Jeremia
1-3 Ontwijding van de graven 4-7 Verharding van Israël in afgoderij 8-13 Straf voor Juda’s valsheid 14-17 Het binnendringende leger 18-22 Het verdriet van Jeremia
Ontwijding van de graven

1In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen, 2en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn. 3Dan zal de dood verkozen worden boven het leven door heel het overblijfsel van hen die overgebleven zijn uit dit boosaardige geslacht, op alle plaatsen [waar] zij overgebleven zijn, waarheen Ik hen verdreven zal hebben, spreekt de HEERE van de legermachten.

Deze drie verzen horen nog bij het vorige hoofdstuk. Dat hoofdstuk besluit met een beeld van dode lichamen die niet begraven worden. Daarmee is het dieptepunt van de vernedering nog niet bereikt. Er volgt nog iets wat zo mogelijk nog afschrikwekkender is en dat is het opgraven van al begraven lichamen, dat wil zeggen de beenderen ervan om die te ontheiligen (vers 11In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen,). Ook hier wordt door het steeds herhalen van woorden, in dit geval “de beenderen van” de boodschap extra indringend (vgl. Jr 7:3434En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.).

“In die tijd” wil zeggen de tijd van de nationale rampen die over hen zullen komen vanwege hun ontrouw en ongerechtigheid die hiervoor is beschreven. De vijand, het leger van de Babyloniërs, zal komen en grafschennis plegen. De reden die zij daarvoor kunnen hebben, is om te zien of er, vooral in de graven van de koningen en vorsten, ook kostbaarheden te vinden zijn. Maar de HEERE laat dit gebeuren om de diepe smaad die het hele volk, van de hoogste tot de laagste onder hen, inclusief de godsdienstige klasse, over zich heeft afgeroepen, extra te laten voelen.

De vijand zal de beenderen “voor de zon, voor de maan en voor heel het leger van de hemel” uitspreiden (vers 22en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.). Deze hemellichamen zijn voor allen van wie deze beenderen zijn, bij hun leven voorwerpen van verering geweest (2Kn 21:3,53Hij herbouwde de offerhoogten die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het.5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.; 23:4,114Toen gaf de koning opdracht aan de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters om alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en heel het leger aan de hemel gemaakt waren, uit de tempel van de HEERE naar buiten te brengen. Hij verbrandde dat [alles] buiten Jeruzalem, in de velden van de Kidron, en liet het stof ervan naar Bethel dragen.11Hij haalde de paarden weg die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis van de HEERE tot de kamer van Nathan-Melech, de hoveling, die zich in de bijgebouwen bevond; en de zonnewagens verbrandde hij met vuur.). Hun verering ervan wordt gedetailleerd weergegeven. Ze hebben deze afgoden
1. liefgehad,
2. gediend,
3. zijn ze achternagelopen,
4. hebben ze geraadpleegd en
5. zich ervoor neergebogen.

Het toont hun grote ijver en inzet voor hun afgoden aan. De waardeloosheid van de afgoden en de nutteloosheid van de verering ervan blijken ook hieruit, dat de afgoden niet de grote schande verhinderen die nu over hun beenderen komt. De schande vindt haar dieptepunt als de opgegraven beenderen niet worden herbegraven, maar als mest op de aardbodem zullen zijn (vgl. Jr 25:3333De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het [ene] einde der aarde tot aan het [andere] einde der aarde liggen. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
)
. Een uiting van nog diepere minachting voor deze afgodendienaars is niet mogelijk.

