Jeremia
Inleiding 1-11 De val van Jeruzalem 12-30 Gevolgen van de val van Jeruzalem 31-34 Jojachin vriendelijk behandeld
Inleiding

Dit hoofdstuk is een historische aanvulling op het boek Jeremia. Het vertelt
1. over de val van Jeruzalem,
2. wat de Babyloniërs hebben gedaan met de tempel en zijn gereedschap,
3. hoe Nebukadnezar Zedekia, Jojachin en andere ambtenaren behandelt en
4. het aantal Joden dat in ballingschap is gevoerd.

Het doel van het hoofdstuk is te laten zien hoe Jeremia’s profetieën zijn vervuld, in tegenstelling tot die van de valse profeten (Jr 27:16-2216Ook tot de priesters en heel dit volk sprak ik: Zo zegt de HEERE: Luister niet naar de woorden van uw profeten, die tegen u profeteren: Zie, de voorwerpen van het huis van de HEERE worden nu snel uit Babel teruggebracht, want zij profeteren u leugen.17Luister niet naar hen. Dien de koning van Babel, en u zult leven. Waarom zou deze stad [tot] een puinhoop worden?18Maar als zij profeten zijn en als het woord van de HEERE bij hen is, laten zij toch bij de HEERE van de legermachten erop aandringen dat de voorwerpen die in het huis van de HEERE, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem zijn overgebleven, niet in Babel terechtkomen.19Want zo zegt de HEERE van de legermachten over de pilaren, over de zee, en over de onderstellen en over de rest van de voorwerpen die in deze stad zijn overgebleven,20die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft meegenomen, toen hij Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, van Jeruzalem naar Babel in ballingschap voerde, met al de edelen van Juda en Jeruzalem –21ja, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, over de voorwerpen die [in] het huis van de HEERE, het huis van de koning van Juda en [in] Jeruzalem zijn overgebleven:22Naar Babel zullen zij gebracht worden en daar zullen ze zijn tot de dag dat Ik ernaar zal omzien, spreekt de HEERE. Dan zal Ik ze weghalen en naar deze plaats terugbrengen.; 28:1-171Het gebeurde in hetzelfde jaar, aan het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, [dat] de profeet Hananja, de zoon van Azzur, die uit Gibeon [kwam], voor de ogen van de priesters en van heel het volk in het huis van de HEERE tegen mij zei:2Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik zal het juk van de koning van Babel breken!3Binnen twee volle jaren breng Ik alle voorwerpen van het huis van de HEERE naar deze plaats terug, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht.4Ook breng Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die in Babel zijn gekomen, naar deze plaats terug, spreekt de HEERE, want Ik breek het juk van de koning van Babel.5Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja voor de ogen van de priesters en voor de ogen van heel het volk, die in het huis van de HEERE stonden,6– toen zei de profeet Jeremia: Amen, zo doe de HEERE! Moge de HEERE de woorden die u geprofeteerd hebt, bevestigen door de voorwerpen van het huis van de HEERE en door alle ballingen uit Babel terug te brengen naar deze plaats.7Maar luister toch naar dit woord, dat ik spreek ten aanhoren van u en ten aanhoren van heel het volk:8De profeten die vóór mij en vóór u vanouds geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van onheil en van pest.9[Maar] van de profeet die profeteert van vrede, als het woord van die profeet uitkomt, van die profeet zal erkend worden dat de HEERE hem in waarheid heeft gezonden.10Toen nam de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia af en brak het.11En Hananja zei voor de ogen van heel het volk: Zo zegt de HEERE: Zo zal Ik binnen twee volle jaren het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de nek van alle volken breken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia had gebroken:13Ga tegen Hananja zeggen: Zo zegt de HEERE: Jukken van hout hebt u gebroken, nu zult u in plaats daarvan jukken van ijzer maken.14Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een juk van ijzer gelegd op de nek van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel te dienen, en zij zullen hem dienen, ja, Ik heb hem ook de dieren van het veld gegeven.15Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen.16Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen afvallig te worden van de HEERE.17En de profeet Hananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand.). Het hoofdstuk is bijna identiek met 2 Koningen 24:18-25:30.


