Jesaja
Inleiding 1-3 Oordeel over Damascus 4-6 Oordeel over Efraïm 7-8 Bekering van een overblijfsel 9-11 Oordeel over de massa 12-14 Het lot van de plunderaars
Inleiding

De profetie in dit hoofdstuk gaat over twee naties ten noorden van Juda: Damascus (Syrië) en Efraïm (het tienstammenrijk). Deze twee worden tegelijk beschreven vanwege het feit dat zij een bondgenootschap hebben gevormd (Js 7:11Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen.). Het is een bijbels beginsel dat wie gemeenschap heeft met de zonden van iemand, ook deelt in het oordeel over die zonden (Op 18:44En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt;). Voor het gelovig overblijfsel in de toekomst is dit een waarschuwing om hun vertrouwen niet te stellen op mensen, dat is op Babel, het herstelde Romeinse rijk, Europa.


Oordeel over Damascus

1De last over Damascus.
Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,
het zal een puinhoop worden, een ruïne.
2De steden van Aroër zullen verlaten worden,
ze zullen voor de kudden zijn.
Die zullen [daar] neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen.
3Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden,
en het koninkrijk uit Damascus,
en ook het overblijfsel van de Syriërs [zal verdwijnen].
Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten,
spreekt de HEERE van de legermachten.

De verzen 1-31De last over Damascus.
Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,
het zal een puinhoop worden, een ruïne.
2De steden van Aroër zullen verlaten worden,
ze zullen voor de kudden zijn.
Die zullen [daar] neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen.
3Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden,
en het koninkrijk uit Damascus,
en ook het overblijfsel van de Syriërs [zal verdwijnen].
Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten,
spreekt de HEERE van de legermachten.
geven een korte “last over Damascus” (vers 11De last over Damascus.
Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,
het zal een puinhoop worden, een ruïne.
)
. Het oordeel, weer uitgevoerd door Assyrië, komt niet alleen over Damascus, de hoofdstad van Syrië, maar ook over “de steden van Aroër” (vers 22De steden van Aroër zullen verlaten worden,
ze zullen voor de kudden zijn.
Die zullen [daar] neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen.
)
. Het oordeel zal tot gevolg hebben dat het hele gebied geheel verlaten zal zijn, zodat de kudden er kunnen legeren, zonder opgeschrikt te worden.

Damascus is in de dagen van Jesaja verbonden met de tien stammen. Dat komt in vers 33Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden,
en het koninkrijk uit Damascus,
en ook het overblijfsel van de Syriërs [zal verdwijnen].
Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten,
spreekt de HEERE van de legermachten.
op tweevoudige wijze tot uiting: “Efraïm”“Damascus” en “de Syriërs”“de Israëlieten”. Een gemeenschappelijk voornemen houdt een gemeenschappelijk lot in (Js 7:1,41Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optrok naar Jeruzalem, om er oorlog tegen [te voeren], maar hij was niet in staat er de overwinning op te behalen.4Zeg [dan] tegen hem: Beheers uzelf, blijf rustig, wees niet bevreesd, laat uw hart niet week worden voor die twee rokende stukken brandhout, voor de brandende toorn van Rezin en Syrië, en van de zoon van Remalia.). Zoals “de luister van de Israëlieten”, die zichtbaar is geweest in de versterkte steden, is verdwenen, zo zal het ook gaan met bondgenoot Syrië. Vanwege die verbinding volgt in de volgende verzen dan ook direct het oordeel over Efraïm.


Oordeel over Efraïm

4Op die dag zal het gebeuren
dat de luister van Jakob zal wegteren,
en het vet van zijn vlees zal wegslinken.
5Het zal hem vergaan zoals [wanneer] een maaier het staande koren bij elkaar pakt,
en met zijn arm de aren oogst.
Ja, het zal hem vergaan zoals [wanneer] iemand aren verzamelt
in het dal Refaïm.
6Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.

