Jeremia
Inleiding 1-7 Misplaatst vertrouwen 8-11 Onverschillig om Godvrezend te leven 12-15 Het voorbeeld van Silo 16-20 Aanbidding van de koningin van de hemel 21-26 Gehoorzaamheid beter dan offerande 27-28 Ontvangst van de boodschap van Jeremia 29-34 Klaagzang over de verlatenheid van Juda
Inleiding

In Jeremia 2-4 heeft Jeremia gesproken over het familieleven en in Jeremia 5-6 over het politieke leven. In dit hoofdstuk spreekt hij over het godsdienstige leven.

De toespraken in Jeremia 7-10 staan bekend als de ‘tempeltoespraken’, die trouwens niet alle bij dezelfde gelegenheid uitgesproken hoeven te zijn. Ze zijn een frontale aanval op het vertrouwen dat het volk stelt in de tempel als de zekere bescherming van Jeruzalem tegen alle vijanden. Deze toespraken hebben Jeremia blijvende vijanden opgeleverd.

Jeremia 1-6 vormen een eenheid. Ze bevatten profetieën in de dagen van Josia. In Jeremia 7 zijn we in een latere tijd. De tempeltoespraak in Jeremia 26, die volgens veel commentatoren dezelfde is als hier, wordt gehouden aan het begin van de regering van Jojakim (Jr 26:11In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE:). Daar wordt vooral de reactie op de prediking naar voren gebracht. De prediking van Jeremia heeft dan al ongeveer achttien jaar geduurd, zodat hij hier rond de veertig jaar oud is.

Jojakim is een goddeloos man. Hij maakt alle hervormingen van zijn vader Josia ongedaan. Hij dient de afgoden en leidt een luxe leven. Deze man wordt een van de grootste vijanden van Jeremia. Te midden van zijn leven vol van de bevrediging van de eigen genoegens verschijnt ineens Jeremia. Tot nu toe hebben we over de prediking van Jeremia gelezen, maar nog niet van tegenstand, van reacties. Dat gaat hier gebeuren.

Jeremia predikt tegen de tempel zelf. Dat is de grootste belediging voor de Jood. Wie de tempel aanvalt, valt het diepste wezen van de Jood aan. In deze toespraak ligt dan ook de kiem van de haat die steeds dieper wortelt en zich steeds feller zal openbaren. De dodelijke haat van de Joden is hierover ervaart ook de Heer Jezus als Hij over het afbreken van de tempel spreekt (Mt 26:59-6859De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.60En zij vonden er geen, hoewel vele valse getuigen waren opgekomen.61Ten slotte echter kwamen er twee op, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan het tempelhuis van God afbreken en <het> na drie dagen opbouwen.62En de hogepriester stond op en zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?63Jezus echter zweeg. En de hogepriester <antwoordde en> zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God!64Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Ik zeg u evenwel: van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan [de] rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel.65Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft gelasterd; waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de lastering gehoord; wat vindt u ervan?66Zij nu antwoordden en zeiden: Hij is [de] dood schuldig.67Toen spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met vuisten,68en zij gaven Hem kaakslagen en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het die U heeft geslagen?).


Misplaatst vertrouwen

1Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia: 2Ga in de poort van het huis van de HEERE staan, en predik daar dit woord, en zeg: Hoor het woord van de HEERE, heel Juda, u die door deze poorten binnengaat om zich voor de HEERE neer te buigen. 3Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laat uw wegen en uw daden goed zijn, dan laat Ik u wonen in deze plaats. 4Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit! 5Als u echter uw wegen en uw daden werkelijk betert, als u werkelijk recht doet tussen iemand en zijn naaste, 6[als] u de vreemdeling, de wees en de weduwe niet onderdrukt, geen onschuldig bloed in deze plaats vergiet, en geen andere goden achterna gaat, uzelf ten kwade, 7dan zal Ik u in deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, laten wonen, eeuw uit en eeuw in.

Het woord van de HEERE is tot Jeremia gekomen (vers 11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:), wat betekent dat Jeremia een opdracht van de HEERE heeft gekregen. Hij moet in de poort van de tempel gaan staan – waardoor hij zeker is van een groot gehoor – en het woord richten tot allen die naar de tempel gaan om zich voor de HEERE neer te buigen (vers 22Ga in de poort van het huis van de HEERE staan, en predik daar dit woord, en zeg: Hoor het woord van de HEERE, heel Juda, u die door deze poorten binnengaat om zich voor de HEERE neer te buigen.).

Jeremia moet het woord tot hen richten namens “de HEERE van de legermachten, de God van Israël” (vers 33Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laat uw wegen en uw daden goed zijn, dan laat Ik u wonen in deze plaats.). Het is alsof God Zich in al Zijn grootheid tot deze mensen richt om het contrast duidelijk te maken tussen wat zij doen en Wie Hij is. Hij kent hen door en door. Hij ziet wat deze mensen doen. Dat lijkt goed, maar Hij kent hun motieven en die deugen niet, net zomin als hun daden. Ze zijn vandaag te herkennen in mensen die, als ze naar de kerk gaan, van mening zijn dat ze nog niet zo slecht zijn. Maar God kent hun wegen en daden.

