Jesaja
Inleiding 1-5 De Messias en het vrederijk 6-10 Het vrederijk 11-14 Het overblijfsel bijeengebracht 15-16 Een gebaande weg
Inleiding

Als de gramschap ten einde is (Js 10:2525Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.), als de openbare vijanden vernietigd zijn en Assyrië geoordeeld is (Js 10:5-195Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.
)
, kunnen de Messias en Zijn regering, de bron van de duizendjarige zegen van het volk van God, worden aangekondigd (Jesaja 11-12). De eerste verzen van Jesaja 11 geven ons de kenmerken van de Messias; in de verzen die volgen, zien we de gevolgen van Zijn regering.

Wat we geschiedkundig vinden in de geschiedenis van Hizkia (2Kn 19:32-3432Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:
Hij zal deze stad niet binnenkomen,
daar geen pijl in schieten,
haar met geen schild tegemoetkomen,
en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.
33Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE.34Want Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.
)
, is alleen een voorvervulling – en dat ook slechts gedeeltelijk – van wat profetisch hier beschreven is. De belofte van de HEERE aan het huis van David – dat de overgebleven stronk, na het omhakken van de eik van Isaï, een heilig zaad zal zijn (Js 6:1313Al zal daarin nog een tiende deel [over] zijn,
het zal weer verwoest worden.
[Maar] zoals van de eik en de haageik
na het omhakken een stronk overblijft,
zal hun stronk een heilig zaad zijn.
)
– wordt hier verder uitgewerkt. Ook de belofte van Immanuel, God met ons (Js 7:1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.; 8:1010Beraam een plan – het zal verijdeld worden!
Spreek een woord – het zal niet tot stand komen!
Want God is met ons.
)
, wordt nu nader toegelicht.


De Messias en het vrederijk

1Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.

Het woord “want” in vers 11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
verbindt Jesaja 10 en Jesaja 11 met elkaar. Het beeld van de bomen van het woud (Js 10:33-3433Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
)
wordt nu doorgetrokken. We zien hier een groot contrast met het eind van het vorige hoofdstuk. Het is het contrast tussen het machtige cederwoud van de Libanon (Js 10:3434Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
)
en het “Twijgje … uit de [afgehouwen] stronk”, de afgehouwen stam van Isaï (vers 11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
)
. Het cederwoud staat symbool voor de macht (het leger) van de koning van Assyrië. De machtige bijl (ijzer, Js 10:3434Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
) van de HEERE velt het oordeel over het dichte woud van Assyrië.

De raad van de HEERE wordt echter vervuld door een klein twijgje. Het Twijgje is een beschrijving van Christus. Het stelt Zijn nederige geboorte als Nakomeling van het vervallen huis van David voor, dat hier wordt vergeleken met “de [afgehouwen] stronk van Isaï”.

De naam van David wordt niet eens genoemd, maar die van zijn vader Isaï. Dat zegt ons dat de koninklijke familie is teruggezonken tot het onbetekenende van zijn oorsprong. De stronk wijst op het verval van het eens zo machtige koningshuis van David. De nakomelingen van David zijn eigen wegen gegaan. Dat leidt er uiteindelijk toe dat het koningschap van het huis van David eindigt, wat met de wegvoering naar Babel plaatsvindt.

Maar uit de stronk zal een takje, “een Loot”, wortelschieten dat de plaats van deze afgehouwen stam zal innemen. Het gaat hier dus om de toekomstige Zoon van David (Mt 1:11Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.), de Koning van Israël (Jh 1:5050Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël.). Die wortel zal vrucht voortbrengen. Die vrucht is de Heer Jezus.

Het Hebreeuwse woord voor ‘loot’ is netzer, dat is afgeleid van het woord natzer, een woord dat terugkomt in het woord Nazareth, waar vervolgens het woord “Nazoreeër” van is afgeleid, een Naam van de Heer Jezus (Mt 2:2323en kwam en woonde in een stad, Nazareth geheten; opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeten dat Hij Nazoreeër zou worden genoemd.). Telkens als we lezen over Jezus als Nazoreeër of Nazarener – niet te verwarren met ‘nazireeër’ (Nm 6:11De HEERE sprak tot Mozes:), dat in het Hebreeuws een ander woord is –, is dat een verwijzing naar Zijn nederige afkomst.

