Jeremia
1-5 De naderende invasie 6-8 De belegering van Jeruzalem 9-15 De val van de stad 16-21 De oorzaak van het oordeel 22-30 De verschrikking van de vijand
De naderende invasie

1Breng u in veiligheid, nakomelingen van Benjamin,
uit het midden van Jeruzalem!
Blaas de bazuin in Tekoa,
geef een vuursignaal af boven Beth-Cherem!
Want er ziet onheil neer vanuit het noorden,
een grote ramp!
2Die bekoorlijke en die verwende,
Ik roei de dochter van Sion uit.
3Er komen herders naar haar toe
met hun kudden.
Zij zetten rondom tegen haar tenten op,
ieder weidt zijn stukje af.
4Verklaar haar de oorlog!
Sta op, laten we midden op de dag oprukken!
Wee ons, want de dag is [bijna] verstreken,
want de avondschaduwen worden langer.
5Sta op, laten we dan in de nacht oprukken,
laten we haar paleizen te gronde richten!

Jeremia beschrijft hier profetisch de aanstaande belegering van Jeruzalem door de legers van de koning van Babel (vers 11Breng u in veiligheid, nakomelingen van Benjamin,
uit het midden van Jeruzalem!
Blaas de bazuin in Tekoa,
geef een vuursignaal af boven Beth-Cherem!
Want er ziet onheil neer vanuit het noorden,
een grote ramp!
)
. De profeet leeft zich zozeer in de verschrikking in die komen gaat, dat hij het beschrijft alsof het al zover is. Hij ziet ze in de geest naar Jeruzalem oprukken, gereed om de stad in te nemen. De “nakomelingen van Benjamin” – Jeremia woont op het grondgebied van de stam Benjamin – die zich in Jeruzalem bevinden, worden opgeroepen zich in veiligheid te brengen en niet te vertrouwen op hun eigen kracht. Veiligheid is van het grootste belang, zeker als er onheil dreigt.

Ze moeten in Tekoa de bazuin blazen om de bewoners daar te waarschuwen. Tekoa is de geboorteplaats van Amos (Am 1:11De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.). Het is een Judese stad ongeveer achttien kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Behalve een hoorbaar waarschuwingssignaal moet er ook een zichtbaar signaal in de vorm van “een vuursignaal” gegeven worden. Dit zichtbare signaal moet boven Beth-Cherem, dat ongeveer vijf kilometer ten zuiden van Jeruzalem ligt, afgegeven worden, zodat allen die het zien het onheil kunnen ontvluchten. Het onheil “ziet … neer vanuit het noorden”, dat wil zeggen dat de legers van Babel zich daar klaarmaken om naar Jeruzalem op te trekken.

Jeruzalem is een “bekoorlijke” en “verwende” vrouw (vers 22Die bekoorlijke en die verwende,
Ik roei de dochter van Sion uit.
)
. De zorg van de HEERE heeft haar bekoorlijk gemaakt, maar ze heeft haar schoonheid misbruikt door zich als een hoer te gedragen (Ez 16:1-161Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.5Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.6Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!7Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. [Uw] borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.8Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.9Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.10Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeien[huiden], omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.11Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek.12[Ook] deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en [zette] een sierlijke kroon op uw hoofd.13Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en [voorzien van] kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.14Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.15Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, [trots] op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, [uw schoonheid] was voor hem!16U nam [een deel] van uw kleding, maakte [daarmee] voor uzelf de hoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is [zoiets] voorgekomen en het zal nooit [meer] gebeuren.). Dat heeft haar in het begin de nodige aandacht van de omringende volken opgeleverd en daardoor is ze verwend geworden. Het resultaat is dat ze zich bandeloos tegenover de HEERE is gaan gedragen. Daarom zal Hij haar uitroeien.

De stad zal alles kwijtraken door herders die met hun kudden alles afgrazen (vers 33Er komen herders naar haar toe
met hun kudden.
Zij zetten rondom tegen haar tenten op,
ieder weidt zijn stukje af.
)
. Ze zijn een beeld van de vijand die tegen haar zal optrekken en niets van haar schoonheid zal overlaten. De vijandelijke legeraanvoerders, “de herders”, zullen met hun soldaten, “hun kudden”, hun tenten rondom Jeruzalem opslaan. Iedere aanvoerder zal daarbij zijn tenten opslaan op een stukje van het land. Dat zal daardoor volledig bedekt zijn met tenten en minutieus afgeweid worden, waardoor het onbruikbaar wordt voor Gods volk.