Hij roept hen op tot bekering. De oproep is eenvoudig, direct en onmiskenbaar. Het gaat erom dat ze niet de schijn ophouden dat ze goede wegen gaan en goede daden doen, maar dat ze werkelijk hun wegen en daden verbeteren. Als ze dat doen, zal Hij hen “in deze plaats laten wonen”, in Jeruzalem, wat dus niet vanzelfsprekend is. De Joden nemen dat aanmatigend wel als vanzelfsprekend aan. Het uitspreken van een drievoudig “de tempel van de HEERE” laat wel zien hoe overtuigd ze zijn van de aanwezigheid van de HEERE in hun midden in de tempel (vers 44Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!). Ze menen dat ze, omdat ze Gods volk zijn, recht hebben op de tempel, terwijl ze met de God van de tempel totaal geen rekening houden.

De stem van Jeremia dondert ertegenin – zo hard moeten deze woorden toch wel in hun oren hebben geklonken – dat een tempel zonder Godsvrucht misleiding is. Hij zegt tegen hen dat het leugenwoorden van valse profeten zijn. Het zijn “bedrieglijke woorden”, woorden die als een mantra klinken. Een mantra is het steeds weer herhalen van woorden, waardoor iemand het gevoel krijgt dat de uitgesproken woorden staan voor de werkelijkheid. Als je iets maar vaak genoeg herhaalt, is het zo, zo menen ze.

Zij voelen zich Gods uitverkoren volk. Ze denken dat ze niets hoeven te vrezen. Steeds heeft God Zijn volk bevrijd uit de macht van vijandige volken. Daarbij klampen ze zich vast aan de belofte van het eeuwige koningschap aan David (2Sm 2:11-1711De tijd dat David koning geweest is in Hebron over het huis van Juda, was zeven jaar en zes maanden.12Toen trok Abner, de zoon van Ner, met de manschappen van Isboseth, de zoon van Saul, [ten strijde], van Mahanaïm naar Gibeon.13Joab, de zoon van Zeruja, en de manschappen van David trokken ook [ten strijde]. Zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon. Daar bleven zij [staan]: de een aan deze kant van de vijver en de ander aan de andere kant van de vijver.14Abner zei tegen Joab: Laten de jongemannen zich toch gereedmaken en voor onze ogen een tweekamp houden. En Joab zei: Laten zij zich gereedmaken.15Toen maakten zij zich gereed en staken over, [gelijk] in aantal: twaalf van Benjamin, namelijk voor Isboseth, de zoon van Saul, en twaalf van Davids manschappen.16De een greep de ander bij het hoofd en [stak] zijn zwaard in de zij van de ander, en zij vielen samen neer. Daarom noemde men die plaats, die bij Gibeon ligt, Veld van de zwaarden.17Er was op die dag een buitengewoon harde strijd. Maar Abner en de mannen van Israël werden verslagen door de manschappen van David.) en de keus van de HEERE voor Sion als Zijn aardse woning (Ps 132:13-1613Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
15Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
16Haar priesters zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
)
. Daarom kan er naar hun mening niets met de tempel gebeuren.

Onder Hizkia heeft God toch ook een grote bevrijding bewerkt (2Kn 19:32-3732Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:
Hij zal deze stad niet binnenkomen,
daar geen pijl in schieten,
haar met geen schild tegemoetkomen,
en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.
33Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE.34Want Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.35Het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE [ten strijde] trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neersloeg. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.36Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.37Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
)
? Dat is natuurlijk vanwege de tempel die daar staat, zo redeneren ze. Hoe zou die ooit door God prijsgegeven kunnen worden? In hun bijgeloof zien ze de tempel als een mascotte. Het is hetzelfde bijgeloof dat Hofni en Pinehas bezitten die de ark als een mascotte meenemen in de strijd tegen de Filistijnen (1Sm 4:3-113Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden.4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.5En het gebeurde, toen de ark van het verbond van de HEERE in het kamp kwam, dat heel Israël zo’n uitbundig gejuich aanhief dat de aarde dreunde.6Toen de Filistijnen het geluid van het gejuich hoorden, zeiden zij: Wat betekent het geluid van dit uitbundige gejuich in het kamp van de Hebreeën? Toen zij vernamen dat de ark van de HEERE in het kamp gekomen was,7werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd.8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn.9Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd!10Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk.11En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.). Zij menen ook dat God ‘natuurlijk’ de ark niet in handen van de Filistijnen zal laten vallen. Hoe vergissen zij zich en hoe vergissen de mensen in Jeruzalem zich. Huichelachtig spreken ze het drie keer uit dat dit de tempel van de HEERE is. Zo verblind zijn deze mensen.