Na het oordeel over Israëls bondgenoot Syrië spreekt Jesaja over het oordeel dat Assyrië over Israël, of Efraïm, zal brengen (2Kn 15:2929In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.). Dit gedeelte is het eerste van drie gedeelten die beginnen met “op die dag” (vers 44Op die dag zal het gebeuren
dat de luister van Jakob zal wegteren,
en het vet van zijn vlees zal wegslinken.
)
. De twee andere gedeelten zijn de verzen 7-87Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.8Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren. en de verzen 9-119Op die dag zullen zijn sterke steden zijn
als een verlaten plek in het woud of [als] een bovenste tak,
die zij achterlieten voor de Israëlieten;
het zal een woestenij zijn.
10Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
11op de dag dat u ze plant, doet u [ze] opschieten;
in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –
[maar] de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte
en niet te bestrijden leed.
. Die uitdrukking ziet bijna altijd op de eindtijd.

Al de heerlijkheid van Efraïm, “de luister van Jakob”, zal vergaan. “Het vet van zijn vlees” ziet op welvarendheid en voorspoed. Efraïm kent een welvarende tijd onder koning Jerobeam II, maar die voorspoed zal verdwijnen. Het volk zal uitgeteerd zijn. Profetisch gaat het om de verdelging van het noorden van Israël ten tijde van de inval van de koning van het noorden.

De verdelging wordt getekend in drie schilderijen. Het eerste is het beeld van een dikzak die nu uitgemergeld en letterlijk vel over been is, bij wie alle vet van het vlees is weggeslonken. Het vet spreekt van welvaart. Na het oordeel (vers 55Het zal hem vergaan zoals [wanneer] een maaier het staande koren bij elkaar pakt,
en met zijn arm de aren oogst.
Ja, het zal hem vergaan zoals [wanneer] iemand aren verzamelt
in het dal Refaïm.
)
zal er armoede overblijven (vers 66Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.
; Lv 19:99Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen.; Dt 24:19-2219Wanneer u de oogst op uw akker hebt binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen.20Wanneer u uw olijven afslaat, mag u de takken daarna niet nauwkeurig afzoeken. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.21Wanneer u uw wijngaard leeggeplukt hebt, mag u hem daarna niet nauwkeurig nalopen. Het is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.22U moet eraan denken dat u slaaf geweest bent in het land Egypte. Daarom gebied ik u dit te doen.)
.

Het tweede beeld is dat van de korenoogst. Na de oogst worden de resten door de armen opgeraapt. Wat ingezameld wordt, is heel weinig. Het zeer vruchtbare dal Refaïm (Jz 15:88De grens loopt vervolgens omhoog door het Dal van de zoon van Hinnom, naar de zuid[zijde] van de bergrug van de Jebusiet (dat is Jeruzalem). Verder loopt de grens omhoog naar de top van de berg, westelijk tegenover het Dal van Hinnom, dat noordwaarts aan het uiteinde van het dal van de Refaïeten ligt.) ligt vlak bij Jeruzalem, aan de zuidwestelijke kant ervan.

Het derde beeld is dat van de olijvenoogst. Olijven worden geoogst door ze met de hand te plukken en de gevallen vruchten op te rapen. Daarna wordt de boom afgeschud, wat gebeurt door de boom met stokken te slaan (een beeld van oordeel). Na de oogst kun je de rest van de achtergebleven olijven op de vingers van één hand tellen.

De diepere betekenis van de nalezing is dat na het oordeel over de bevolking slechts een gering restje overblijft. Dat zegt “de HEERE, de God van Israël”. Deze Naam herinnert eraan dat de God van de beloften aan de aartsvaders een voornemen heeft dat verdergaat dan de tijdelijke oordelen.


Bekering van een overblijfsel

7Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël. 8Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren.

Voor de nalezing, dat is het overblijfsel van vers 66Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.
, is er hoop. Dat brengt ons weer op een directe manier in verbinding met de verre toekomst, de eindtijd. Dit overblijfsel zal zijn als een mens die na veel afwijking de blik weer op de HEERE richt (vers 77Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.). Dat zal in zijn volheid gebeuren als de Heer Jezus terugkomt en zij zullen zien op Hem “Die zij doorstoken hebben” (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.). Dat is bekering.

