Jesaja
Inleiding 1-3 Het lied van de stad Jeruzalem 4-7 De HEERE effent het pad 8-9 Zielsverlangen van de Godvrezende 10-11 De goddeloze wordt verteerd 12 Vrede voor de Godvrezende 13-15 Herinnering aan ontrouw en genade 16-18 De nood van het overblijfsel 19 Geloof in de opstanding 20-21 Een kort ogenblik van toorn
Inleiding

Dit hoofdstuk bestaat voor het grootste deel uit het lied dat het bevrijde overblijfsel zal zingen bij het ingaan in de duizendjarige vrede en zegen. Het lied wordt ook genoemd: het lied van de twee steden. In dit lied wordt de tegenstelling geschilderd tussen Jeruzalem en Babel, ofwel Rome, onder wiens macht zij tijdens de grote verdrukking geleden heeft. Van nu aan is het niet Babel, maar Jeruzalem, dat ”sterke stad” genoemd mag worden.


Het lied van de stad Jeruzalem

1Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:
Wij hebben een sterke stad,
[God] stelt heil
[tot] muren en vestingwallen.
2Doe de poorten open,
zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan,
dat de trouw bewaart.
3Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.

Alleen verloste mensen kunnen zingen, en wel een lied van verlossing. Engelen worden in de Bijbel nooit zingend aangetroffen – ook niet in de velden van Efratha bij de geboorte van de Heer Jezus. De eerste keer dat er sprake is van een lied in de Bijbel, is het lied van Mozes, nadat Israël verlost is uit Egypte (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Hier, in Jesaja 26, vinden we opnieuw een lied van verlossing.

Het hele land wordt “Juda” genoemd (vers 11Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:
Wij hebben een sterke stad,
[God] stelt heil
[tot] muren en vestingwallen.
)
, omdat alle macht en heerschappij bij het Joodse gelovig overblijfsel in Juda geconcentreerd zijn. Jeruzalem is “een sterke stad”, waarbij die stad niet haar kracht aan de mens ontleent, maar waarbij in plaats van stenen muren Gods verlossing de kracht is die haar zal dienen tot eeuwige bescherming (vgl. Js 60:1818Er zal niet meer gehoord worden van geweld in uw land,
van verwoesting of rampen binnen uw grenzen,
maar uw muren zult u noemen Heil,
en uw poorten Lof.
; Zc 2:55En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
. Het is een sterke stad omdat de sterke God daar is. Juda zal daarover zingen. Het is niet meer ‘ik’, zoals in het vorige hoofdstuk, maar “wij”, gemeenschappelijk als volk. Het duizendjarig vrederijk is vol van gezang. Ook de gemeente moet door gezang worden gekenmerkt.

Het overblijfsel van Israël, dat wil zeggen het tienstammenrijk dat verspreid is geweest over de gehele wereld, maar nu bevrijd is en bekeerd is tot de Messias, is “het rechtvaardige volk” (vers 22Doe de poorten open,
zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan,
dat de trouw bewaart.
; Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
)
. Jeruzalem wordt hier voorgesteld als een nog dunbevolkte stad, waarvan de poorten opengaan om hen die van de einden van de aarde komen in de stad binnen te laten (Ps 118:2020Dit is de poort van de HEERE,
daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan.
)
, zoals ze ook zijn opengaan om de Messias binnen te laten (Ps 24:7-107Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
8Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
9Hef uw hoofden op, o poorten,
ja, verhef ze, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
10Wie is Hij, deze Koning der ere?
De HEERE van de legermachten,
Hij is de Koning der ere. /Sela/
)
. Dit binnengaan zal gebeuren onder het gezang van het gelovig overblijfsel van het tweestammenrijk.