We zien dat in de hele geschiedenis van de christenheid en ook in onze harten. De roomse kerk heeft gedacht ook dat haar niets kan gebeuren. Dan geeft God het werk van de reformatie. Maar de reformatie heeft hetzelfde gedacht. En we horen het ook in de nadere reformatie, als er door sommigen in de zogeheten ‘broederbeweging’ gezegd wordt: ‘Het getuigenis van de Heer, dat zijn wij toch? De tafel van de Heer is bij ons!’ Dat wordt alsmaar herhaald en men gelooft er heilig in. Maar als het hart niet meer bij Gods Woord blijft en het alleen een uiterlijke godsdienst wordt, moet God Zijn oordeel erover uitspreken. De christenheid leert ons dat wat trouw begon, wel in naam verder kan gaan, maar dat God er niet meer mee in verbinding kan zijn, omdat het alleen uiterlijk is.

Jeremia schudt hen wakker uit hun valse zekerheid. De HEERE aanvaardt geen louter houden van uiterlijke inzettingen, maar ware vroomheid. Hij zoekt en “vindt vreugde in waarheid in het binnenste” (Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
. Jeremia houdt hun voor op welke manier zij hun wegen en daden werkelijk kunnen verbeteren (vers 55Als u echter uw wegen en uw daden werkelijk betert, als u werkelijk recht doet tussen iemand en zijn naaste,). Daarvoor verwijst hij naar de woorden van Mozes, naar de oude paden, naar de woorden van het begin. Hij haalt daaruit drie voorschriften aan. Als ze daarnaar handelen, kunnen ze laten zien dat ze oprecht zijn voor de HEERE.

1. De eerste twee voorschriften gaan over de houding tegenover de naaste. Het eerste is dat ze werkelijk recht doen tussen iemand en zijn naaste, zonder aanzien des persoons, zonder eigen belang.

2. Het tweede is dat ze de kwetsbaren en weerlozen niet onderdrukken, met als ergste uitwas het vergieten van onschuldig bloed, moord dus, “in deze plaats”, dat is de tempel (vers 66[als] u de vreemdeling, de wees en de weduwe niet onderdrukt, geen onschuldig bloed in deze plaats vergiet, en geen andere goden achterna gaat, uzelf ten kwade,). Het gaat om mensen die een gemakkelijke prooi zijn voor uitbuiters, voor mensen die geen medelijden kennen. De HEERE wil juist dat Zijn gezindheid tegenover de zwakken in de Zijnen naar voren komt (Dt 14:2929Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit [samen] met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.; 16:1111En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.; 24:1919Wanneer u de oogst op uw akker hebt binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen.; Ps 94:66De weduwe en de vreemdeling doden zij;
zij vermoorden de wezen
; Dt 19:10-1310zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.11Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en [dan] naar een van die steden vlucht,12dan moeten de oudsten van zijn stad [boden] sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft.13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.; 21:1-91Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is.3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft.4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken.5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.)
. Wat zij nu doen, staat daar lijnrecht tegenover.

3. Het derde voorschrift betreft hun houding tegenover de HEERE. Ze tergen Hem nu nog met het achternagaan van andere goden, wat kwaad over hen brengt. Als ze geen andere goden meer achternagaan, zullen ze daardoor laten zien dat ze het ernstig menen met het dienen van de HEERE (vgl. 1Sm 7:33Toen sprak Samuel tot het hele huis van Israël: Als u zich met uw hele hart tot de HEERE bekeert, doe dan de vreemde goden uit uw midden weg, ook de Astartes, richt uw hart op de HEERE en dien Hem alleen. Dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen redden.).

De HEERE zal, als Hij deze goede dingen bij hen ziet, Zich niet onbetuigd laten (vers 77dan zal Ik u in deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, laten wonen, eeuw uit en eeuw in.). Hij zal hen dan niet uit Jeruzalem en het land verdrijven, maar hen daar laten wonen. Het is immers het land dat Hij hun vaderen gegeven heeft. Ze zullen daar blijven wonen, “eeuw uit en eeuw in”, dat wil zeggen altijd. Dat betekent dan ook dat ook Hij daar zal blijven wonen.


Onverschillig om Godvrezend te leven

8Zie, u vertrouwt op bedrieglijke woorden die niet van nut zijn. 9Stelen, doodslaan, overspel plegen, valse eden afleggen, reukoffers brengen aan de Baäl, andere goden achternagaan, die u niet gekend hebt, 10en [dan] voor Mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: Wij zijn gered – om al deze gruweldaden te doen? 11Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? Ook Ik, zie, Ik heb [het] gezien, spreekt de HEERE.

De scherpte van Jeremia’s woorden neemt toe. Met een krachtig “zie” om hun aandacht er nadrukkelijk op te vestigen klinkt nog eens het verwijt van de HEERE dat de woorden waarop het volk vertrouwt met het oog op hun positie, bedrieglijk zijn en dat het daarom nutteloos is daarop te vertrouwen (vers 88Zie, u vertrouwt op bedrieglijke woorden die niet van nut zijn.; vers 44Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!). Ze zijn van geen enkel nut, ze hebben geen basis en rechtvaardigen op geen enkele manier hun daden en beschermen niet tegen Gods oordeel.