De twee regels van dit vers vormen een parallel. De tweede regel zegt met andere woorden ongeveer hetzelfde als de eerste regel. Het is echter geen loutere herhaling. De tweede regel geeft nadere details, waarmee wordt aangevuld wat in de eerste regel staat. Zo duiden Twijg en Loot dezelfde Persoon aan.

Vers 22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
geeft een schitterende beschrijving van de volmaakte eigenschappen en bekwaamheden van Christus. Christus is de Griekse naam die in het Hebreeuws Messias luidt. Zowel Christus als Messias betekent ‘Gezalfde’. Zalving gebeurt met olie. Olie is in de Bijbel vaak een beeld van Gods Geest (Zc 4:2-62Hij zei tegen mij: Wat ziet u? Daarop zei ik: Ik zie, en zie, een kandelaar, geheel van goud, met een olievaatje aan de bovenkant ervan en daarbovenop zeven bijbehorende lampen met telkens zeven toevoerbuisjes aan de lampen, die daarboven zitten,3met twee olijfbomen ernaast, een aan de rechterkant van het olievaatje en een aan de linkerkant ervan.4Ik antwoordde en zei tegen de Engel Die met mij sprak: Mijn Heere, wat betekenen deze dingen?5Toen antwoordde de Engel Die met mij sprak, en zei tegen mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere.6Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. De beschrijving die volgt, laat zien dat Hij niet met olie, maar met de Heilige Geest is gezalfd (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.). De zevenvoudige opsomming van namen van de Geest geeft de volheid van Zijn eigenschappen aan (Jh 3:3434Want Hij Die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God; want Hij geeft de Geest niet met mate.; Op 1:44Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede van Hem Die is en Die was en Die komt, en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn,; 3:11En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die de zeven Geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat u [de] naam hebt dat u leeft, en u bent dood.; 4:55En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven Geesten van God.; 5:66En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.). Er is maar “één Geest” (Ef 4:44één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent in één hoop van uw roeping;), maar Die wordt hier gezien in de volkomenheid van Zijn werkingen.

Het eerste wat van de Messias wordt gezegd, “op Hem zal de Geest van de HEERE rusten”, brengt het volkomen welgevallen van de Vader in Hem tot uitdrukking (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.). Op Hem vindt de Geest de enig geschikte plaats op aarde om te rusten. We zien hier God, Christus en de Geest (vgl. Op 1:44Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede van Hem Die is en Die was en Die komt, en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn,). Vervolgens worden zes kenmerken genoemd van de Geest Die op Hem rust en wel in drie paren. Die paren worden aan elkaar verbonden door het woord “en”.

Er zijn in totaal zeven namen voor de Heilige Geest Die op de Heer Jezus is gekomen. In beeld zien we hier de zevenarmige kandelaar, die bestaat uit een schacht en zes armen uit zijn zijkanten, waarvan er drie uit de ene kant en drie uit de andere kant van de schacht komen (Ex 25:31-3231U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen.32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.). In alle lampen is olijfolie, waardoor de lampen branden. Olie is een beeld van de Heilige Geest. De algemene naam van de Geest, “de Geest van de HEERE”, kunnen we verbinden met de schacht. De zes volgende namen kunnen we twee aan twee verbinden aan de zes armen die uit zijn zijde komen, drie aan elke kant.

