekt echter eerst het koninkrijk <van God> en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.). We hebben het immers van Hem gekregen. Als we dat erkennen, zullen we Hem willen eren met wat Hij ons heeft toevertrouwd. Dan zullen we ook aan de minderbedeelden geven.

Profetisch wijst deze aanval (verzen 1-61Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
2Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
3Met voeten zal vertrapt worden
de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm.
4En de verwelkende bloem van zijn schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei
zal zijn als een vroege vijg vóór de zomer:
als iemand die ziet,
slokt hij die meteen op uit zijn hand.5Op die dag zal de HEERE van de legermachten
tot een schitterende kroon en sierlijke krans zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
6tot een geest van het recht voor wie zit om recht te spreken,
en tot een kracht voor wie de strijd terugdringt naar de poort.
)
op de eerste aanval van de koning van het noorden op Israël (Dn 11:4141Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.). Met Efraïm wordt het noorden van Israël bedoeld dat als eerste door deze koning wordt aangevallen. De tien stammen zelf zullen terugkeren na de verschijning van de Heer (Mt 24:29-3129Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.30En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.31En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.). Vanaf vers 77Ook dezen [hier] zwalken van wijn,
dwalen rond door sterkedrank.
Priester en profeet zwalken door sterkedrank.
Zij zijn opgeslokt door de wijn,
zij dwalen rond door de sterkedrank.
Zij zwalken bij [het uitleggen van] het visioen,
zij struikelen tijdens [hun] gerechtelijke uitspraak.
gaat het om de voortzetting van deze aanval op Jeruzalem.


Bemoediging voor de getrouwen

5Op die dag zal de HEERE van de legermachten
tot een schitterende kroon en sierlijke krans zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
6tot een geest van het recht voor wie zit om recht te spreken,
en tot een kracht voor wie de strijd terugdringt naar de poort.

Hier gaan we naar de toekomst, aangegeven door de uitdrukking “op die dag” (vers 55Op die dag zal de HEERE van de legermachten
tot een schitterende kroon en sierlijke krans zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
)
. De profeet verplaatst ons ineens naar de eindtijd. Op de bedreiging voor de afvalligen volgt weer de bemoediging voor de getrouwen, het overblijfsel, “de rest van Zijn volk”, voor wie de HEERE altijd oog heeft. Hij zal voor hen “een schitterende kroon en sierlijke krans” zijn. Dit is een duidelijke en veelzeggende tegenstelling met de “trotse kroon” die Samaria op het moment van de profetie van Jesaja is en die uiteindelijk een verwelkende bloem blijkt te zijn (vers 11Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm,
en een verwelkende bloem, een schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei van hen die geveld zijn door de wijn.
)
.

Ook zal Hij dit overblijfsel geestelijk ondersteunen bij het nemen van de juiste beslissingen in rechtszaken (vers 66tot een geest van het recht voor wie zit om recht te spreken,
en tot een kracht voor wie de strijd terugdringt naar de poort.
)
. Tevens zal Hij hun strijders de kracht geven om de binnengedrongen vijand terug te dringen naar de poort en hen de stad uit te jagen. Deze ondersteuning heeft het overblijfsel nodig om in de wedergeboorte (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.), dat is in het vrederijk, met de HEERE te kunnen regeren.

Deze bemoediging geldt ook voor allen die vandaag, de tijd waarin de afval hard toeneemt, in de vrees van de Heer willen wandelen. Zij krijgen wijsheid en kracht van de Heer. We moeten erop toezien dat we rechtvaardig leven en overwinningen behalen in de kracht van de Heilige Geest.


Dronken priesters en profeten

7Ook dezen [hier] zwalken van wijn,
dwalen rond door sterkedrank.
Priester en profeet zwalken door sterkedrank.
Zij zijn opgeslokt door de wijn,
zij dwalen rond door de sterkedrank.
Zij zwalken bij [het uitleggen van] het visioen,
zij struikelen tijdens [hun] gerechtelijke uitspraak.
8Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel,
geen plek is [schoon].
9Wie kan Hij [dan] de kennis bijbrengen?
Wie kan Hij [dan] het gehoorde doen begrijpen?
Wie [net] van de moedermelk af zijn,
wie [net] van de borst zijn afgehaald?
10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje.