De HEERE zal hen, die tot dit boosaardige geslacht behoren en die na de invasie van de vijand nog in leven zijn, weten te vinden, waarheen ze ook verdreven zijn door Hem (vers 33Dan zal de dood verkozen worden boven het leven door heel het overblijfsel van hen die overgebleven zijn uit dit boosaardige geslacht, op alle plaatsen [waar] zij overgebleven zijn, waarheen Ik hen verdreven zal hebben, spreekt de HEERE van de legermachten.). Op de plaatsen waar ze zijn, zullen ze zo ongelukkig zijn, dat ze zullen wensen dat ze zouden zijn omgekomen, net als de anderen (Lv 26:36-3936En wie van u overgebleven zijn, zal Ik in de landen van hun vijanden angst inboezemen, zodat het geritsel van een opdwarrelend blaadje hen [al] opjagen zal. Zij zullen op de vlucht slaan alsof ze voor een zwaard op de vlucht slaan, en neervallen, terwijl niemand [hen] opjaagt.37Zij zullen over elkaar struikelen alsof ze zich voor een zwaard [uit de voeten maken], terwijl niemand [hen] opjaagt. U zult geen stand kunnen houden tegen uw vijanden,38maar u zult omkomen onder de heidenvolken en het land van uw vijanden zal u verslinden.39En wie van u overgebleven zijn, zullen vanwege hun ongerechtigheid wegkwijnen in de landen van uw vijanden. Ja, ook vanwege de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen.; Dt 28:65-6765Daarbij zult u onder die volken niet tot rust komen en uw voetzool zal geen rustplaats hebben, want de HEERE zal u daar een bevend hart, kwijnende ogen en een treurende ziel geven.66Uw leven zal voor u [aan een zijden draad] hangen; u zult nacht en dag beangst zijn en uw leven niet zeker zijn.67's Morgens zult u zeggen: Was het maar avond! En 's avonds zult u zeggen: Was het maar morgen! vanwege de angst die uw hart bevangen heeft en vanwege het schouwspel dat uw ogen zien.). Het bittere lot zal de ballingen alle levensmoed ontnemen.


Verharding van Israël in afgoderij

4Zeg verder tegen hen: Zo zegt de HEERE:
Zal men vallen en niet [weer] opstaan?
Of zal men zich afkeren en niet terugkeren?
5Waarom heeft [dan] dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd met een altijddurende afkeer?
Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren terug te keren.
6Ik heb er acht op geslagen en geluisterd:
zij spreken wat juist niet behoorlijk is.
Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid
door te zeggen: Wat heb ik gedaan?
Eenieder keert zich af [en] draaft [maar] door,
als een paard dat zich in de strijd stort.
7Zelfs een ooievaar in de lucht
kent zijn vaste tijden,
tortelduif, zwaluw en kraanvogel
nemen de tijd van hun aankomst in acht,
maar Mijn volk kent niet
het recht van de HEERE.

Jeremia moet het volk twee voorbeelden uit het dagelijkse leven voorhouden (vers 44Zeg verder tegen hen: Zo zegt de HEERE:
Zal men vallen en niet [weer] opstaan?
Of zal men zich afkeren en niet terugkeren?
)
. Het zijn twee situaties die het volk moet herkennen, want zo werkt het. Deze voorbeelden worden als vragen aan het volk voorgehouden. Het antwoord wordt ook direct gegeven, want het is te vanzelfsprekend om iemand daarover te laten nadenken. Het eerste voorbeeld is dat van iemand die valt. Wat doet hij? Natuurlijk blijft hij niet liggen, maar staat hij weer op. Het tweede voorbeeld gaat over iemand die zich heeft afgekeerd, die de weg is kwijtgeraakt. Zal hij op die weg blijven doorgaan als hij zich van zijn vergissing bewust wordt? Natuurlijk niet, hij zal weer willen terugkeren naar de goede weg.

Waarom dan – en nu volgt er wel een vraag die het volk aan het denken moet zetten – heeft Jeruzalem zich van de HEERE afgekeerd, maar keert niet naar Hem terug (vers 55Waarom heeft [dan] dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd met een altijddurende afkeer?
Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren terug te keren.
)
? Dit is een onnatuurlijk gedrag. Ze zijn van de HEERE afgevallen en vervallen tot afgoderij, maar willen niet opstaan en naar Hem terugkeren; ze volharden in het afkeren van de HEERE en willen niet terug. Ze houden vast aan bedrog omdat ze in zichzelf geloven, op zichzelf vertrouwen en niet in en op God. Ze weigeren terug te keren omdat ze geloven dat de weg die zij gaan de juiste is en dat de weg die de HEERE hun voorhoudt niet de juiste is.

