Jesaja
Inleiding 1-2 Last over de woestijn aan de zee (Babel) 3-4 De pijn van Jesaja 5-9 Zorgeloosheid en val van Babel 10 De troost voor Gods volk 11-12 Last over Duma 13-17 Last over Arabië
Inleiding

Verdelging: Tot nu toe, Jesaja 14-20, hebben we te maken gehad met indirecte oordelen van de HEERE door Zijn instrument de Assyriërs. Deze oordelen worden genoemd: een “verdelging” die “vast besloten” is (Js 10:2222Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.). De Assyriërs, ofwel de koning van het noorden, vallen Israël aan en stoten daarna door naar het zuiden, naar Egypte.

Oogst: In de hoofdstukken die nu volgen, Jesaja 21-24, krijgen we te maken met de directe oordelen van Christus na Zijn verschijning. We krijgen dan oordelen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gelovigen die gespaard worden en goddelozen die niet worden gespaard, maar door het oordeel worden weggenomen. Dit is het omgekeerde van wat plaatsvindt bij de opname van de gelovigen, want dan worden de gelovigen weggenomen en de ongelovigen achtergelaten.

Het is als het ware het binnenhalen van de oogst (Mt 13:36-4336Toen liet Hij de menigten gaan en kwam in het huis; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van de dolik op de akker.37Hij nu antwoordde en zei: Hij Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen,38de akker is de wereld, het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk,39de dolik zijn de zonen van de boze, de vijand die het gezaaid heeft, is de duivel, de oogst is [de] voleinding van [de] eeuw, en de maaiers zijn engelen.40Zoals dan de dolik verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het zijn in de voleinding van deze eeuw.41De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,42en zij zullen hen in de vuuroven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.43Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.; Op 14:14-1614En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.). Dan wordt het kaf van de koren gescheiden. Trouwens, ook bij de tien plagen van Egypte vinden we eerst oordelen waarbij ook Israël lijdt onder de oordelen, en later de oordelen waarbij Israël wordt gespaard. De oogst begint met het oordeel, door Christus, over Babel, het leger van de beest (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.), en eindigt met het oordeel over de levenden (Mt 25:31-4631Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;42want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in [de] gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in [de] gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in [de] eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.), waarbij ook als het ware het kaf van het koren wordt gescheiden.

Er staan drie lasten in dit hoofdstuk. Ze betreffen Babel (verzen 1-101De last over de woestijn aan de zee.
Zoals wervelwinden
in het Zuiderland voorbijtrekken,
komt het uit de woestijn,
uit een vreselijk land.
2Een hard visioen
is mij bekendgemaakt:
de trouweloze handelt trouweloos,
de verwoester verwoest.
Trek op, Elam!
Beleger [Babel], Medië!
Al haar zuchten
heb Ik doen ophouden.3Daarom zijn
mijn lendenen vol pijnscheuten.
Weeën hebben mij aangegrepen
als de weeën van een barende vrouw.
Ik krimp ineen bij het horen,
ik ben verschrikt bij het zien.
4Mijn hart slaat over,
huiver en angst overvallen mij.
 De [avond]schemering, waar ik [anders] zo naar verlang,
maakt Hij voor mij tot een verschrikking.5Maak de tafel gereed;
spreid de kleden;
eet, drink.
Sta op, vorsten,
bestrijk het schild!
6Want zo heeft
de Heere tegen mij gezegd:
Ga, zet een wachter uit;
laat hem vertellen wat hij ziet.
7En ziet hij strijdwagens,
ruiters twee aan twee,
een karavaan ezels,
een karavaan kamelen,
laat hij dan scherp opletten,
zeer scherp!
8Hij roept: Een leeuw!
Heere, op de wachttoren
sta ik
overdag voortdurend.
En op mijn wachtpost
sta ik
hele nachten door.
9Zie nu, daar komt het:
strijdwagens, manschappen,
ruiters twee aan twee!
Hij neemt het woord en zegt:
Gevallen, gevallen is Babel!
En alle beelden van zijn goden
heeft Hij tegen de grond stukgebroken.10O mijn gedorste [volk],
graan van mijn dorsvloer;
wat ik gehoord heb
van de HEERE van de legermachten,
de God van Israël,
heb ik u bekendgemaakt.
)
, Edom (verzen 11-1211De last over Duma.
Men roept mij uit Seïr toe:
Wachter, hoe staat het met de nacht?
Wachter, hoe staat het met de nacht?
12De wachter zei:
De morgenstond is gekomen,
maar het wordt ook nacht.
Wilt u vragen, vraag!
Keer terug, kom!
)
en Arabië (verzen 13-1713De last over Arabië.
U moet overnachten in het woud in Arabië,
karavanen van de Dedanieten.
14[Treed] de dorstige tegemoet,
breng water,
inwoners van het land Tema,
treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.
15Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden,
voor het getrokken zwaard,
voor de gespannen boog,
en voor de druk van de oorlog.
16Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn.17Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want de HEERE, de God van Israël, heeft gesproken.
)
. We zullen zien dat Babel in de toekomst gelijk is aan het herstelde Romeinse rijk ofwel de verenigde staten van Europa, wellicht met andere westerse bondgenoten. Babel (Rome, Europa) zal een verbond sluiten met de antichrist, de komende valse koning van Israël. Babel, Europa, zal het inmiddels verslagen land Israël te hulp komen en met zijn leger in Israël komen. De koning van het noorden keert dan terug naar Israël. De strijd kan beginnen. Maar dan verschijnt de Heer!


