Jesaja
Inleiding 1 Het land aan de overkant van de rivieren 2 Gezanten tot Israël 3 Israël in zijn land teruggekeerd 4 De HEERE ziet zwijgend toe 5-6 De HEERE gaat handelen 7 Geschenken voor de HEERE
Inleiding

Dit is geen eenvoudig hoofdstuk. Maar dat hoeft ons niet af te schrikken om te proberen de betekenis van de profetie te ontdekken. Het zal ons in elk geval bescheiden houden en ons bewust maken dat we voor de uitleg afhankelijk zijn van de voorlichting van Gods Geest.

Als we bij het onderzoek van het profetische woord op moeilijkheden stuiten, mag ons dat extra aansporen de Heer te vragen ons duidelijkheid te geven. Dan geeft Hij altijd duidelijkheid naar de mate die wij kunnen bevatten en die voor de opbouw van ons geloofsleven nuttig is. Het gaat niet om vermeerdering van verstandelijke kennis van toekomstige gebeurtenissen, maar dat ons hart meer naar Hem zal uitgaan. Een moeilijkheid in de uitleg van de profetie heeft, als het goed is, die uitwerking. Tevens zal het ons voorzichtig maken in bepaalde gevallen al te stellige beweringen te doen.

Dit hoofdstuk is een voortzetting van Jesaja 17. Het begint niet met het woord ‘last’, maar met het woord “wee” dat ook in het vorige hoofdstuk is genoemd (Js 17:1212Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
)
, wat op een voortzetting duidt. In Jesaja 17 gaat het om de verdelging van Efraïm door de koning van het noorden; in dit hoofdstuk gaat het om de verdelging van Israël, in dit geval vooral Juda, door dezelfde koning van het noorden. Dit hoofdstuk verklaart hoe de positie van Juda is ten tijde van de aanval van de koning van het noorden.


Het land aan de overkant van de rivieren

1Wee het land van vleugelgegons,
dat aan de overkant van de rivieren van Cusj is,

Opmerkelijk is dat het hoofdstuk niet begint met een nieuwe ‘last’, maar met een “wee” (vers 11Wee het land van vleugelgegons,
dat aan de overkant van de rivieren van Cusj is,
)
. Een ‘wee’ is een aankondiging van een boodschap van oordeel. Zoals hiervoor al is opgemerkt, lijkt dat erop te wijzen dat het een direct vervolg is van de laatste verzen van het vorige hoofdstuk, waar een ‘wee’ (Js 17:12-1412Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!
Voor de ochtend [aanbreekt], is hij er niet meer.
Dit is het deel van hen die ons beroven,
het lot van hen die ons uitplunderen.
)
wordt uitgesproken over het woeden van de volken.

Het eerste kenmerk van het land waarover Jesaja nu gaat profeteren, vinden we in de aanduiding dat het een land is van “vleugelgegons” of dat “schaduwachtig is aan de frontieren” (Statenvertaling). Een vleugel ziet net als schaduw op bescherming (Ru 2:1212Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen.; Ps 17:88Bewaar mij als [Uw] oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
; 36:88Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
; 57:22Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;
ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,
totdat de rampen voorbij zijn gegaan.
)
. Alleen gaat het hier niet om de vleugel of bescherming van de HEERE. Het is een machtig land dat gekenmerkt wordt door het geluid van vliegende wezens. Kunnen wij hierbij denken aan een luchtmacht? Het woord vleugelgegons is ook verbonden aan het geluid van een sprinkhanenzwerm. Cusj is een land waar veel sprinkhanenplagen voorkomen.

De beschrijving spreekt vervolgens over een land “dat aan de overkant van de rivieren van Cusj” ligt (Gn 10:66De zonen van Cham zijn: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän.; vgl. Zf 3:1010Van over de rivieren van Cusj
zullen zij die vurig tot Mij bidden,
het volk, overal door Mij verspreid,
Mijn offer brengen.
)
. Daarmee wordt niet alleen Ethiopië bedoeld. Tot Cusj behoorden het tegenwoordige Zuid-Egypte, Soedan en Noord-Ethiopië. Het land ligt “aan de overkant van de rivieren” (meervoud). Deze rivieren zijn de Nijl en de Eufraat. De Cusjieten vinden we ook in Mesopotamië, bij de Eufraat en de Tigris.