Vers 33Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.
is van toepassing op de leden van de bevrijde natie. Het beschrijft hun kenmerk. Zij hebben op de HEERE vertrouwd en zullen op Hem blijven vertrouwen, ze zullen in hun vertrouwen standvastig zijn. Daardoor hebben ze volkomen vrede, innerlijke rust. Wat vertaald is met “volkomen vrede”, is letterlijk ‘vrede, vrede’ ofwel vrede die werkelijk vrede is (vgl. Js 57:1919Ik schep de vrucht van de lippen,
vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is,
zegt de HEERE, en Ik zal hem genezen.
)
.

Dit is van toepassing in alle tijden op hen die in plaats van overweldigd te worden door de moeilijkheden of toe te geven aan de druk van geestelijke vijanden en tegenstand van mensen, hun vertrouwen op de Heer stellen en hun gedachten en zinnen op Hem richten. De vrede die daarvan het gevolg is, is niet verkregen door die zich toe te eigenen, maar wordt gegeven door God Zelf (Fp 4:6-76Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.7En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.). Het is de vrede die Christus heeft gekenmerkt in Zijn leven op aarde en waarvan Hij zegt: “Mijn vrede geef Ik u” (Jh 14:2727Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.), wat wil zeggen: ‘De vrede die de Mijne is, geef Ik jullie.’


De HEERE effent het pad

4Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid,
want de HEERE HEERE is een eeuwige rots.
5Voorzeker, Hij haalt ze neer, de bewoners van de hoogte,
de hoogverheven stad;
Hij vernedert haar, Hij werpt haar neer, tot de grond toe,
Hij stort haar neer tot in het stof.
6De voet zal haar vertrappen,
de voeten van de ellendige,
de voetstappen van de armen.
7Het pad van de rechtvaardige is geheel effen,
recht is het spoor dat U voor de rechtvaardige baant.

Wie de ervaring van vers 33Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.
kent, kan anderen bemoedigen altijd op de HEERE te vertrouwen (vers 44Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid,
want de HEERE HEERE is een eeuwige rots.
)
. Zo iemand heeft Hem leren kennen als de eeuwige rots (Dt 32:4a4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
. Hij is hier meer dan de HEERE, de God Die trouw is aan het verbond. Hij is “de HEERE HEERE”, Jah Jahweh. Dat is de Naam van de HEERE uit Jesaja 12 (Js 12:22Zie, God is mijn heil,
ik zal vertrouwen en geen angst hebben,
want mijn kracht en psalm is de HEERE HEERE,
en Hij is mij tot heil geworden.
)
. De eerste keer dat deze Naam wordt gebruikt, is in verbinding met de openbaring van Zijn heerlijkheid, als Hij daar Zelf Zijn Naam uitroept: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw” (Ex 34:66Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,).

Deze barmhartige en genadige God is voor Israël en voor iedere gelovige “een eeuwige rots”. Hij is niet alleen de trouwe God van het verbond, Hij is ook de barmhartige en genadige God. Wie op Hem zijn levenshuis bouwt, blijft staande als op een rots.

Vers 55Voorzeker, Hij haalt ze neer, de bewoners van de hoogte,
de hoogverheven stad;
Hij vernedert haar, Hij werpt haar neer, tot de grond toe,
Hij stort haar neer tot in het stof.
geeft de reden om de HEERE te vertrouwen en het bewijs van Zijn kracht. Hij werpt elke tegenstand, hoe hoog en groot ook, neer. Met “de bewoners van de hoogte, de hoogverheven stad” worden Babel en haar inwoners bedoeld (Openbaring 17-18). Hij geeft Zijn volk, het overblijfsel, “de ellendige” en “de armen”, de kracht om in die overwinning te staan en de voet op de neergeworpen tegenstanders te zetten (vers 66De voet zal haar vertrappen,
de voeten van de ellendige,
de voetstappen van de armen.
)
.