Met “ook dezen” (vers 77Ook dezen [hier] zwalken van wijn,
dwalen rond door sterkedrank.
Priester en profeet zwalken door sterkedrank.
Zij zijn opgeslokt door de wijn,
zij dwalen rond door de sterkedrank.
Zij zwalken bij [het uitleggen van] het visioen,
zij struikelen tijdens [hun] gerechtelijke uitspraak.
)
gaat Jesaja nu spreken over het zuidelijke rijk Juda en meer speciaal over de leiders van Jeruzalem, zij die verantwoordelijkheid hebben onder het volk (vers 1414Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
)
. Zij zijn niet beter dan die van Samaria en hebben zelfs een grotere verantwoordelijkheid en daardoor ook een grotere schuld. Jesaja spreekt in krachtiger bewoordingen over hun bedrieglijke visioenen en rechterlijke uitspraken. Hij hekelt in krasse bewoordingen de liederlijke levensstijl die zij erop na houden (vers 88Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel,
geen plek is [schoon].
)
.

Zelfs hun altaren (tafels) zijn door braaksel (Hebr. kotzen) vreselijk verontreinigd. Het gaat dwars in tegen het gebod voor de priesters: “Wijn en sterkedrank mag u niet drinken” (Lv 10:99Wijn en sterkedrank mag u niet drinken, u niet en uw zonen met u [ook] niet, als u de tent van ontmoeting binnenkomt, opdat u niet sterft – [het is] een eeuwige verordening, [al] uw generaties door –; Ez 44:2121Geen enkele priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnenkomt.). Het is ook niet slechts een incident, maar het is een gewoonte, een levensstijl geworden. Profetisch gezien zal Jeruzalem eenvoudig vallen daar zij geestelijk gezien in een Godsverduistering zitten, bedwelmd door de wijn van de antichrist. Daarom zal de koning van het noorden met gemak doorstoten naar Jeruzalem.

Hun brallende reactie horen we in de verzen 9-109Wie kan Hij [dan] de kennis bijbrengen?
Wie kan Hij [dan] het gehoorde doen begrijpen?
Wie [net] van de moedermelk af zijn,
wie [net] van de borst zijn afgehaald?
10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje.
. In het Hebreeuws klinken deze woorden als het lallen van dronken mensen: “ki tsav latsav, tsav latsav, kav lakav, kav lakav, ze’ir sham, ze’ir sham”. Profetisch zijn deze priesters en profeten van de Joden dronken door te drinken van de wijn van de antichrist, waardoor het hun aan ware Godskennis ontbreekt en zij geestelijk geen enkel onderscheidingsvermogen meer hebben.

Deze dronken priester brult tegen zijn kameraden over Jesaja: ‘Komt hij hier om ons, die kennis hebben, de les te lezen?’ En de dronken profeet, die zich erop beroemt zelf openbaringen te hebben ontvangen, zegt spottend tegen zijn brasgenoten over Jesaja: ‘Wil hij ons laten weten wat een openbaring betekent? Hij denkt zeker dat we een stelletje kleuters zijn! Altijd laat hij zijn wetjes horen, telkens legt hij zijn eisen bij ons neer. Nu eens heeft hij het hier over en dan weer over wat anders. Die man heeft altijd wat te zeuren!’

Ze menen dat zij de verlichte intellectuelen van hun dagen zijn, terwijl ze niet beseffen dat ze inderdaad dwaas en kinderlijk zijn. Daarom spreekt Jesaja hen aan met duidelijke en begrijpelijke taal. Hij zegt inderdaad wat ze wel en wat ze niet mogen doen. Het is een volk van geboden en regels, maar ze hebben die alleen in uitwendige zin.


Tongentaal als oordeel

11Ja, met belachelijke klanken
en in een andere taal
zal Hij tot dit volk spreken,
12tegen wie Hij zei:
Dit is de rust,
geef de vermoeide rust,
en dit is de verademing –
maar zij wilden niet luisteren.
13Daarom zal voor hen het woord van de HEERE zijn:
gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje,
zodat zij, als zij weggaan, achterovervallen,
verpletterd worden, verstrikt raken en gevangen worden.

Omdat ze niet luisteren, vervolgt Jesaja met een oordeelsaankondiging. Als ze dan niet naar de duidelijke taal van de profeet willen luisteren, maar daarover schampere opmerkingen maken, zal er in een onverstaanbare taal tot hen worden gesproken. Dat zal gebeuren als de legers van Assyrië, mensen die een vreemde taal spreken, het land zullen binnenvallen (vers 1111Ja, met belachelijke klanken
en in een andere taal
zal Hij tot dit volk spreken,
)
.