Verder staat er dat het een land is aan “de overkant” van die beide rivieren. Dat hoeft niet per se te betekenen dat het direct aan de overkant is, want ‘overkant’ kan ook worden vertaald met ‘langs’. Het Hebreeuwse woord me-eber betekent ook ‘tot voorbij’. Dan kan het ook verder weg liggen dan vlak erbij. Het is een ander land dan de landen en volken waarover in de profetieën wordt gesproken en die in de buurt van Israël liggen. Dit land moet ver van Israël vandaan liggen.


Gezanten tot Israël

2dat gezanten zendt over de zee,
en in boten van biezen over het water.
Ga, snelle boden,
naar een volk, getrokken en geplukt,
een volk, gevreesd van toen af en daarna,
een volk van regel op regel en van vertrapping,
bij wie rivieren zijn land beroven.

Dat land zendt “gezanten … over de zee” – wat betekent dat het land niet in de buurt ligt – tot een volk dat “getrokken en geplukt” is (vers 22dat gezanten zendt over de zee,
en in boten van biezen over het water.
Ga, snelle boden,
naar een volk, getrokken en geplukt,
een volk, gevreesd van toen af en daarna,
een volk van regel op regel en van vertrapping,
bij wie rivieren zijn land beroven.
)
. Dat sluit precies aan bij het slot van het vorige hoofdstuk. Israël is dat getrokken en geplukte volk. Zijn vijanden hebben het uit zijn land getrokken en kaalgeplukt. Het is een “gevreesd” volk, in de zin van wonderbaar of geducht, omdat het een wonderbare en geduchte God heeft Die een wonderbaar plan heeft met Zijn volk. Het doel van het gezantschap lijkt om Juda te bewegen een bondgenootschap met hem aan te gaan tegen Assyrië.

Het gezantschap van “snelle boden” gebruikt “boten van biezen” (vgl. Jb 9:26a26Zij zijn voorbijgegaan als boten van riet,
zoals een arend op voedsel afvliegt.
)
. Het zijn ‘snelle’ boden, want de tijd dringt voor dat land. Juda lijkt een goede bondgenoot, want het heeft een sterk leger en een reputatie die vrees inboezemt. Egypte, Kanaän en de omringende volken hebben het vroeger ondervonden. Dat het om Juda moet gaan, blijkt ook uit de beschrijving dat het een volk van “regel op regel” is omdat God het Zijn wetten, de Thora, met regelgeving heeft gegeven.

Het is ook een volk “van vertrapping”, want het is vele malen in zijn geschiedenis vertrapt. Het is een land dat door rivieren van zijn land wordt beroofd, wat wil zeggen dat Israël vele malen van zijn vrijheid is beroofd door landen aan de rivieren. We kunnen hierbij denken aan Assyrië (Js 8:77daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
; 17:1212Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
)
.

Het verre land aan de andere zijde van de rivieren spant zich in om met de Joden een verbond te sluiten en het lijkt allemaal te slagen. Als de geschiedkundige uitleg van dit gedeelte moeilijk te verklaren is, dan lijkt de profetische uitleg toch duidelijker. Een vergelijking met andere gedeelten uit de Bijbel suggereert – gezien vanuit het perspectief van Jesaja – dat dit verre land mogelijk het toekomstige herstelde Romeinse rijk zal zijn, Europa met bondgenoten. De profeet Daniël spreekt over een verbond voor velen en de vleugel van gruwelen (Dn 9:2727Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
en het eren door de antichrist van de god van de vestingen, dat wil zeggen een sterke militaire macht (Dn 11:3838En hij zal de god van de vestingen in zijn standplaats eren. Hij zal namelijk de god die zijn vaderen niet gekend hebben, eren met goud, met zilver, met edelgesteente en met kostbaarheden.).


