Jesaja
Inleiding 1 De last over Babel 2-5 Werktuigen van de toorn 6-13 De dag van de HEERE komt 14-18 De HEERE bezoekt het kwaad 19-22 Babel volledig verwoest
Inleiding

Overzicht hoofddeel 1.2Jesaja 13-27

God en de volken

Het tweede gedeelte van het eerste hoofddeel (Jesaja 1-35) omvat Jesaja 13-27 en is als volgt onder te verdelen:

1. Profetie over Babel (Jesaja 13:1-14:23)
2. Profetie over Assyrië (Jesaja 14:24-14:27)
3. Profetie over de Filistijnen (Jesaja 14:28-32)
4. Profetie over Moab (Jesaja 15:1-16:14)
5. Profetie over Damascus en Efraïm (Jesaja 17:1-14)
6. Profetie over Cusj (Jesaja 18:1-7)
7. Profetie over Egypte (Jesaja 19:1-25)
8. Profetie over Egypte en Cusj (Jesaja 20:1-6)
9. Profetie over Babel (Jesaja 21:1-10)
10. Profetie over Edom (Jesaja 21:11-12)
11. Profetie over Arabië (Jesaja 21:13-17)
12. Profetie over Jeruzalem (Jesaja 22:1-25)
13. Profetie over Tyrus (Jesaja 23:1-18)
14. De (profetische) aarde wordt geoordeeld (Jesaja 24:1-23)
15. Psalmen en voorzeggingen van oordeel en bevrijding (Jesaja 25:1-12)
16. Lofzang, gebed en profetie (Jesaja 26:1-21)
17. Het herstel van Israël (Jesaja 27:1-13)

Inleiding op Jesaja 13

In Jesaja 1-12 is de hand van de HEERE uitgestrekt tegen Zijn volk (Js 5:2626Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
)
, maar in het gedeelte van Jesaja 13-23 is de hand van de HEERE uitgestrekt “tegen alle volken” (Js 14:2626Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.
En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.
)
. Het gedeelte van Jesaja 13-23 bevat ‘lasten’ betreffende de heidenvolken in het nabije oosten. Het woord ‘last’ komt hier geregeld voor en maakt duidelijk dat deze hoofdstukken één geheel vormen. ‘Last’ betekent dat het Woord als oordeel van God, dat eerst op Israël ‘valt’ (Js 9:77De Heere heeft een woord gezonden in Jakob,
en het is gevallen in Israël.
)
, nu ook als een zwaar gewicht op alle volken valt.

Deze hoofdstukken vormen het antwoord op de oproep: “Maak Zijn daden bekend onder de volken” (Js 12:4b4Op die dag zult u zeggen:
Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken,
roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.
)
. Voordat de volken de HEERE kunnen loven (Js 12:4a4Op die dag zult u zeggen:
Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken,
roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.
)
, moeten ze eerst door het oordeel van God gereinigd worden, net als het volk Israël. Het volgende deel, Jesaja 24-27, betreft de hele aarde.

Het gevaar bestaat dat we deze hoofdstukken overslaan als we het boek Jesaja lezen omdat we menen dat er weinig geestelijke winst voor ons in zit. Maar heel de Schrift is door God ingegeven en van nut voor ons (2Tm 3:1616Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid,). De volken die Israël omringen, worden gezien in hun betrekkingen met Israël. De lasten of Godsspraken over deze volken verbinden de gebeurtenissen die in de dagen van Jesaja aanstaande zijn met het einde van de tijden.

Ze zijn een passend vervolg op het grote onderwerp van de Messiaanse profetieën in Jesaja 7-12. Daarin is voorzegd dat het gezag van de Messias over alle koninkrijken van de wereld zal worden uitgeoefend. Ook zijn daarin vertroostende berichten gegeven met het oog op de uiteindelijke zegen en heerlijkheid van Israël. In overeenstemming daarmee wordt de ondergang van de heidense machten voorzegd. De ene na de andere macht gaat ten onder, waardoor er ruimte komt voor de vestiging van het vrederijk.

Nog eens zij gezegd, dat er steeds aan gedacht moet worden, dat veel uitspraken over een macht een strekking hebben die verder gaat dan het direct aanstaande oordeel over die macht. Dat wil zeggen dat veel in de beschrijving van de ondergang van een macht ook – en soms wel uitsluitend pas – in de eindtijd vervuld wordt en dan met name aan het einde van de ‘grote verdrukking’. Deze periode wordt in dit boek “de gramschap” (van de HEERE) (Js 10:5,255Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.
; 26:2020Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen,
sluit uw deuren achter u.
Verberg u voor een klein ogenblik,
totdat de gramschap over is.
)
genoemd.