De val van Jeruzalem

1Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna. 2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had. 3Want het gebeurde vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel. 4Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan. 5Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Zedekia. 6In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had, 7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte. 8Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid. 9Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit. 10De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook [liet] hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten. 11Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.

Dit hoofdstuk beschrijft de val van Jeruzalem. God onderstreept het belang van de val door er een viervoudige beschrijving van in Zijn Woord op te nemen (Jr 39:1-141In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het.2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.3Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.4En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.6De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten.7Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.8Het huis van de koning en de huizen van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur, en de muren van Jeruzalem braken zij af.9De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar hem waren overgelopen, en de rest van het volk dat was overgebleven, voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap naar Babel.10Maar [enigen] van de armsten van het volk, die helemaal niets bezaten, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in het land Juda achter. Hij gaf hun op die dag wijngaarden en akkers.11Maar wat Jeremia betrof, had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven door de hand van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht:12Neem hem mee, houd uw ogen op hem gericht en doe hem geen enkel kwaad. Voorzeker, zoals hij tot u spreken zal, zo moet u met hem doen.13Toen stuurden Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Nebuschasban, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de bevelhebbers van de koning van Babel [boden].14Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.; 52:1-111Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had.3Want het gebeurde vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.4Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.5Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Zedekia.6In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.8Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.9Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.10De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook [liet] hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten.11Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.; 2Kn 24:18-25:3018Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.19Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had.20Want het gebeurde, vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en tegen Juda, dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.; 2Kr 36:11-2111Zedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem.12Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God, en hij vernederde zich niet voor [de ogen van] de profeet Jeremia, [die sprak] op bevel van de HEERE.13Bovendien kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem een eed had laten afleggen bij God. Hij was halsstarrig, en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.14Verder pleegden alle leiders van de priesters en het volk op grote schaal trouwbreuk, overeenkomstig alle gruweldaden van de heidenvolken. Zij verontreinigden het huis van de HEERE, dat Hij geheiligd had in Jeruzalem.15De HEERE, de God van hun vaderen, zond hun vroeg en laat [waarschuwende woorden] door de hand van Zijn boden, want Hij wilde Zijn volk en Zijn woning sparen.16Maar zij spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk, tot de grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk [zo hoog] opsteeg dat er geen genezing [meer mogelijk] was.17Toen deed Hij de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken, die hun jongemannen in het huis van hun heiligdom met het zwaard doodde. Hij spaarde de jongemannen, de meisjes, de ouderen en de stokouden niet. [God] gaf hen allen in zijn hand.18Alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van de koning en zijn vorsten: dat alles bracht hij naar Babel.19Zij verbrandden het huis van God, en braken de muur van Jeruzalem af. Ook alle paleizen van [Jeruzalem] verbrandden zij met vuur, zodat alle kostbare voorwerpen ervan te gronde werden gericht.20En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, tot het koninkrijk van Perzië ging regeren,21om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia [gesproken], te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbats[jaren]. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.). De val vindt plaats tijdens de regering van Zedekia, die elf jaar in Jeruzalem regeerde (vers 11Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.). Zijn regering is van hetzelfde boze karakter als dat van zijn broer Jojakim (vers 22Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had.) die ook elf jaar heeft geregeerd (2Kn 23:3636Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma.). Ook hij doet wat slecht is in de ogen van de HEERE.