De HEERE heeft het gezien en naar hen geluisterd (vers 66Ik heb er acht op geslagen en geluisterd:
zij spreken wat juist niet behoorlijk is.
Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid
door te zeggen: Wat heb ik gedaan?
Eenieder keert zich af [en] draaft [maar] door,
als een paard dat zich in de strijd stort.
)
. Hij heeft gehoord dat hun spreken niet deugt. Er is geen enkel berouw in hen op te merken, niets van inkeer. Er is niemand die zich afvraagt wat hij heeft gedaan, een houding die kenmerkend is voor een onbekeerlijk mens. God stelt die vraag aan mensen om hen over hun daden te laten nadenken, opdat ze tot inkeer komen (Gn 4:1010En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.; 1Sm 13:1111En Samuel zei: Wat hebt u gedaan? Toen zei Saul: Omdat ik zag dat het volk zich [begon te] verspreiden, bij mij vandaan, en omdat ú niet op de vastgestelde tijd kwam, en de Filistijnen in Michmas verzameld zijn,). Ieder van Zijn volk keert zich van Hem af en rent in de verkeerde richting, op weg naar het verderf. Als op hol geslagen paarden rennen ze door (Jb 39:22-2722Kunt u het paard kracht geven?
Kunt u zijn nek met manen bekleden?
23Laat u het springen als een sprinkhaan?
De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.
24Het schraapt in de dal[grond] en het is vrolijk in zijn kracht,
en het trekt uit, de wapens tegemoet.
25Het lacht om de angst en is niet ontsteld,
en keert niet om vanwege het zwaard.
26De pijlkoker klettert tegen hem aan,
het ijzer van de werpspies en de speer.
27Al trillend en briesend verslindt het de aarde,
en is niet te houden als het geluid van de bazuin [klinkt].
)
, met totale verachting voor het gevaar waarin ze zich begeven, omdat ze er blind voor zijn.

Als de verbinding met God wordt prijsgegeven, verliest de mens elk gevoel van wat juist is. De dieren zijn hem tot voorbeeld, maar hijzelf beseft het niet (vers 77Zelfs een ooievaar in de lucht
kent zijn vaste tijden,
tortelduif, zwaluw en kraanvogel
nemen de tijd van hun aankomst in acht,
maar Mijn volk kent niet
het recht van de HEERE.
; vgl. Js 1:33Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
)
. De trekvogels, waarvan Jeremia er enkele noemt, weten waarheen ze op weg zijn. Als ze daar zijn aangekomen, weten ze ook wanneer ze weer vandaar moeten vertrekken. Zij reageren op de door God ingestelde natuurwetten, ze kennen de weg die ze moeten gaan om te overleven en gaan die ook. De mens bewijst dat hij dommer is dan de dieren door met Gods wetten voor hem geen rekening te houden. Op gelijke wijze verwijt de Heer Jezus de farizeeën en sadduceeën dat zij de tekenen van de tijden niet weten te onderscheiden (Mt 16:1-31En de farizeeën en sadduceeën kwamen naar Hem toe, en om Hem te verzoeken vroegen zij Hem hun een teken uit de hemel te tonen.2Hij echter antwoordde en zei tot hen: <Wanneer het avond is geworden, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood;3en ‘s morgens: Vandaag storm, want de hemel is somber rood. Het aanzien van de hemel weet u wel te onderscheiden, maar kunt u het de tekenen der tijden niet?>).

Jeremia heeft veel gelijkenissen uit de natuur. De natuur is vol van de wetten van God. Niet alleen de mens is aan de wet van God onderworpen, ook de dieren zijn dat. De mens heeft, wat de dieren niet hebben, verstand en een wil en de mogelijkheid zich bewust te verzetten. De dieren houden zich instinctief aan Gods natuurwetten. De mens is door God als hoofd van de schepping gesteld. Alle andere schepselen zijn lager dan hij, maar hij zakt bij ongehoorzaamheid aan God tot een gedrag dat beneden dat van de dieren ligt.