Het pad van de rechtvaardige is geëffend en hij kan nu een recht spoor volgen (vers 77Het pad van de rechtvaardige is geheel effen,
recht is het spoor dat U voor de rechtvaardige baant.
)
. De effenheid van het pad wordt bepaald door de oprechtheid van hem die dit pad bewandelt. Hij bepaalt op die wijze zelf de kwaliteit en structuur ervan. En als antwoord daarop maakt de Heer het pad recht. Hij haalt als het ware de bochten eruit. De rechtvaardige gaat het pad dat ook de ware Rechtvaardige gaat, hij wandelt in gemeenschap met Hem. De God van de rechtvaardige is Zelf de Rechtvaardige of de Oprechte.

De woorden “geheel effen” zijn de vertaling van het Hebreeuwse woord yasar dat ‘rechtvaardig’ of ‘oprecht’ betekent. Het wordt ook gebruikt voor
1. Gods woorden: “Want het woord van de HEERE is recht [yasar] (Ps 33:4), voor  
2. Gods oordelen: “En [al] Uw oordelen zijn juist [yasar]” (Ps 119:137137U bent rechtvaardig, HEERE,
en [al] Uw oordelen zijn juist.
)
en
3. Gods wegen: “Want al Zijn wegen zijn [een en al] recht [yasar]” (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
.

Er wordt in Gods Woord ook verwezen naar een boek met de titel: “Het Boek van de Oprechte [yasar] (Jz 10:1313En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken. Is dit niet geschreven in het Boek van de Oprechte? De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een volle dag.; 2Sm 1:1818Hij zei dat men de nakomelingen van Juda [het Lied van] de boog zou leren. Zie, het is geschreven in het Boek van de Oprechte.). Dat is een titel die ontleend zal zijn aan Hem Die de Oprechte is.


Zielsverlangen van de Godvrezende

8Ook in de weg van Uw oordelen, HEERE,
hebben wij U verwacht;
naar Uw Naam en naar Uw gedachtenis
gaat het verlangen van [onze] ziel uit.
9[Met heel] mijn ziel verlang ik naar U in de nacht,
ja, [met] mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig.
Want wanneer Uw oordelen over de aarde [komen],
leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.

Ook toen de oordelen van de grote verdrukking over de aarde gegaan, hebben ze, dat is het gelovig overblijfsel, naar Hem uitgezien (vers 88Ook in de weg van Uw oordelen, HEERE,
hebben wij U verwacht;
naar Uw Naam en naar Uw gedachtenis
gaat het verlangen van [onze] ziel uit.
)
. De Joden hebben nooit uitgezien naar een Goddelijk ingrijpen door hen op te nemen om hun Messias in de lucht te ontmoeten. Ze hebben naar Hem uitgezien als Iemand Die op aarde komt om hun vijanden te oordelen om hen op die manier te bevrijden en hun vervolgens de beloofde zegeningen in hun land te geven. Ze ervaren nu hoe God dit geduld beloont.

Ze hebben niet slechts gewacht op hun bevrijding, maar op de eer van Zijn “Naam” waarvoor ze ook gebeden hebben naar het woord van de Heer Jezus: “Bidt u dan zó: Onze Vader Die in de hemelen bent, moge Uw Naam worden geheiligd” (Mt 6:99Bidt u dan zó: Onze Vader Die in de hemelen bent, moge Uw Naam worden geheiligd,). Zijn Naam heeft Hij verbonden aan Zijn beloften. Ze hebben verwacht dat Hij die beloften zal waarmaken. Zijn Naam is alles wat Zijn Persoon bevat.

Ook Zijn “gedachtenis” is het voorwerp van hun zielsverlangen geweest. Dat betekent dat ze aan Zijn daden hebben teruggedacht, dat Hij in het verleden zo vaak uitredding aan Zijn volk heeft gegeven. Dat heeft hun vertrouwen voor de toekomst gegeven. Het verlangen van hun ziel is op Hem gericht, op Zijn Persoon en Zijn daden.