Last over de woestijn aan de zee (Babel)

1De last over de woestijn aan de zee.
Zoals wervelwinden
in het Zuiderland voorbijtrekken,
komt het uit de woestijn,
uit een vreselijk land.
2Een hard visioen
is mij bekendgemaakt:
de trouweloze handelt trouweloos,
de verwoester verwoest.
Trek op, Elam!
Beleger [Babel], Medië!
Al haar zuchten
heb Ik doen ophouden.

“De woestijn aan de zee” moeten we zoeken in het zuiden van Irak. Het is Babel dat in het Golfgebied ligt (vers 11De last over de woestijn aan de zee.
Zoals wervelwinden
in het Zuiderland voorbijtrekken,
komt het uit de woestijn,
uit een vreselijk land.
; vgl. Jr 51:13a13U die woont aan grote wateren,
die rijk bent aan schatten,
uw einde is gekomen,
de maat van uw winstbejag.
; 51:4242De zee is tegen Babel opgerezen,
met een menigte van zijn golven is het bedekt.
)
. We lezen dat Johannes staat op het zand van de zee (Op 12:1818en hij ging op het zand van de zee staan.). Hier kunnen we zien dat Babel verbonden is met Openbaring 13 en dan met name het beest uit de zee, dat is het herstelde Romeinse rijk in de toekomst. Babel ligt aan de zee, maar het zal spoedig door de Meden worden veroverd en verwoest en tot een woestijn worden. Ook geestelijk gezien is het prachtige, rijke Babel een dorre woestijn (Op 17:33En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.) en worden de volken afgebeeld als de grote wateren, de rusteloze zee (Op 17:1,151En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,15En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.).

Het is duidelijk een profetie, want op dat moment is Assyrië nog het machtige wereldrijk. Van Babel is nog niet veel te zien. Maar het is juist het wezen van de profetie dat God daarin toekomstige gebeurtenissen beschrijft, waarvan nog geen enkel aspect in het heden te ontdekken valt.

Dat geldt evenzo voor de verovering van Babel door de Meden en Perzen. Elam, dat is het zuidwesten van Perzië, trekt samen met Medië (vers 22Een hard visioen
is mij bekendgemaakt:
de trouweloze handelt trouweloos,
de verwoester verwoest.
Trek op, Elam!
Beleger [Babel], Medië!
Al haar zuchten
heb Ik doen ophouden.
)
met geweld en snel tegen Babel op (Dn 5:28-3028PERES: uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven.29Toen gaf Belsazar bevel dat zij Daniël in purper moesten kleden, met een gouden keten om zijn hals, en dat zij van hem moesten uitroepen dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou zijn.30In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.). Zo zal de HEERE Zijn volk verlichting geven van het juk van Babel en “al haar zuchten … doen ophouden”.

Het heeft ook allemaal een betekenis voor de eindtijd. Terwijl de koning van het noorden bezig is met de strijd in Egypte (Dn 11:40-4440Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.), komt eindelijk het machtige leger van het herstelde Romeinse rijk in het noorden van Israël. Het leger van de koning van het noorden keert dan terug naar Israël. Dan is de tijd aangebroken voor Christus om te verschijnen en persoonlijk het oordeel te vellen over dit rijk, dat typologisch wordt uitgebeeld door Babel (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.). Dat wat koning Kores, de koning van het Medisch-Perzische rijk, – door de HEERE “Zijn gezalfde” genoemd (Js 45:11Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
)
–, heeft gedaan met Babel in het verleden, zal door Christus (= Gezalfde) in de toekomst gebeuren. Kores is in Jesaja 40-45 een type van Christus.