Paulus haalt de verzen 11-1211Ja, met belachelijke klanken
en in een andere taal
zal Hij tot dit volk spreken,
12tegen wie Hij zei:
Dit is de rust,
geef de vermoeide rust,
en dit is de verademing –
maar zij wilden niet luisteren.
aan in verband met de tongentaal waarop de Korinthiërs zo trots zijn. Maar hij voegt eraan toe dat de talen een teken zijn voor de ongelovigen (1Ko 14:21-22a21In de wet staat geschreven: ‘Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt [de] Heer’.22De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; en de profetie is niet voor de ongelovigen, maar voor de gelovigen.). Die ongelovigen blijken dan de Israëlieten te zijn, want Paulus haalt dit vers uit Jesaja aan. Hij wil daarmee zeggen dat door deze tongentaal aan Israël wordt duidelijk gemaakt dat de Heer voortaan in elke menselijke taal geprezen kan worden en niet alleen maar in het heilige Hebreeuws. Dit houdt – zij het tijdelijk – de verwerping van Israël als speciaal volk van God in. Tongentaal is dus een teken van oordeel en niet van zegen. Dat is de toepassing van dit vers. De uitleg is dat de Assyriërs zullen komen en dat door deze onverstaanbare mensen het oordeel zal komen omdat ze niet hebben geluisterd naar Gods profeten die ze wel hebben verstaan.

Het wonder en teken van de talen gebeurt ook op de Pinksterdag in Jeruzalem (Hd 2:5-125Nu woonden er in Jeruzalem Joden, Godvrezende mannen uit elk van de volken die er onder de hemel zijn.6Toen nu dit geluid was ontstaan, kwam de volksmenigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.7En zij waren buiten zichzelf en verwonderden zich en zeiden: Zie, zijn niet al dezen die spreken Galileeërs?8Hoe horen wij [hen] dan ieder van ons in zijn eigen taal waarin wij geboren zijn?9Parthen, Meden en Elamieten, en de bewoners van Mesopotamië, Judéa en Kappadocië, Pontus en Asia,10Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyréne, en de hier woonachtige Romeinen, zowel Joden als proselieten,11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen over de grote daden van God spreken.12En zij waren allen buiten zichzelf en waren in verlegenheid en zeiden de een tot de ander: Wat mag dit toch zijn?). Er zijn veel Joden uit andere landen aanwezig. Dan horen zij in hun talen en zelfs dialecten over de grote daden van God spreken. Voor de inlandse Joden lijkt het dronkenmanstaal. Slechts een klein deel van de massa, drieduizend, komt tot geloof.

De talen zijn een teken voor de ongelovige Joden. Het is een teken van oordeel. Het spreken in talen mag ook in de gemeente gebeuren, als er (Joodse) ongelovigen zijn die een andere taal spreken, maar dan moet er wel een uitlegger aanwezig zijn, want de gemeente moet stichting ontvangen. Alleen de inhoud bouwt de gemeente op (1Ko 14:20-2820Broeders, weest geen kinderen in uw overleggingen, maar weest kleine kinderen in de boosheid, en wordt in uw overleggingen volwassenen.21In de wet staat geschreven: ‘Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt [de] Heer’.22De talen zijn dus tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; en de profetie is niet voor de ongelovigen, maar voor de gelovigen.23Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt?24Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of een onkundige binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen beoordeeld;25het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is.26Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.27Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en [ieder] op zijn beurt, en laat één het uitleggen.28Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in [de] gemeente en laat hij tot zichzelf spreken en tot God.).

De HEERE heeft Zijn volk rust en verademing aangeboden, maar daarnaar hebben ze geen oren (vers 1212tegen wie Hij zei:
Dit is de rust,
geef de vermoeide rust,
en dit is de verademing –
maar zij wilden niet luisteren.
; Js 30:1515Want zo zegt de Heere HEERE, de Heilige van Israël:
Door terugkeer en rust zou u verlost worden,
in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn,
maar u hebt niet gewild.
)
. Daarom zullen ze gedwongen worden zich te buigen voor wetten en eisen op allerlei terreinen in onderwerping aan een vijand die geen enkel mededogen kent (vers 1313Daarom zal voor hen het woord van de HEERE zijn:
gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje,
zodat zij, als zij weggaan, achterovervallen,
verpletterd worden, verstrikt raken en gevangen worden.
)
. Ze gaan gewoon verder met hun uiterlijke godsdienst en zullen vallen (vgl. Zc 14:22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.).


Verbond met de dood

14Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
15Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
16daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
17Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
18Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
19Zo dikwijls als hij voorbijtrekt,
zal hij u grijpen;
ja, ochtend na ochtend zal hij voorbijtrekken,
bij dag en bij nacht.
Het zal gebeuren dat het begrijpen van het bericht
slechts beroering teweeg zal brengen.