Tijdens de nacht van de oordelen die voor de getrouwen verdrukking betekenen, ja, voor het gelovig overblijfsel van Israël is het ‘de grote verdrukking’, hebben ze naar Hem verlangd (vers 9a9[Met heel] mijn ziel verlang ik naar U in de nacht,
ja, [met] mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig.
Want wanneer Uw oordelen over de aarde [komen],
leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.
)
. Ze hebben geleerd Hem met een ernstig verlangen te zoeken. Dit is altijd het antwoord van de vertrouwende ziel in tijden van beproeving.

Zo mag de gemeente in de huidige tijd in Zijn Naam vergaderen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.) en samenkomen tot Zijn gedachtenis (1Ko 11:23-2523Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.). Dan denken de gelovigen aan Hem en aan Zijn werk dat Hij eens voor hen op het kruis heeft volbracht. Ze denken ook vooruit aan het ogenblik dat Hij komt (1Ko 11:2626Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.). Als we denken aan het werk dat Hij eens heeft gedaan, waardoor Hij alles goed heeft gemaakt, bewerkt dat vertrouwen voor de toekomst.

De ongelovige mensen op aarde, die blind zijn voor de gerechtigheid van God, zullen Gods gerechtigheid alleen maar leren kennen door Zijn oordelen op de dag van de HEERE (vers 9b9[Met heel] mijn ziel verlang ik naar U in de nacht,
ja, [met] mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig.
Want wanneer Uw oordelen over de aarde [komen],
leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.
)
. Ze zullen er dan kennis mee maken. De getrouwen hebben inzicht in de oordelen van de HEERE. Zij zeggen dat Zijn oordelen de aarde treffen. Met “de aarde” wordt vaak het begrensde terrein bedoeld waar Gods orde heerst. Dat is de westerse wereld die christelijk is geweest, en ook Israël. Als met die orde geen rekening wordt gehouden, komen Zijn oordelen daarover.

De uitwerking van die oordelen is voor een veel groter gebied, want door deze oordelen leren “de bewoners van de wereld” wat gerechtigheid is. Met “de wereld” wordt hier het onbegrensde gebied bedoeld, waar ook maar mensen wonen, los van het feit of Hij daar wel of geen verordeningen heeft geboden.


De goddeloze wordt verteerd

10[Al] wordt de goddeloze genade bewezen,
hij leert niet wat gerechtigheid is:
in een land van recht bedrijft hij onrecht
en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet.
11HEERE, Uw hand is opgeheven,
[maar] zij zien het niet.
[Toch] zullen zij het zien en beschaamd worden [vanwege] de ijver voor [Uw] volk;
ja, het vuur voor Uw tegenstanders – het zal hen verteren.

De goddeloze gaat aan alle oordelen voorbij, hij laat zich er niet door waarschuwen, hij bekeert zich niet. Met “de goddeloze” (enkelvoud) wordt meestal de antichrist bedoeld. De verharding van de goddeloze is zo groot, dat zelfs al zou er een aanbod van genade komen, hij dat zou afslaan (vers 1010[Al] wordt de goddeloze genade bewezen,
hij leert niet wat gerechtigheid is:
in een land van recht bedrijft hij onrecht
en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet.
)
. Hij leeft in een land van recht, dat is Juda, maar hij handelt er niet naar. Het ligt dan ook niet aan de omstandigheden, maar aan de onverbeterlijke boosheid van de mens. Een gunstige omgeving werkt niets uit als het hart niet op God is gericht. Ook al heeft de goddeloze Gods gerechtigheid leren kennen in het oordeel, hij leert het wezen van de gerechtigheid niet kennen. Hij blijft een verklaarde tegenstander van God en Zijn volk.

Gods hand is dreigend opgeheven (vers 1111HEERE, Uw hand is opgeheven,
[maar] zij zien het niet.
[Toch] zullen zij het zien en beschaamd worden [vanwege] de ijver voor [Uw] volk;
ja, het vuur voor Uw tegenstanders – het zal hen verteren.
)
om hen te slaan die zich met de goddeloze hebben verbonden, dat zijn alle goddelozen die voor de antichrist hebben gekozen (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.). Maar ze zijn blind voor de dreiging, ze willen die niet zien. Het ogenblik komt echter onherroepelijk dat ze zullen beseffen dat Gods vuur hen heeft verteerd vanwege hun tegenstand. Dan is het voor eeuwig te laat om zich te bekeren.