Hun daden laten zien wat de werkelijke toestand van hun hart is (vers 99Stelen, doodslaan, overspel plegen, valse eden afleggen, reukoffers brengen aan de Baäl, andere goden achternagaan, die u niet gekend hebt,). Er is niets bij hen aanwezig van de voorwaarden die de HEERE gesteld had om hen voor altijd in het land te laten wonen. Ze zijn schuldig aan het overtreden van meerdere van de tien geboden en toch wagen ze het, terwijl ze zo leven, tevens uiting te geven aan hun vertrouwen in de tempel.

Ze zijn zelfs zo vermetel, dat ze in Gods huis voor Gods aangezicht durven te komen en daar te zeggen dat ze gered zijn (vers 1010en [dan] voor Mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: Wij zijn gered – om al deze gruweldaden te doen?). De HEERE wijst hen er nadrukkelijk op dat ze in feite zeggen dat ze hun redding gebruiken als een aanleiding om allerlei gruweldaden te bedrijven. Ze misbruiken wat ze uit genade van de HEERE hebben gekregen als een gelegenheid om aan hun vleselijke lusten te voldoen (Gl 5:1313Want u bent geroepen om vrij te zijn, broeders; [gebruikt] echter de vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkaar door de liefde.; Jd 1:44Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen.). Maar genade is geen vrijbrief om te zondigen.

Door hun handelwijze maken ze van het huis van de HEERE een rovershol, waar ze hun misdadig bedrijf uitoefenen. Ze menen dat ze daar veilig zijn tegen andere rovers die hun de buit willen afnemen (vers 11a11Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? Ook Ik, zie, Ik heb [het] gezien, spreekt de HEERE.). Gods huis hebben ze tot een rovershol gemaakt, zoals ook de Heer Jezus hen dat verwijt (Mt 21:12-1312En Jezus ging de tempel binnen en dreef allen uit die verkochten en kochten in de tempel, en de tafels van de wisselaars keerde Hij om, en de stoelen van hen die de duiven verkochten.13En Hij zei tot hen: Er staat geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd’; u maakt er echter een rovershol van.; Jh 2:13-1713En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.14En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die [daar] zaten.15En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om;16en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.17Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.; vgl. Js 56:77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
)
. Ze beroven de HEERE van wat Hem toekomt en dat doen ze ook van hun naasten. Maar de HEERE heeft alle gruwelen die Zijn volk bedrijft, gezien, zo zegt Hij met nadruk (vers 11b11Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? Ook Ik, zie, Ik heb [het] gezien, spreekt de HEERE.). Niets ontgaat Hem.


Het voorbeeld van Silo

12Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël. 13Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik vroeg en laat tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt, 14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan. 15Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders weggeworpen heb, heel het nageslacht van Efraïm.

De HEERE herinnert Zijn volk aan Silo (vers 1212Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.). Menen zij dat zij Zijn tegenwoordigheid kunnen claimen omdat ze de tempel hebben? Dan moeten ze maar eens naar Silo gaan. Dan zien ze een voorbeeld tot waarschuwing, waarvan ook wij moeten leren. In Silo heeft Jozua de tabernakel opgericht (Jz 18:11Vervolgens verzamelde zich heel de gemeenschap van de Israëlieten in Silo, en zij zetten daar de tent van ontmoeting op, nadat het land aan hen onderworpen was.; Ri 18:3131Zo richtten zij het gesneden beeld voor zich op dat Micha gemaakt had, al de dagen dat het huis van God in Silo was.). Daar heeft hij het land door het lot verdeeld. Daar is Samuel begonnen met profeteren (1Sm 1:24b24Daarna, toen hij van de borst af was, nam zij hem met zich mee, met een driejarige jonge stier, een efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem in het huis van de HEERE in Silo, toen de jongen nog [heel] jong was.).

Silo is driehonderd jaar lang het godsdienstig centrum geweest, tot de dagen van Eli en Samuel. Dan geeft God Zijn woning vanwege de slechtheid van Zijn volk prijs, hoewel Hij daar Zijn Naam heeft laten wonen (Ps 78:60-6160Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent [waarin] Hij woonde onder de mensen.
61Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
; 1Sm 4:1111En de ark van God werd meegenomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.)
. Dat zal Hij ook met de tempel doen, ook vanwege hun slechtheid en ongehoorzaamheid (verzen 13-1413Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik vroeg en laat tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt,14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.).