Nadat Jesaja in de vorige verzen over de leiders van Jeruzalem heeft gesproken en wel vooral over de geestelijke leiders, spreekt hij nu tot de politieke leiders, de “heersers over dit volk dat in Jeruzalem is” (vers 1414Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
)
. In de toekomst zijn dit de regeringsambtenaren van de antichrist. Hij noemt hen ronduit “spotters”, verwijzend naar hun eerdere opmerkingen (verzen 9-109Wie kan Hij [dan] de kennis bijbrengen?
Wie kan Hij [dan] het gehoorde doen begrijpen?
Wie [net] van de moedermelk af zijn,
wie [net] van de borst zijn afgehaald?
10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod,
regel op regel, regel op regel,
hier een beetje,
daar een beetje.
)
en stelt hun de vermetelheid van hun buitenlandse politiek voor de aandacht. Hun spotternij heeft hen gevoerd tot het uitdagen van God. Uitdagend maken ze er melding van dat ze een “verbond … met de dood” hebben gesloten en dat ze “met het rijk van de dood … een verdrag” zijn aangegaan. Daar rekenen ze op en niet op God. Daarin ligt voor hen hun kracht en niet in God.

Het lijkt erop dat hun politiek als volgt is. Ze hebben steeds met twee vijandelijke grootmachten te maken: Egypte in het zuiden en Assyrië in het noorden. Ze hebben heimelijk met Egypte – door Jesaja “de dood” en “het rijk van de dood” genoemd – een verbond gesloten om zich tegen Assyrië te kunnen verweren (vers 1515Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
)
. Ze zijn gewaarschuwd voor een inval van Assyrië (Js 8:7-87daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
8Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt [er] doorheen,
hij reikt tot aan de hals,
en zijn uitgebreide vleugels
zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!
)
. Door het verbond met Egypte wanen ze zich nu veilig. Als Assyrië als “de [alles] wegspoelende gesel”, – “de roede” (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
– komt, hebben ze een schuilplaats. Ze leveren zich liever met huid en haar aan leugen en bedrog uit dan dat ze hun vertrouwen op de HEERE stellen in overeenstemming met de oproep van Jesaja.

Profetisch zal Israël te maken krijgen met twee grootmachten. Het gevaar komt van de eerste, de Assyriërs, dat is de koning van het noorden, een alliantie van Arabische islamitische landen (waarschijnlijk sjiitisch), met daarachter hun machtige bondgenoot Gog, dat is Rusland. Om zich tegen hem te kunnen verweren zal Israël een verbond sluiten met een andere grootmacht, het herstelde Romeinse rijk, de verenigde staten van Europa. Het Woord van God noemt dit verbond een verbond met de dood en de hades.

In tegenstelling tot de huichelachtige en daardoor onbetrouwbare politiek wordt de Godvrezende gewezen op een onwankelbare grondslag (vers 1616daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
)
. Daarover spreekt Jakob al in zijn zegenspreuk voor Jozef als hij zegt dat de kracht van Israël komt “van de Machtige van Jakob”, Die als “de rots van Israël” zijn herder is (Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
)
. Deze rots of steen is niemand anders dan Christus, zoals we van de apostel Petrus weten die dit vers van Jesaja in zijn eerste brief citeert (1Pt 2:66Want er staat in [de] Schrift: ‘Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren, kostbare hoeksteen, en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden’.).

Van Petrus leren we dat wat waar zal zijn voor het gelovig overblijfsel in de laatste dagen, voor ons nu al waar is. Christus is inderdaad “een beproefde steen”, wat we zien in wat Hem allemaal is overkomen tijdens Zijn eerste komst en verblijf op aarde. [Letterlijk is het ‘een proefsteen’ in de betekenis van een steen die een standaard en toetssteen is voor de andere stenen. De andere stenen worden gevormd naar Zijn beeld (vgl. 2Ko 3:1818Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.).] Christus is de levende steen tot Wie wij, die van nature stof zijn (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
, mogen komen en in verbinding met Hem tot levende stenen worden gemaakt (1Pt 2:44tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen maar bij God uitverkoren en kostbaar,).

Als Hij komt, blijkt dat Hij “een kostbare hoeksteen” is, “een steen ten grondslag”, een steen “die vast gegrondvest is”, letterlijk ‘een gefundeerd fundament’ ofwel een stevig fundament (vgl. Lk 6:46-4946En waarom noemt u Mij Heer, Heer, en doet niet wat Ik zeg?47Ieder die tot Mij komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is.48Hij is gelijk aan een mens die een huis bouwde; hij groef, diepte uit en legde een fundament op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis en was niet in staat het te doen wankelen, omdat het goed gebouwd was.49Wie echter hoort en niet doet, is gelijk aan een mens die een huis bouwde op de aarde, zonder fundament, waar de waterstroom tegenaan sloeg; en het stortte terstond in, en de verwoesting van dat huis was groot.). Hoewel Hij nog niet zo is geopenbaard, ziet het geloof het al. Hij is wat de onstabiele mens nodig heeft.