De vijand dient zich aan en verklaart de oorlog. De oorlogsverklaring is voorafgegaan door voorbereidingen en wordt gevolgd door het beginnen van de oorlog. Hun taal toont haast en ongeduld aan en de dorst naar verwoesting. Op klaarlichte dag wil hij oprukken (vers 44Verklaar haar de oorlog!
Sta op, laten we midden op de dag oprukken!
Wee ons, want de dag is [bijna] verstreken,
want de avondschaduwen worden langer.
)
. Dan blijkt dat de dag toch sneller verstrijkt dan gedacht. Dat is een tegenvaller. Dan moeten ze maar in de nacht oprukken (vers 55Sta op, laten we dan in de nacht oprukken,
laten we haar paleizen te gronde richten!
)
.

Zo verstrijkt voor Jeruzalem de dag dat de aanval dreigt en is er vrees voor de nacht, omdat de stad dan zal worden aangevallen. De soldaten zijn vol van oorlogswoede en niet tegen te houden. Ze zien de buit voor zich. In de nacht worden de paleizen, dat zijn de herenhuizen, verwoest. De gerieflijke woningen van de mensen die zich aan het leven te goed hebben gedaan, worden te gronde gericht.


De belegering van Jeruzalem

6Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Hak bomen om, werp tegen Jeruzalem een belegeringsdam op.
Dit is de stad die gestraft zal worden, enkel onderdrukking is in haar midden!
7Zoals een bron zijn water opwelt,
zo welt zij haar slechtheid op.
Geweld en verwoesting wordt in haar gehoord,
voor Mijn aangezicht is voortdurend ziekte en plaag.
8Laat u straffen, Jeruzalem,
anders zal Mijn ziel zich van u losrukken,
anders zal Ik een woestenij van u maken,
een onbewoond land!

Jeruzalem wordt belegerd omdat de HEERE van de vijandelijke legermachten dat heeft bevolen (vers 66Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Hak bomen om, werp tegen Jeruzalem een belegeringsdam op.
Dit is de stad die gestraft zal worden, enkel onderdrukking is in haar midden!
)
. De legers van de vijand zijn in feite Zijn legers. Het bevel om bomen om te hakken en daarmee een belegeringsdam tegen Jeruzalem op te werpen komt van Hem. Hij zendt Zijn legers omdat de stad gestraft moet worden vanwege de onderdrukking die in haar midden is. Met nadruk wordt de vijand erop gewezen dat dit de stad is die gestraft moet worden. Die stad moet hij aanvallen.

De reden volgt. Er is namelijk “enkel onderdrukking … in haar midden”. Hiermee wordt het gedrag van de leiders bedoeld, die het volk verdrukten om er zelf beter van te worden. Dit grote kwaad zien we vandaag als er in een plaatselijke gemeente gelovigen door leiders onderdrukt worden, als er wetten wordt opgelegd of als er absolute gehoorzaamheid aan de leiders wordt geëist.

De slechtheid van de stad wordt niet slechts hier en daar gezien in iemand die kwaad doet. Het is een slechtheid die als een alledaagse gewoonte door de hele stad geproduceerd wordt (vers 77Zoals een bron zijn water opwelt,
zo welt zij haar slechtheid op.
Geweld en verwoesting wordt in haar gehoord,
voor Mijn aangezicht is voortdurend ziekte en plaag.
)
. Zoals een bron onophoudelijk en onstuitbaar water opwelt, zo welt uit de stad onophoudelijk een niet te stuiten stroom van “slechtheid” op. Waar je ook maar in de stad luistert, je hoort overal niets anders dan “geweld en verwoesting”. De verdorven bron van dit alles is het hart, dat ver van de HEERE verwijderd is. De HEERE ziet de gevolgen daarvan. Er is in de stad “voortdurend ziekte en plaag” als resultaat van het geweld en de verwoesting die er gepleegd worden.