Hij heeft telkens weer geprobeerd hen tot inkeer te brengen door Zijn boodschappers, Zijn profeten naar hen te sturen. Maar het is allemaal tevergeefs geweest. Hij is er steeds vroeg bij geweest om Zijn profeten tot hen te zenden en tot hen te spreken (vers 2525Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik [elke] dag, vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, tot u.). Hij heeft vroeg en laat gesproken en Hij heeft vroeg en laat gezonden (Jr 25:3-43Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda tot op deze dag – dit is het drieëntwintigste jaar – is het woord van de HEERE tot mij gekomen. Ik sprak vroeg en laat tot u, maar u hebt niet geluisterd.4Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten, vroeg en laat gezonden, maar u hebt niet geluisterd en uw oor niet geneigd om te luisteren.). Hij heeft er alles aan gedaan om hen op de goede weg, de weg van zegen, terug te brengen. Ze hebben echter niet willen luisteren. Zo ijverig en volhardend als de HEERE is geweest in het zenden en spreken, zo halsstarrig is het volk in het gehoorzamen geweest. De oorzaak daarvan is hun vertrouwen op de tempel van God in plaats van op de God van de tempel.

Hij zal met hen, de twee stammen, hetzelfde doen als met de tien stammen, die Hij “al uw broeders” noemt (vers 1515Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders weggeworpen heb, heel het nageslacht van Efraïm.). “Heel het nageslacht van Efraïm” is weggevoerd door de Assyriërs. De twee stammen zullen in handen van de Babyloniërs vallen en door hen in ballingschap worden gevoerd. Vroeger is Silo verworpen en de HEERE zal nu Sion verwerpen; vroeger zijn de tien stammen weggevoerd en de HEERE zal nu de twee stammen laten wegvoeren. Dat God in het verleden afwijking van Hem en Zijn Woord heeft bestraft, laat zien dat God in het heden afwijking van Hem en Zijn Woord zal bestraffen. We moeten leren uit het verleden (vgl. 1Ko 10:66En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.).


Aanbidding van de koningin van de hemel

16En u, bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren. 17Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? 18De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken. 19Verwekken zij Mij tot toorn? spreekt de HEERE. [Doen zij het] zichzelf niet aan, tot schande van hun [eigen] gezicht? 20Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Mijn toorn en grimmigheid zullen uitgegoten worden over deze plaats, over de mensen en over de dieren, over de bomen op het veld en over de vruchten van het land. Die zullen branden en niet geblust worden.

Na de duidelijke schildering van de totale ongehoorzaamheid van het volk heeft de HEERE een persoonlijk woord voor Jeremia dat Hij inleidt met de woorden “en u”. Jeremia krijgt van de HEERE te horen dat hij voor dit volk niet tot Hem moet bidden of roepen of voor hen bij Hem moet aandringen (vers 1616En u, bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.; vgl. Jr 11:1414En u, bid niet voor dit volk, en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen.; 14:11-1211Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor dit volk ten goede.12Al vasten zij, Ik luister niet naar hun geroep. Ook al brengen zij een brandoffer en een graanoffer, Ik zal in hen geen behagen scheppen, maar door het zwaard, door de honger en door de pest zal Ik een einde aan hen maken.). Ze zijn zo hardnekkig, dat bidden geen zin heeft. Gods voornemen staat vast. Elk naderen tot God om voor dit volk te bidden is zinloos.

Het is de ware profeet niet te doen om de ondergang van het volk, maar om de redding ervan. De ware profeet zal dan ook naast zijn oordeelsprediking tot het volk tegelijk ook in voorbede Gods aangezicht zoeken ten gunste van datzelfde volk (Ex 32:10-1110Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig. Dan zal Ik ú tot een groot volk maken.11Maar Mozes trachtte het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen, en zei: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?; Am 7:2-3,5-62En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!3Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE.5Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!6Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE.). Dat de HEERE tegen hem zegt dat hij niet bij Hem moet aandringen, laat wel sterk uitkomen hoe ernstig en aanhoudend de profeet heeft gebeden. De ware profeet is in de eerste plaats een voorbidder. Hoe kijken wij naar de christenheid waarover ook Gods oordeel komt? Maakt het ons tot voorbidders, dat er nog velen tot God zullen terugkeren?

De HEERE zegt tegen Jeremia dat hij maar eens moet kijken wat er gebeurt in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, dat wil zeggen in heel Juda en heel Jeruzalem (vers 1717Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?). Is Jeremia er dan blind voor? Zeker niet, maar de HEERE laat hem daardoor weten dat wat daar gebeurt, te erg, te verschrikkelijk is om daarvoor nog te bidden. Het laat ons de verhouding van de HEERE tot Jeremia zien. Hij betrekt hem in Zijn redenen om verdere voorbede te verbieden, zodat Jeremia het daarin met Hem eens zal zijn.

De HEERE vertelt Jeremia wat Hij ziet. Het hele gezin – kinderen, vaders en moeders – zet zich in om offers te brengen aan de afgoden, waarvan er een bij name wordt genoemd: “De koningin van de hemel” (vers 1818De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken.). We vinden deze titel terug in de gruwelijke afgoderij van de roomse kerk, die Maria ‘de koningin van de hemel’ noemt ‘aangezien zij de moeder van de Koning der koningen en Heer der heren is. De heilige Maria is een uiterst toegankelijke koningin, want alle genade bereikt ons via haar moederlijke bemiddeling.’ [Bron: http://www.deboog.nl/Heilige-maagd-Maria-koningin.html]

De kinderen worden eerst genoemd. Ze zijn oud genoeg om hout te sprokkelen en te dragen. Het is een groot kwaad van ouders om hun kinderen in te zetten bij de verering van hun afgoden. Hoever zijn ouders dan afgeweken van de opdracht om altijd en overal met hun kinderen te spreken over het Woord van God (Dt 6:6-76Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.7U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.).