De HEERE kan het niet langer verdragen en moet Jeruzalem en Juda verwerpen van voor Zijn aangezicht (vers 33Want het gebeurde vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.; 2Kn 23:18-2018Hij zei: Laat hem liggen, laat niemand zijn beenderen aanraken. Dus lieten zij zijn beenderen onaangeroerd, evenals de beenderen van de profeet die uit Samaria gekomen was.19Bovendien verwijderde Josia al de huizen van de [offer]hoogten die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om [de HEERE] tot toorn te verwekken; hij deed er hetzelfde mee als hij in Bethel gedaan had.20Al de priesters van de [offer]hoogten die daar waren, slachtte hij af op de altaren, en verbrandde er mensenbeenderen op. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem.). Bij al zijn boze daden voegt Zedekia nog dat hij in opstand komt tegen de koning van Babel. Hij is al een keer in Babel geweest en heeft beloofd Nebukadnezar te gehoorzamen. Die belofte heeft hij echter verbroken (Ez 17:12-1512Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?). Daarom is Nebukadnezar met heel zijn leger tegen Jeruzalem opgetrokken en belegert de stad (vers 44Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.).

De datum van zijn aankomst bij de stad wordt nauwkeurig vermeld (Ez 24:1-21Het woord van de HEERE kwam tot mij in het negende jaar in de tiende maand, op de tiende van de maand:2Mensenkind, schrijf voor uzelf de naam van de dag op, [juist] deze zelfde dag: op deze zelfde dag heeft de koning van Babel het beleg voor Jeruzalem geslagen.). De komst van Nebukadnezar is het begin van het einde van de stad. Hij belegert de stad negentien maanden lang, waardoor zij hermetisch is afgesloten (vers 55Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Zedekia.). Niemand kan erin of eruit.

Na de negentien maanden lange belegering valt de stad, op een opnieuw met datum genoemde dag (vers 66In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,). Zij is uitgehongerd. Er is geen kracht meer om te strijden. Dan wordt de stad opengebroken (vers 77werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.). Het verzet is gebroken. De mannen kunnen niet meer strijden, maar nog wel vluchten. Onder de vluchtelingen bevindt zich koning Zedekia. In de duisternis van de nacht gaan ze er vandoor. De vluchtroute wordt nauwkeurig beschreven. Ze gaan de stad uit via de poort tussen de twee muren bij de tuin van de koning. De vluchtrichting is de Vlakte.

De vluchtelingen worden echter snel achterhaald (vers 88Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.). Zedekia wordt gegrepen als hij in de vlakten van Jericho is. Zijn leger beschermt hem niet. Het wordt van hem gescheiden en verspreid en daardoor nog krachtelozer gemaakt dan het al is. Zedekia wordt naar de koning van Babel gebracht, die in Ribla is en het vonnis over hem uitspreekt (vers 99Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.). Het is een gruwelijk vonnis.

Eerst laat Nebukadnezar de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten (vers 1010De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook [liet] hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten.). Ook laat hij alle vorsten van Juda in Ribla afslachten. Met de afslachting van zijn zonen op zijn netvlies worden de ogen van Zedekia blind gemaakt (vers 1111Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.). Zo wordt de man die blind is voor de HEERE ook letterlijk blind gemaakt. Alsof dat niet genoeg is om deze goddeloze en onbetrouwbare man in bedwang te krijgen, wordt Zedekia ook nog eens met twee bronzen ketenen gebonden. Zo wordt hij meegenomen naar Babel. Daar wordt hij in de gevangenis gezet waar hij verblijft tot de dag van zijn dood.


Gevolgen van de val van Jeruzalem

12Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem. 13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur. 14Heel het leger van de Chaldeeën dat de bevelhebber van de lijfwacht bij zich had, brak alle muren rondom Jeruzalem af. 15En [enkelen] van de armsten van het volk, de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap. 16Maar [enkelen] van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, als wijnbouwers en akkerbouwers achter. 17En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel. 18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee. 19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was. 20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen. 21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol. 22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels. 23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk. 24Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee. 25En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en zeven mannen uit degenen die het aangezicht van de koning [mochten] zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man van de bevolking van het land, die binnen de stad werden aangetroffen. 26Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla. 27De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd. 28Dit is het volk dat Nebukadrezar in ballingschap heeft gevoerd: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs, 29in het achttiende [regerings]jaar van Nebukadrezar achthonderdtweeëndertig personen uit Jeruzalem. 30In het drieëntwintigste [regerings]jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen [bij elkaar]: vierduizend zeshonderd.