Opmerkelijk is nog de toelichting van de HEERE op het visioen van de profeet Zacharia van de gouden kandelaar en de twee olijfbomen (Zc 4:1-61De Engel Die met mij sprak, kwam terug en wekte mij, zoals iemand die uit zijn slaap gewekt wordt.2Hij zei tegen mij: Wat ziet u? Daarop zei ik: Ik zie, en zie, een kandelaar, geheel van goud, met een olievaatje aan de bovenkant ervan en daarbovenop zeven bijbehorende lampen met telkens zeven toevoerbuisjes aan de lampen, die daarboven zitten,3met twee olijfbomen ernaast, een aan de rechterkant van het olievaatje en een aan de linkerkant ervan.4Ik antwoordde en zei tegen de Engel Die met mij sprak: Mijn Heere, wat betekenen deze dingen?5Toen antwoordde de Engel Die met mij sprak, en zei tegen mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere.6Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Die toelichting luidt: “Niet door macht en niet door kracht, maar door Mijn Geest” (Zc 4:66Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Het opmerkelijke hierbij is dat – wat in het Nederlands niet te zien is – deze zin in het Hebreeuws uit zeven woorden bestaat.

“De Geest van wijsheid en inzicht” ziet op de kracht van Zijn denken, Zijn intellectuele vermogen. “Wijsheid” is het vermogen om de natuur van de mensen of dingen zo te onderscheiden dat zij in staat is om de wil van God in de wereld te vervullen (zie Ex 28:33En ú moet spreken tot allen die wijs van hart zijn, die Ik met een geest van wijsheid vervuld heb, dat zij de kleding van Aäron moeten maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester kan dienen. waar het woord ‘wijsheid’, hokmah, voor het eerst voorkomt). De Messias beoordeelt alle dingen niet met menselijke wijsheid, naar menselijke normen, maar met “de wijsheid die van boven is” (Jk 3:17a17Maar de wijsheid die van boven is, is in de eerste plaats rein, vervolgens vreedzaam, inschikkelijk, gezeglijk, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd.) waardoor Hij in staat is om de raad van God te vervullen. “Inzicht” ziet en doorgrondt de essentie van mensen of zaken. Het is het vermogen om ingewikkelde zaken eenvoudig te maken door de verschillende delen ervan op de juiste wijze te begrijpen.

De Messias doorgrondt volkomen wat een mens doet en waarom. Niets is voor Hem verborgen. Een voorafschaduwing hiervan zien we bij Bezaleël (Ex 35:2121en ze kwamen [terug]: ieder wiens hart hem [daartoe] bewoog en ieder wiens geest hem gewillig maakte. Ze brachten het hefoffer voor de HEERE ten behoeve van het werk aan de tent van ontmoeting, voor al het dienstwerk daarin en voor de geheiligde kledingstukken.), een man vervuld met de Geest van wijsheid en inzicht, Die hem in staat stelt om een huis voor God te bouwen.

“De Geest van raad en sterkte” heeft meer te maken met de praktijk van het leven. “Raad” is de bekwaamheid om in een bepaalde situatie de juiste conclusies te trekken. “Sterkte” is het vermogen om conclusies, de uitkomst van de beraadslaging, uit te voeren. De uitdrukking ‘raad en sterkte’ wordt ook gebruikt voor strategie en militaire macht (Js 36:55Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en [gevechts]kracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?).

“De Geest van de kennis en de vreze des HEEREN” staat in verband met de persoonlijke relatie met de HEERE. “De kennis” is hier het kennen van de HEERE, de kennis die komt door de intieme gemeenschap van liefde. Dit is volmaakt bij de Heer Jezus aanwezig. Hij kent de Vader. “De vreze” is eerbied en ontzag voor Hem, waardoor de Heer Jezus Zich in alles laat leiden, zodat alles wat Hij doet, welgevallig is voor de Vader (Jh 8:2929En Hij Die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is.).

De vrees van de Heer is voor ons de basis van alle andere werkzaamheden van de Geest van de Heer in ons leven (Sp 1:7a7De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
)
. De Geest voert altijd tot eerbied voor God en zal nooit amicaal met Hem omgaan, zoals dat bijvoorbeeld in moderne bijbelvertalingen en tijdens sommige bijeenkomsten wel gebeurt.