Straf voor Juda’s valsheid

8Hoe kunt u dan zeggen: Wij zijn wijs,
en de wet van de HEERE is bij ons!
Voorwaar, zie, de leugenpen van de schriftgeleerden
heeft [die wet] tot leugen gemaakt.
9De wijzen zullen beschaamd staan,
ontsteld zijn en gevangen worden.
Zie, zij hebben het woord van de HEERE verworpen,
wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?
10Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven,
hun akkers aan bezetters.
Want van klein tot groot
is ieder van hen uit op winst.
Van profeet tot priester,
pleegt ieder van hen bedrog.
11Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk
op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede!
12Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich zelfs niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,
ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
13Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE.
Er zijn geen druiven aan de wijnstok,
geen vijgen aan de vijgenboom,
en de bladeren zijn verwelkt.
[Wat] Ik hun gaf, daaraan gaan zij voorbij.

Na alle genoemde zonden, die duidelijk maken hoezeer ze van de HEERE zijn afgeweken, klinkt vol verbazing de vraag, hoe ze het in hun hoofd halen om zich te beroemen op hun wijsheid (vers 88Hoe kunt u dan zeggen: Wij zijn wijs,
en de wet van de HEERE is bij ons!
Voorwaar, zie, de leugenpen van de schriftgeleerden
heeft [die wet] tot leugen gemaakt.
)
. Ze beroemen zich op hun wijsheid omdat ze de wet van de HEERE bij zich hebben (vgl. Rm 2:17-2017Als u nu een Jood genoemd wordt, op [de] wet steunt, in God roemt,18Zijn wil kent en beproeft wat het beste is, omdat u uit de wet bent onderwezen,19en van uzelf vertrouwt dat u een leidsman bent van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn,20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt, –). Het is ermee als met het roemen in de tempel in het begin van het vorige hoofdstuk (Jr 7:44Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!). Maar wat een aanmatiging is dat. Ze hebben Zijn wet wel, maar ze luisteren er niet naar.

Dit komt door de valse voorstelling van de wet door de schriftgeleerden. Zij hebben met een leugenpen over de wet geschreven. Ze hebben er hun eigen uitleg aan gegeven, zoals het hun het beste past. Daardoor hebben ze “het Woord van God krachteloos gemaakt” (Mt 15:66En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.).

De schriftgeleerden komen we vaak in de evangeliën tegen en zijn daar de tegenstanders van de Heer Jezus. Er zijn zeker ook goede schriftgeleerden, bijvoorbeeld Ezra (Ea 7:66deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem [was].), maar dat is een uitzondering. Als categorie hebben zij Gods Woord verdraaid en vervalst “tot hun eigen verderf” en dat van hun toehoorders (2Pt 3:1616evenals ook in alle brieven, waarin hij over deze dingen spreekt, waarin sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn, die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften, tot hun eigen verderf.; 2Ko 2:1717Want wij zijn niet als de velen die het Woord van God vervalsen; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, spreken wij voor Gods aangezicht in Christus.).

In onze tijd herkennen we het zich erop beroemen de tempel van de HEERE te zijn en Zijn wet te hebben in die groeperingen die zich aanmatigen als enigen de waarheid te bezitten. Uitspraken als ‘wij hebben’ en ‘bij ons’ bewijzen een roemen in hoogmoedigheden (vgl. 2Kr 13:10-1210Maar wat ons betreft, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten. En de priesters die de HEERE dienen, zijn nakomelingen van Aäron, en de Levieten [staan hen bij] in het werk.11Zij laten elke morgen en elke avond voor de HEERE brandoffers in rook opgaan, en reukwerk van geurige specerijen. [Zij zorgen voor] het uitgestalde brood op de reine tafel, en [voor] de gouden kandelaar en zijn lampen, om [die] elke avond aan te steken. Wij vervullen immers [onze] taak ten behoeve van de HEERE, onze God, maar ú hebt Hem verlaten.12En zie, bij ons staat God aan het hoofd, en Zijn priesters met de trompetten voor het geschal, om alarm over u te slaan. Israëlieten, strijd niet tegen de HEERE, de God van uw vaderen, want u zult er niet in slagen.). Dat horen we – of denken we misschien heel stiekem zelf wel in ons hart – als er gezegd wordt: ‘Wij hebben kennis en inzicht, want alleen wij hebben commentaren waarin de waarheid wordt uiteengezet.’