In Zijn grote geduld spreekt de HEERE nog een keer uit dat Hij Jeruzalem wil vergeven als zij zich laten straffen, wat betekent dat ze Zijn tucht aanvaarden (vers 88Laat u straffen, Jeruzalem,
anders zal Mijn ziel zich van u losrukken,
anders zal Ik een woestenij van u maken,
een onbewoond land!
)
. Hij roept hen als het ware toe dat ze zich toch laten straffen, dat ze inzien dat Hij hen door hen te straffen wil corrigeren. Als ze niet luisteren, moet Zijn ziel zich van hen losrukken. Het woord “losrukken” geeft wel aan hoe onwillig de HEERE is om de verbinding met Zijn volk te verbreken. Hieruit spreekt Zijn innige verbondenheid met de stad. Maar als ze zich niet onder Zijn tucht buigen en tot Hem terugkeren, dan moet Hij hen wel tot een woestenij en een onbewoond land maken.


De val van de stad

9Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zij zullen het overblijfsel van Israël
als een wijnstok nauwkeurig nalopen.
Laat uw hand terugkeren
als een druivenplukker langs de ranken.
10Tegen wie zal ik spreken,
en [wie] zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?
Zie, onbesneden is hun oor,
zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan,
zie, het woord van de HEERE is hun
tot smaad, ze vinden er geen vreugde in.
11Daarom ben ik vol van de grimmigheid van de HEERE,
ik ben het moe [haar] in te houden.
Giet haar dan uit over de kleine kinderen op straat,
over de kring van de jongemannen bij elkaar.
Ja, ook de man zal met de vrouw gevangen worden genomen,
de oudere met de hoogbejaarde.
12Hun huizen zullen overgaan in [de handen] van anderen,
samen met de akkers en de vrouwen,
want Ik zal Mijn hand uitstrekken
tegen de inwoners van dit land,
spreekt de HEERE.
13Want van hun kleinste tot hun grootste,
ieder van hen is uit op winstbejag.
Van profeet tot priester
pleegt ieder van hen bedrog.
14Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen:
Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
15Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.

De HEERE vergelijkt “het overblijfsel van Israël”, dat zijn Juda en Benjamin, met een wijngaard (vers 99Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zij zullen het overblijfsel van Israël
als een wijnstok nauwkeurig nalopen.
Laat uw hand terugkeren
als een druivenplukker langs de ranken.
; Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. Hij zegt als “de HEERE van de legermachten” dat de vijand na het oordeel nog een keer het land zal doorgaan, zoals een druivenplukker nog eens door de wijngaard gaat om te zien of er nog ergens druiven zijn blijven hangen. Beeldend wordt voorgesteld hoe de hand van de druivenplukker langs de ranken gaat. Rank na rank zoekt hij af of er nog ergens een vergeten druif hangt. Zo zal de vijand Jeruzalem uitkammen in een nalezing die ertoe zal voeren dat wie aan het oordeel is ontkomen, alsnog wordt weggevoerd of omgebracht.

Jeremia vraagt zich af tegen wie hij zal spreken (vers 1010Tegen wie zal ik spreken,
en [wie] zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?
Zie, onbesneden is hun oor,
zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan,
zie, het woord van de HEERE is hun
tot smaad, ze vinden er geen vreugde in.
)
. Is er nog wel iemand die luistert naar het woord van de HEERE dat hij spreekt? Zijn woorden lijken geen enkele uitwerking te hebben. De oorzaak daarvan is dat het oor van het volk onbesneden is, evenals hun hart (Jr 4:44Besnijd u voor de HEERE
en doe de voorhuid van uw hart weg,
mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem;
anders zal Mijn grimmigheid uitslaan als een vuur
en branden zonder dat iemand kan blussen,
vanwege uw slechte daden.
; Hd 7:5151Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u.)
. Ze willen niet luisteren, want ze willen zichzelf niet veroordelen. Hun oren zijn verstopt door de vuiligheid van de zonde. Vervolgens stoppen ze ook nog hun vingers in de oren Ze kunnen het Woord niet horen en ze willen het Woord niet horen.