Het hele leven van de Heer Jezus, de Messias, wordt gekenmerkt door gemeenschap met de Vader (vers 33Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
)
. Hij leeft in de sfeer van de Vader en alles in Zijn leven is gericht op het doen van de wil van de Vader. Het is Zijn lust, Zijn voedsel, om die wil te doen (Jh 4:3434Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng.). Dat bepaalt Zijn optreden in Israël en overal en altijd. Nooit oordeelt Hij alleen naar het uiterlijk, zoals wij wel vaak doen. Zijn beoordeling wordt niet bepaald door menselijke maatstaven, door wat Hij ziet of hoort. Hij gaat niet af op indrukken of geruchten. Hij ziet de persoon niet aan. Zijn omgang met de Vader is bepalend voor Zijn beoordeling (Jh 5:3030Ik kan van Mijzelf niets doen; zoals Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet Mijn wil zoek, maar de wil van Hem Die Mij heeft gezonden.).

Alles, elk deel van Zijn lichaam en elk zintuig, functioneert volmaakt en vertoont dat wat nodig is. Genoemd worden Zijn neus, Zijn ogen en oren, Zijn mond en adem en Zijn lendenen en heupen.

Wat Zijn neus betreft, zien we hier dat de lucht die Hij inademt, doortrokken is van de vreze des HEEREN. Zijn ogen en oren zal Hij niet op een lichtzinnige en oppervlakkige wijze gebruiken, maar voor het juist beoordelen van alle dingen. Hij doet dat grondig en rechtvaardig. Hij ziet daarbij het hart aan.

Het oordeel komt van Zijn lippen en uit Zijn mond en ook daarin zal Hij op een Godwelgevallige wijze dienstbaar zijn. Dat zien we in de gordel die Hij draagt (vgl. Lk 12:37b37Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.), terwijl Zijn heupen spreken van de kracht waarmee hij Zijn standvastigheid, Zijn trouw zal tonen. Het vellen van een rechtvaardig oordeel is in de Bijbel een bewijs van wijsheid (1Kn 3:16-2816Toen kwamen er twee vrouwen, hoeren, bij de koning, en zij gingen voor hem staan.17De ene vrouw zei: Och, mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis, en ik heb bij haar in huis [een kind] gebaard.18Het gebeurde op de derde dag nadat ik gebaard had, dat deze vrouw ook [een kind] baarde. Nu waren wij samen, geen vreemde was er bij ons in huis; alleen wij tweeën waren in huis.19Toen is de zoon van deze vrouw 's nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.20En zij is midden in de nacht opgestaan, heeft mijn zoon bij mij weggenomen, terwijl uw dienares sliep, en heeft hem in haar schoot gelegd; en haar dode zoon legde zij in mijn schoot.21Toen ik 's morgens opstond om mijn zoon te voeden, zie, hij was dood. [Diezelfde] morgen echter bekeek ik hem goed, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.22Toen zei de andere vrouw: Niet waar, de levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon. De eerste zei daarentegen: Niet waar, de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij ten overstaan van de koning.23Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, de levende, en uw zoon is de dode, en die zegt: Niet waar, uw zoon is de dode en mijn zoon is de levende.24Vervolgens zei de koning: Breng mij een zwaard; en zij brachten een zwaard bij de koning.25En de koning zei: Snijd dat levende kind in tweeën, en geef de helft aan de één en de helft aan de ander.26Maar de vrouw van wie de levende zoon was – want haar medelijden werd opgewekt vanwege haar zoon – zei tegen de koning: Och, mijn heer! Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval. Maar de ander zei: Het zal niet voor mij en ook niet voor u zijn, snijd [het] doormidden.27Toen antwoordde de koning en zei: Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval: zij is zijn moeder.28En heel Israël hoorde het oordeel dat de koning geveld had, en men had ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te doen.).

Hoewel Hij ook in Zijn Goddelijke alwetendheid niet nodig heeft dat iemand Hem leert, wordt Hij hier voorgesteld als Mens Die Zich in alles laat leiden door Zijn omgang met de Vader. Daardoor komt Hij altijd tot een volmaakte beoordeling. De Vader vertelt Hem wat Hij zeggen en wat Hij spreken moet (Jh 12:4949Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken; maar de Vader Die Mij heeft gezonden, Die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet.).