Zulk roemen is grote dwaasheid. De claim op het bezit van wijsheid en dat terwijl ze de wet, het woord van de HEERE, verachtelijk verwerpen (vers 99De wijzen zullen beschaamd staan,
ontsteld zijn en gevangen worden.
Zie, zij hebben het woord van de HEERE verworpen,
wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?
)
, is opperste dwaasheid. Hoe kan iemand wijsheid hebben als hij de bron van wijsheid, het Woord van God, verwerpt of naar zijn hand zet? Het betreft hier de theologen van de tijd van Jeremia. Die hebben echter hun geestverwanten in onze tijd. Moderne theologen gebruiken ook een leugenpen, maar ook de scherpslijpers, de sektariërs, gebruiken die. Het toont het totale gebrek aan wijsheid. Echte wijsheid is “de wijsheid die van boven is” (Jk 3:1717Maar de wijsheid die van boven is, is in de eerste plaats rein, vervolgens vreedzaam, inschikkelijk, gezeglijk, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd.).

Ze zullen de gevolgen van hun dwaasheid ervaren als ze van hun vrouwen worden beroofd en als hun akkers door anderen in bezit worden genomen (vers 1010Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven,
hun akkers aan bezetters.
Want van klein tot groot
is ieder van hen uit op winst.
Van profeet tot priester,
pleegt ieder van hen bedrog.
; Dt 28:3030Met een vrouw zult u in ondertrouw gaan, maar een andere man zal met haar slapen; een huis zult u bouwen, maar er niet in wonen; een wijngaard zult u planten, maar de vrucht ervan niet eten.)
. Dan zullen ze met al hun wijsheid beschaamd staan. Dat is het resultaat van hun winstbejag, waarop het hele volk, van klein tot groot, uit is (vgl. Mi 3:1111Hun hoofden spreken er recht voor geschenken,
hun priesters onderwijzen voor loon,
hun profeten plegen waarzeggerij voor geld.
En nog steunen zij op de HEERE en zeggen:
Is de HEERE niet in ons midden?
Ons zal geen kwaad overkomen.
)
. De godsdienstige leiders, de priester en de profeet, zijn niet beter. Zij plegen bedrog door het volk leugens te verkondigen over vrede die eraan zou komen (vers 1111Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk
op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede!
; vgl. 1Th 5:33Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.)
. “Vrede, vrede” betekent volkomen vrede. In plaats van op de breuk van de relatie met de HEERE te wijzen en de weg van berouw en bekering te prediken spreken ze wat het volk graag hoort. De HEERE voegt er kort en krachtig aan toe: “Maar er is geen vrede!”

Het volk is verhard (vers 1212Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich zelfs niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,
ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
. Er is geen enkel schuldbesef. Zonder te blozen begaan ze de afschuwelijkste misdaden. Hun geweten hebben ze dichtgeschroeid. Ze zijn alle gevoel voor waardigheid en eer kwijt. Als ze zouden worden geconfronteerd met hun grofste zonden, dan zouden ze zich nog rechtvaardigen en hen uitlachen die hun handelwijze veroordelen. Dat maakt hen rijp voor de verwoesting.