Het woord van de HEERE wordt door hen versmaad, dat wil zeggen bespottelijk gemaakt en veracht. Een dergelijke reactie doet zowel de HEERE als de profeet pijn. Het volk vindt geen vreugde in het woord van de HEERE, het heeft niets aantrekkelijks voor hen, er zit voor hen geen smaak aan. De oorzaak daarvan is dat ze nooit de kracht ervan in hun hart en geweten hebben gevoeld. Hoe heel anders is dat bij Jeremia en bij hen die opnieuw geboren zijn (Jr 15:1616[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
; Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
; 1Pt 2:2-32Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;3als u geproefd hebt dat de Heer goedertieren is,)
.

De volkomen onverschillige en zelfs smadelijke houding van het volk tegenover het woord van de HEERE bewerkt bij Jeremia grote verontwaardiging (vers 1111Daarom ben ik vol van de grimmigheid van de HEERE,
ik ben het moe [haar] in te houden.
Giet haar dan uit over de kleine kinderen op straat,
over de kring van de jongemannen bij elkaar.
Ja, ook de man zal met de vrouw gevangen worden genomen,
de oudere met de hoogbejaarde.
)
. Hij is vervuld van de grimmigheid die ook bij de HEERE aanwezig is over een dergelijke opstelling van Zijn volk. Jeremia heeft die grimmigheid willen inhouden, maar dat lukt hem niet langer. Hij predikt het onheil niet omdat hij dat zo graag doet, maar als ze dan zo afvallig zijn, moet het oordeel maar komen.

Jeremia krijgt dan van de HEERE de opdracht om Zijn grimmigheid over de hele bevolking uit te gieten. Het oordeel moet komen over
1. de op straat spelende “kleine kinderen”,
2. over “de jongemannen” die in een kring bij elkaar staan en elkaar vermaken,
3. over “de man” en “de vrouw”,
4. over “de oudere met de hoogbejaarde”.
Alle bevolkingsgroepen, in elke leeftijdscategorie en in alle samenstellingen, van jong tot oud, vallen onder het oordeel van de wegvoering in ballingschap, omdat het verderf bij iedereen aanwezig is.

Het oordeel komt ook over hun huizen en hun akkers en hun vrouwen (vers 1212Hun huizen zullen overgaan in [de handen] van anderen,
samen met de akkers en de vrouwen,
want Ik zal Mijn hand uitstrekken
tegen de inwoners van dit land,
spreekt de HEERE.
)
. Akkers en vrouwen worden in één adem genoemd, alsof vrouwen ook ‘bezit’ zijn. Alles gaat over in de handen van anderen, dat wil zeggen van de vijand, de Babyloniërs. Zij worden de nieuwe eigenaars. Dat zal gebeuren omdat de HEERE Zijn hand in toorn tegen Zijn volk uitstrekt. Het uitstrekken van Zijn hand betekent dat Hij daadwerkelijk ingrijpt en Zijn macht openbaart. Dit is waar Mozes voor heeft gewaarschuwd (Dt 28:3030Met een vrouw zult u in ondertrouw gaan, maar een andere man zal met haar slapen; een huis zult u bouwen, maar er niet in wonen; een wijngaard zult u planten, maar de vrucht ervan niet eten.).

De toorn van God wordt opgewekt door de handelwijze van het hele volk. Van de jongste tot de voornaamste zijn ze alleen maar uit op winst (vers 1313Want van hun kleinste tot hun grootste,
ieder van hen is uit op winstbejag.
Van profeet tot priester
pleegt ieder van hen bedrog.
)
. De begeerte naar meer beheerst hen. De profeet en de priester doen daar even hard aan mee. In plaats van het volk voor te houden wat de HEERE graag wil, pleegt ieder van hen bedrog om ook maar zoveel mogelijk geld in bezit te krijgen.