De pijn van Jesaja

3Daarom zijn
mijn lendenen vol pijnscheuten.
Weeën hebben mij aangegrepen
als de weeën van een barende vrouw.
Ik krimp ineen bij het horen,
ik ben verschrikt bij het zien.
4Mijn hart slaat over,
huiver en angst overvallen mij.
 De [avond]schemering, waar ik [anders] zo naar verlang,
maakt Hij voor mij tot een verschrikking.

In de geschiedenis zijn deze verzen als voorvervulling vervuld wanneer een bondgenoot van koning Kores de Pers, koning Darius de Meder, met zijn leger de stad Babel bij verrassing inneemt. Ze beschrijven de gevoelens van de bevolking van de stad tijdens de plotselinge inval van de Meden en de Perzen. Ze beschrijven echter ook de gevoelens van Jesaja die dit als ziener aanschouwt. Tevens is het een beschrijving van de uiting van de gevoelens van het leger van Europa in de toekomst als de Heer hen oordeelt door Zijn verschijning.

Het verschrikkelijke geweld dat Jesaja in het visioen ziet, laat hem niet onberoerd. Als hij al het leed en de ellende ziet die over Babel komen, zelfs al hebben ze het verdiend, grijpt hem dat weer aan (vers 33Daarom zijn
mijn lendenen vol pijnscheuten.
Weeën hebben mij aangegrepen
als de weeën van een barende vrouw.
Ik krimp ineen bij het horen,
ik ben verschrikt bij het zien.
)
. De pijn die hij ervaart, is groot. Pijnscheuten schieten door zijn lichaam en beroven hem van de kracht om te lopen. Het is een niet te ontlopen pijn, net als er voor een barende vrouw niet te ontkomen is aan de weeën die bij de bevalling horen. Hij kan het niet van zich afzetten. Hij wordt erdoor beroofd van de genoegens van de rust van de nacht (vers 44Mijn hart slaat over,
huiver en angst overvallen mij.
 De [avond]schemering, waar ik [anders] zo naar verlang,
maakt Hij voor mij tot een verschrikking.
)
.

Welke indruk maakt het op ons als we horen van rampen over volken en landen die de christenen vervolgen? Of wat zijn onze gevoelens als we eraan denken in wat voor leed Israël en de wereld gedompeld zullen worden vlak voor de terugkeer van de Heer Jezus, dus heel binnenkort (Mt 24:3333Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.)?


Zorgeloosheid en val van Babel

5Maak de tafel gereed;
spreid de kleden;
eet, drink.
Sta op, vorsten,
bestrijk het schild!
6Want zo heeft
de Heere tegen mij gezegd:
Ga, zet een wachter uit;
laat hem vertellen wat hij ziet.
7En ziet hij strijdwagens,
ruiters twee aan twee,
een karavaan ezels,
een karavaan kamelen,
laat hij dan scherp opletten,
zeer scherp!
8Hij roept: Een leeuw!
Heere, op de wachttoren
sta ik
overdag voortdurend.
En op mijn wachtpost
sta ik
hele nachten door.
9Zie nu, daar komt het:
strijdwagens, manschappen,
ruiters twee aan twee!
Hij neemt het woord en zegt:
Gevallen, gevallen is Babel!
En alle beelden van zijn goden
heeft Hij tegen de grond stukgebroken.

Wat in deze verzen wordt beschreven, is vervuld bij de val van Babel op 12 oktober 539 v.Chr. en is uitvoerig beschreven door geschiedschrijvers. De Babyloniërs denken in de verste verte niet aan het naderende onheil. Ze leven er zorgeloos op los en doen zich te goed aan rijk voorziene tafels waaraan ze op heerlijke rustbedden aanliggen (vers 55Maak de tafel gereed;
spreid de kleden;
eet, drink.
Sta op, vorsten,
bestrijk het schild!
)
. Terwijl zij feesten, is de vijand bezig hen onverwachts te overvallen. Hij heeft de loop van een kanaal dat door de stad Babel heen stroomt, veranderd en is Babel binnengeslopen door de drooggelegde rivierbedding.

Dit tafereel van zorgeloosheid en de inval van de vijand wordt in Daniël 5 beschreven. Zie ook Jesaja 13-14. Jesaja beschrijft het alsof hij erbij aanwezig is, terwijl het nog honderdvijfenzeventig jaar zal duren voordat het gebeurt. Hij roept hun toe hun gemakzucht te verlaten en zich klaar te maken voor de strijd. Het bestrijken van het schild is het insmeren ervan met olie om de vijandelijke slagen ervan te laten afglijden.

