Jeremia
1-14 De wraak van de HEERE op Babel 15-26 De almachtige HEERE en de onmachtige afgoden 27-33 De naties bevolen 34-44 Zinloze verdediging van Babel 45-48 Israël moet Babel ontvluchten 49-53 Zekerheid van de val van Babel 54-58 De verwoesting van Babel is totaal 59-64 De opdracht aan Seraja
De wraak van de HEERE op Babel

1Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een [storm]wind opwekken die te gronde richt,
tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai.
2Ik zal op Babel wanners afsturen, zodat zij het zullen wannen
en zijn land leeghalen,
want zij zullen er van alle kanten [vijandig] tegenover staan
op de dag van het onheil.
3Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie [de boog] spant,
en tegen wie zich in zijn pantser verheft.
Spaar zijn jongemannen niet,
sla heel zijn leger met de ban.
4De gesneuvelden liggen in het land van de Chaldeeën,
wie doorstoken zijn in zijn straten.
5Want Israël noch Juda wordt als weduwe achtergelaten
door zijn God, door de HEERE van de legermachten,
al is hun land vol van schuld
tegenover de Heilige van Israël.
6Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,
word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE,
Hij vergeldt het wat het verdient.
7Babel was in de hand van de HEERE een gouden beker,
die heel de aarde dronken maakte.
Van zijn wijn hebben de volken gedronken,
daarom gedragen de volken zich als een waanzinnige.
8Plotseling is Babel gevallen en stukgebroken.
Weeklaag erover.
Haal balsem tegen zijn pijn,
misschien zal het genezen.
9Wij hebben getracht Babel te genezen, maar het is niet genezen.
Verlaat het, en laten wij gaan, ieder naar zijn land,
want het oordeel erover reikt tot aan de hemel,
het is verheven tot aan de wolken.
10De HEERE heeft onze rechtvaardige daden naar voren gebracht.
Kom, laten wij in Sion vertellen de daden van de HEERE, onze God.
11Slijp de pijlen scherp,
vul de kokers!
De HEERE heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt,
want Zijn plan met Babel is om het te gronde te richten,
want dit is de wraak van de HEERE, de wraak voor Zijn tempel.
12Hef een banier omhoog tegen de muren van Babel,
versterk de bewaking,
stel wachters op,
leg hinderlagen!
Wat de HEERE Zich immers voorgenomen heeft, zal Hij ook doen:
wat Hij gesproken heeft over de inwoners van Babel.
13U die woont aan grote wateren,
die rijk bent aan schatten,
uw einde is gekomen,
de maat van uw winstbejag.
14De HEERE van de legermachten heeft gezworen bij Zichzelf:
Al heb Ik u met mensen gevuld als [met] treksprinkhanen,
toch zal men over u de vreugderoep aanheffen.

Dit hoofdstuk vervolgt de beschrijving van het oordeel over Babel die in het vorige hoofdstuk is begonnen. De HEERE gebruikt alle mogelijke voorbeelden en woorden om te laten weten hoezeer Hij op Babel vertoornd is en wat Hij het zal aandoen. Nu spreekt Hij over een wind die Hij zal opwekken, een wind die te gronde richt (vers 11Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een [storm]wind opwekken die te gronde richt,
tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai.
)
. Die wind komt “tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai”. “Leb-Kamai” is Hebreeuws voor ‘hart van hen die tegen Mij opstaan’. Met wind kan ook geest worden bedoeld. Hij zal in Babel een boze geest geven die hen in het verderf zal storten.

Er komen wanners op Babel af, vijanden die al het kostbare uit het land zullen weghalen, terwijl ze laten liggen wat waardeloos is (vers 22Ik zal op Babel wanners afsturen, zodat zij het zullen wannen
en zijn land leeghalen,
want zij zullen er van alle kanten [vijandig] tegenover staan
op de dag van het onheil.
)
. Wannen staat ook in verbinding met de wind van vers 11Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een [storm]wind opwekken die te gronde richt,
tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai.
. Wannen gebeurt door de wind. De wind neemt dan wel het waardeloze mee en verstrooit het, terwijl wat kostbaar is, achterblijft. De vijand zal het volk als waardeloos verstrooien en zich de schatten toe-eigenen.