Wie in Hem gelooft, wie op deze grondslag zijn vertrouwen stelt, sluit dan ook geen ijdel verbond en zal niet haasten, maar ziet uit naar Hem, naar Zijn komst. Het Hebreeuwse werkwoord ‘haasten’ betekent ‘weghaasten’, wegkruipen uit schaamte, doordat je beschaamd bent in datgene wat je hebt gemeend te kunnen vertrouwen. De Godvrezende “zal niet beschaamd worden” (vgl. Rm 9:3333zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen [des] aanstoots en een rots [der] ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.; 10:1111Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.). Christus is altijd de weg tot behoudenis en uitredding.

Wie van de Israëlieten zijn vertrouwen stelt op de kracht van het beest, dat is het herstelde Romeinse rijk, zal beschaamd uitkomen. Wie echter zijn vertrouwen stelt op Christus, zal nooit en te nimmer beschaamd uitkomen, die zal niet weghaasten van schaamte. Dat geldt niet alleen voor Israël in de toekomst, dat geldt ook voor ons nu.

Wat voor de gelovige een vaste grondslag is, betekent voor de ongelovige het oordeel. Als Christus in Sion komt, zal Hij op volmaakt rechtvaardige wijze het recht hanteren (vers 1717Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
)
. “Meetlint” en “paslood” zijn nodig om een goed fundament te leggen. Voordat Christus Zijn koninkrijk kan beginnen, moeten alle overblijfselen van het werk van de antichrist worden verwijderd, zodat een goed fundament kan worden gelegd.

Door Zijn oordelen van hagel en water zal Hij de verbergplaatsen waar de leugen zich ophoudt en de verdragen met de dood wegvagen. Hagel en water zijn twee beelden die al eerder zijn gebruikt om te beschrijven wat de Assyriërs bewerken (vers 22Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
)
, maar ze worden nu gebruikt om de uitwerking van de komst van de HEERE in het land te beschrijven.

“Het toevluchtsoord van de leugen” en “de schuilplaats” zullen “weggevaagd” en “overspoeld” worden. “Sion zal [als] een akker omgeploegd worden” (Mi 3:1212Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
. De leiders en de bevolking zullen door de “wegspoelende gesel” worden “afgeranseld” (vers 1818Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
)
. De Assyriërs van weleer hebben Jeruzalem nooit kunnen veroveren. Hieruit blijkt duidelijk dat de volle vervulling van deze profetieën nog toekomstig is (Zc 13:88Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
; 14:22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.)
.

In vers 1818Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
wordt onze blik naast het direct aanstaande oordeel ook gericht op het oordeel in de verre toekomst – voor ons: de nabije toekomst. In de eindtijd zal het verbond van vers 1515Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
een volle vervulling vinden. De dood is de antichrist. In hem is de duivel gevaren die “de macht over de dood had” (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Het “verbond” dat de goddeloze massa onder aanvoering van de antichrist sluit, is een verbond met de dood. Met het rijk van de dood (sheol) hebben zij een “verdrag” gesloten. Het verdrag (met de dood) is het verbond dat de goddeloze massa van de Joden via hun hoofd, de antichrist, met het herstelde Romeinse rijk, dat is Europa, hebben gesloten.

Dit rijk komt uit de afgrond (Op 17:88Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn.). De satan is de inspirator ervan. Vanwege beide verbindingen zal het goddeloze Israël op een afschuwelijke manier Gods oordeel over zich heen krijgen. God zal daarvoor “de alles wegspoelende gesel”, dat is Assyrië, in dit geval de profetische koning van het noorden, ofwel een alliantie van Arabische islamitische landen, gebruiken (Dn 11:40-4140Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.). Het voltrekken van het oordeel zal achter elkaar plaatsvinden, “ochtend na ochtend” (vers 1919Zo dikwijls als hij voorbijtrekt,
zal hij u grijpen;
ja, ochtend na ochtend zal hij voorbijtrekken,
bij dag en bij nacht.
Het zal gebeuren dat het begrijpen van het bericht
slechts beroering teweeg zal brengen.
)
. De leiders, die hebben geweigerd te luisteren naar de waarschuwingen, zullen dan tot hun afgrijzen beseffen dat dit de oordelen zijn waarvan ze hebben gedacht dat die hen toch niet zouden treffen.


Het vreemde werk

20Want het bed zal te kort zijn om zich erop uit te strekken,
en de deken te smal om zich erin te wikkelen.
21Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim.
Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon,
om Zijn werk te doen
– vreemd zal Zijn werk zijn –
en om Zijn daad te verrichten
– ongewoon zal Zijn daad zijn.
22Nu dan, spot niet,
anders zullen uw boeien nog strakker aangehaald worden;
want een [vernietigend] einde – en het is vast besloten, heb ik gehoord
van de Heere, de HEERE van de legermachten – [komt] over heel het land.