Jesaja moet een wachter uitzetten (vers 66Want zo heeft
de Heere tegen mij gezegd:
Ga, zet een wachter uit;
laat hem vertellen wat hij ziet.
)
. Het lijkt erop dat hij zelf die wachter is, net als verderop in vers 1111De last over Duma.
Men roept mij uit Seïr toe:
Wachter, hoe staat het met de nacht?
Wachter, hoe staat het met de nacht?
hij zelf ook een wachter is (vgl. Hk 2:1-21Ik ging op mijn wachtpost staan,
nam mijn plaats in op de vesting[wal],
en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou
en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.2Toen antwoordde de HEERE mij en zei:
Schrijf het visioen op,
grif het duidelijk in tafelen,
zodat het in het snel voorbijlopen te lezen is.
)
. Een wachter is iemand die in de raadsbesluiten van God staat, die weet wat er gaat gebeuren en die uitziet naar die gebeurtenis.

Zo is het ook voor ons. Wie uit de Schrift heeft geleerd wat God heeft voorzegd door Schrift met Schrift te vergelijken, die Zijn voornemen kent en aanvaardt wat hem duidelijk is geworden, is in staat anderen te waarschuwen. Een wachter ziet uit en is in gemeenschap met God.

God zegt waarop hij moet letten (vers 77En ziet hij strijdwagens,
ruiters twee aan twee,
een karavaan ezels,
een karavaan kamelen,
laat hij dan scherp opletten,
zeer scherp!
)
. Hij moet wel aandachtig en “scherp, zeer scherp” oplettend kijken. Hij bevestigt dat hij dat zal doen op de wachttoren in de nacht (vers 88Hij roept: Een leeuw!
Heere, op de wachttoren
sta ik
overdag voortdurend.
En op mijn wachtpost
sta ik
hele nachten door.
)
. Hij is heel waakzaam. Slapen is er niet bij voor wie Gods waarschuwingen en aanwijzingen serieus neemt. Dan ziet hij hoe precies dat gebeurt wat door God is voorzegd (vers 99Zie nu, daar komt het:
strijdwagens, manschappen,
ruiters twee aan twee!
Hij neemt het woord en zegt:
Gevallen, gevallen is Babel!
En alle beelden van zijn goden
heeft Hij tegen de grond stukgebroken.
)
. Gods werktuigen doen hun werk en brengen Babel ten val.

Met zijn uitroep “een leeuw!” (vers 88Hij roept: Een leeuw!
Heere, op de wachttoren
sta ik
overdag voortdurend.
En op mijn wachtpost
sta ik
hele nachten door.
)
doelt Jesaja op het leger van de Meden en de Perzen. Dat leger is gevaarlijk als een leeuw. De Dode Zee-rollen vermelden ‘ziener’ in plaats van ‘leeuw’ (deze woorden zijn in het Hebreeuws bijna hetzelfde). De tekst moet dan ook vertaald worden met “de ziener roept uit:”.

Babel zal vallen door de “strijdwagens” en de “manschappen” van de Meden en de Perzen (vers 99Zie nu, daar komt het:
strijdwagens, manschappen,
ruiters twee aan twee!
Hij neemt het woord en zegt:
Gevallen, gevallen is Babel!
En alle beelden van zijn goden
heeft Hij tegen de grond stukgebroken.
)
. Dat de ruiters “twee aan twee” komen, wijst mogelijk op de dubbele nationaliteit, dat is die van de Meden en de Perzen. De val van Babel wordt in het boek Openbaring met dezelfde woorden weergegeven (Op 14:88En een andere, een tweede engel volgde en zei: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij alle naties heeft laten drinken.; 18:22En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.). Dat toont de nauwe verbinding van de profetie van het Oude Testament met die van het Nieuwe Testament. Pas in de eindtijd, bij de verschijning van Christus – de Leeuw uit de stam van Juda (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.) –, zal deze profetie over de val van Babel zijn volle vervulling vinden.

De volgorde van de gebeurtenissen die Jesaja beschrijft, maakt duidelijk dat het oordeel over Babel (Jesaja 21) pas zal plaatsvinden ná de verdelging van Israël door de koning van het noorden (Jesaja 17-18) en nadat deze koning doorgestoten is om ook Egypte, de koning van het zuiden, en zijn bondgenoten (Jesaja 19-20) te vernietigen.