Israël in zijn land teruggekeerd

3Alle inwoners van de wereld
en bewoners van de aarde,
wanneer men de banier omhoogheft op de bergen, zult u het zien;
en wanneer men [op] de bazuin blaast, zult u het horen!

Na deze beschrijving komt de oproep tot “alle inwoners van de wereld en bewoners van de aarde” om aandachtig te “zien” en te “horen” naar alles wat dit volk uit het verre land met Israël doet (vers 33Alle inwoners van de wereld
en bewoners van de aarde,
wanneer men de banier omhoogheft op de bergen, zult u het zien;
en wanneer men [op] de bazuin blaast, zult u het horen!
)
. Het zal erin slagen Israël in zijn land te brengen onder een eigen banier of vlag. Dat de banier omhoog gehesen is op de bergen, wil zeggen dat de staat Israël een belangrijk positie gaat innemen in de wereld. Dit kunnen we nu al vaststellen.

Het zal ook de bazuin van vrijheid blazen. Dat is in het jaar 1948 gebeurd voor het oog van de hele wereld. Dit is slechts een voorvervulling van wat nog meer gaat gebeuren (Ez 37:15-2815Het woord van de HEERE kwam tot mij:16En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]?19Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.20Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.21En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.). Alle bewoners van de aarde zullen er getuigen van zijn dat de toekomst aan Israël is (vgl. Js 11:1212Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
)
.


De HEERE ziet zwijgend toe

4Ja, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Ik zal rustig toezien vanuit Mijn [woon]plaats,
als de zinderende hitte bij [zon]licht,
als een nevel van dauw in de hitte van de oogst[tijd].

Vervolgens lezen we wat de HEERE tijdens al de activiteiten van het verre volk en van Zijn volk zal doen (vers 44Ja, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Ik zal rustig toezien vanuit Mijn [woon]plaats,
als de zinderende hitte bij [zon]licht,
als een nevel van dauw in de hitte van de oogst[tijd].
)
. Hij zal al die drukte rustig gadeslaan, zonder Zich er mee te bemoeien. Hij houdt Zich stil, het heeft Zijn zegen niet. Het zijn activiteiten waarin Hij niet betrokken wordt. Dat betekent niet dat alles buiten Hem om gaat.

Hoewel Hij er Zelf geen actief aandeel in heeft, staat Hij toe dat al deze handelingen gebeuren. Hij staat het toe omdat het in Zijn plan past. Het gebeurt in Zijn voorzienigheid. Wel is Hij op de achtergrond “als de zinderende hitte bij [zon]licht” en “als een nevel van dauw in de hitte van de oogst[tijd]” bezig Zijn volk voor te bereiden op de zegen van het land.

Profetisch wijst dit op de eerste fase van het herstel van Israël. Vergelijk het visioen van het dal met de dorre doodsbeenderen (Ez 37:1-101De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.). De verspreide beenderen worden hersteld tot lichamen, maar zij zijn nog zonder geest, nog niet levend. Zo is Israël nu terug in het land, maar zonder geestelijk leven.