Ze denken dat ze door Egypte om hulp te vragen zich in een comfortabel bed, onder een behaaglijke deken, tegen het gevaar kunnen beschermen en rust zullen hebben (vers 2020Want het bed zal te kort zijn om zich erop uit te strekken,
en de deken te smal om zich erin te wikkelen.
)
. Tot hun ontzetting zullen ze ontdekken dat hun voorzorgsmaatregelen niets baten. Integendeel, het bed zal te kort en de deken te smal zijn. Er is buiten de HEERE geen rust en geen bescherming te vinden. Zo is het altijd met ieder lid van Gods volk: vertrouwen op de wereld zal alleen maar schaamte, ellende en rampen bewerken. Geloof overwint. Christus is de vaste grondslag waarop we onze hoop kunnen bouwen.

De HEERE zal tegen Zijn volk handelen met watervloed en hagelstorm (vers 1717Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
)
, zoals Hij dat in het verleden heeft gedaan tegen hun vijanden (vers 2121Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim.
Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon,
om Zijn werk te doen
– vreemd zal Zijn werk zijn –
en om Zijn daad te verrichten
– ongewoon zal Zijn daad zijn.
)
. “Op de berg Perazim” en “in het dal van Gibeon” is de HEERE opgestaan om in het eerste geval David en in het tweede geval Jozua te steunen in hun strijd tegen hun vijanden. Hij is voor David uitgegaan als doorbrekend water (2Sm 5:18-2518De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.19David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven.20Toen kwam David in Baäl-Perazim. David versloeg hen daar en zei: De HEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim.21Zij lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen ze mee.22Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm.23David vroeg de HEERE [om raad]. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.24En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is de HEERE vóór u uitgegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.25David deed zo, zoals de HEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt.) en Hij heeft Jozua geholpen door grote hagelstenen (Jz 10:1-111Het gebeurde toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had dat Jozua Ai ingenomen en het met de ban geslagen had, [en] met Ai en zijn koning hetzelfde gedaan had als hij met Jericho en zijn koning gedaan had, en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gesloten hadden en in hun midden verbleven,2dat zij zeer bevreesd werden. Gibeon was immers een grote stad, als een van de koninklijke steden. Ja, het was groter dan Ai, en al zijn mannen waren sterk.3Daarom stuurde Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, [boden] naar Hoham, de koning van Hebron, en naar Piream, de koning van Jarmuth, en naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon, om te zeggen:4Kom naar mij toe en help mij, en laten wij Gibeon verslaan, omdat het vrede gesloten heeft met Jozua en de Israëlieten.5Toen verzamelden de vijf koningen van de Amorieten zich en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, [en] de koning van Eglon, zij en al hun legers. Zij sloegen hun kamp op bij Gibeon en streden ertegen.6Toen stuurden de mannen van Gibeon [boden] naar Jozua in het kamp bij Gilgal, om te zeggen: Trek uw handen niet af van uw dienaren, kom haastig naar ons toe, en verlos ons, en help ons. Want alle koningen van de Amorieten die in het Bergland wonen, zijn bijeengekomen om tegen ons [te strijden].7Toen trok Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden;8want de HEERE had tegen Jozua gezegd: Wees niet bevreesd voor hen, want Ik heb hen in uw hand gegeven. Niemand van hen zal voor u standhouden.9Toen kwam Jozua onverwachts bij hen. Heel de nacht [door] was hij vanuit Gilgal opgetrokken.10En de HEERE bracht hen in verwarring voor Israël. Hij bracht hun bij Gibeon een grote slag toe, achtervolgde hen op de weg omhoog naar Beth-Horon, en versloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.11Het gebeurde, toen zij voor Israël vluchtten [en] de helling van Beth-Horon af[gingen], dat de HEERE vanuit de hemel grote stenen op hen wierp, tot Azeka toe, zodat zij stierven. Er waren er meer die door de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden.). Maar nu zal Hij een vreemd werk doen. Dat vreemde werk is dat Hij zal opstaan om de vijanden te steunen tegen Zijn volk. Hij zal Zijn eigen volk behandelen alsof het Zijn vijanden betreft. Ze hebben Hem daartoe genoodzaakt, maar het zal een ongewone daad zijn.