Als de kinderen thuiskomen, staan de vaders klaar om het gesprokkelde hout in brand te steken. Tegelijkertijd zijn de vrouwen bezig met het kneden van deeg om offerkoeken te maken. Daarnaast gieten ze ook nog plengoffers uit voor andere goden. Een plengoffer geeft vreugde aan. Ze verheugen zich in hun door demonen gestuurde aanbidding.

Hoe afschuwelijk moet dat voor de HEERE zijn! Wat wordt Hij hierdoor aan de kant gezet en getart. Hoe kan het anders dan dat wat zij doen, Hem tot toorn verwekt. En dat niet alleen, maar ze doen het ook tot hun eigen schande (vers 1919Verwekken zij Mij tot toorn? spreekt de HEERE. [Doen zij het] zichzelf niet aan, tot schande van hun [eigen] gezicht?). Mensen die zondigen, doen zichzelf altijd schande aan. Zonde kan wel een tijdelijk genot geven, maar eindigt altijd in bitter, eindeloos lijden als er niet voortijdig door berouw en bekering met de zonde wordt gebroken.

Zonde tast alles aan, het hele gebied waar het gebeurt (vers 2020Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Mijn toorn en grimmigheid zullen uitgegoten worden over deze plaats, over de mensen en over de dieren, over de bomen op het veld en over de vruchten van het land. Die zullen branden en niet geblust worden.; vgl. Rm 8:20-2220Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.22Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). Daarom moet over het geheel Gods onafwendbaar, zuiverend oordeel komen. God zal Zijn “toorn en grimmigheid” in volle hevigheid over alles uitgieten, zonder dat er een einde aan komt: ze “zullen branden en niet geblust worden”. Gods toorn over de zonde is voor ieder die in het offer van Zijn Zoon gelooft, tot een einde gekomen. Wie echter in zijn zonde sterft, op hem blijft de toorn van God tot in eeuwigheid (Jh 3:3636Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.).


Gehoorzaamheid beter dan offerande

21Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees, 22want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin [iets] geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers. 23Maar deze zaak heb Ik hun geboden: Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan. 24Maar zij hebben niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar ze gingen in hun [eigen] opvattingen voort overeenkomstig hun verharde, boosaardige hart. Zij gingen achterwaarts en niet voorwaarts. 25Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik [elke] dag, vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, tot u. 26[Uw vaderen] hebben echter niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd. Zij waren halsstarrig en maakten het erger dan hun vaderen.

Na de vlammende veroordeling van hun afgoderij volgt er een woord over het brengen van offers (vers 2121Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees,). In het licht van het voorgaande is dit een ironisch woord. Het volk wordt opgeroepen dat het best kan doorgaan met het brengen van hun slachtoffers en laat ze daar maar lekker van eten. Laat ze er zelfs maar hun brandoffers aan toevoegen. Het zal hun godsdienstige gevoelens strelen en ook een lekker gevoel in de maag geven. Ze hebben dan toch maar mooi hun godsdienstige plichten vervuld en zijn er zelf niet slechter van geworden.

Maar laten ze er ook aan denken dat de HEERE over een dergelijke offerdienst niets tot hun vaderen heeft gezegd of geboden, toen Hij hen uit Egypte leidde (vers 2222want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin [iets] geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers.). Hij heeft bij de Sinaï, toen Hij hun Zijn wet gaf, niet over offers gesproken, maar alleen over gehoorzaamheid. Daarna pas heeft Hij over offers gesproken. Het moet in die volgorde.

Offers hebben alleen waarde als ze samen gaan met een wandel in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Daar gaat het bij de HEERE om. Hij heeft geen offers voorgeschreven omwille van de offers als zodanig, maar altijd in verbinding met een gehoorzaam hart. Als er een eigenzinnig leven wordt geleid, haat Hij die offers. Hij heeft behagen in gehoorzaamheid, meer dan in offers (Hs 6:66Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer,
in kennis van God meer dan in brandoffers!
; Ps 51:18-1918Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;
in brandoffers schept U geen behagen.
19De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
; 1Sm 15:2222Maar Samuel zei:
Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen.
)
.

Hij heeft gesproken over gehoorzaamheid en de zegen die daaraan verbonden is, dat Hij hun tot een God zal zijn en zij tot Zijn volk (vers 2323Maar deze zaak heb Ik hun geboden: Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.). Als ze de weg zouden gaan die Hij hun heeft geboden, zou het hun goed gaan. Ze hebben echter niet geluisterd, maar gewandeld naar de ingevingen van hun harde, boze hart (vers 2424Maar zij hebben niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar ze gingen in hun [eigen] opvattingen voort overeenkomstig hun verharde, boosaardige hart. Zij gingen achterwaarts en niet voorwaarts.). In plaats van vooruit te gaan zijn ze achteruit gegaan. De HEERE heeft er alles aan gedaan om Zijn volk op de goede weg en in de goede richting te laten wandelen.