De woorden van de verzen 10-1210Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven,
hun akkers aan bezetters.
Want van klein tot groot
is ieder van hen uit op winst.
Van profeet tot priester,
pleegt ieder van hen bedrog.
11Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk
op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede!
12Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich zelfs niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,
ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
zijn een herhaling van wat eerder is gezegd (Jr 6:12-1512Hun huizen zullen overgaan in [de handen] van anderen,
samen met de akkers en de vrouwen,
want Ik zal Mijn hand uitstrekken
tegen de inwoners van dit land,
spreekt de HEERE.
13Want van hun kleinste tot hun grootste,
ieder van hen is uit op winstbejag.
Van profeet tot priester
pleegt ieder van hen bedrog.
14Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen:
Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
15Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
. Jeremia moet de waarheid herhalen om die onuitwisbaar in de gedachten van het volk in te prenten. Maar het volk, dat weigert naar Gods Woord te luisteren, is misleid door de valse profeten en de bedrieglijke priesters. Daarom is er voor hen geen redding mogelijk. De vergelding komt. Dan zullen ze vallen en niet staande kunnen blijven. Ze zullen struikelen, want hun kracht is verdwenen.

De verdelging zal volkomen zijn (vers 1313Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE.
Er zijn geen druiven aan de wijnstok,
geen vijgen aan de vijgenboom,
en de bladeren zijn verwelkt.
[Wat] Ik hun gaf, daaraan gaan zij voorbij.
)
. De HEERE zal die verdelging Zelf over hen brengen. Hij zal hen wegvagen. De oogst die Hij heeft verwacht, is er niet. Zijn volk heeft geen vrucht voor Hem gedragen. De wijnstok en de vijgenboom zijn leeg. Ook de bladeren zijn verwelkt. Ze zijn voorbijgegaan aan alle zegen die de HEERE hun heeft gegeven. In plaats van Hem te danken voor Zijn zegen hebben ze die misbruikt en er zelfs de afgoden mee gediend. Daarom worden de vroegere zegeningen van hen weggenomen en blijft er niets anders over dan de hier vermelde totale troosteloosheid en woestheid. Er is van dit volk niets meer te verwachten (vgl. Mt 21:1919En toen Hij één vijgenboom langs de weg zag, ging Hij er naar toe en vond niets daaraan dan alleen bladeren. En Hij zei tot hem: Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.).


Het binnendringende leger

14Waarom blijven wij zitten? Verzamel u,
laten wij naar de versterkte steden gaan
en daar zwijgen,
want de HEERE, onze God, heeft ons doen zwijgen.
Hij heeft ons galwater te drinken gegeven,
omdat wij tegen de HEERE gezondigd hebben.
15Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
16Vanuit Dan wordt
het gesnuif van zijn paarden gehoord,
heel het land beeft
van het geluid van het gehinnik van zijn hengsten.
Zij komen en verslinden het land en al wat het bevat,
de stad en wie erin wonen.
17Voorzeker, zie, Ik ga
slangen, gifslangen op u af sturen,
waartegen geen bezwering is,
en die zullen u bijten,
spreekt de HEERE.

Het lijkt erop dat het volk de vijandelijke legers ziet en een goed heenkomen wil zoeken (vers 1414Waarom blijven wij zitten? Verzamel u,
laten wij naar de versterkte steden gaan
en daar zwijgen,
want de HEERE, onze God, heeft ons doen zwijgen.
Hij heeft ons galwater te drinken gegeven,
omdat wij tegen de HEERE gezondigd hebben.
)
. Het veroorzaakt een panische angst. Ze roepen elkaar toe samen naar de versterkte steden te gaan. Daar zullen ze dan zwijgend de gebeurtenissen kunnen afwachten, in het besef dat deze rampspoed van de HEERE, hun God komt. Ze erkennen dat de HEERE hun het bittere “galwater” te drinken heeft gegeven als straf voor hun afwijking. Deze erkenning is echter geen zaak van het hart en ook niet van het geweten. Er volgt geen bekering.