Hoewel de Babyloniërs met boog en pantser klaarstaan om zich te verdedigen, zal alle tegenstand meedogenloos worden neergeslagen (vers 33Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie [de boog] spant,
en tegen wie zich in zijn pantser verheft.
Spaar zijn jongemannen niet,
sla heel zijn leger met de ban.
)
. De jongemannen worden niet gespaard en heel het leger van Babel wordt met de ban geslagen. De dode lichamen liggen overal op het land en in de straten van de steden (vers 44De gesneuvelden liggen in het land van de Chaldeeën,
wie doorstoken zijn in zijn straten.
)
.

De HEERE is ook vertoornd op Israël en Juda, maar over hen zal Hij Zich ontfermen (vers 55Want Israël noch Juda wordt als weduwe achtergelaten
door zijn God, door de HEERE van de legermachten,
al is hun land vol van schuld
tegenover de Heilige van Israël.
)
. Hun land is vol van schuld, de HEERE ziet dat terdege, maar toch zal Hij aan dat volk geen einde maken, juist omdat Hij “de Heilige van Israël” is. Jesaja gebruikt deze Naam voor de HEERE vijfentwintig keer. Jeremia gebruikt die Naam hier voor de tweede en laatste keer (Jr 50:2929Laat [u] horen tegen Babel, schutters,
allen die de boog spannen.
Beleger het aan alle kanten,
laat niemand ervan ontkomen.
Vergeld het naar zijn werk,
doe het overeenkomstig alles wat het [zelf] gedaan heeft.
Want het heeft overmoedig gehandeld tegen de HEERE,
tegen de Heilige van Israël.
)
, beide keren in verbinding met het oordeel over Babel. Daarom roept Hij Zijn volk op uit Babel weg te vluchten en niet mee verdelgd te worden in zijn ongerechtigheid (vers 66Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,
word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE,
Hij vergeldt het wat het verdient.
; Jr 50:88Vlucht weg uit het midden van Babel,
uit het land van de Chaldeeën.
Ga weg, wees als bokken
voor de kudde uit!
)
. Babel krijgt van de HEERE het oordeel dat het verdient en de tijd daarvoor is nu gekomen.

Babel is door de HEERE gebruikt als een gouden beker, een beker met daarin de wijn van de grimmigheid van God (vers 77Babel was in de hand van de HEERE een gouden beker,
die heel de aarde dronken maakte.
Van zijn wijn hebben de volken gedronken,
daarom gedragen de volken zich als een waanzinnige.
)
. Nebukadnezar is het gouden hoofd (Dn 2:3838Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.), aan wie de HEERE gezag over alle volken gegeven heeft. Hij heeft Gods oordeel over de volken uitgevoerd. Elk volk heeft voor hem gebeefd. Maar aan zijn macht is een plotseling einde gekomen (vers 88Plotseling is Babel gevallen en stukgebroken.
Weeklaag erover.
Haal balsem tegen zijn pijn,
misschien zal het genezen.
)
. Hij heeft zich op zijn eigen macht beroemd en geen rekening gehouden met de HEERE.

Er is wel getracht Babel weer te helen, te genezen. Babel heeft namelijk ook veel voordelen opgeleverd. Het is een goed land geweest om in te wonen. Dat men niet meer vrij is geweest, heeft geen grote rol gespeeld. De pogingen om Babel te genezen zijn echter tevergeefs gebleken (vers 99Wij hebben getracht Babel te genezen, maar het is niet genezen.
Verlaat het, en laten wij gaan, ieder naar zijn land,
want het oordeel erover reikt tot aan de hemel,
het is verheven tot aan de wolken.
)
. Daarom zegt iedereen het tegen elkaar dat ze de gelegenheid te baat moeten nemen en naar het eigen land moeten terugkeren. Het is zinloos er nog langer te blijven, want de situatie verslechtert in plaats van dat die verbetert.