Hij maakt de zaak van allen die niet voor zichzelf kunnen opkomen tot de Zijne (vers 44Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
)
. Hij trekt Zich hun lot aan. Hij doet dat niet op grond van emotie, op grond van een misplaatst medelijden, maar “in gerechtigheid” en “met rechtvaardigheid”. Maar over de aarde, dat wil zeggen over alle goddelozen (meervoud), zal Hij het oordeel voltrekken met de roede, dat is het zwaard, van Zijn mond. Met de adem van Zijn lippen zal Hij die ene goddeloze, de antichrist, verteren (2Th 2:88En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;). Hij zal hem niet eens aanraken, maar alleen door de adem van Zijn mond doden, dat is door Zijn woord.

In alles zal Hij op volmaakt rechtvaardige wijze te werk gaan (vers 55Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.
)
. De kracht van Zijn optreden – “heupen” en “middel” wijzen op kracht – ligt in Zijn volkomen gerechtigheid en Zijn absolute trouw aan God en de waarheid.


Het vrederijk

6Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
10Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Na de beschrijving van de Messias volgt een beschrijving van de heerlijke situatie van vrede die onder de regering van de Messias, de Vredevorst, op aarde in gerechtigheid zal heersen. Gerechtigheid brengt vrede voort (Js 32:11Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid,
en vorsten zullen heersen overeenkomstig het recht.
)
. Alle soorten crises die we nu kunnen meemaken, zoals klimaatcrisis, financiële crisis, sociaal-maatschappelijke crisis, zullen er dan niet meer zijn. Ze zijn allemaal verdwenen omdat ze zijn opgelost door de Messias. De vrede zal op lieflijke wijze ook in het dierenrijk aanwezig zijn (verzen 6-86Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
)
. Er is niet alleen vrede tussen de dieren, maar ook tussen de mensen en de dieren.

Het tafereel dat hier wordt geschetst, laat zien hoe het vóór de zondeval was. Als de vloek is weggenomen, zal die situatie door de Heer Jezus worden hersteld, zoals Jesaja hier profeteert. Dan zullen “[de] tijden van [de] herstelling van alle dingen” zijn aangebroken, “waarvan God gesproken heeft door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher” (Hd 3:2121Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.), onder wie dus Jesaja.

De aarde zal dan vrijgemaakt zijn van de vloek die erop rust sinds de mens in zonde is gevallen en waardoor de vrede zo wreed en langdurig is verstoord (Rm 8:19-2219Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.22Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). Paulus geeft in Romeinen 8 een detail dat Jesaja niet kent. Daar staat dat het niet alleen om de openbaring van Christus als de “Wortel van Isaï” (vers 1010Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
gaat, maar ook om “de openbaring van de zonen van God” (Rm 8:1919Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.), de gelovigen van de nieuwtestamentische gemeente die met Hem verbonden zijn.

Het vrederijk is de regering van de laatste Adam, Christus, Die alles zal herstellen wat de eerste Adam heeft verdorven, hoewel de zonde dan nog niet volledig is afgeschaft. De gerechtigheid heerst, wat wil zeggen dat er nog kwaad aanwezig is, maar dat dan beteugeld is omdat de satan gebonden zal zijn en duizend jaar is opgesloten (Op 20:2-32En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.). Het is wel een herstel van de tijd van vóór de zondeval, waar de dieren zich ook voeden met het kruid van het veld (Gn 1:3030Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, [heb Ik] al het groene gewas tot voedsel [gegeven]. En het was zo.). Er is daar geen sprake van dat dieren elkaar verslinden.

De aanjager van het kwaad kan geen kwaad meer aanrichten en geen verderf meer stichten (vers 99Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
)
. Ook kan hij zijn verduisterende invloed op de kennis van de HEERE niet meer uitoefenen. De hele aarde draagt het kenmerk van “Mijn heilige berg”, dat is de tempelberg, Gods woonplaats op aarde. De hele aarde zal aan God toegewijd zijn en vol zijn van Zijn heerlijkheid (Js 6:33De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
)
.