De Heer Jezus spreekt over een rijke man die in de eeuwige pijn is (Lk 16:19-3119Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.26En bij dat alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.27Hij echter zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt naar het huis van mijn vader, want ik heb vijf broers,28opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.29Abraham echter zei: Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij naar hen luisteren.30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van [de] doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.31Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.). Deze man vraagt niet om bevrijding uit de hades. Wel wenst hij dat anderen daar niet terecht zullen komen (Lk 16:2828opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.). De Heer wijst er dan op dat alleen Gods Woord iemand kan overtuigen tot bekering (Lk 16:3131Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.).


Vrede voor de Godvrezende

12HEERE, U zult voor ons vrede beschikken,
want al onze zaken hebt U ook voor ons in orde gebracht.

Tegenover het vreselijke lot van de goddeloze en allen die hem zijn gevolgd, staat het deel van het getrouwe overblijfsel. Over de goddelozen is vuur gekomen (vers 1111HEERE, Uw hand is opgeheven,
[maar] zij zien het niet.
[Toch] zullen zij het zien en beschaamd worden [vanwege] de ijver voor [Uw] volk;
ja, het vuur voor Uw tegenstanders – het zal hen verteren.
)
, over het overblijfsel komt vrede nu de HEERE in het land is (vers 1212HEERE, U zult voor ons vrede beschikken,
want al onze zaken hebt U ook voor ons in orde gebracht.
)
. Het is de vrede die de HEERE beschikt, niet een vrede die zij zelf hebben bewerkt. Het is de volkomen vrede, de vrede die werkelijk vrede is, die de HEERE geeft aan hen die op Hem vertrouwen (vers 33Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.
)
.

Voor de vrede met God heeft Hij door Zijn Zoon het werk helemaal alleen volbracht. Door het geloof in de Zoon en Zijn werk aan het kruis hebben ze vrede in hun hart met het oog op hun zonden. Hij heeft ook alles gedaan wat nodig is voor hun vrede op aarde door hun bevrijding uit de hand van de vijanden, ook al heeft Hij hen daarbij ingeschakeld. Van hun bijdrage zeggen ze dat Hij het voor hen heeft gedaan (vgl. Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.). Door dat werk leven ze in vredige omstandigheden op aarde en is er geen vijandige macht meer die deze vrede kan verstoren.


Herinnering aan ontrouw en genade

13HEERE, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst,
door U alleen gedenken wij Uw Naam.
14Doden zullen niet [her]leven;
gestorvenen zullen niet opstaan.
Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd,
elke gedachtenis aan hen doen vergaan.
15HEERE, U hebt dit volk vermeerderd,
U hebt dit volk vermeerderd, U hebt Uzelf verheerlijkt,
U hebt hen ver weggedaan, [in] alle einden der aarde.

Ze belijden de “HEERE” als “onze God”. Hiermee geven ze uiting aan het herstel van de relatie met Hem. In de Persoon van de eens door hen verworpen Zoon van God erkennen ze nu de HEERE, hun God. Vanuit die herstelde relatie denken ze terug aan de tijd dat andere volken over hen hebben geheerst (vers 1313HEERE, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst,
door U alleen gedenken wij Uw Naam.
)
, dat is tijdens “de tijden van de volken”, zoals de Heer Jezus die noemt (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.). De oorzaak daarvan is dat ze andere goden (Hebr. ba’alenu = heersen over ons; dit werkwoord is verwant met het woord ba’al dat wijst op de afgoden) zijn gaan dienen. De volken die heersen, zijn er nu nog steeds, want Israël is nog steeds afhankelijk van bevriende machten. Maar dan is die tijd voorbij. Ze huldigen dan alleen de Naam van de HEERE.