Zeker zien ze uit naar vrede en genezing, zoals ieder mens, ook de meest goddeloze, daarnaar uitziet (vers 1515Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
)
. Die vrede komt echter niet, integendeel, er komt helemaal niets goeds. Er is hun vrede voorzegd door de valse profeten en die hebben zij ook verwacht, maar die blijkt er niet te zijn. Iedereen wenst vrede, maar die is alleen te vinden bij God en Zijn Christus. Wie daaraan voorbijgaat, gelooft in een andere vrede, die echter nooit zal komen. Onze verwachtingen hebben alleen grond als we die aan Gods Woord ontlenen.

Ze verlangen ook naar genezing van hun wonden. Omdat ze daarmee niet naar de HEERE als hun Heelmeester gaan (Ex 15:26b26Hij zei: Als u aandachtig luistert naar de stem van de HEERE, uw God, en doet wat juist is in Zijn ogen, als u Zijn geboden gehoorzaamt en al Zijn verordeningen in acht neemt, dan zal Ik geen enkele van de ziekten over u brengen die Ik over Egypte gebracht heb, want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.), worden ze niet genezen, maar breekt er integendeel een tijd van verschrikkingen aan. In plaats van vrede horen ze de oprukkende vijand die in het noorden, bij Dan, het land is binnengetrokken (vers 1616Vanuit Dan wordt
het gesnuif van zijn paarden gehoord,
heel het land beeft
van het geluid van het gehinnik van zijn hengsten.
Zij komen en verslinden het land en al wat het bevat,
de stad en wie erin wonen.
)
. Het geluid van het gesnuif van de paarden van de vijandelijke legers vervult de lucht en dringt al door in Juda. De grond trilt van het geluid van wild aanstormende, hinnikende hengsten. De vijandelijke legers komen en verslinden het hele land en ook de stad Jeruzalem – alle mensen en alle opbrengst.

De vijand wordt ineens voorgesteld als slangen, ja, gifslangen (vers 1717Voorzeker, zie, Ik ga
slangen, gifslangen op u af sturen,
waartegen geen bezwering is,
en die zullen u bijten,
spreekt de HEERE.
)
. Ze zullen zich daar niet tegen kunnen beschermen (Pr 10:1111Als de slang vóór de bezwering bijt, heeft de meesterbezweerder geen nut.; Ps 58:5-65Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif;
zij zijn als een dove adder, [die] zijn oren dichtstopt,
6die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder,
van hem die kundig bezweringen doet.
)
. Deze slangen zullen hen bijten, zodat er dodelijk gif in hen komt. De bezwering van de valse profeten tegen het gif van deze slangen zal zonder resultaat blijken te zijn. Dat komt, omdat de HEERE die slangen stuurt.


Het verdriet van Jeremia

18Als ik mij wil verkwikken, overvalt mij verdriet,
mijn hart is afgemat in mij.
19Let op, het geluid van het hulpgeroep van de dochter van mijn volk,
uit een zeer ver land:
Is de HEERE dan niet in Sion,
of is haar Koning niet bij haar?
Waarom hebben zij Mij tot toorn verwekt met hun beelden,
met nietige [afgoden] uit den vreemde?
20De oogst is voorbij, de zomer is ten einde,
en [nog] zijn wij niet verlost.
21Om de breuk van de dochter van mijn volk ben ik gebroken,
ik ga in het zwart gehuld, verschrikking heeft mij aangegrepen.
22Is er geen balsem in Gilead?
Of is er geen geneesheer daar?
Want waarom is er dan geen herstel opgetreden
bij de dochter van mijn volk?

Jeremia is nu vele jaren profeet, maar zijn profeteren is zonder resultaat gebleven. In plaats van verkwikt te worden door te zien dat het volk luistert, ziet hij alleen maar meer afval (vers 1818Als ik mij wil verkwikken, overvalt mij verdriet,
mijn hart is afgemat in mij.
)
. Het vooruitzicht van de zeer aanstaande verwoesting breekt zijn hart. Hij heeft zijn volk innig lief, maar zijn liefde wordt met verwerping beantwoord. Hij kent de weg van zegen voor zijn volk, maar het volk wil die weg niet gaan.