Dat is te danken aan “de kennis van de HEERE”. Die kennis zal algemeen bij de bewoners van de aarde aanwezig zijn, en dat niet oppervlakkig, maar diepgaand, als de bodem van de zee. Dit betekent meer dan dat de mensen intellectuele kennis van God bezitten. Het betekent veelmeer dat de mensen overal naar Gods beginselen en naar Zijn Woord zullen leven.

Het gaat dus om de heerschappij van Christus en de uitwerking daarvan op de aan Hem onderworpen schepping. De gelovigen van de huidige tijd zijn nu al een “nieuwe schepping” (2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.) en zijn aan hun Heer onderworpen (2Ko 5:1515En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt.).

In de verschillende dieren in het vrederijk kunnen we ook verschillende karakters van de vernieuwde verlosten zien, die onder de heerschappij van Christus met elkaar in vrede kunnen leven. Dit onderscheid in karakter zien we al bij de discipelen van de Heer Jezus die allemaal verschillend zijn, maar toch samen Hem volgen. Het is te wensen dat de vrede die straks overal op aarde aanwezig zal zijn, nu al onder de gelovigen in de plaatselijke gemeenten aanwezig is.

In de huidige tijd trekken de discipelen van Christus erop uit, de wereld in, om Christus’ boodschap overal te brengen. Maar “op die dag” (vers 1010Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
zullen alle volken naar Christus vragen. Daartoe zullen de volken naar Jeruzalem optrekken (vgl. Js 2:33Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
)
. Daar zullen ze van Israël onderwijs ontvangen over Christus, want de Israëlieten zullen “priesters van de HEERE” worden genoemd (Js 61:66Ú echter zult genoemd worden: priesters van de HEERE,
men zal u noemen: dienaren van onze God.
U zult het vermogen van heidenvolken eten,
u zult u beroemen in hun luister.
)
.

Christus is het Centrum tot Wie allen komen. Ze zullen Hem zien als de verheerlijkte Mens en Hem erkennen als “de Wortel van Isaï”, dat wil zeggen als Degene aan Wie het huis van David zijn ontstaan te danken heeft (Op 22:1616Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster.). Bij “Loot” (vers 11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
)
denken we aan Christus als Mens, Die uit het geslacht van David voortkomt. Bij “Wortel” denken we aan Hem in Zijn Godheid, uit Wie het geslacht van David voortkomt. Hij is zowel de Oorsprong als de Nakomeling van het geslacht van David. Als God is Hij de Oorsprong en als Mens is Hij de Nakomeling.

Ze zullen Hem ook zien als de “banier voor de volken”, als Degene Die boven alle volken verheven is en naar Wie alle volken zich zullen richten (Ps 72:8-11,178Hij zal heersen van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot de einden der aarde.
9De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
10De koningen van Tarsis en de kustlanden
zullen schatting brengen;
de koningen van Sjeba en Seba
zullen schatten aanvoeren.
11Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,
alle heidenvolken zullen Hem dienen.17Zijn Naam zal voor eeuwig blijven;
zolang de zon er is, wordt Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant.
Zij zullen in Hem gezegend worden;
alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.
)
. Hij is het grote oriëntatiepunt. Bij Hem is rust, een rust die Hij uitspreidt over de hele aarde. Omdat alles op aarde in overeenstemming met Zijn wil is, is de hele aarde “Zijn rustplaats” en daarom een heerlijke rustplaats. Allen die dan op aarde wonen, delen in die rust (Mi 4:2-32Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.3Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
.

Het centrum van de rust zal Gods woonplaats Jeruzalem zijn. Dat is de stad die Hij uitgekozen heeft om Zijn Naam daar te laten wonen. Het gebed van David zal dan in vervulling zijn gegaan: “Sta op, HEERE, [ga] naar uw rustplaats” (Ps 132:8a,13-148Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
13Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
; 2Kr 6:4141Welnu, HEERE God, sta op, [trek] naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.)
. De heerlijkheid van deze rustplaats komt tot uiting in de ‘Sjechina’, dat is de wolk van de HEERE als het zichtbare teken van de heerlijkheid van Zijn tegenwoordigheid.