De volken die over hen hebben geheerst, zullen niet meer herleven (vers 1414Doden zullen niet [her]leven;
gestorvenen zullen niet opstaan.
Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd,
elke gedachtenis aan hen doen vergaan.
)
. Ze zijn voorgoed verslagen en zullen Gods volk nooit meer onderdrukken. Er zal zelfs niet meer aan hen worden gedacht. [NB Ze zullen wel een keer lichamelijk opstaan, maar dat zal zijn om voor eeuwig geoordeeld te worden (Jh 5:28-2928Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan:29zij die het goede hebben gedaan tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot [de] opstanding van [het] oordeel.).] Daartegenover staat de vermeerdering van Gods volk (vers 1515HEERE, U hebt dit volk vermeerderd,
U hebt dit volk vermeerderd, U hebt Uzelf verheerlijkt,
U hebt hen ver weggedaan, [in] alle einden der aarde.
; Js 9:22U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
)
. Dat zal tot verheerlijking van de HEERE zijn (Sp 14:28a28In een talrijk volk ligt de glorie van een koning,
maar in gebrek aan volk ligt de ondergang van een machthebber.
)
. Met het oog op die vermeerdering zijn de grenzen van het land weggedaan en verwijd tot aan “alle einden der aarde” (vgl. Js 54:2-32Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
3Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.
)
. Tevens is het de vervulling van het landbeloften van God aan Abraham (Gn 13:14-1714En de HEERE zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem afgescheiden had: Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen.15Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven.16En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden.17Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.).


De nood van het overblijfsel

16HEERE, in de benauwdheid hebben zij U gezocht,
een fluisterend gebed uitgestort, [toen] Uw vermaning over hen kwam.
17Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,
ineenkrimpt [en] het uitschreeuwt in haar weeën,
zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.
18Wij waren zwanger, wij krompen ineen, [maar] het was als baarden wij wind:
wij hebben het land geen heil gebracht,
wereldbewoners zijn niet geboren.

De verzen 16-1816HEERE, in de benauwdheid hebben zij U gezocht,
een fluisterend gebed uitgestort, [toen] Uw vermaning over hen kwam.
17Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,
ineenkrimpt [en] het uitschreeuwt in haar weeën,
zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.
18Wij waren zwanger, wij krompen ineen, [maar] het was als baarden wij wind:
wij hebben het land geen heil gebracht,
wereldbewoners zijn niet geboren.
beschrijven de diepe angsten en smekingen van de Godvrezenden in Israël tijdens “de benauwdheid”, dat is de tijd van het schrikbewind van de antichrist, de tijd van de grote verdrukking, de tijd van benauwdheid voor Jakob (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
. Ze herinneren zich hun uiterste hulpeloosheid om zichzelf of anderen te bevrijden. Ze erkennen dat het voor hen een tuchtiging van de HEERE is geweest (vers 1616HEERE, in de benauwdheid hebben zij U gezocht,
een fluisterend gebed uitgestort, [toen] Uw vermaning over hen kwam.
)
. Ze zijn daarvan zozeer onder de indruk geweest, dat ze niet in hun nood hebben geschreeuwd, maar “een fluisterend gebed uitgestort” hebben. Hun nood is niet alleen veroorzaakt geweest door de vreemde overheersing, maar ook door het verdriet over hun zonden. Nood is vaak voor mensen de aanleiding om God te zoeken. Dit wordt profetisch geïllustreerd door de broers van Jozef die in de gevangenis tot inkeer komen (Gn 42:17-2217En hij hield hen gezamenlijk drie dagen in hechtenis.18Op de derde dag zei Jozef tegen hen: Doe dit, zodat u in leven blijft, [want] ik vrees God.19Als u eerlijke [mensen] bent, laat dan een van uw broers gevangen blijven in het huis waar u in hechtenis bent. U echter, ga koren brengen om de honger van uw gezinnen [te stillen].20En breng uw jongste broer naar mij toe; dan zullen uw woorden bewaarheid worden, en zult u niet sterven. En zij deden zo.21Toen zeiden zij tegen elkaar: Werkelijk, wij zijn schuldig vanwege onze broer. Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte, maar wij gaven hem geen gehoor! Daarom komt deze benauwdheid over ons.22Ruben antwoordde hun: Heb ik het jullie niet gezegd: Bezondig je niet aan deze jongen! Maar jullie luisterden niet; zie, nu wordt er vergelding geëist voor zijn bloed!).