De boden van het verre land (vgl. Js 39:1-81In die tijd stuurde Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, [gezanten met] brieven en een geschenk naar Hizkia, want hij had gehoord dat hij ziek geweest en hersteld was.2Hizkia verblijdde zich over hun [komst]. Hij liet hun zijn schathuis zien: het zilver, het goud, de specerijen, de kostbare olie, heel zijn wapenhuis en alles wat in zijn schatkamers te vinden was. Er was niets in zijn huis en in heel zijn koninkrijk dat Hizkia hun niet liet zien.3Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia. Hij zei tegen hem: Wat hebben die mannen gezegd en waarvandaan zijn zij naar u toe gekomen? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land naar mij toe gekomen, uit Babel.4Hij zei: Wat hebben zij in uw huis gezien? Hizkia zei: Zij hebben alles gezien wat er in mijn huis is. Er is niets in mijn schatkamers dat ik hun niet heb laten zien.5Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE van de legermachten.6Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE.7[Bovendien] zullen zij [een aantal] van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.8Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Hij zei ook: Maar laat er in mijn dagen duurzame vrede zijn!) mogen haast hebben, de HEERE heeft dat niet. Daarom zou Israël zich ook niet overhaast met dat land moeten verbinden, alsof hun dat enige kracht tegen de oprukkende vijand zou bieden. Steun zoeken bij mensen zal altijd op een teleurstelling uitlopen (Js 20:5-65Men zal ontsteld en beschaamd zijn vanwege Cusj, hun verwachting, en vanwege Egypte, hun eer.6En de bewoners van deze kuststreek zullen op die dag zeggen: Zie, zo is het [gegaan] met onze verwachting, waar wij naartoe vluchtten om hulp, om gered te worden van de koning van Assyrië! Hoe zullen wíj dan ontkomen?; Ps 118:8-98Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.
)
. Dat zal het ongelovige Israël in de eindtijd ondervinden. Het zal zwaar te lijden krijgen, ondanks alle gesloten verbonden en toegezegde hulp.


De HEERE gaat handelen

5Ja, vóór de oogst, als de bloei voorbij is
en de bloesem een rijpende druif wordt,
zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden
en de takken wegnemen [en] afkappen.
6Ze zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels van de bergen
en aan de dieren op de aarde.
De roofvogels zullen er de zomer doorbrengen,
en alle dieren op de aarde de winter.

Dan komt het moment dat Hij aan het werk gaat (vers 55Ja, vóór de oogst, als de bloei voorbij is
en de bloesem een rijpende druif wordt,
zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden
en de takken wegnemen [en] afkappen.
)
. Als alle inspanningen geslaagd lijken en het doel bijna is bereikt, zal de HEERE plotseling alle boosheid van de omringende volken tegenover Israël de vrije teugel geven. Het snoeimes dat de HEERE gaat gebruiken, is Assyrië ofwel de koning van het noorden (Daniël 11). Twee derde van Israël zal worden weggesnoeid (Zc 13:88Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
)
.

Het vriendschappelijke plan van het verre volk dat een groot succes leek te worden, zal ten slotte falen. Hun leger zal te laat in Israël komen. Het volk Israël dat in ongeloof heeft gesteund op de beschermende macht van dit ver weg gelegen land, zal een prooi worden voor de heidense volken om hen heen die als roofdieren worden voorgesteld (vers 66Ze zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels van de bergen
en aan de dieren op de aarde.
De roofvogels zullen er de zomer doorbrengen,
en alle dieren op de aarde de winter.
)
. Maar dit is niet het einde.

De HEERE stelt Zich voor als enig betrouwbare Toeverlaat. Zijn volk moet leren zien op Hem. Hij blijft rustig, heeft alles onder controle, terwijl de omstandigheden zich ontwikkelen tot de juiste tijd is aangebroken om tussenbeide te treden. Deze tijd wordt figuurlijk als de tijd “vóór de oogst” aangeduid. Dan zal Hij de vijanden van Israël snoeien, ze in hun macht beperken en hun gebied maken tot een woonplaats voor het roofgedierte (verzen 5-65Ja, vóór de oogst, als de bloei voorbij is
en de bloesem een rijpende druif wordt,
zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden
en de takken wegnemen [en] afkappen.
6Ze zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels van de bergen
en aan de dieren op de aarde.
De roofvogels zullen er de zomer doorbrengen,
en alle dieren op de aarde de winter.
)
. Hij zal de vijanden, dat is de koning van het noorden ofwel Assyrië in de eindtijd, én de valse bondgenoten, dat is Babel ofwel het herstelde Romeinse rijk ofwel het verenigd Europa, verdelgen (Daniël 2; 11).