Nog eens wordt het volk opgeroepen zich van hun cynische ongeloof te bekeren (vers 2222Nu dan, spot niet,
anders zullen uw boeien nog strakker aangehaald worden;
want een [vernietigend] einde – en het is vast besloten, heb ik gehoord
van de Heere, de HEERE van de legermachten – [komt] over heel het land.
)
. Doen ze dit niet, dan zullen de banden van hun ellende nog strakker worden aangehaald. Het oordeel over het geheel is vastbesloten; het is een vernietiging over “heel het land”. Het hele land Israël wordt omgeploegd (vgl. vers 2424Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land [altijd maar] openleggen en eggen?
)
. Voor de enkeling die zich bekeert, is er genade. Maar verder zal de helft van de inwoners van Jeruzalem in ballingschap worden weggevoerd door de profetische Assyriërs (Zc 14:22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.).

Voor Jesaja is het een uitgemaakte zaak, het staat vast en zeker. Hij heeft het hoogstpersoonlijk van de HEERE, de HEERE van de legermachten gehoord. Dus is er geen twijfel mogelijk dat het zo zal gaan.


Het werk van de HEERE is wijs

23Neem ter ore en luister naar mijn stem,
sla er acht op en luister naar mijn woorden!
24Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land [altijd maar] openleggen en eggen?
25Is het niet zo: heeft hij de bovenlaag ervan geëffend,
dan strooit hij wikke uit, zaait er komijn op,
en zet tarwe op rij, gerst per vak,
en spelt aan de rand?
26Zijn God onderwijst hem
over de juiste wijze. Hij onderwijst hem.
27Want men dorst wikke toch niet met een dorsslede,
en rolt over komijn toch geen wagenwiel?
Maar wikke wordt uitgeklopt met een stok,
en komijn met een staak.
28Broodkoren moet [wel] fijngemaakt worden,
maar hij dorst en dorst
[het] niet voor altijd door;
hij plet het niet met zijn wagenwiel,
met zijn paarden verpulvert hij het niet.
29Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.

In het derde en tevens laatste gedeelte van dit hoofdstuk gaat het om wat de HEERE te zeggen heeft tegen de enkelingen die trouw gebleven zijn in de tijd van grote nood, als zij lijden ter wille van hun trouw aan Hem. Hij spreekt hen aan met een voor hen vertrouwde stem en met vertroostende woorden (vers 2323Neem ter ore en luister naar mijn stem,
sla er acht op en luister naar mijn woorden!
)
. Ze worden indringend opgeroepen om aandachtig te luisteren: “neem ter ore … sla er acht op” (vgl. Mk 4:3,93Hoort! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.9En Hij zei: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.).

Jesaja gebruikt voor zijn vertroostende woorden een gelijkenis. Hij gebruikt het beeld van een landman, zoals ook Paulus wel doet (1Ko 3:7-97Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.8En wie plant en wie begiet zijn een; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid.9Want Góds medearbeiders zijn wij, Góds akker, Góds gebouw bent u.). De landman (boer) is hier een beeld van de HEERE. Zijn land stelt het volk Israël voor. De harde grond is het afvallige deel van het volk. De ploeg zijn de Assyriërs. De verschillende zaden zijn de verstrooide stammen van Israël die opnieuw in het land Israël geplant zullen worden.

Zoals de boer niet altijd maar doorgaat met ploegen (vers 2424Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land [altijd maar] openleggen en eggen?
)
, zo zal de HEERE niet eindeloos tuchtigen. Zowel het ploegen als het tuchtigen is niet het uiteindelijke doel van het werk. De boer heeft met het land een ander doel, een goed doel, voor ogen. Zo ook de HEERE. Daarom is er hoop te midden van de verdrukking. De HEERE heeft voor allen een genadig voornemen en er zal een einde komen aan de tijd van de beproeving.

De boer weet precies op welke manier hij het land moet bewerken voor de verschillende soorten zaad en hoe elke soort gezaaid moet worden (vers 2525Is het niet zo: heeft hij de bovenlaag ervan geëffend,
dan strooit hij wikke uit, zaait er komijn op,
en zet tarwe op rij, gerst per vak,
en spelt aan de rand?
)
. Dat heeft hij niet van zichzelf, maar van zijn God Die hem daarvoor onderwijs in de natuur heeft gegeven (vers 2626Zijn God onderwijst hem
over de juiste wijze. Hij onderwijst hem.
)
. Waarom is de mens dan zo weerspannig om Gods onderwijs in geestelijke dingen te aanvaarden?