Ze beseffen dat zij voor het aangezicht van de HEERE de pijnen hebben geleden van iemand die in barensnood is (vers 1717Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,
ineenkrimpt [en] het uitschreeuwt in haar weeën,
zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.
)
. Later zullen zij ontdekken dat de Zoon allang geboren is, lang voordat de weeën hen zijn overvallen (Js 66:77Voordat zij weeën kreeg,
heeft zij gebaard.
[Nog] voor een wee over haar kwam,
heeft zij een jongetje ter wereld gebracht.
)
. Alle smart leek op het eerste gezicht ook nog tevergeefs, want er is geen kind geboren, maar slechts wind, niets. Zij zijn niet in staat geweest uitredding te geven en er was ook geen uitbreiding van het volk door nieuwe geboorten (vers 1818Wij waren zwanger, wij krompen ineen, [maar] het was als baarden wij wind:
wij hebben het land geen heil gebracht,
wereldbewoners zijn niet geboren.
)
.


Geloof in de opstanding

19Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.

Vers 1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
is het antwoord op de belijdenis van het vorige vers. Het plaatst ons weer terug in de tijd van Jesaja. Het zojuist in geloof gezongen loflied bevat een geweldige bemoediging voor het geloof, namelijk dat God Zijn beloften houdt. Hij doet dat in de opstanding (Hb 11:39-4039En deze allen die door hun geloof getuigenis hebben verkregen, hebben de belofte niet ontvangen,40daar God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen.). Hier vinden we in het Oude Testament de waarheid van de opstanding (vgl. Jb 19:25-2725Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben,
zal ik uit mijn vlees God aanschouwen.
27Ik zelf zal Hem aanschouwen,
en mijn ogen zullen [Hem] zien, niet een vreemde;
mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.
)
.

Denken aan de opstanding in de toekomst geeft kracht om vandaag te leven vanuit het geloof in de toekomst. In dit geloof roept Jesaja op om te juichen, want in tegenstelling tot de dode onderdrukkers (vers 1414Doden zullen niet [her]leven;
gestorvenen zullen niet opstaan.
Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd,
elke gedachtenis aan hen doen vergaan.
)
zullen de vromen wel uit de dood opstaan. Jesaja spreekt tot de HEERE over “Uw doden”. Dit zijn “de doden in Christus” (1Th 4:1616Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;), “de doden die in de Heer sterven” (Op 14:1313En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf: gelukkig de doden die in [de] Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun arbeid; want hun werken volgen hen.). Anders dan in Jesaja 25, waar we een prachtige verwijzing naar de opstanding vinden (Js 25:88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
)
, gaat het hier om de herleving van Israël als volk.

Mogelijk bedoelt Jesaja met “Uw doden” de herleving van de verloren en dood gewaande tien stammen van Israël en met “mijn dood lichaam” het herstel van het volk Israël als geheel (Hs 6:22Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
. Israël zal als het ware uit de dood tot leven komen (Ez 37:1-101De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.; Dn 12:22En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.
; Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?)
. Dat gebeurt als de HEERE de verbinding met Zijn volk weer opneemt, een verbinding die niet definitief is afgebroken, maar tijdelijk onderbroken.