Jesaja 13-14 is de inleiding tot deze periode, terwijl aan het eind van Jesaja 27 kort het vrederijk wordt genoemd. Het gedeelte van Jesaja 14:28-27:13 is een beschrijving van gebeurtenissen in de wereld vanaf de laatste dagen van de grote verdrukking tot het begin van het duizendjarig vrederijk. Ook Israël wordt opnieuw genoemd, maar dan als onderdeel van de wereld.

De volken waarover achtereenvolgens het oordeel wordt uitgesproken, worden geoordeeld vanwege hun afgoderij en hun houding tegenover Israël. De reden dat juist zij worden genoemd, terwijl veel andere volken niet worden genoemd, is de wijze waarop zij zich in het verleden ten opzichte van Gods volk hebben gedragen en dat zij zich daaraan hebben vergrepen. Gods volk is “Zijn oogappel” (Zc 2:88Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.
)
. Dus wie Zijn volk aanraakt, treft de HEERE in Zijn hart.

Van dit oordeel over de omringende volken profeteren ook de twee andere grote profeten, Jeremia en Ezechiël (Jeremia 46-51; Ezechiël 25-32). Jesaja en Jeremia spreken in hun profetieën over de volken vooral over de verwoesting van Babel, hoewel ze ook over andere volken spreken, terwijl Ezechiël vooral spreekt over Gods oordeel over Egypte.


De last over Babel

1De last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.

Na het oordeel over Juda en Jeruzalem dat in de voorgaande hoofdstukken, Jesaja 7-12, voor onze aandacht is geweest, komt nu, in Jesaja 13-27, het oordeel over de volken van de wereld. Als inleiding daarop begint God met het oordeel over Babel (Jesaja 13-14). Het begint met “de last over Babel” (vers 11De last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.), want Babel zal de wereldheerschappij van Assyrië tenietdoen en die opvolgen.

Wat Jesaja heeft gezien, wordt “last” genoemd omdat het een woord van God betreft dat de profeet als een last is opgelegd (Jr 23:33-4033Wanneer dit volk of een profeet of een priester u zal vragen: Wat is de last van de HEERE? dan moet u tegen hen zeggen: Wat last? Ik zal u verlaten, spreekt de HEERE.34En de profeet of de priester of het volk dat zeggen zal: Een last van de HEERE! Ik zal die man en zijn huis straffen.35Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?36Maar aan een last van de HEERE mag u niet meer denken, want voor ieder zal zijn [eigen] woord een last zijn, want u verdraait de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God.37Dit moet u zeggen tegen de profeet: Wat heeft de HEERE u geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?38Maar als u zegt: Last van de HEERE – daarom, zo zegt de HEERE: Omdat u dit woord zegt: De last van de HEERE, terwijl Ik u [de boodschap] had gezonden: U mag niet zeggen: De last van de HEERE,39daarom, zie, Ik zal u helemaal vergeten, en u, en de stad die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van voor Mijn aangezicht verlaten.40Ik zal op u eeuwige smaad leggen, eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.). De meeste profetieën in de volgende hoofdstukken beginnen met dit woord ‘last’. Nog eens wordt “Jesaja” met name genoemd. Dat hij deze last “gezien heeft”, benadrukt dat het om echte profetie gaat, die is uitgesproken vóór de val van Babel, want in de tijd van Achaz, als Jesaja dit schrijft, is Babel nog lang geen wereldmacht. Het maakt tevens duidelijk dat met Jesaja 13 een nieuw gedeelte begint.

Als in de Schrift over Babel wordt gesproken, kan daarmee zowel de stad als het land worden bedoeld. Babylon is hetzelfde als Babel. Babylon is de Griekse naam en Babel de Hebreeuwse naam. In het Oude Testament wordt alleen over Babel gesproken. De lezer moet dan zien of daarmee de stad of het land wordt bedoeld. Het eerste koninkrijk dat in de Schrift wordt genoemd, is dat van Babel. Het wordt gesticht door een man die een geweldenaar is, een man van geweld, en een jager, dat wil zeggen een bloed vergietend mens (Gn 10:8-108En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.10Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.).

In Babel is het oergezelschap van de mensheid na de zondvloed in eenheid bij elkaar. Als de hele aarde nog één van spraak is, wil de mens in Babel een toren bouwen die tot in de hemel reikt om daarmee zijn macht op aarde te vergroten. God voorkomt dit en verstrooit bij Babel de mensheid door de spraakverwarring (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.). Daardoor is de mensheid verdeeld over de vijf continenten.