Paulus citeert vers 1010Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
in Romeinen 15 (Rm 15:1212En verder zegt Jesaja: ‘Er zal zijn de Wortel van Isaï, en Hij Die opstaat om over [de] volken te heersen; op Hem zullen [de] volken hopen’.). Hij doet dat om aan te tonen dat niet alleen Israël, maar ook de volken in Gods heilsplan zijn opgenomen. Let wel, het gaat niet om de gemeente. Die is in het Oude Testament een verborgenheid. Waar het hier om gaat, is dat Gods hart ook in het Oude Testament uitgaat naar de volken buiten Israël. Ze hebben zeker een andere plaats dan Israël. Israël was en blijft Gods uitverkoren volk. Dat volk heeft in de heilsgeschiedenis een aparte plaats, maar daarmee heeft God de andere volken niet verworpen.


Het overblijfsel bijeengebracht

11En het zal op die dag gebeuren
dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand
het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,
dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,
in Pathros, Cusj, Elam,
en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.
12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
13Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,
en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.
Efraïm zal niet [langer] jaloers zijn op Juda,
en Juda zal Efraïm niet [meer] in het nauw drijven.
14Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.

“Op die dag” zal “de Heere opnieuw, voor de tweede keer” het verstrooide overblijfsel van Israël en Juda uit alle volken bijeenbrengen (verzen 11-1211En het zal op die dag gebeuren
dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand
het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,
dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,
in Pathros, Cusj, Elam,
en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.
12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
)
. De eerste keer heeft Hij dat gedaan door de terugkeer van een overblijfsel uit de Babylonische ballingschap onder Kores (Ea 1:1-31In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].) met later een aanvulling onder Ezra (Ea 7:1,6-81Na deze gebeurtenissen, tijdens het koningschap van Arthahsasta, de koning van Perzië, [kwam] Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia,6deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem [was].7Ook [sommigen] van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren trokken in het zevende jaar van koning Arthahsasta op naar Jeruzalem.8[Ezra] kwam in Jeruzalem in de vijfde maand, dat was het zevende jaar van de koning.). Het door Hem uit de Babylonische ballingschap bevrijde volk heeft de beloofde zegen van zich gestoten door Hem te verwerpen in Wie alle zegen vervat is.

Maar als de Heer Jezus regeert, zal Hij al Gods beloften vervullen aan een overblijfsel dat door Hem bijeenvergaderd is “van de vier hoeken van de aarde”, dat is overal vandaan, vanuit de uiterste einden van de aarde. Dit overblijfsel bestaat uit nakomelingen uit “Israël” (de tien stammen) en uit “Juda” (de twee stammen) die overal heen verstrooid waren.

Ze komen uit “Assyrië”, het wereldrijk, waarvan het kerngebied altijd Noord-Irak is geweest, met de steden Assur en Ninevé. Het wereldrijk Assyrië loopt van Noord-Irak tot Pakistan. Ze komen ook uit “Egypte”. “Pathros” betekent het Zuidland, dat is Egypte en dan vooral Onder-Egypte. “Cusj” is Ethiopië en Soedan. Ook daar vandaan zijn in de loop van de tijd al veel Joden naar Israël teruggekeerd.

De terugkeer uit “Elam” zien we in de uittocht uit Perzië, dat is Iran. “Sinear” is het huidige Zuid-Irak met daarin de stad Babel. Sinear is gelijk aan Babel. “Hamath” is het huidige Syrië. Met “de eilanden in de zee” kan Europa bedoeld zijn. Het zijn de landen en eilanden in en direct rond de Middellandse Zee. In de afgelopen tientallen jaren hebben we meegemaakt hoe Joden uit al de genoemde gebieden naar het land Israël zijn gegaan. We kunnen dit zien als een eerste vervulling van wat Jesaja hier profeteert.