Zoals de boer de grond verschillend bewerkt met het oog op de verschillende soorten zaad, zo bewerkt hij ook de oogst ervan op een verschillende manier (vers 2727Want men dorst wikke toch niet met een dorsslede,
en rolt over komijn toch geen wagenwiel?
Maar wikke wordt uitgeklopt met een stok,
en komijn met een staak.
)
. Het graan dorst hij, maar dille en komijn zijn te klein om te dorsen. Als hij dat zou doen, zouden ze verpletterd worden. Dus moet hij ze uitkloppen. En ook daarin gaat hij met wijsheid te werk. Hij gaat maar niet eindeloos door met dorsen of kloppen, hij is er niet op uit de oogst te verbrijzelen, want dan maakt hij zijn oogst kapot en is hij waardeloos (vers 2828Broodkoren moet [wel] fijngemaakt worden,
maar hij dorst en dorst
[het] niet voor altijd door;
hij plet het niet met zijn wagenwiel,
met zijn paarden verpulvert hij het niet.
)
.

Als de boer met zoveel inzicht omgaat met de vrucht van zijn werk, zal dan God, Die hem geschapen heeft en dat inzicht heeft gegeven, niet net zo handelen? De trouwe en zwaarbeproefde gelovige mag weten dat HEERE op dezelfde wijze en met dezelfde wijsheid met hem handelt. Het gaat de HEERE om de oogst, het resultaat. Met het oog daarop bewerkt Hij de grond van het hart van de mens met moeite, overtuiging van zonde, verdriet. Daarin valt dan het goede zaad, met de goede vrucht als resultaat.

Daarom roemt de wijze gelovige in de verdrukking (Rm 5:33En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,), want hij weet dat de Vader de Landman is, Die snoeit opdat hij meer en zelfs veel vrucht zal voortbrengen (Jh 15:1-2,81Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.2Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke [rank] die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.8Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult Mijn discipelen zijn.). Wie door de tucht geoefend is, ontvangt “een vreedzame vrucht van gerechtigheid” (Hb 12:1111Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.).

De HEERE gaat niet eindeloos door met tuchtigen. Het doel staat Hem duidelijk voor ogen bij alle handelingen met Zijn volk. Het lijden van de Godvrezende heeft een doel. Dat doel is de loutering van zijn geloof, opdat dit zal blijken te zijn tot lof en heerlijkheid bij de openbaring van Jezus Christus (1Pt 1:6-76Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,7opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.).

Alles is in handen van “de HEERE van de legermachten” (vers 2929Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.
)
. Al is het niet altijd duidelijk te zien, het geloof mag erop vertrouwen dat Hij “wonderbaar van raad” en “groot in wijsheid” is (Jr 32:18b-19a18U, Die goedertierenheid bewijst aan duizenden, Die de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen, U, grote, machtige God – HEERE van de legermachten is Zijn Naam –19groot van raad en machtig van daad (want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om eenieder te geven overeenkomstig zijn wegen en overeenkomstig de vrucht van zijn daden),). Zijn aandacht is voortdurend gericht op het overblijfsel dat Hij wil behouden. Met het oog op hen handelt Hij met wijsheid en met de grootste zorg.

In het proces van ploegen, zaaien en oogsten is alles gericht op de vrucht. Bij de vrucht moet het kaf van het koren worden gescheiden. Het kaf van de ongerechtigheid moet worden gescheiden van het koren van de persoon met wie wordt gehandeld. Dit is geen proces dat altijd maar door gaat. Dat geldt voor Gods handelingen en ook voor de bezigheden van de boer. De HEERE van de legermachten, Die als Schepper de boer het noodzakelijke onderscheidingsvermogen heeft gegeven voor zijn werk, weet met volmaakte wijsheid te handelen als Hij met Zijn volk omgaat. Hij zal hen niet verdelgen. Zij blijven Zijn eigen bezit.

Als het land geploegd en geëgaliseerd is en als het zaad is gezaaid, is daar ten slotte de oogst met de vruchten van het land. Dan zal de HEERE tegen Zijn volk zeggen: “Door Mij is bij u vrucht te vinden” (Hs 14:9b9Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te maken?
Ík heb hem verhoord en zal naar hem omzien.
Ik zal zijn als een altijd groene cipres.
Door Mij is bij u vrucht te vinden.
)
.

Wij mogen weten dat de Heer ook zo met ons bezig is. Hij kastijdt ons “tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen” en opdat Zijn kastijdingen “aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid” zullen geven (Hb 12:10-1110Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Hij weet precies wat de Zijnen kunnen verdragen (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Hij weet hoe hij met elk zaad, met ieder van de Zijnen, moet omgaan. Ieder die door de Heer gebruikt wil worden, moet dit principe in het oog houden. Dan zal hij, die anderen wil helpen, op een bedachtzame en wijze manier omgaan met ieder die hij wil helpen.

Wat een troost is het te mogen weten dat de weg van God volmaakt is (Ps 18:3131Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
)
. Het is waar: “Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid” (vers 29b29Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.
)
. Geprezen zij Zijn Naam!


Lees verder