De omverwerping van de macht van Assyrië wordt beschreven in het boek Nahum. Daar lezen we van de val van Ninevé, de hoofdstad van Assyrië. Op het moment dat Jesaja deze profetie uitspreekt, is er van Babel als wereldmacht nog niet veel te bekennen. Dat Jesaja toch met Babel als eerste volk kan beginnen, is alleen omdat hij profetisch de opkomst van Babel ziet en ook die van de volgende rijken. Babel is de macht die het oordeel over Juda zal voltrekken omdat Juda in afgoderij en opstand tegen de HEERE leeft. Babel is tevens de macht die in de eindtijd een verbond zal sluiten met het afvallige Israël onder de antichrist.

De beschrijving van de inname van Babel laat zien dat die zeer gewelddadig gebeurt, anders dan de inname van Babel anderhalve eeuw later, in 539 v.Chr., door de Meden en de Perzen, die nagenoeg geruisloos gebeurt. Dat komt doordat de nadruk hier ligt op de vernietiging van het profetische Babel in de toekomst, namelijk die van het eerste beest, met de tien horens, de leider van het herstelde Romeinse rijk, de verenigde staten van (het ex-christelijke) Europa (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.).

Overigens is Assyrië een type van de toekomstige koning van het noorden, de leider van het (noordoostelijke) Arabische islamitische (sjiitische?) bondgenootschap, ondersteund door Gog en Magog (Rusland). In Psalm 83 wordt opmerkelijk genoeg ook over een bondgenootschap gesproken dat uit tien landen bestaat (Ps 83:6-96Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
.

Ten slotte vinden we de koning van het zuiden – hier niet vermeld, maar wel in Daniël 11 (Dn 11:4040Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.) –, waaronder we een bondgenootschap van (zuidelijke) Arabische islamitische (soennitische?) volken kunnen verstaan. Zij zullen als eerste Israël aanvallen, gevolgd door de koning van het noorden. Als de koning van het noorden Israël en vooral Jeruzalem heeft verwoest, zal hij daarna de koning van het zuiden aanvallen en overmeesteren. Daarna zal hij terugkeren naar Israël vanwege de komst van het leger van het beest (Europa) en vernietigd worden door Christus (Dn 11:41-4541Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).


Werktuigen van de toorn

2Hef op een kale berg een banier omhoog,
verhef [uw] stem tegen hen,
wenk met de hand, zodat zij binnentrekken
door de poorten van de edelen.
3Ík heb opdracht gegeven
aan Mijn geheiligden;
ook heb Ik Mijn helden opgeroepen om Mijn toorn [uit te voeren]
– zij die uitgelaten zijn over Mijn majesteit.
4Hoor, rumoer op de bergen,
als van veel volk.
Hoor, gedruis van koninkrijken,
van verzamelde heidenvolken;
de HEERE van de legermachten monstert
de krijgsmacht.
5Zij komen eraan, uit een ver land,
van het einde van de hemel:
de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap,
om heel het land te gronde te richten.

De profetie begint met een drievoudige oproep of opdracht. Op “een kale berg”, dat is een berg zonder bebossing, dat is zonder iets wat het zicht hindert, moet ten eerste een teken, “een banier” als symbool van strijd, omhoog geheven worden, zodat het goed zichtbaar is (vers 22Hef op een kale berg een banier omhoog,
verhef [uw] stem tegen hen,
wenk met de hand, zodat zij binnentrekken
door de poorten van de edelen.
)
. Na de banier volgt ten tweede de opdracht tot een roep, “verhef [uw] stem”, en ten derde tot een gebaar, “wenk met de hand”, om daardoor Gods legers tot actie te manen. De roep is bedoeld om de legers in staat van paraatheid te brengen.

De “wenk met de hand” is het teken om hen te laten optrekken om de poorten van Babel binnen te trekken. In deze poorten zitten nu nog de edelen die het stadsbestuur vormen, maar het is tijd dat de veroveraars de macht overnemen. Van enige tegenstand wordt niets vermeld. Babel is ook zonder tegenstand ingenomen.

De opdracht gaat van de HEERE – “Ík”, met nadruk – uit (vers 33Ík heb opdracht gegeven
aan Mijn geheiligden;
ook heb Ik Mijn helden opgeroepen om Mijn toorn [uit te voeren]
– zij die uitgelaten zijn over Mijn majesteit.
)
. De Meden (vers 1717Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,
die zilver niet achten
en op goud niet belust zijn.
)
en Perzen worden tot het vervullen van hun opdracht geroepen. Zij zijn door God uitgekozen om een einde te maken aan de heerschappij van Babel. Daarom noemt God hen “Mijn geheiligden”, want zij zijn door Hem voor dat doel en met die opdracht apart gesteld. Het heeft niets te maken met de personen zelf, dat zij heilig van karakter zouden zijn.