Israël zal zich bewust worden dat de HEERE voor hen is opgekomen (vers 1010De HEERE heeft onze rechtvaardige daden naar voren gebracht.
Kom, laten wij in Sion vertellen de daden van de HEERE, onze God.
)
. Ze zijn zich bewust hoe de HEERE hen ziet naar Zijn raadsbesluit. Zij zeggen ook tegen elkaar naar hun land te gaan. Ze doen dat met de bedoeling om in Sion de daden van de HEERE, hun God te vertellen. Hierin ligt de les voor ons dat het goed is om, als de Heer ons uit een benauwde situatie heeft verlost, daarover te vertellen op de plaats waar Hij woont, de plaatselijke gemeente.

De HEERE roept Zijn instrument op de pijlen te scherpen en de pijlkokers te vullen (vers 1111Slijp de pijlen scherp,
vul de kokers!
De HEERE heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt,
want Zijn plan met Babel is om het te gronde te richten,
want dit is de wraak van de HEERE, de wraak voor Zijn tempel.
)
. Hij wekt de geest van de koningen van Medië op tegen Babel. Dat past in Zijn plan om Babel te gronde te richten. Babel heeft Zijn tempel verwoest en daarvoor heeft het de wraak van de HEERE over zich afgeroepen. Hij zal weten tegen Wie hij zich heeft verheven.

De HEERE begint met het laten hijsen van de vlag, waarmee Hij aangeeft dat de overwinning is behaald nog voordat de oorlog is begonnen (vers 1212Hef een banier omhoog tegen de muren van Babel,
versterk de bewaking,
stel wachters op,
leg hinderlagen!
Wat de HEERE Zich immers voorgenomen heeft, zal Hij ook doen:
wat Hij gesproken heeft over de inwoners van Babel.
)
. Voor de strijd zelf geeft Hij bevelen om de bewaking te versterken, wachters op te stellen en hinderlagen te leggen. De zekerheid van de overwinning maakt niet overmoedig. Op deze manier zal Hij Zijn voornemen dat Hij heeft uitgesproken ook uitvoeren.

Babel woont aan grote wateren (vers 1313U die woont aan grote wateren,
die rijk bent aan schatten,
uw einde is gekomen,
de maat van uw winstbejag.
)
, dat wil zeggen dat hij over veel volken heerst (Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.). Babel is ook rijk. Die rijkdom heeft hij verkregen door ongebreidelde hebzucht. Zijn macht en rijkdom zijn echter waardeloos als bescherming tegen Gods oordeel. Babel heeft het aan de HEERE van de legermachten te danken dat het zo talrijk is geworden als een zwerm treksprinkhanen, maar hij heeft alle roem daarvoor aan zichzelf gegeven. Daarom heeft de HEERE van de legermachten bij Zichzelf gezworen dat Hij hem zal oordelen (vers 1414De HEERE van de legermachten heeft gezworen bij Zichzelf:
Al heb Ik u met mensen gevuld als [met] treksprinkhanen,
toch zal men over u de vreugderoep aanheffen.
)
. Dat zal een vreugderoep bij de onderdrukte volken teweegbrengen.