Vanaf het allereerste begin heeft Hij elke dag Zijn profeten gezonden om Zijn volk daarop te wijzen dat gehoorzaamheid aan Hem de weg van zegen is (vers 2525Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik [elke] dag, vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, tot u.). Niets heeft Hij onbenut gelaten om hen op die weg te wijzen. Maar het volk heeft niet geluisterd en het zelfs erger gemaakt dan hun vaderen (vers 2626[Uw vaderen] hebben echter niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd. Zij waren halsstarrig en maakten het erger dan hun vaderen.).


Ontvangst van de boodschap van Jeremia

27U moet al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar u luisteren. U zult [wel] tegen hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. 28Zeg daarom tegen hen: Dit is het volk dat naar de stem van de HEERE, zijn God, niet luistert en de vermaning niet aanvaardt. De waarheid is vergaan, zij is uit hun mond uitgeroeid.

De HEERE geeft Jeremia de opdracht om alles wat Hij tegen hem zegt tot het volk te spreken, met daarbij de onthutsende mededeling dat het volk niet zal luisteren (vers 2727U moet al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar u luisteren. U zult [wel] tegen hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.; vgl. Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
. Wat een volharding en troost heeft Jeremia nodig gehad om het bijltje er niet bij neer te gooien! Stel je eens een dienst voor met de mededeling van de opdrachtgever dat die dienst zinloos is. Welk nut heeft het dan nog? Alleen liefde en waardering voor de Opdrachtgever Zelf en een helder zicht op Zijn belangen kan dan voor de nodige motivatie zorgen.

Jeremia moet niet alleen spreken, hij moet ook roepen. Er zal echter geen antwoord komen. Deze apathie is vreselijk voor iemand die Gods Woord brengt aan een volk dat hij liefheeft en zo graag terug wil brengen aan Gods hart.

Jeremia moet dan ook de conclusie aan het volk voorhouden dat zij niet naar de HEERE luisteren en geen vermaning aanvaarden (vers 2828Zeg daarom tegen hen: Dit is het volk dat naar de stem van de HEERE, zijn God, niet luistert en de vermaning niet aanvaardt. De waarheid is vergaan, zij is uit hun mond uitgeroeid.). In het boek Spreuken wordt regelmatig gewezen op de dwaasheid van het verwerpen van vermaning (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 5:1212en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten,
en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,
; 13:1818Armoede en schande zijn er voor wie vermaning verwerpt,
maar wie bestraffing in acht neemt, zal geëerd worden.
; 15:5,10,325Een dwaas verwerpt de vermaning van zijn vader,
maar wie de bestraffing in acht neemt, is schrander.10Vermaning is onaangenaam voor wie het pad verlaat,
[en] wie bestraffing haat, zal sterven.32Wie vermaning verwerpt, veracht zijn leven,
maar wie naar bestraffing luistert, verwerft verstand.
)
. De tucht heeft geen effect gehad. Het is een verschrikkelijke constatering, maar de waarheid is vergaan en komt niet meer over hun lippen. Er is bij hen alleen huichelarij en onoprechtheid. Ze zijn gevangen in de leugen, zonder de wens eruit bevrijd te worden.


Klaagzang over de verlatenheid van Juda

29Scheer uw gewijde [hoofdhaar] af en werp [het] weg.
Hef op de kale hoogten een klaaglied aan,
want de HEERE heeft verworpen en verlaten
de generatie van Zijn verbolgenheid.
30Want de Judeeërs hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE, zij hebben hun afschuwelijke [afgoden] opgesteld in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zodat zij dat verontreinigen. 31En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen. 32Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat het niet meer Tofet of het dal Ben-Hinnom zal genoemd worden, maar Moorddal. Men zal in Tofet begraven, omdat er nergens [anders] plaats zal zijn. 33De dode lichamen van dit volk zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde, en niemand zal [ze] schrik aanjagen. 34En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.

Het volk wordt opgeroepen zich kaal te scheren (vers 2929Scheer uw gewijde [hoofdhaar] af en werp [het] weg.
Hef op de kale hoogten een klaaglied aan,
want de HEERE heeft verworpen en verlaten
de generatie van Zijn verbolgenheid.
)
. Het lange haar van de vrouw – het gaat hier om ‘de dochter van Sion’ – is haar eer, haar sieraad, en geeft haar toewijding aan de man, hier aan de HEERE, aan (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Als ze het afknipt, is dat een schande voor haar (1Ko 11:6b6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.). Die schande moet het volk dragen. Het volk moet het haar afscheren en daarmee het uiterlijke teken van toewijding aan de HEERE verwijderen en wegwerpen. Uiterlijke toewijding heeft alleen waarde als het de weergave van de gezindheid van het hart is. Het is duidelijk geworden dat het volk in niets meer aan de HEERE toegewijd is, maar zich in tegendeel totaal van de HEERE heeft verwijderd.