God noemt hen ook “Mijn helden”. Hij maakt hen tot onoverwinnelijke helden, want zij moeten Zijn toorn uitvoeren. De legers van de Meden en de Perzen voldoen “uitgelaten” aan hun opdracht. Ze hebben er zin in omdat de Majesteit van God hen aanspoort. Dat de HEERE Zelf persoonlijk opdracht geeft om Babel te verwoesten, is een aanwijzing dat Hij in de toekomst persoonlijk, en dan zonder toedoen van menselijke instrumenten, het herstelde Romeinse rijk zal vernietigen (Dn 2:4545Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.).

Het enkelvoudige geluid van de stem die beveelt, de stem van de HEERE, wordt vervangen door een meervoudig “rumoer op de bergen” (vers 44Hoor, rumoer op de bergen,
als van veel volk.
Hoor, gedruis van koninkrijken,
van verzamelde heidenvolken;
de HEERE van de legermachten monstert
de krijgsmacht.
)
. Het is het rumoer van de “verzamelde heidenvolken”, de legers die de HEERE heeft afgezonderd om Zijn werk te doen. De legers van de Meden en Perzen komen van heinde en verre als “de instrumenten van Zijn gramschap om heel het land [dat is het Babylonische wereldrijk] te gronde te richten” (vers 55Zij komen eraan, uit een ver land,
van het einde van de hemel:
de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap,
om heel het land te gronde te richten.
)
.

Hun gejuich bij de uitvoering van dit werk wil niet zeggen dat zij zich bewust zijn dat ze Gods opdracht uitvoeren of met instemming aan Gods plan meewerken. Zo weten Titus en de Romeinen ook niet dat zij als leger van “de koning” het oordeel over Jeruzalem voltrekken waarover de Heer Jezus in Zijn gelijkenis spreekt (Mt 22:77De koning nu werd toornig, en hij zond zijn legers en bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.).

Het gaat om de ondergang van het land Babel (Jeremia 50-51). Babel is wat we vandaag kennen als Zuid-Irak tot aan Bagdad. Assyrië omvat het gebied dat we vandaag kennen als Noord-Irak ten noorden van Bagdad tot aan Pakistan. Medië is verder naar Iran, het tegenwoordige Koerdistan.

Abraham komt uit het land van de Chaldeeën of Babel (Gn 15:77Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heb, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.; Hd 7:2-42En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,3en zei tot hem: ‘Ga uit uw land en <uit> uw familie en kom in het land dat Ik u zal wijzen’.4Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land waarin u nu woont.). Hij heeft zich bekeerd tot de ware God. Zijn nakomelingen worden in ballingschap teruggevoerd naar Babel omdat Israël van de ware God is afgevallen. Zij komen terecht in het land waar hun stamvader vandaan komt en hebben daar de afgoden van Babel gediend. De tijd van de wereldheerschappij van Babel duurt zeventig jaar (Jr 25:1111Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.).

Profetisch gezien vormt dit gedeelte over Babel een schaduwbeeld van het toekomstige oordeel over het herstelde Romeinse rijk ofwel de toekomstige verenigde staten van Europa onder leiding van een man die ‘het beest’ wordt genoemd (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.). Dan zal de Heer Jezus Zelf, hoogstpersoonlijk, “uit een ver land, van het einde van de hemel”, komen met de hemelse legermachten om het oordeel over Babel te voltrekken (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.).


De dag van de HEERE komt

6Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;
als een verwoesting van de Almachtige komt hij.
7Daarom zullen alle handen slap worden
en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.
8En zij zullen verschrikt worden,
smarten en weeën zullen hen aangrijpen,
zij zullen ineenkrimpen als een barende [vrouw].
Verbijsterd zullen zij elkaar aanstaren,
hun gezichten zullen vlammen.
9Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,
met verbolgenheid en brandende toorn,
om van het land een woestenij te maken
en zijn zondaars eruit weg te vagen.
10Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden
zullen hun licht niet laten schijnen,
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
11Ik zal de wereld [haar] slechtheid vergelden,
en de goddelozen hun ongerechtigheid.
Ik zal de trots van de hoogmoedigen doen ophouden,
en de hooghartigheid van de geweldplegers zal Ik vernederen.
12Ik zal stervelingen schaarser maken dan zuiver goud
en mensen [zeldzamer] dan het fijne goud van Ofir.
13Daarom zal Ik de hemel doen sidderen,
en de aarde zal lostrillen van haar plaats
om de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten,
en om de dag van Zijn brandende toorn.