Ze bedriegen het volk door niet de ware oorzaak – de zonde – aan te tonen van de breuk die met de HEERE is ontstaan. In plaats daarvan moedigen ze de boosdoeners aan voort te gaan met zondigen door hun vrede te verkondigen (vers 1414Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen:
Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
; vgl. Mi 3:55Zo zegt de HEERE
tegen de profeten die Mijn volk misleiden,
die, [als] zij met hun tanden [kunnen] bijten,
vrede verkondigen.
Wie hun echter niets in hun mond geeft,
aan hem verklaren zij de oorlog.
; 1Th 5:33Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.)
. Dit is wel een heel gemakkelijke genezing van de breuk. Het is zoiets als een kankergezwel bedekken met een pleister. Het is dan ook geen echte genezing. Het is het valse optimisme van de zonde. Er is helemaal geen vrede. Er is integendeel de dreiging van de komst van een wrede vijand.

Maakt het ook nog enige indruk op hen als ze met hun daden worden geconfronteerd (vers 1515Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
? Nee hoor. Er is geen enkel schaamtegevoel bij hen om wat ze hebben gedaan. Ze begaan het grofste kwaad zonder daarbij of daarvan de geringste blos van schaamte op hun gezicht te krijgen (Jr 8:1212Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich zelfs niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,
ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
. Totale ongevoeligheid met betrekking tot hun zonden kenmerkt hen. Daardoor staan ze niet open voor de boodschap van de waarheid. Daarom komt op Gods tijd Zijn oordeel over hen.


De oorzaak van het oordeel

16Zo zegt de HEERE:
Ga staan op de wegen, en zie,
vraag naar de aloude paden,
waar toch de goede weg is, en bewandel die.
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.
Maar zij zeggen: Wij bewandelen [die] niet.
17Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
18Daarom, heidenvolken, luister,
weet, gemeenschap,
wat er onder hen [leeft]!
19Luister, aarde,
zie, Ik breng onheil
over dit volk.
[Dat is] de vrucht van hun gedachten.
Want op Mijn woorden hebben zij geen acht geslagen,
en Mijn wet, die hebben zij verworpen.
20Waarom zou voor Mij wierook uit Sjeba moeten komen
en de beste kalmoes uit een ver land?
Uw brandoffers zijn [Mij] niet welgevallig,
en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.
21Daarom, zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga dit volk
struikelblokken geven waarover zij zullen struikelen:
de vaders samen met de zonen,
de buurman met zijn naaste, zij zullen omkomen.

Er is een weg om aan alle aangekondigde rampspoed te ontkomen. Dat is door te gaan “staan op de wegen” en te vragen “naar de aloude paden” (vers 1616Zo zegt de HEERE:
Ga staan op de wegen, en zie,
vraag naar de aloude paden,
waar toch de goede weg is, en bewandel die.
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.
Maar zij zeggen: Wij bewandelen [die] niet.
)
. De oproep is eerst om te gaan staan op de wegen die ze nu gaan, om te zien of dat wegen zijn waarlangs de HEERE hen leidt, of dat het eigen wegen zijn (vgl. Kl 3:4040Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, /nun/
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
)
. Als ze eerlijk zijn, zullen ze zeggen dat het eigen wegen zijn. Dan volgt de oproep om “naar de aloude paden” te vragen (vgl. Jb 8:88Want doe toch navraag bij de vorige generatie,
bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen.
; 22:1515Blijf je je houden aan het eeuwenoude pad
dat de onrechtvaardige mensen betreden hebben?
; Dt 32:77Denk aan de dagen van vroeger tijd;
let op de jaren van generatie op generatie.
Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen,
[vraag het] uw oudsten, zij zullen het u zeggen.
)
. Dat zijn de paden waarlangs de HEERE de vaderen heeft geleid, de paden die aangewezen worden door de goede aanwijzingen en oude wetten die de HEERE hun tot hun zegen heeft gegeven (vgl. 2Kr 17:3-43De HEERE was met Josafat, want hij ging in de vroegere wegen van zijn vader David, en hij zocht de Baäls niet,4maar hij zocht de God van zijn vader, en ging in Zijn geboden, en [deed] niet zoals Israël deed.).

Het gaat erom dat er met het hart aan de HEERE wordt gevraagd om hun Zijn wil bekend te maken. De oprechtheid van het vragen naar die paden zal hen ertoe brengen te gaan luisteren naar de heilige Schrift. Daarin zullen ze de wil van de HEERE ontdekken over de weg die Hij wil dat ze gaan. Wat dan nog moet gebeuren, is de ontdekte weg bewandelen. Het gevolg daarvan zal zijn dat ze rust vinden voor hun ziel. Het gaan van de weg van de Heer geeft innerlijke rust en blijdschap. Daarin is ook begrepen vrede, welvaart, veiligheid, een geordend leven.