Dit is het lot van elk volk dat zich tegen Gods volk, dat is het gelovig overblijfsel, keert. Het leert ons dat wij rustig kunnen wachten op Gods tijd om ten gunste van ons tussenbeide te komen. Wij mogen er bij al onze geloofsoefeningen van verzekerd zijn dat alles onder Zijn absolute controle staat. We krijgen met beproevingen en moeilijkheden te maken, opdat wij ons op God zullen werpen in eenvoudige en onwankelbare afhankelijkheid.


Geschenken voor de HEERE

7In die tijd zullen aan de HEERE van de legermachten geschenken worden gebracht door een volk, getrokken en geplukt, een volk, gevreesd van toen af en daarna, een volk van regel op regel en van vertrapping – rivieren beroven zijn land – naar de plaats van de Naam van de HEERE van de legermachten, de berg Sion.

Als de HEERE zo ten gunste van Zijn volk is opgetreden, zal dit volk Hem eren op de plaats die Hij daartoe heeft gegeven: de tempel op de berg Sion (vers 77In die tijd zullen aan de HEERE van de legermachten geschenken worden gebracht door een volk, getrokken en geplukt, een volk, gevreesd van toen af en daarna, een volk van regel op regel en van vertrapping – rivieren beroven zijn land – naar de plaats van de Naam van de HEERE van de legermachten, de berg Sion.). Nadat de wijnstok is gesnoeid, na de verwoesting van Israël door de koning van het noorden, heeft een klein restje de slachting overleefd. Zij die dit kleine restje vormen, zullen zich bekeren en tot vol geloof komen. In het vrederijk zullen zij de HEERE danken en eren door middel van geschenken die zij zullen brengen naar de berg Sion, “de plaats van de naam van de HEERE van de legermachten”.

In vers 77In die tijd zullen aan de HEERE van de legermachten geschenken worden gebracht door een volk, getrokken en geplukt, een volk, gevreesd van toen af en daarna, een volk van regel op regel en van vertrapping – rivieren beroven zijn land – naar de plaats van de Naam van de HEERE van de legermachten, de berg Sion. zien we het begin van het vrederijk is, terwijl de verzen 1-21Wee het land van vleugelgegons,
dat aan de overkant van de rivieren van Cusj is,2dat gezanten zendt over de zee,
en in boten van biezen over het water.
Ga, snelle boden,
naar een volk, getrokken en geplukt,
een volk, gevreesd van toen af en daarna,
een volk van regel op regel en van vertrapping,
bij wie rivieren zijn land beroven.
ons de vestiging van de staat Israël in ongeloof tonen. Tussen de aanloop naar de vestiging van de staat Israël en de vestiging van het vrederijk ligt de huidige tijd waarin de definitieve vestiging van de staat Israël in ongeloof zich heeft voltrokken op 15 mei 1948.

Dit is achteraf door ons, in de eenentwintigste eeuw, niet moeilijk te herkennen. Maar laten we bedenken dat gelovigen deze uitleg ook al hebben gegeven in het begin van de negentiende eeuw. Toen was er nog geen sprake van de gebeurtenissen nu die de uitleg van toen bevestigen. De omstandigheden leken op het tegendeel van de uitleg te wijzen, maar zij hebben deze gedachten geconcludeerd naar aanleiding van de bestudering van het Woord van God.

In dit verband is het interessant om het korte commentaar door te geven dat J.N. Darby op dit hoofdstuk geeft in zijn commentaar (Synopsis, geschreven rond 1850!):

‘Israël zal hersteld worden door een of andere machtige natie van buiten de grenzen van zijn oude en nationale betrekkingen (de rivieren van het land Cusj, de Eufraat en de Nijl). Maar Jehova blijft op de achtergrond, hoewel Hij alles leidt. Dan, als Israël zal beginnen uit te botten als een wijnstok in het land, zal het ten prooi worden overgegeven aan de volken. Niettemin zal het in die tijd als een offerande aan Jehova gebracht worden en zal het zelf ook een offerande aan Hem brengen.’


Lees verder