In deze verzen verplaatst het profetisch toneel zich van de aanstaande ondergang van Babel als schaduwbeeld van de toekomst naar de toekomstige oordelen van God over het herstelde Romeinse rijk en de hele wereld in de eindtijd, dat is naar de komst van “de dag van de HEERE” (vers 6a6Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;
als een verwoesting van de Almachtige komt hij.
)
. Het is een dag die niet is tegen te houden of af te wentelen, want hij komt “als een verwoesting van de Almachtige”. Die dag is overduidelijk niet begonnen in 539 v.Chr., wanneer Babel verslagen wordt door de Meden en de Perzen. Dan wordt die stad niet verwoest (vers 6b6Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;
als een verwoesting van de Almachtige komt hij.
)
. Dat gebeurt pas veel later. Nee, die dag zal plaatsvinden in de toekomst met betrekking tot het profetische Babylon (Op 16:1919En de grote stad werd tot drie delen en de steden van de naties vielen. En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de drinkbeker van de wijn van de grimmigheid van Zijn toorn te geven.).

Hier vloeit voor het oog van de profeet het oordeel over Babel ineen met het eindgericht over het herstelde Romeinse rijk. In de vervulling liggen er vele eeuwen tussen beide oordelen, maar in wezen zijn ze een. Het een is een type, een voorafschaduwing, van het ander. Babel is het eerste van de vier grote wereldrijken (Dn 2:37-4037U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven.38Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.39Na u zal een ander koninkrijk opkomen, lager [van waarde] dan het uwe. Daarna [nog] een ander, het derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal over de hele aarde.40En het vierde koninkrijk zal sterk zijn als ijzer, want het ijzer verbrijzelt en vergruist alles. Juist zoals het ijzer alles verplettert, zo verbrijzelt en verplettert dit [koninkrijk] alles.; 7:1-71In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, [had] Daniël op zijn bed een droom en kreeg visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij [als volgt]:2Daniël nam het woord en zei: Ik zag ’s nachts in mijn visioen, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op,3en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden.4Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik bleef kijken totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op [zijn] voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven.5En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het [dier]: Sta op, eet veel vlees.6Daarna zag ik, en zie, er was [nog] een ander [dier], als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven.7Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervoor geweest waren. En het had tien horens.) en is een afschaduwing van de laatste vertegenwoordiger van de wereldrijken, dat is het herstelde Romeinse rijk.

In onze dagen zien wij dat steeds meer gestalte krijgen in het verenigd Europa, de Europese Unie. Het is voor God alles één geheel. Het oordeel over Babel is een voorafschaduwing van het oordeel over het beest in de eindtijd. Babel, voorgesteld als vrouw, de grote hoer, en het beest zijn ten nauwste met elkaar verbonden (Op 17:3b3En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.). De grote hoer benadrukt het godsdienstige aspect van Babel – de tegenhanger van de bruid –, terwijl het beest het politieke aspect van Babel – de tegenhanger van Jeruzalem, de stad van de grote koning – benadrukt.

De HEERE zal de grote Naam van Zijn almacht bewijzen in de oordelen die Hij laat komen. In de verzen 7-87Daarom zullen alle handen slap worden
en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.
8En zij zullen verschrikt worden,
smarten en weeën zullen hen aangrijpen,
zij zullen ineenkrimpen als een barende [vrouw].
Verbijsterd zullen zij elkaar aanstaren,
hun gezichten zullen vlammen.
zien we de reacties van de mensen daarop. De handen worden slap, krachteloos. “Elk hart van stervelingen” smelt weg, er is geen enkele moed meer. De verschrikking en verbijstering staan op hun gezichten te lezen. Hun houding van ineenkrimpen als een barende vrouw die in smart en weeën is, past bij de ontzetting en pijn die hen bevangen. Het toont allemaal aan dat ze geen rekening hebben gehouden met een oordelende God.

De zonde van de mens en zijn onbekeerlijkheid zijn er de oorzaak van dat de HEERE op Zijn dag, als Hij de regering in handen neemt, “meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn” zal oordelen (vers 99Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,
met verbolgenheid en brandende toorn,
om van het land een woestenij te maken
en zijn zondaars eruit weg te vagen.
)
. Zijn oordelen treffen zowel “het land” als “de zondaars”. Hij maakt het land tot een woestenij en de zondaars worden uit het land weggevaagd. Hier worden, om het met de gelijkenis van de dolik (een onkruid dat veel op tarwe lijkt) en de tarwe te zeggen, zij die de wetteloosheid doen, verzameld en in de vuuroven geworpen (Mt 13:40-4240Zoals dan de dolik verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het zijn in de voleinding van deze eeuw.41De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,42en zij zullen hen in de vuuroven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.; 24:40-4140Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten;41twee [vrouwen] zullen met de molensteen malen, één wordt meegenomen en één achtergelaten.).