Nadat de stad in handen van Nebukadnezar is gevallen, stuurt hij Nebuzaradan naar Jeruzalem (vers 1212Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.). De datering gebeurt nu niet meer naar de regeringsjaren van de koningen van Israël, maar naar die van de heidense koning aan wie God de wereldheerschappij heeft gegeven en ook de heerschappij over Zijn volk. In Jeruzalem aangekomen, verbrandt Nebuzaradan alle huizen, te beginnen met het huis van de HEERE (vers 1313Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.). Daarna volgen het huis van de koning en alle andere huizen, ook die van de aanzienlijken. Al die huizen worden verwoest, omdat daarin niet meer de HEERE wordt gediend, maar de afgoden.

Verder worden de muren van de stad door het leger afgebroken (vers 1414Heel het leger van de Chaldeeën dat de bevelhebber van de lijfwacht bij zich had, brak alle muren rondom Jeruzalem af.). De bevolking van de steden wordt in ballingschap mee naar Babel gevoerd (vers 1515En [enkelen] van de armsten van het volk, de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap.). Slechts enkelen van de armsten van het platteland mogen in Juda blijven om daar als wijnbouwers en akkerbouwers voor het land te zorgen (vers 1616Maar [enkelen] van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, als wijnbouwers en akkerbouwers achter.).

In de verzen 17-2317En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk. vindt een nadere beschrijving plaats van de plundering en verwoesting van de tempel. Sommige delen worden afgebroken, terwijl andere delen worden meegenomen naar Babel. De koperen pilaren, Boaz en Jachin, worden stukgebroken, evenals de onderstellen en de koperen zee (vers 1717En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.). Al het koper ervan wordt meegenomen naar Babel. De voorwerpen voor het gebruik bij de offerdienst ondergaan hetzelfde lot (verzen 18-1918Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.). De hoeveelheid koper van de pilaren, de zee en de twaalf runderen is niet te wegen (vers 2020De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.). Om een indruk te geven van die enorme hoeveelheid koper worden de pilaren met alles wat eraan zit in detail beschreven (verzen 21-2321Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.).

Belangrijker nog is de geestelijke betekenis. Ook vandaag wordt wat als pilaren in Gods huis moet dienen, door de vijand volledig weggenomen en meegenomen. Koper is een beeld van de gerechtigheid van God. Het duidt aan dat een mens alleen voor God kan bestaan op grond van de gerechtigheid van God die hem wordt aangeboden door Wie Christus is voor God en wat Hij heeft gedaan. Dat wordt in de christenheid weggenomen door de prediking van een sociaal evangelie van medemenselijkheid en het leven op grond van eigen gerechtigheid.

Na de overgebleven voorwerpen van de tempel worden nu enkele personen meegenomen die in verbinding met de tempeldienst hebben gestaan (vers 2424Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee.). Het zijn de hogepriester, de tweede priester en drie deurwachters. Ook enkele mensen die in verbinding met het leger en de koning hebben gestaan, worden meegenomen. Het betreft een legeraanvoerder, zeven ministers, een legerambtenaar en nog zestig man van het platteland die in de stad zijn (vers 2525En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en zeven mannen uit degenen die het aangezicht van de koning [mochten] zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man van de bevolking van het land, die binnen de stad werden aangetroffen.).

De godsdienstige leiders, de strijders en de gewone mensen worden allemaal naar Nebukadnezar in Ribla gebracht (vers 2626Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.). Daar, in Ribla, in het land van Hamath, dat is Syrië, worden ze allemaal gedood (vers 27a27De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.). Het priesterschap heeft afgedaan. Alle overigen zijn in ballingschap gevoerd (vers 27b27De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.).