Efraïm, het tienstammenrijk, zal niet meer jaloers zijn op de bevoorrechte plaats van Juda, en Juda zal zich niet meer dominant opstellen tegenover Efraïm (vers 1313Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,
en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.
Efraïm zal niet [langer] jaloers zijn op Juda,
en Juda zal Efraïm niet [meer] in het nauw drijven.
)
, zoals dat in de tijd van Jesaja wel het geval is. De wortel van jaloersheid (Js 9:20a20Manasse [van] Efraïm, Efraïm [van] Manasse;
en die samen zijn tegen Juda.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
)
, die sinds de tijd van de scheuring van het rijk in twee en tien stammen bestaat (1Kn 12:19-2019Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.20En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.), is eindelijk verdwenen. Efraïm is voorgoed van deze kwaal, jaloersheid, genezen. Ze zullen één volk zijn en als broeders samenwonen (Ez 37:2222Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.). Samen zullen zij in navolging van de HEERE en bekleed met Zijn kracht de vijanden, de omringende volken, bestrijden en onderwerpen en zich zo van hun juk ontdoen (vers 1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
; Mi 5:7-87Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
)
.

Hier wordt over een overwinning op “de Filistijnen … in het westen” gesproken. Dat ziet op de toekomstige verovering van de Gazastrook. “De schouder” ziet op de westelijke berghelling. Daar zullen de Israëlieten hen in vliegende vaart aanvallen. Verder worden ook Edom, Moab en de Ammonieten onderworpen. Edom is het gebied van Zuid-Jordanië, Moab het gebied van Midden-Jordanië en Ammon het gebied van Noord-Jordanië. Heel Jordanië zal onder hun gezag komen.

Eenheid en eensgezindheid zijn ook voor de geestelijke strijd die wij voeren een absolute voorwaarde (Fp 1:27b27Alleen, wandelt waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik uw omstandigheden hoor, dat u vast staat in één geest, terwijl u één van ziel meestrijdt met het geloof van het evangelie).


Een gebaande weg

15Dan zal de HEERE de inham van de zee van Egypte met de ban slaan,
en Hij zal Zijn hand opheffen tegen de rivier [de Eufraat] door Zijn sterke wind.
Hij zal haar uiteenslaan in zeven stromen,
en maken dat men er met [zijn] schoenen doorheen kan gaan.
16Er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
die overgebleven zal zijn in Assyrië,
zoals het met Israël gebeurde
op de dag dat het wegtrok uit het land Egypte.

De HEERE zal een doorgang maken voor de verdrevenen van Zijn volk om naar het land terug te keren (verzen 15-1615Dan zal de HEERE de inham van de zee van Egypte met de ban slaan,
en Hij zal Zijn hand opheffen tegen de rivier [de Eufraat] door Zijn sterke wind.
Hij zal haar uiteenslaan in zeven stromen,
en maken dat men er met [zijn] schoenen doorheen kan gaan.
16Er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
die overgebleven zal zijn in Assyrië,
zoals het met Israël gebeurde
op de dag dat het wegtrok uit het land Egypte.
)
. Hij heeft dat vroeger gedaan door het water van de Rode Zee te laten wijken om Zijn volk vanuit Egypte in de woestijn te voeren. Hij heeft daarvoor een krachtige wind gebruikt (Ex 14:2121Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten.).

Hij zal opnieuw een weg banen voor Zijn volk. Daarvoor zal Hij geografische veranderingen laten plaatsvinden, zodat er een weg zal ontstaan waarlangs ze vanuit Assyrië in het beloofde land kunnen komen. Iets dergelijks vinden we ook aan het einde van de grote verdrukking wanneer de Eufraat droogvalt (Op 16:1212En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van [de] zonsopgang komen, bereid zou worden.). Hierdoor is er ook een doorgang voor het volk Israël om hun erfdeel in bezit te nemen, het erfdeel dat de HEERE heeft beloofd aan Abraham, Izak en Jakob (Gn 15:15-2115Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden.16De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.17En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.18Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:19de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.).


Lees verder