De hele schepping komt in de duisternis terecht omdat “de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden” en “de maan” hun “licht niet laten schijnen” (vers 1010Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden
zullen hun licht niet laten schijnen,
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
)
. Als er al hoop is dat de zon bij het aanbreken van de dag zal opkomen, dan blijkt die hoop ijdel te zijn, want “de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt” (Mt 24:2929Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.; Mk 13:2424Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven,).

Het oordeel over Babel bij de verschijning van Christus in de eindtijd treft de hele “wereld” en niet slechts een bepaald gebied zoals in de tijd van Jesaja (vers 1111Ik zal de wereld [haar] slechtheid vergelden,
en de goddelozen hun ongerechtigheid.
Ik zal de trots van de hoogmoedigen doen ophouden,
en de hooghartigheid van de geweldplegers zal Ik vernederen.
; vgl. Lk 21:3535Want hij zal komen over allen die gezeten zijn op het hele aardoppervlak.)
. Het is ermee als met de zondvloed die ook wereldwijd is. Gods oordeel gaat over de wereld vanwege de “slechtheid” ervan. Die slechtheid komt tot uiting in de “ongerechtigheid” van “de goddelozen”, “de trots van de hoogmoedigen” en “de hooghartigheid van de geweldplegers”. God zal de slechtheid vergelden, de trots doen ophouden en de hooghartigheid vernederen. God heeft op alle kwaad het gepaste antwoord.

Het is ook treffend dat het oordeel over Babel wordt geveld door Kores, die genoemd wordt “Zijn gezalfde” (Js 45:11Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
)
, een prachtig beeld van Christus (= Gezalfde). De naam Kores betekent ‘zon’, dat is de titel van Christus Zelf (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
.

De val van Babel geschiedt onverwachts. Terwijl de stad feestviert, kruipt het leger van de Meden en de Perzen onder de stadsmuur door na eerst de loop van het kanaal dat door de stad stroomt te hebben verlegd. Zo zal de komst van Christus om Babel te verdelgen geschieden als een dief in de nacht, onverwachts.

Vers 1212Ik zal stervelingen schaarser maken dan zuiver goud
en mensen [zeldzamer] dan het fijne goud van Ofir.
voorzegt de vermindering van de wereldbevolking in het einde van de tijd, zoals ook de Heer Jezus dit voorzegt (Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.; Op 6:88En ik zag en zie, een bleekgroen paard, en hij die erop zat, zijn naam was <de> dood, en de hades volgde hem; en hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met [het] zwaard en met honger en met [de] dood en door de wilde dieren van de aarde.; 9:1919Want de macht van de paarden is in hun mond en in hun staarten; want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben koppen, en daarmee brengen zij schade toe.). Door deze oordelen worden alle goddelozen weggevaagd. Wat overblijft, is een overblijfsel dat bestaat uit “stervelingen”. Dit geeft aan dat zij in zichzelf niet waardevoller zijn dan de goddelozen die zijn omgekomen. Dit overblijfsel is vanwege hun geringe aantal zeldzamer dan de zeldzaamste en kostbaarste metalen. Zij zijn gespaard vanwege hun positieve houding tegenover Israël (vgl. Mt 25:31-4131Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;).

Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de opname van de gelovigen (1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)) en de verschijning van de HEERE om te oordelen in dit gedeelte. Bij de opname worden de gelovigen opgenomen van de aarde en worden ongelovigen achtergelaten. Bij de verschijning van de HEERE, de Heer Jezus, worden de goddelozen door het oordeel weggenomen van de aarde en blijven de gelovigen op aarde achter om het vrederijk binnen te gaan (Mt 24:40-4140Dan zullen er twee op het veld zijn, één wordt meegenomen en één achtergelaten;41twee [vrouwen] zullen met de molensteen malen, één wordt meegenomen en één achtergelaten.).