De troost voor Gods volk

10O mijn gedorste [volk],
graan van mijn dorsvloer;
wat ik gehoord heb
van de HEERE van de legermachten,
de God van Israël,
heb ik u bekendgemaakt.

Hier wordt het dorsen door God duidelijk. Het dorsen is Gods tuchtmiddel voor Zijn volk. Hij gebruikt de volken als instrument om Zijn volk te dorsen en te slaan (vers 1010O mijn gedorste [volk],
graan van mijn dorsvloer;
wat ik gehoord heb
van de HEERE van de legermachten,
de God van Israël,
heb ik u bekendgemaakt.
; vgl. Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Dat is om het van het kaf te ontdoen en het koren over te houden.

Met deze mededeling wil Jesaja zijn volk bemoedigen en waarschuwen. Hij brengt het volk niet een door hemzelf verzonnen boodschap, zoals moderne theologen ons willen laten geloven, maar geeft door wat hij van de HEERE, de God van Zijn volk, heeft gehoord. Van de Heer Jezus lezen we dat Hij spreekt wat Hij bij Zijn vader gezien heeft (Jh 8:3838Wat Ik bij <Mijn> Vader gezien heb, spreek Ik; u doet evenzo wat u van uw vader hebt gehoord.). Ook wij mogen doorgeven wat we van de Heer hebben geleerd en niet onze eigen ideeën en uitleggingen.


Last over Duma

11De last over Duma.
Men roept mij uit Seïr toe:
Wachter, hoe staat het met de nacht?
Wachter, hoe staat het met de nacht?
12De wachter zei:
De morgenstond is gekomen,
maar het wordt ook nacht.
Wilt u vragen, vraag!
Keer terug, kom!

Duma (vers 1111De last over Duma.
Men roept mij uit Seïr toe:
Wachter, hoe staat het met de nacht?
Wachter, hoe staat het met de nacht?
)
stamt af van Ismaël (Gn 25:12-1412Dit zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.13Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam;14Misma, Duma, en Massa;). Dat deze profetie over Edom gaat en met Duma Edom wordt bedoeld, blijkt uit de tweede regel, waar “Seïr” wordt genoemd. Seïr ligt in Edom (Gn 36:88Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.). Duma betekent ‘stilte’, dat wil zeggen de stilte van de dood. Het spreekt van de doodsnood die over Edom komt. Ze hebben gehoord wat de grote profeet Jesaja heeft verteld. Ze hebben zijn waarschuwingen gehoord of anderen erover horen vertellen. Ze hebben ook over zijn aankondigingen van oordeel en van behoudenis en uitredding gehoord.

Hierin is Jesaja een type van het gelovig overblijfsel van Israël dat dan het evangelie van het koninkrijk zal verkondigen (Mt 24:1414En dit evangelie van het koninkrijk zal over het hele aardrijk worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen.), in dit geval aan de Edomieten. Dit evangelie moeten we duidelijk onderscheiden van het evangelie dat in deze tijd van genade verkondigd wordt, het evangelie van de genade van God (Hd 20:2424Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.).

Nu zijn ze nieuwsgierig geworden of hij hun ook iets te vertellen heeft. Daarom stellen ze Jesaja, de wachter, een vraag vanuit Seïr, het gebied waar de Edomieten wonen (Jz 24:4a4En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau. Ik gaf aan Ezau het Seïrgebergte om dat in bezit te nemen, maar Jakob en zijn kinderen trokken naar Egypte.). Door de herhaling krijgt de vraag extra nadruk. De betekenis van de vraag is symbolisch: Hoever is de nacht al verstreken? Daarin ligt de vraag opgesloten hoelang het nog duurt voordat de dag aanbreekt, dat is de periode van Israëls heerlijkheid waarover de profeten hebben gesproken.

Hoe de vraag aan Jesaja gesteld wordt, wordt niet verteld. Mogelijk heeft Jesaja in een gezicht iemand gezien die hem die vraag stelt. Iets dergelijks zien we ook als Paulus in een gezicht een Macedonische man ziet die hem roept (Hd 16:99En Paulus kreeg ‘s nachts een gezicht: een Macedonisch man stond [daar] en smeekte hem aldus: Kom over naar Macedonië en help ons.).

De Edomieten hebben ook te lijden van Assyriërs. Zou de profeet uit Juda ook kunnen zeggen hoe lang dat nog voor hen zal duren? Tot twee keer toe stellen ze die vraag. Willen ze echt weten wanneer de morgen komt, dat wil zeggen het vrederijk, de tijd van Israëls heerlijkheid, of gaan ze er spottend van uit dat Jesaja maar wat roept (vgl. 2Pt 3:3-43Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.)?