In Israël kan ieder die zich voor een bepaalde tijd als Nazireeër aan de HEERE toewijden. Als uiterlijk teken moet hij dan zijn haar laten groeien (Nm 6:55Alle dagen van de gelofte van zijn nazireeërschap mag geen scheermes over zijn hoofd gaan. Totdat de dagen waarvoor hij zich aan de HEERE gewijd had, voorbij zijn, moet hij heilig zijn [en] de haarlokken van zijn hoofd lang laten groeien.). De HEERE wil dat Zijn hele volk zich aan Hem toewijdt. Maar Jeruzalem moet kaalgeschoren worden omdat zij zich heeft verontreinigd. Ze moet niet doen alsof ze de HEERE toegewijd is. De stad is niet toegewijd aan God en is geen sieraad meer voor Hem.

Jeremia krijgt de opdracht om erover te klagen dat de HEERE Jeruzalem heeft verworpen en verlaten omdat de stad Hem met haar gedrag heeft verbolgen. Er zijn meerdere aanleidingen voor die verbolgenheid. Eerst is daar het kwaad van de afschuwelijke afgoden die de Judeeërs in de tempel, “het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen”, hebben opgesteld (vers 3030Want de Judeeërs hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE, zij hebben hun afschuwelijke [afgoden] opgesteld in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zodat zij dat verontreinigen.). God is in Zijn eer aangetast. Het volk heeft Hem getart door in Zijn huis gruwelen te plaatsen en Zijn huis op de grofste wijze te verontreinigen (2Kn 21:55Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.; 23:4-74Toen gaf de koning opdracht aan de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters om alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en heel het leger aan de hemel gemaakt waren, uit de tempel van de HEERE naar buiten te brengen. Hij verbrandde dat [alles] buiten Jeruzalem, in de velden van de Kidron, en liet het stof ervan naar Bethel dragen.5Ook zette hij de afgodspriesters af die de koningen van Juda aangesteld hadden om op de offerhoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen, evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten.6Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk.7Ook brak hij de verblijven van de schandknapen af in het huis van de HEERE, waar de vrouwen gewaden voor de Asjera weefden.). Het is werkelijk onbeschoft en diep beledigend om Hem zo aan de kant te zetten, Hem zo te schofferen. Zij doen met Zijn huis wat zij willen.

Ook daarbuiten begaan zij de grofste zonden (vers 3131En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.). Het is werkelijk afschuwelijk te moeten opmerken dat zij hun zonen en dochters niet aan God wijden, maar aan de afgoden. Dat is gebeurd tijdens de regeringen van Achaz en Manasse (2Kn 16:33maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.; 21:66Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.). Niets van dit alles heeft ook maar enige verbinding met de HEERE en wat er in Zijn hart is. Het is totaal vreemd aan Hem en aan wat Hij van Zijn volk vraagt.

Het oordeel over de afschuwelijke praktijken wordt op aangrijpende wijze door de HEERE aan Jeremia verteld. Het offerdal zal “Moorddal” worden genoemd, waar allen zullen worden begraven die door Gods oordeel zijn getroffen (vers 3232Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat het niet meer Tofet of het dal Ben-Hinnom zal genoemd worden, maar Moorddal. Men zal in Tofet begraven, omdat er nergens [anders] plaats zal zijn.). De plaats waar zij hun kinderen offeren, zal een open massagraf worden waar hun eigen dode lichamen weggeworpen zullen worden. Daar zullen ze tot voedsel zijn van roofdieren (vers 3333De dode lichamen van dit volk zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde, en niemand zal [ze] schrik aanjagen.). Dit is een ongekende smaad voor een Jood. Er zal niemand overgebleven zijn om die dieren weg te jagen als die zich aan de lichamen te goed doen (Dt 28:2626Uw dode lichaam zal voedsel zijn voor alle vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde, en niemand zal ze schrik aanjagen.).

Dan zal er geen enkel geluid van vreugde worden gehoord uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem (vers 3434En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.), die nu nog vol zijn van vreugde-uitingen voor ‘de koningin van de hemel’ (verzen 17-1817Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?18De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken.). Ook de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doet de HEERE ophouden. Bij de vreugde van een bruiloft hoort ook het gelukkige vooruitzicht van de geboorte van kinderen. Maar een volk dat zijn kinderen aan de afgoden offert, heeft elk recht op een dergelijk vreugdevol vooruitzicht verloren.

Er is geen hoop dat Juda en Jeruzalem weer bevolkt zullen worden. Elke vreugde is verdwenen, er heerst een doodse, angstaanjagende stilte, zonder uitzicht op verandering. Door de woorden “de stem van” steeds te herhalen maakt de profeet de boodschap extra indringend.


Lees verder