De gevolgen van de oordelen worden in vers 1313Daarom zal Ik de hemel doen sidderen,
en de aarde zal lostrillen van haar plaats
om de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten,
en om de dag van Zijn brandende toorn.
nog diepgaander beschreven dan in vers 1010Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden
zullen hun licht niet laten schijnen,
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
. In vers 1010Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden
zullen hun licht niet laten schijnen,
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
worden de effecten van het oordeel in bepaalde onderdelen van de schepping gezien, terwijl we in vers 1313Daarom zal Ik de hemel doen sidderen,
en de aarde zal lostrillen van haar plaats
om de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten,
en om de dag van Zijn brandende toorn.
zien wat de gevolgen van het oordeel zijn voor de hemel en de aarde als geheel. De hemel siddert en de aarde trilt los van haar plaats (Hg 2:7-87Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nog één [ogenblik], en dat is een korte [tijd],
dan zal Ik de hemel en de aarde,
de zee en het droge doen beven.8Ik zal alle heidenvolken doen beven.
Zij zullen komen [naar] het verlangen van alle heidenvolken
en Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid,
zegt de HEERE van de legermachten.
; Hb 12:25-2925Kijkt u uit dat u Hem Die spreekt, niet afwijst. Want als zij niet ontkomen zijn, die Hem afwezen Die op aarde Goddelijke aanwijzingen gaf, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem Die van [de] hemelen [spreekt].26Toen deed Zijn stem de aarde wankelen; maar nu heeft Hij beloofd en gezegd: ‘Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde doen beven maar ook de hemel’.27Dit ‘nog eenmaal’ nu duidt <de> verandering van de wankelbare – als gemaakte – dingen aan, opdat de dingen blijven die niet wankelbaar zijn.28Laten wij dus, daar wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, [de] genade vasthouden, en laten wij daardoor God dienen op een [Hem] welbehaaglijke [wijze] met eerbied en ontzag.29Immers, onze God is een verterend vuur.; Zc 14:4-54Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!)
. Dit zijn de overweldigende gevolgen van het losbreken van “de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten” op “de dag van Zijn brandende toorn”. Dit bevestigt de herinnering aan de zondvloed, waarbij ook hemel en aarde in grote beroering zijn gekomen.


De HEERE bezoekt het kwaad

14[Iedereen] zal zijn als een opgejaagde gazelle,
als schapen die niemand bijeenbrengt.
Iedereen zal zich wenden naar zijn [eigen] volk,
en iedereen zal vluchten naar zijn [eigen] land.
15Ieder die aangetroffen wordt, zal worden neergestoken,
en ieder die gegrepen wordt, zal vallen door het zwaard.
16Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
voor hun ogen,
hun huizen geplunderd
en hun vrouwen verkracht.
17Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,
die zilver niet achten
en op goud niet belust zijn.
18Maar [hun] bogen zullen jongens verpletteren,
zij zullen geen medelijden hebben met de vrucht van de buik,
hun oog zal geen kind ontzien.

In vers 1414[Iedereen] zal zijn als een opgejaagde gazelle,
als schapen die niemand bijeenbrengt.
Iedereen zal zich wenden naar zijn [eigen] volk,
en iedereen zal vluchten naar zijn [eigen] land.
keert de profetie terug naar de verwoesting van Babel. Dat blijkt uit de rest van het hoofdstuk. Alle vreemdelingen die eerst aangetrokken zijn door de rijkdom van Babel en hun voordeel op deze wereldmarkt hebben gezocht, zullen de stad ontvluchten om terug te keren naar hun eigen volk en land. Schichtig als “een opgejaagde gazelle” en verstrooid “als schapen” zonder herder zullen ze willen ontkomen aan de oprukkende legers van de Meden en Perzen. Ook het herstelde Romeinse rijk (Europa) zal bestaan uit mensen uit vele landen. Als straks het oordeel over hen komt, zullen deze mensen vluchten en terugkeren naar hun eigen volk en hun eigen land.

Wie niet vlucht of op de vlucht gegrepen wordt, valt in handen van een vijand die niets en niemand ontziet (verzen 15-1815Ieder die aangetroffen wordt, zal worden neergestoken,
en ieder die gegrepen wordt, zal vallen door het zwaard.
16Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
voor hun ogen,
hun huizen geplunderd
en hun vrouwen verkracht.
17Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,
die zilver niet achten
en op goud niet belust zijn.
18Maar [hun] bogen zullen jongens verpletteren,
zij zullen geen medelijden hebben met de vrucht van de buik,
hun oog zal geen kind ontzien.
)
. Wat ze op hun weg tegenkomen, wordt zonder pardon neergestoken of neergeveld door het zwaard (vers 1515Ieder die aangetroffen wordt, zal worden neergestoken,
en ieder die gegrepen wordt, zal vallen door het zwaard.
)
. Eerbied voor wat anderen toebehoort aan leven, bezit en huwelijk, kennen ze niet (vers 1616Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
voor hun ogen,
hun huizen geplunderd
en hun vrouwen verkracht.
)
. De gevoelens die daarbij horen, hebben ze niet. Meedogenloos verpletteren ze kleine kinderen voor de ogen van hun ouders en verkrachten ze vrouwen, ongevoelig voor smeekbeden dat niet te doen.

Ze laten zich niet omkopen, ongevoelig als ze ook zijn voor zilver en goud, dat niets voor hen betekent (vers 1717Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,
die zilver niet achten
en op goud niet belust zijn.
)
. Hun doel is met meedogenloze wreedheid hun vijanden te verdelgen en ervoor te zorgen dat er ook geen nieuwe aanwas kan komen. Daarom verpletteren ze jongens, doden ze kinderen al in de buik en ontzien ze geen kind dat al geboren is (vers 1818Maar [hun] bogen zullen jongens verpletteren,
zij zullen geen medelijden hebben met de vrucht van de buik,
hun oog zal geen kind ontzien.
)
.