Zo kan het ook met ons gaan als we zien wat mensen nodig hebben en hun dat voorhouden, maar dat ze het aanbod van de genade glashard weigeren. Dat doet pijn, niet voor onszelf, maar voor hen. Jeremia en Paulus en Mozes hebben Gods volk van harte liefgehad en geleden onder hun verwerping van de genade. Meer dan zij allemaal heeft de Heer Jezus geleden onder de afwijzing van Hem en Zijn genade.

Jeremia hoort het hulpgeroep van zijn volk in de verte (vers 1919Let op, het geluid van het hulpgeroep van de dochter van mijn volk,
uit een zeer ver land:
Is de HEERE dan niet in Sion,
of is haar Koning niet bij haar?
Waarom hebben zij Mij tot toorn verwekt met hun beelden,
met nietige [afgoden] uit den vreemde?
)
. Zijn profetisch oor hoort het volk al vanuit de ballingschap om hulp roepen. Het antwoord op de vragen is dat de HEERE zeer zeker in Sion is en dat haar Koning bij haar is. Maar, zo vervolgt het antwoord, waarom houdt het volk dat straks vraagt of de HEERE in Sion is, nu zo vast aan de afgoden uit de vreemde landen? Dat is de reden van Zijn toorn. Daarom heeft Hij Zijn volk moeten overgeven in de handen van vijanden.

Het volk antwoordt dat de oogsttijd voorbij is (vers 2020De oogst is voorbij, de zomer is ten einde,
en [nog] zijn wij niet verlost.
)
. De zomer, de aangename tijd, als de volle opbrengst van het land mag worden ingehaald, is ten einde, zonder dat er iets te oogsten is. Maar de belofte van de oogst hangt samen met gehoorzaamheid aan de HEERE. Die gehoorzaamheid hebben ze opgezegd. Ook hebben ze in geestelijk opzicht de aangename tijd, de tijd dat de HEERE opriep tot berouw en bekering, voorbij laten gaan (vgl. Lk 19:43-4443Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen;44en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op [de andere] steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend.; 2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),). De verlossing is niet meer binnen bereik.

Dit besef brengt Jeremia in grote zielennood (vers 2121Om de breuk van de dochter van mijn volk ben ik gebroken,
ik ga in het zwart gehuld, verschrikking heeft mij aangegrepen.
)
. De breuk is definitief. Dat breekt zijn hart en brengt hem tot rouwbetoon. Hij pijnigt zich met de vraag naar medicijnen en een dokter (vers 2222Is er geen balsem in Gilead?
Of is er geen geneesheer daar?
Want waarom is er dan geen herstel opgetreden
bij de dochter van mijn volk?
)
. Balsem wordt gebruikt als medicijn en ook als schoonheidsmiddel (Gn 37:2525Vervolgens gingen zij zitten om de maaltijd te gebruiken. Toen ze hun ogen opsloegen, zagen zij, zie, een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead aankomen. En hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre, en zij waren op weg om dat naar Egypte te brengen.; Jr 46:1111Ruk op naar Gilead en haal balsem,
maagd, dochter van Egypte.
Tevergeefs verhoogt u de medicijnen,
herstel is er niet voor u.
; 51:88Plotseling is Babel gevallen en stukgebroken.
Weeklaag erover.
Haal balsem tegen zijn pijn,
misschien zal het genezen.
; Ez 27:1717Juda en het land Israël, díe waren uw handelaars in tarwe van Minnit, fijn meel, honing, olie en balsem, [die] zij als handelswaar aan u leverden.)
. Het is een herstellende, lekker ruikende zalf. Het gebruik ervan doet een mens goed. Maar hij is alleen verkrijgbaar bij de “geneesheer” dat is de HEERE. Ze zijn beide – de HEERE als de Geneesheer (Ex 15:1616       Op hen viel
                        verschrikking en angst.
            Door de grootheid van Uw arm
                        verstomden zij als een steen,
            terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
                        terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
)
en Zijn Woord als de balsem – beschikbaar. Maar waarom heeft het volk er dan geen gebruik van gemaakt?


Lees verder