In het Nieuwe Testament worden we ook steeds opgeroepen terug te keren naar het woord van de apostelen (2Pt 3:22opdat u terugdenkt aan de woorden die tevoren door de heilige profeten gesproken zijn en aan het gebod van de Heer en Heiland, door uw apostelen [verkondigd].; Jd 1:1717Maar u, geliefden, denkt terug aan de woorden die tevoren zijn gesproken door de apostelen van onze Heer Jezus Christus,). Het is niet terug naar de traditie of de vaderen, maar naar het Woord van God. Het gaat om de paden van de vaderen voor zover ze in overeenstemming met Gods Woord zijn. Wie in gehoorzaamheid aan Gods Woord achter de Heer aangaat, vindt rust voor zijn ziel (Mt 11:29-3029Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;30want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.). Dat zegt de Heer Jezus. Wie dat doet, wordt door de omgeving, vooral door de naamchristenen, met medelijden bezien en ouderwets genoemd, zelfs enghartig. Maar wie deze weg gaat, vindt rust voor zijn ziel die alle moderne wegen niet kunnen geven.

Helaas is de reactie van het volk dat ze die weg niet bewandelen. Het is een bewuste keus. Ze weigeren die weg te gaan. Zelfs als de HEERE hen indringend waarschuwt door Zijn wachters, dat zijn Zijn profeten, zeggen ze dat ze er geen acht op slaan (vers 1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
)
. Ze houden zich doof voor de roepstem van de HEERE Die hen op de goede weg wil brengen om hen te zegenen.

Als het volk dan zo onwillig is om naar de HEERE te luisteren, spreekt Hij tot de heidenen en heel de aarde dat Hij Zijn volk zal straffen voor hun afwijzen van Hem (verzen 18-1918Daarom, heidenvolken, luister,
weet, gemeenschap,
wat er onder hen [leeft]!
19Luister, aarde,
zie, Ik breng onheil
over dit volk.
[Dat is] de vrucht van hun gedachten.
Want op Mijn woorden hebben zij geen acht geslagen,
en Mijn wet, die hebben zij verworpen.
)
. Wat Hij over hen brengt, hebben ze over zichzelf afgeroepen, het is “de vrucht van hun gedachten”. Hier blijkt nog eens dat de misdaden en zonden van het volk geen opwellingen zijn, maar de uitwerking van weloverwogen innerlijk overleg. Een mens is wat hij denkt. In hun gedachten is geen plaats voor God. Daarom hebben ze op Gods woorden geen acht geslagen en hebben ze Zijn wet verworpen.

De HEERE vraagt Zich af of er nog enige reden is om het reukwerk dat ze Hem brengen van hen aan te nemen (vers 2020Waarom zou voor Mij wierook uit Sjeba moeten komen
en de beste kalmoes uit een ver land?
Uw brandoffers zijn [Mij] niet welgevallig,
en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.
)
. De ingrediënten voor hun reukwerk als symbool van hun aanbidding zijn kostbaar omdat ze van een ver land komen. Maar voor de HEERE is het waardeloos. Als zij zo tegenover Hem staan, als hun hart zo ver van Hem verwijderd is, kan Hij er niets mee. Hij wil het helemaal niet. Een puur uiterlijke dienst is walgelijk voor hem (vgl. Js 1:11-1311Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
; Jr 7:21-2321Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees,22want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin [iets] geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers.23Maar deze zaak heb Ik hun geboden: Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.; Hs 6:66Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer,
in kennis van God meer dan in brandoffers!
; Am 5:21-2721Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.25Hebt u Mij slachtoffers en graanoffers gebracht
in de woestijn, veertig jaar [lang], huis van Israël?26U hebt Sikkut, uw koning, rondgedragen,
en Kewan, uw beelden,
de sterren, uw goden, die u voor uzelf hebt gemaakt!27Daarom zal Ik u in ballingschap voeren,
verder dan Damascus, zegt de HEERE;
God van de legermachten is Zijn Naam.
; Mi 6:6-86Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn [moeder]schoot voor de zonde van mijn ziel?8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
)
. Ook hun brandoffers en slachtoffers zijn Hem niet welgevallig en aangenaam. Hun aanbidding wordt door Hem niet aanvaard als er geen gehoorzaamheid aan Hem is (1Sm 15:2222Maar Samuel zei:
Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen.
)
.