Jesaja geeft hun de verzekering dat de morgen zeker zal komen. Het vrederijk komt, want de “Zon der gerechtigheid” gaat op (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Maar ook de nacht zal komen. De nacht is hier het oordeel van God over Edom. De dag van Israëls heerlijkheid zal de nacht van het oordeel over Edom zijn.

Jesaja weet het antwoord omdat hij in Gods raadsbesluiten staat (vers 1212De wachter zei:
De morgenstond is gekomen,
maar het wordt ook nacht.
Wilt u vragen, vraag!
Keer terug, kom!
)
. Hij geeft ook het antwoord. Hij wijst op de morgenstond van een komende dag en ziet die als al gekomen. Dat zegt de gelovige die God op Zijn Woord vertrouwt en gelooft dat Hij Israël eenmaal in de volle zegen zal invoeren. Maar Jesaja zegt ook dat er een nacht komt.

Dan wordt de Edomiet opgeroepen om terug te keren en te komen. Dat is opnieuw een oproep om zich te bekeren, ook voor de spotters. Zelfs in een boodschap van oordeel blijft God in Zijn lankmoedigheid de mens oproepen om zich te bekeren. Zelfs op de laatste bladzijde van de Bijbel klinkt het nog: “Laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet” (Op 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.)

Het antwoord van de wachter heeft voor iedere ‘Edomiet’ betekenis. Voor de oprecht vragende ‘Edomiet’ die de boodschap van de wachter aanneemt als namens God gesproken, zal na de nacht de dag aanbreken (Rm 13:12a12De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen <en> de wapens van het licht aandoen.). Maar voor een spottende ‘Edomiet’ is het nacht en blijft het nacht. Wie echt wil weten hoe de toekomst er uitziet, wat er gaat gebeuren, wordt uitgenodigd daarnaar te vragen. De oprechtheid van de vraag zal ook blijken uit het gehoor geven aan de oproep terug te keren tot God en aan Zijn uitnodiging om bij Hem te komen (Mt 11:2828Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.).

We mogen telkens vragen hoe lang het nog duurt voordat het dag wordt. Dat is een bewijs dat we niet leven voor hier-en-nu, maar in het licht van de toekomst. Het is een bemoediging voor de gelovige. Elke keer mogen we het profetische woord bevragen en erdoor bemoedigd worden dat het God niet uit de hand loopt en dat Hij ten slotte al Zijn beloften zal waarmaken. Er ligt ook in opgesloten dat, om het dag te zien worden, het nodig is dat de vraagsteller terugkeert, dat is zich bekeert tot God.

Voor Israël en de wereld zal “een morgen zonder wolken” (2Sm 23:44Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
aanbreken als de Heer Jezus Zijn vrederijk opricht. Daaraan moet eerst Zijn komst ten oordeel voorafgaan. Israël en de wereld moeten eerst door de nacht van de grote verdrukking heen. Die nacht zal voor allen die zich niet bekeren, overgaan in de eeuwige nacht. Voor allen die zich bekeren, die terugkeren en komen, zal het eeuwig licht zijn.

In dit gedeelte over Duma vinden we een profetische waarschuwing aan Edom. Als Edom niet luistert naar deze waarschuwing, komt de toorn van God over hem door middel van de Assyriërs, de koning van het noorden (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Jesaja vermeldt dat niet uitdrukkelijk, maar we vinden het wel in Obadja (Ob 1:1-91Het visioen van Obadja.
Zo zegt de Heere HEERE over Edom:
Een bericht hebben wij gehoord van de HEERE,
en een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Sta op! Laten wij tegen [Edom] opstaan ten strijde!2Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken;
diep veracht wordt u.3De overmoed van uw hart heeft u bedrogen,
[hij] die woont in de rotskloven, [in] zijn hoge verblijfplaats,
[hij] die zegt in zijn hart:
Wie zal mij neerhalen naar de aarde?4Al verhief u zich als een arend,
en al bouwde u uw nest tussen de sterren,
[ook] vandaar zou Ik u neerhalen, spreekt de HEERE.5Als er dieven bij u komen,
of nachtelijke verwoesters
– hoe zult u uitgeroeid worden! –
stelen zij niet tot zij genoeg hebben?
Als er druivenplukkers bij u komen,
zullen zij niet een nalezing overlaten?6Hoe is Ezau doorzocht,
wat hij verborgen heeft, opgespoord!7Tot aan de grens hebben zij u gestuurd,
al uw bondgenoten.
Zij met wie u [in] vrede [leefde],
hebben u bedrogen, u overwonnen.
[Zij die] uw brood [eten],
leggen een valstrik voor u.
Er is geen inzicht in hem.8Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.
)
.