We zien het bij de verloren zoon die, als hij bij de varkens in de diepste ellende is, “tot zichzelf” komt en weer aan zijn vader denkt (Lk 15:16-1816En hij begeerde zich te verzadigen met de peulenschillen die de varkens aten, en niemand gaf ze hem.17Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,). Hij keert zijn leven in de zonde de rug toe en gaat naar zijn vader. Bij een echte terugkeer hoort onlosmakelijk het opgeven van de afgoderij (vers 88Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren.). Door de terreur en het lijden van de oorlog zullen zij zien dat afgoden geen hulp bieden. Deze afgoden zijn ‘made in Israël’ (Js 2:88Hun land is vol afgoden;
voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,
voor wat hun vingers gemaakt hebben.
)
en vinden hun hoogtepunt in het beeld van het beest (Op 13:14-1514En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.).

Het contrast tussen “Hem Die hem gemaakt heeft” (vers 77Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.) en “wat zijn vingers gemaakt hebben” (vers 88Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren.) is opvallend. Wat de HEERE heeft gemaakt, Zijn volk, blijft bestaan; wat de mens heeft gemaakt, zijn afgodsbeeld, zal vergaan. Hij zal er niet meer naar omkijken. Wat is de mens toch dwaas om een relatie aan te gaan met een god die het werk van zijn eigen handen is. In onze tijd herkennen we dit in de moderne theologie.


Oordeel over de massa

9Op die dag zullen zijn sterke steden zijn
als een verlaten plek in het woud of [als] een bovenste tak,
die zij achterlieten voor de Israëlieten;
het zal een woestenij zijn.
10Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
11op de dag dat u ze plant, doet u [ze] opschieten;
in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –
[maar] de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte
en niet te bestrijden leed.

Terwijl er voor een overblijfsel hoop is, zal het oordeel over de afvallige massa komen, omdat zij de God van hun heil of behoudenis vergeten zijn (verzen 9-119Op die dag zullen zijn sterke steden zijn
als een verlaten plek in het woud of [als] een bovenste tak,
die zij achterlieten voor de Israëlieten;
het zal een woestenij zijn.
10Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
11op de dag dat u ze plant, doet u [ze] opschieten;
in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –
[maar] de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte
en niet te bestrijden leed.
)
. Hun sterke steden, die zij als een burcht zien en waarin zij zich veilig wanen, zullen hen niet tegen de vijand kunnen beschermen (vers 99Op die dag zullen zijn sterke steden zijn
als een verlaten plek in het woud of [als] een bovenste tak,
die zij achterlieten voor de Israëlieten;
het zal een woestenij zijn.
)
. De steden zullen door de koning van het noorden overmeesterd en de inwoners verdreven worden. De steden zullen verlaten zijn en tot een woestenij worden.

Ze hebben “uitheemse stekjes” – vrij vertaald: ‘geïmporteerde stekjes’ – geplant. Dat kan in letterlijke zin slaan op het overbrengen van bijvoorbeeld wijnstokken uit een ander land. In geestelijk opzicht betekent het dat ze normen en waarden van heidense volken hebben overgenomen en vertrouwen in hen stellen (vers 1010Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
)
. Voor hun welvaart hebben ze methoden (altaren) overgenomen van de omringende volken en vertrouwen in hun macht (vgl. Js 7), terwijl ze aan God voorbijgegaan zijn. Als God wordt vergeten, is het gevolg dorheid en vruchteloosheid. Wie op een menselijke rots vertrouwt en God als zijn “sterke Rots” vergeet, komt bedrogen uit. Maar “wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, [die] niet wankelt” (Ps 125:11Een pelgrimslied.
Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion,
[die] niet wankelt, [maar] voor eeuwig blijft.
)
.

Hetzelfde geldt voor de resultaten van ons werk. Er mag nog zoveel activiteit zijn, er zal geen blijvende vrucht zijn als we vergeten dat we voor alle goeds van Hem afhankelijk zijn. Als we de Bron van onze kracht, de “sterke Rots”, uit het oog verliezen, brengen we “ziekte en niet te bestrijden leed” over onszelf (vers 1111op de dag dat u ze plant, doet u [ze] opschieten;
in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –
[maar] de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte
en niet te bestrijden leed.
)
. In het “niet te bestrijden leed” kunnen we de wroeging zien dat we Hem niet bij onze plannen hebben betrokken, terwijl we goed wisten bij Wie we moesten zijn. Het is de spijt achteraf van een onomkeerbare beslissing.