Een verdorven aanbidding zal tot struikelblokken leiden die de HEERE in de weg legt van hen die naar Hem toe komen en waardoor zij zullen omkomen (vers 2121Daarom, zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga dit volk
struikelblokken geven waarover zij zullen struikelen:
de vaders samen met de zonen,
de buurman met zijn naaste, zij zullen omkomen.
)
. In het licht van de volgende verzen kunnen we daarbij denken aan een vijand die het land binnenvalt en hun alle vrijheid ontneemt. Het kwaad van een huichelachtige aanbidding wordt in de families, “de vaders samen met de zonen”, en in de samenleving, “de buurman met zijn naaste”, gevonden. De HEERE veroorzaakt hun val niet, dat doen zij zelf.


De verschrikking van de vijand

22Zo zegt de HEERE:
Zie, een volk komt uit het land in het noorden,
een grote natie zal opgewekt worden van de uithoeken van de aarde.
23Boog en werpspies grijpen zij vast,
meedogenloos is het, zij zullen geen medelijden hebben.
Hun geluid bruist als de zee,
en zij rijden op paarden,
als mannen opgesteld voor de strijd
tegen u, dochter van Sion.
24Wij hebben het gerucht over hem gehoord, wij hebben de moed verloren,
benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende [vrouw].
25Trek het veld niet in, ga de weg niet op,
want daar is het zwaard van de vijand, angst van rondom.
26Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
27Ik heb u aangesteld [tot] keurmeester onder Mijn volk, [tot] een vesting,
opdat u hun weg zou kennen en beproeven.
28Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,
zij gaan rond met lasterpraat, [als] koper en ijzer zijn ze,
verdervers zijn het, allemaal.
29De blaasbalg is verbrand,
het lood is door het vuur vergaan,
tevergeefs heeft [de smelter] zo ijverig gesmolten,
want de slechten zijn niet uitgezuiverd.
30Verworpen zilver noemt men hen,
want de HEERE heeft hen verworpen.

De HEERE voorzegt dat het afvallige volk zal worden overrompeld door een meedogenloos volk uit het noorden, dat is Babel (verzen 22-2322Zo zegt de HEERE:
Zie, een volk komt uit het land in het noorden,
een grote natie zal opgewekt worden van de uithoeken van de aarde.
23Boog en werpspies grijpen zij vast,
meedogenloos is het, zij zullen geen medelijden hebben.
Hun geluid bruist als de zee,
en zij rijden op paarden,
als mannen opgesteld voor de strijd
tegen u, dochter van Sion.
)
. Zonder enig medelijden zullen ze dood en verderf om zich heen zaaien. De onstuimigheid waarmee ze komen aanstormen, lijkt op het bruisen van de zee, waarvan de ene golf op de andere volgt. Zo gaat het onophoudelijk door. Deze opeenvolging van golven is door geen enkele menselijke macht tegen te houden. Ze rijden op paarden, wat de snelheid van hun komst onderstreept. De mannen zijn opgesteld voor de strijd, wat aangeeft dat ze doelgericht te werk gaan. Het is allemaal gericht tegen “de dochter van Sion”, wat aangeeft dat Jeruzalem een begerenswaardig doelwit voor de aanstormende vijand is.

Alleen al het gerucht van de komst van deze vijand veroorzaakt paniek en verlamming, een totale ontzetting (vers 2424Wij hebben het gerucht over hem gehoord, wij hebben de moed verloren,
benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende [vrouw].
)
. Alle moed zinkt hun in de schoenen. De keel wordt door angst dichtgeknepen. Ze voelen zich als een barende vrouw. Er is veel smart die niet kan worden tegengehouden of ongedaan gemaakt kan worden. Vluchten heeft geen zin, want het zwaard van de vijand is overal (vers 2525Trek het veld niet in, ga de weg niet op,
want daar is het zwaard van de vijand, angst van rondom.
)
. Waar men ook maar kijkt, overal zijn vijanden. Er is letterlijk “angst van rondom”.