Na de verschijning van de HEERE en het herstel van Israël, inclusief de terugkeerde tien stammen, zal Hij brullen uit Sion (Jl 3:1616De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
)
en Zijn wijnpersbak treden in het dal van Josafat (Jl 3:12-1312Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.
)
. Dan worden de volken in het land van Edom geoordeeld, (Js 34:1-151Kom naar voren, heidenvolken, om te luisteren!
Sla er acht op, natiën!
Laat de aarde luisteren en al wat zij bevat,
de wereld, en alles wat daarop uitspruit!
2Want de grote toorn van de HEERE [richt zich] tegen alle heidenvolken,
[Zijn] grimmigheid tegen heel hun legermacht.
Hij heeft hen met de ban geslagen,
hen overgegeven ter slachting.
3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,
en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.
De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.
4Heel het [sterren]leger aan de hemel zal vergaan.
De hemel zal opgerold worden als een boek[rol],
en heel zijn leger zal vallen,
zoals bladeren vallen van een wijnstok,
en zoals [vijgen] vallen van een vijgenboom.5Want Mijn zwaard is
dronken geworden in de hemel.
Zie, het zal neerdalen op Edom,
op het volk dat Ik geslagen heb met de ban, als een oordeel.
6Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,
het is verzadigd van vet,
van het bloed van lammeren en bokken,
van het niervet van rammen.
Want de HEERE richt een offer aan in Bozra,
een grote slachting in het land Edom.
7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,
en de jonge stieren met de sterke stieren.
Hun land zal doordrenkt zijn met bloed
en hun stoffige [grond] verzadigd van vet.
8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,
het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.
9Zijn beken zullen veranderd worden in pek,
en zijn stof in zwavel;
ja, zijn land zal worden
tot brandend pek.
10's Nachts en ook overdag zal het niet geblust worden,
voor eeuwig zal zijn rook opstijgen.
Van generatie op generatie zal het verwoest blijven,
tot in alle eeuwigheden zal niemand erdoorheen trekken.
11Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,
ransuil en raaf zullen daar wonen.
Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen
en het paslood van de leegte.
12Zijn edelen – maar zij zijn er niet –
zal men tot het koningschap roepen:
met al zijn vorsten is het gedaan.
13In zijn paleizen zullen dorens opschieten,
netels en distels in zijn vestingen.
Het zal een woonplaats voor jakhalzen zijn,
een rustplaats voor struisvogels.
14Wilde woestijndieren zullen [daar] hyena's tegenkomen,
de bok zal naar zijn metgezel roepen;
ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen
en voor zichzelf een rustplaats vinden.
15Daar zal de pijlslang nestelen, eieren leggen,
uitbroeden en haar jongen koesteren in haar schaduw;
ja, daar verzamelen zich de wouwen,
de ene bij de andere.
; 63:1-61Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
)
. Ook dan zal Edom opnieuw worden verwoest.

Ten slotte zal het gelovig overblijfsel van Israël hun erfdeel in bezit nemen door de overgebleven Edomieten volkomen uit te roeien (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
; Js 34:6-176Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,
het is verzadigd van vet,
van het bloed van lammeren en bokken,
van het niervet van rammen.
Want de HEERE richt een offer aan in Bozra,
een grote slachting in het land Edom.
7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,
en de jonge stieren met de sterke stieren.
Hun land zal doordrenkt zijn met bloed
en hun stoffige [grond] verzadigd van vet.
8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,
het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.
9Zijn beken zullen veranderd worden in pek,
en zijn stof in zwavel;
ja, zijn land zal worden
tot brandend pek.
10's Nachts en ook overdag zal het niet geblust worden,
voor eeuwig zal zijn rook opstijgen.
Van generatie op generatie zal het verwoest blijven,
tot in alle eeuwigheden zal niemand erdoorheen trekken.
11Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,
ransuil en raaf zullen daar wonen.
Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen
en het paslood van de leegte.
12Zijn edelen – maar zij zijn er niet –
zal men tot het koningschap roepen:
met al zijn vorsten is het gedaan.
13In zijn paleizen zullen dorens opschieten,
netels en distels in zijn vestingen.
Het zal een woonplaats voor jakhalzen zijn,
een rustplaats voor struisvogels.
14Wilde woestijndieren zullen [daar] hyena's tegenkomen,
de bok zal naar zijn metgezel roepen;
ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen
en voor zichzelf een rustplaats vinden.
15Daar zal de pijlslang nestelen, eieren leggen,
uitbroeden en haar jongen koesteren in haar schaduw;
ja, daar verzamelen zich de wouwen,
de ene bij de andere.16Zoek het na in het boek van de HEERE en lees:
niet één van hen zal er ontbreken,
zij zullen elkaar niet missen,
want Mijn mond heeft het zelf geboden
en Zijn Geest Zelf zal hen bijeenbrengen.
17Want Hij, Hij heeft voor hen het lot geworpen,
Zijn hand heeft hun het [land] toebedeeld met het meetlint.
Tot in eeuwigheid zullen zij het bezitten,
van generatie op generatie zullen zij er wonen.
; Ez 25:1414Ik zal Mijn wraak op Edom leggen door de hand van Mijn volk Israël. Zij zullen tegen Edom handelen overeenkomstig Mijn toorn en overeenkomstig Mijn grimmigheid. Dan zullen zij Mijn wraak kennen, spreekt de Heere HEERE.)
. Daarom wordt Edom hier Duma genoemd, dat betekent ‘de stilte van de dood’.