In de toekomst zal God hen moeten oordelen. Dat zal gebeuren door deze “dag van ziekte en niet te bestrijden leed” over Zijn volk te brengen, wat gebeurt als de vijandige koning van het noorden als een dijkdoorbraak Israël binnenstormt. Dat zien we in de volgende verzen.


Het lot van de plunderaars

12Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!
Voor de ochtend [aanbreekt], is hij er niet meer.
Dit is het deel van hen die ons beroven,
het lot van hen die ons uitplunderen.

De verzen 12-1412Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!
Voor de ochtend [aanbreekt], is hij er niet meer.
Dit is het deel van hen die ons beroven,
het lot van hen die ons uitplunderen.
wijzen weer op de eindtijd. “Het rumoer van vele volken” wordt voorgesteld als ”het razen van de zee” (vers 1212Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
; vgl. Js 57:2020Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
; Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.)
. “Het gedruis van de natiën” wordt voorgesteld als “het bruisen van geweldige wateren”. We zien hier hoe God Zijn controle over de natuur gebruikt om Zijn controle over de geschiedenis uit te beelden. Het gaat hier over het “rumoer van vele volken” die tegen Israël zullen strijden, maar ten diepste samenspannen “tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde” (Ps 2:1-21Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
)
.

De nietigheid van al die vijandige machten blijkt als Hij hen “bestraft” (vers 1313Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
. Dan vluchten ze ver weg als “kaf” dat “wordt opgejaagd vóór de wind uit” en als “werveldistels” vóór de wervelwind uit. Als Hij opstaat, blijven zij nergens.

“Tegen de tijd van de avond”, aan het einde van een dag van opmars, is er verschrikking als de HEERE verschijnt en de vijand definitief verslaat (vers 1414Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!
Voor de ochtend [aanbreekt], is hij er niet meer.
Dit is het deel van hen die ons beroven,
het lot van hen die ons uitplunderen.
)
. “Voor de ochtend [aanbreekt]” van de dag waarop de vijand wil aanvallen, “is hij er niet meer”. Door een plotseling ingrijpen van de HEERE is de vijand aan zijn einde gekomen (Js 37:36-3836Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.37Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.38Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). Zowel in de dagen van Hizkia als in de eindtijd zal zijn droom over het aanbreken van een glorieuze morgen vervliegen.

Eerder gaat het vooral om Assyrië zelf (Js 14:22-2422Zo zal Ik tegen hen opstaan,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien,
zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE.
23Ik zal het maken tot een bezit voor nachtuilen
en [tot] waterpoelen;
Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf,
spreekt de HEERE van de legermachten.24De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,
zoals Ik [het] Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,
en zoals Ik [het] besloten heb, zal het tot stand komen.
)
; hier (Js 17:12-1412Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!
Voor de ochtend [aanbreekt], is hij er niet meer.
Dit is het deel van hen die ons beroven,
het lot van hen die ons uitplunderen.
)
gaat het om de alliantie van vele volken onder aanvoering van Noord-Arabische en islamitische (mogelijk sjiitische) landen, met daarachter de macht van Rusland (Gog en Magog). Het gaat hier over de Assyrische legers en hun bondgenoten die Juda, “ons”, plunderen en beroven. Profetisch vinden we deze gebeurtenis in het boek Daniël (Dn 11:4545En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).

Als Jeruzalem is omsingeld door de volken, dreigt de nacht over de stad te vallen. Maar dan komt de redding van de HEERE en zal het “geschieden ten tijde van de avond dat het licht blijft” (Zc 14:77Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
)
. De nacht zal niet over de stad vallen, de dreigende duisternis zal vluchten voor Hem van Wie de voeten op de Olijfberg zullen staan. Dan zal het altijd licht zijn, omdat de “Zon der gerechtigheid” is verschenen (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Zo is dat gebeurd in het leven van hun voorvader Jakob, nadat hij zijn tijd van ‘grote verdrukking’ heeft gehad: “En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël was gegaan” (Gn 32:3131En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.).


Lees verder