In vers 2626Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
spreekt de HEERE tot Zijn volk. Hij roept op tot rouwen en een rouwklacht met het oog op de komst van de verwoester (vgl. Jn 3:88Mens en dier moeten in rouwgewaden gehuld zijn en met kracht tot God roepen. Zij moeten zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan zijn handen kleeft.). Hun rouwklacht moet zo diepgaand zijn, als betrof het de dood van een enig kind. De smart over de dood van een kind is groot, de smart over een enig kind is uitermate groot, omdat daarmee alle hoop op voortzetting van het geslacht verloren is gegaan. Daarom moet het ook “een zeer bittere rouwklacht” zijn. In deze diepe rouw vereenzelvigt Jeremia zich met zijn volk. Dat zien we aan het woord “ons”.

De HEERE sluit daarop aan (vers 2727Ik heb u aangesteld [tot] keurmeester onder Mijn volk, [tot] een vesting,
opdat u hun weg zou kennen en beproeven.
)
. Hij heeft Jeremia aangesteld als iemand die geheel met het volk vereenzelvigd is om het te keuren. Zijn omgang met de HEERE stelt hem in staat de weg van het volk te kennen en te beproeven, zoals de HEERE die kent. Dat veronderstelt zorgvuldig en soms langdurig onderzoek. Het oordeel wordt dus niet plotseling, in een opwelling van toorn uitgesproken, maar na zeer nauwkeurig onderzoek. Tevens heeft Hij hem voor hen tot een vesting gemaakt (vgl. Jr 1:18-1918Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
)
. Dat wil zeggen dat wie naar Jeremia luistert, veilig zal zijn.

De conclusie van keurmeester Jeremia is dat zijn volksgenoten van alle afvalligen de ergste zijn (vers 2828Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,
zij gaan rond met lasterpraat, [als] koper en ijzer zijn ze,
verdervers zijn het, allemaal.
)
. Dit betreft hun houding tegenover de HEERE. Dat heeft gevolgen voor hun verhouding tot hun volksgenoten. Ze lasteren de Naam van de HEERE met ongekende hardheid, “koper en ijzer”, en verderven wat goed is. Wat de HEERE ook heeft geprobeerd om door Zijn oordelen Zijn volk van hun boze weg te laten terugkeren, het is allemaal tevergeefs geweest (vers 2929De blaasbalg is verbrand,
het lood is door het vuur vergaan,
tevergeefs heeft [de smelter] zo ijverig gesmolten,
want de slechten zijn niet uitgezuiverd.
)
.

De blaasbalg kunnen we zien als een beeld van de middelen die de HEERE heeft gebruikt om Zijn volk tot inkeer te brengen. Daarbij kunnen we denken aan het spreken van de profeten en aan de vijanden die Hij heeft gezonden. De blaasbalg is verbrand, hij werkt niet meer. Het lood is wel in het vuur geweest en de smelter heeft zijn best gedaan om het te smelten en op die manier te zuiveren, maar alle inspanning is tevergeefs: “De slechten zijn niet uitgezuiverd.”

Integendeel, er is gebleken dat het hele volk uit slechten bestaat, dat er niemand is die daarop een uitzondering is (vgl. Jr 5:11Trek rond door de straten van Jeruzalem,
kijk toch en let op,
zoek op zijn pleinen,
of u iemand vindt,
of er een is die recht doet,
[een] die betrouwbaarheid nastreeft,
dan zal Ik [Jeruzalem] vergeven.
)
. Er zijn dus geen slechten af te scheiden, want er zijn geen goeden. Het volk is in zijn geheel een onedel metaal. Jeremia komt tot de conclusie dat de HEERE hen allemaal als ongezuiverd zilver, als waardeloos metaal, moet wegwerpen (vers 3030Verworpen zilver noemt men hen,
want de HEERE heeft hen verworpen.
)
. De HEERE kan niet anders, hun onverbeterlijkheid verplicht Hem daartoe.


Lees verder