Last over Arabië

13De last over Arabië.
U moet overnachten in het woud in Arabië,
karavanen van de Dedanieten.
14[Treed] de dorstige tegemoet,
breng water,
inwoners van het land Tema,
treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.
15Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden,
voor het getrokken zwaard,
voor de gespannen boog,
en voor de druk van de oorlog.
16Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn. 17Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want de HEERE, de God van Israël, heeft gesproken.

Het woord “Arabië” (vers 1313De last over Arabië.
U moet overnachten in het woud in Arabië,
karavanen van de Dedanieten.
)
is verwant met het woord ‘nacht’ (“overnachten”). Het ‘overnachten’ slaat op het feit dat de Arabieren zullen vluchten voor de vijand. Dat zij niet moeten overnachten op de normale karavaanroutes, maar in het (wilde) woud waar geen oases zijn, onderstreept deze gedachte.

De Dedanieten zijn een handeldrijvende Arabische stam uit het zuiden van Arabië. Handeldrijven houdt in dat ze reizigers zijn met karavanen die hun handelswaar vervoeren naar verre oorden. Het zijn afstammelingen van Abraham en Ketura (Gn 25:1-31Abraham nam weer een vrouw, van wie de naam Ketura was.2En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah.3Joksan verwekte Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assurieten, de Letusieten en de Leümmieten.). Tema ligt in het noordwesten van Arabië. Jesaja roept de Temanieten op de vluchtelingen aan water en brood te helpen (vers 1414[Treed] de dorstige tegemoet,
breng water,
inwoners van het land Tema,
treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.
)
. De Dedanieten zijn op de vlucht voor het zwaard van de koning van Assyrië (vers 1515Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden,
voor het getrokken zwaard,
voor de gespannen boog,
en voor de druk van de oorlog.
)
. Nu moeten ze overnachten bij de Temanieten, een Ismaëlitische stam, nakomelingen van Abraham en Hagar (Gn 25:12,1512Dit zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.15Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.).

De Arabieren zijn dan wel aan een onmiddellijk gevaar ontkomen door te vluchten, maar vrij spoedig hierna zullen ze toch door een grote ramp worden getroffen. De tijd wordt weer precies vastgesteld (vers 1616Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn.; vgl. Js 16:1414Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, [gerekend] naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, [samen] met de grote [mensen]menigte. Het overblijfsel zal klein [en] gering zijn, en niet veel [betekenen].). Kedar ligt in het noorden van Arabië. Het is bekend om zijn mooie zwarte tenten (Ps 102:55Mijn hart is geslagen en verdord als gras,
zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
; Hl 1:55Donker [van huid] ben ik, maar bekoorlijk,
dochters van Jeruzalem,
als de tenten van Kedar,
als de tentkleden van Salomo.
; vgl. Jr 49:28-2928Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft verslagen. Zo zegt de HEERE:
Sta op, ruk op naar Kedar,
en verdelg de mensen van het oosten.
29Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen,
hun tentkleden en heel hun uitrusting.
Zij zullen hun kamelen voor zichzelf wegnemen,
en zij zullen tegen hen roepen: Angst van rondom!
)
. Van die schoonheid zal net als van deze Arabische stammen niet veel overblijven (vers 1717Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want de HEERE, de God van Israël, heeft gesproken.).


Lees verder