Babel volledig verwoest

19Babel, het sieraad van de koninkrijken,
de luister en de trots van de Chaldeeën,
zal zijn als toen God ondersteboven keerde
Sodom en Gomorra.
20Niemand zal er verblijven, nooit [meer],
en niemand, van generatie op generatie, zal er wonen.
Geen Arabier zal daar zijn tent opzetten,
en geen herder zal daar neerstrijken.
21Maar wilde woestijndieren zullen daar neerliggen.
Hun huizen zullen vol zitten met huilende uilen;
struisvogels zullen er wonen
en bokachtigen zullen er rondspringen.
22Hyena's zullen janken in zijn [verlaten] burchten,
en jakhalzen in zijn paleizen van verlustiging.
Zijn tijd om te komen is nabij,
en zijn dagen zullen niet worden uitgesteld.

In deze verzen wordt het oordeel over Babel beschreven. Babel, dat zichzelf als een sieraad van alle koninkrijken heeft gepresenteerd, zal van al zijn luister en trots worden ontdaan (vers 1919Babel, het sieraad van de koninkrijken,
de luister en de trots van de Chaldeeën,
zal zijn als toen God ondersteboven keerde
Sodom en Gomorra.
)
. Het zal met Babel gaan als met Sodom en Gomorra die door God ondersteboven zijn gekeerd. Het zal volkomen ontvolkt worden en nooit meer bewoond worden (vers 2020Niemand zal er verblijven, nooit [meer],
en niemand, van generatie op generatie, zal er wonen.
Geen Arabier zal daar zijn tent opzetten,
en geen herder zal daar neerstrijken.
)
. Geen enkele Arabier van de rondtrekkende Arabische nomaden (Bedoeïenen) zal daar nog zijn tent opzetten, want er is niets meer wat voordeel oplevert. Ook is er geen herder meer die er zijn kudde heen zal brengen vanwege de menigte wilde dieren die daar is.

De enige bewoners zullen de wilde dieren zijn (verzen 21-22a21Maar wilde woestijndieren zullen daar neerliggen.
Hun huizen zullen vol zitten met huilende uilen;
struisvogels zullen er wonen
en bokachtigen zullen er rondspringen.
22Hyena's zullen janken in zijn [verlaten] burchten,
en jakhalzen in zijn paleizen van verlustiging.
Zijn tijd om te komen is nabij,
en zijn dagen zullen niet worden uitgesteld.
)
. De in deze verzen genoemde dieren die in het gevallen Babel wonen, doen denken aan Openbaring 18 (Op 18:22En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.). Het onderstreept dat de uiteindelijke verwoesting, gelijk aan die van Sodom en Gomorra, in de verre toekomst ligt. De verwoesting op korte termijn wordt aangegeven door de woorden “zijn tijd om te komen is nabij” (vers 2222Hyena's zullen janken in zijn [verlaten] burchten,
en jakhalzen in zijn paleizen van verlustiging.
Zijn tijd om te komen is nabij,
en zijn dagen zullen niet worden uitgesteld.
)
. De verwoesting van Babel op korte termijn is echter niet zoals de verwoesting van Sodom en Gomorra, want Babel zal herleven. We hebben hier weer het beginsel van de dubbele laag in de profetie, waarbij sprake is van een eerste vervulling in de nabije toekomst en een uiteindelijke vervulling in de, op dat moment nog, verre toekomst.

De sleutel tot de vraag of Babel opnieuw zal verschijnen als machtscentrum en dan zijn uiteindelijke verwoesting zal ondergaan, wordt in het begin van Jesaja 14 gegeven. Het woord “want” waarmee het begint, geeft aan dat een verklaring volgt van het voorgaande. Jesaja 14 vertelt over de dag van Israëls bevrijding en duizendjarige zegen. Dit is de dag van de HEERE die hun rust geeft van verdriet en vrees en slavernij en waarop zij zich zullen verheugen over de verwoesting van Babel en hun hoon zullen uiten tegenover de stad van de verdrukker.

Een dergelijke uiting is er niet geweest over de verwoesting die nu zo’n tweeënhalfduizend jaar geleden heeft plaatsgevonden. Wel is er in de toekomst sprake van een dergelijke uiting bij de val van de wederopgestane stad (Op 18:2020Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft.). Dan zal de profetie van dit gedeelte van Jesaja zijn complete vervulling hebben. Europa zal aan het begin van het duizendjarig vrederijk met weinig inwoners overblijven in een verwoeste toestand en zo zal het blijven gedurende heel het vrederijk.


Lees verder