De dauw is een beeld van zegen, van verkwikking en levenwekkende kracht. Zo is de HEERE voor Zijn volk (Hs 14:6a6Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Hij zal in bloei staan als de lelie,
wortel schieten als de Libanon.
)
. Dauw, waarmee het nieuw ontstane overblijfsel van Zijn volk wordt bedoeld (Mi 5:6a6Het overblijfsel van Jakob zal zijn
te midden van vele volken
als dauw van de HEERE,
als regendruppels op het gewas,
dat niet uitziet naar iemand
en niet hoopt op mensenkinderen.
;
Ps 110:33Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.
)
, hoort bij het aanbreken van de dag, bij het licht. De nacht en de dood zijn voorbij. Het leven is hergeven aan wie “woont in het stof”, aan hen bij wie nauwelijks iets van leven meer te zien was. “De aarde zal de gestorvenen baren”, het leven uit de dood kan tevoorschijn komen en ongestoord gaan groeien en bloeien en tot volle rijpheid komen als een vrucht die tot eer is van de HEERE. De aanneming van het overblijfsel is niets anders dan leven uit de doden (Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?).


Een kort ogenblik van toorn

20Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen,
sluit uw deuren achter u.
Verberg u voor een klein ogenblik,
totdat de gramschap over is.
21Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats
om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.
De aarde zal het bloed dat erop [vergoten is], aan het licht brengen.
Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.

Totdat de gramschap voorbij is (Zf 3:88Daarom, verwacht Mij, spreekt de HEERE,
op de dag dat Ik opsta om buit [te halen],
want Mijn oordeel is de heidenvolken te verzamelen,
de koninkrijken bijeen te brengen,
om over hen Mijn gramschap uit te storten,
heel Mijn brandende toorn.
Want door het vuur van Mijn na-ijver
zal heel dit land verteerd worden.
)
, biedt de HEERE Zijn volk – het gelovig overblijfsel, de honderdvierenveertigduizend (Op 7:1-81Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.2En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van [de] levende God had; en hij riep met luider stem tegen de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,3en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.4En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël –5uit [de] stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit [de] stam Ruben twaalfduizend, uit [de] stam Gad twaalfduizend,6uit [de] stam Aser twaalfduizend, uit [de] stam Nafthali twaalfduizend, uit [de] stam Manasse twaalfduizend,7uit [de] stam Simeon twaalfduizend, uit [de] stam Levi twaalfduizend, uit [de] stam Issaschar twaalfduizend,8uit [de] stam Zebulon twaalfduizend, uit [de] stam Jozef twaalfduizend, uit [de] stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.) – een schuilplaats. Die schuilplaats is tot bescherming tegen Zijn gramschap die voor een kort ogenblik, aan het einde van de drieënhalf jaar grote verdrukking, moet woeden (vers 2020Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen,
sluit uw deuren achter u.
Verberg u voor een klein ogenblik,
totdat de gramschap over is.
; Dn 12:1212Welzalig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt.)
. Het kwaad op aarde, “de ongerechtigheid” vooral van Zijn afvallige volk die gericht is tegen de getrouwen van Zijn volk, noodzaakt Hem “uit Zijn plaats” te gaan (vers 2121Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats
om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.
De aarde zal het bloed dat erop [vergoten is], aan het licht brengen.
Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.
)
. De hemel zal opengaan en Hij zal op aarde verschijnen om te oordelen (Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Alle zonden zullen aan het licht gebracht worden.

Dit oordeel is een voorafschaduwing van het laatste oordeel, als ook de doden zullen worden geoordeeld (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.). Dan zullen alle onopgeloste moorden opgelost worden. Wat te denken alleen al van de miljoenen die bijvoorbeeld door Stalin en Hitler zijn omgebracht. Ook alle andere vormen van ongerechtigheid die nooit bestraft zijn, zullen aan het licht worden gebracht. Misdadigers die na het plegen van hun misdaden zelfmoord hebben gepleegd, zullen niet langer door de aarde bedekt worden. Allen zullen voor de grote, witte troon worden gedaagd en worden geoordeeld in overeenstemming met hun bedreven ongerechtigheid. De gerechtigheid zal komen en zegevieren. Christus, de Rechtvaardige, heeft het laatste woord.


Lees verder