In de verzen 28-3028Dit is het volk dat Nebukadrezar in ballingschap heeft gevoerd: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs,29in het achttiende [regerings]jaar van Nebukadrezar achthonderdtweeëndertig personen uit Jeruzalem.30In het drieëntwintigste [regerings]jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen [bij elkaar]: vierduizend zeshonderd. wordt een opsomming gegeven van de verschillende wegvoeringen. Er zijn wegvoeringen geweest in
1. het zevende jaar, 599 v.Chr. (vers 2828Dit is het volk dat Nebukadrezar in ballingschap heeft gevoerd: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs,; 2Kr 36:9-109Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.10Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.),
2. het achttiende jaar, 588 v.Chr. (vers 2929in het achttiende [regerings]jaar van Nebukadrezar achthonderdtweeëndertig personen uit Jeruzalem.; 2Kr 36:2020En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, tot het koninkrijk van Perzië ging regeren,) en
3. het drieëntwintigste jaar, 584 v.Chr. (vers 3030In het drieëntwintigste [regerings]jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen [bij elkaar]: vierduizend zeshonderd.; vers 1212Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.),

waarbij in totaal vierduizend zeshonderd personen in ballingschap zijn gevoerd. Daniel en zijn vrienden zijn dan al in Babel. Zij zijn bij een eerder transport, rond 606 v.Chr., daarheen gebracht (Dn 1:1-61In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.2En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.3Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij [enigen] van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen,4jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, ervaren in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren om dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën.5De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid voor hen vast van de gerechten van de koning en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden, dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden bij de koning.6Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.; 2Kr 36:6-76Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en hij bond hem met twee bronzen ketenen om hem weg te voeren naar Babel.7Nebukadnezar bracht ook [een deel] van de voorwerpen van het huis van de HEERE naar Babel, en plaatste ze in zijn tempel te Babel.).


Jojachin vriendelijk behandeld

31Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de vijfentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het [eerste] jaar van zijn koningschap, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende en hem uit de gevangenis haalde. 32Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren. 33[Jojachin] legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd bij hem, al de dagen van zijn leven. 34En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning van Babel verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, tot de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven.

Na het rechtvaardige oordeel dat de HEERE door de koning van Babel over Zijn volk heeft moeten brengen, zien we nu dat Hij door diezelfde koning ook genade aan Zijn volk betoont (vers 3131Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de vijfentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het [eerste] jaar van zijn koningschap, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende en hem uit de gevangenis haalde.; 2Kn 25:27-3027Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het jaar dat hij koning werd, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende [en hem] uit de gevangenis [haalde].28Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren.29[Jojachin] legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd bij hem, al de dagen van zijn leven. 30 En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, al de dagen van zijn leven.). Jojachin heeft wel gedaan wat kwaad is in de ogen van de HEERE, maar hij heeft zich niet verzet tegen de koning van Babel. Hij heeft zich aan hem overgegeven (2Kn 24:1212Toen ging Jojachin, de koning van Juda, [de stad] uit naar de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. De koning van Babel nam hem [gevangen] in het achtste jaar van zijn regering.). Als hij zevenendertig jaar gevangen heeft gezeten, verleent de koning van Babel hem gratie. Jojachin is dan vijfenvijftig jaar.

De koning van Babel spreekt vriendelijk met hem en geeft hem een bevoorrechte plaats boven de andere koningen die hij onderworpen heeft (vers 3232Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren.). Jojachin krijgt in plaats van zijn gevangeniskleren andere kleren (vers 3333[Jojachin] legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd bij hem, al de dagen van zijn leven.). Voor de maaltijd mag hij steeds bij de koning aanschuiven. Hij is voor de rest van zijn leven zeker van zijn maaltijden en van de plaats waar hij die mag gebruiken. Alles wat hij nodig heeft om van te leven, wordt hem dagelijks door de koning van Babel gegeven (vers 3434En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning van Babel verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, tot de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven.). Het staat er in een dubbele bevestiging: het is “tot de dag van zijn dood” en “al de dagen van zijn leven”.