De almachtige HEERE en de onmachtige afgoden

15Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid
en spande de hemel uit door Zijn inzicht.
16Als Hij Zijn stem laat klinken, is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
17Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog: er zit in hen geen adem.
18Nietig zijn zij, bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
19[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is de Formeerder van alles,
en [Israël] is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
20U bent voor Mij een strijdhamer,
wapenrusting.
Met u zal Ik volken stukslaan,
met u zal Ik koninkrijken te gronde richten.
21Met u zal Ik het paard en zijn ruiter stukslaan,
met u zal Ik de strijdwagen en zijn ruiter stukslaan.
22Met u zal Ik man en vrouw stukslaan,
met u zal Ik oud en jong stukslaan,
met u zal Ik jongen en meisje stukslaan.
23Met u zal Ik de herder en zijn kudde stukslaan,
met u zal Ik de akkerbouwer en zijn juk [ossen] stukslaan,
met u zal Ik landvoogden en machthebbers stukslaan.
24Maar Ik zal aan Babel vergelden
en aan al de inwoners van Chaldea
al hun kwaad dat zij Sion aangedaan hebben
– voor uw ogen – spreekt de HEERE.
25Zie, Ik zál u, berg die te gronde richt, spreekt de HEERE,
[u,] die heel de aarde te gronde richt!
Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,
Ik zal u van de rotsen afrollen
en Ik zal u maken tot een berg die in brand staat.
26Zij zullen uit u geen steen halen voor een hoek
of een steen voor fundamenten,
want u zult eeuwige woestenijen worden, spreekt de HEERE.

De HEERE plaatst Zichzelf in Zijn almacht als Schepper voor Babel (vers 1515Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid
en spande de hemel uit door Zijn inzicht.
)
. De schepping heeft Hij door “Zijn kracht” tot stand gebracht, terwijl Hij daarbij met “Zijn wijsheid” en “Zijn inzicht” te werk is gegaan. De hele natuur reageert op Zijn stem (vers 1616Als Hij Zijn stem laat klinken, is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
)
. Dampen, bliksemflitsen, wind, Hij beschikt erover. Zo heeft de HEERE Zich ook eens tegenover Job opgesteld, waarna Job zich diep verootmoedigt (Jb 39:36-3836Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
37Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
38Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden;
twee keer, maar ik zal niet verdergaan.
; 42:1-61Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
2Ik weet dat U alles vermag,
en geen plan is onmogelijk voor U.
3Wie is hij, [zegt U,] die [Mijn] raad verbergt zonder kennis?
Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep,
dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.
4Luister nu, en ík zal spreken!
Ik zal U ondervragen: maak [het] mij bekend!
5[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
6Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
.

Babel heeft echter geen boodschap aan die almachtige God. Babel is een dom mens, zonder kennis van God en dus geheel zonder kennis (vers 1717Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog: er zit in hen geen adem.
)
. Een edelsmid is ook een soort schepper, maar dan van een afgodsbeeld. Maar wat een bedrog, het is een doods ding. Er zit geen adem of geest in. Een edelsmid kan alleen maar iets maken wat dood is. In het licht van Wie God is, wordt het werk van de zilversmid een nietig en bespottelijk werk (vers 1818Nietig zijn zij, bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
)
dat geen enkele bescherming biedt op de dag van het vergeldende oordeel.

Hoe geheel anders is “het Deel van Jakob”, dat is de levende HEERE (vers 1919[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is de Formeerder van alles,
en [Israël] is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Hij is de Formeerder van alles en heeft te midden daarvan een speciale betrekking met Israël dat Zijn eigendom is. Hij is de HEERE van de legermachten, dat is Zijn Naam. Hij staat boven alle hemelse en aardse machten en niemand is Hem gelijk.

Babel is voor de HEERE een strijdhamer, een wapenrusting om daarmee te strijden (vers 2020U bent voor Mij een strijdhamer,
wapenrusting.
Met u zal Ik volken stukslaan,
met u zal Ik koninkrijken te gronde richten.
)
. Babel moet zich niet verbeelden zelf iets te betekenen en zelf kracht te bezitten. Elk werk van Babel is een werk van de HEERE. De HEERE zal door Babel volken stukslaan en koninkrijken te gronde richten. Alles wat valt onder de strijdhamer van Babel, is een voorwerp van het oordeel van de HEERE. De strijdhamer van de HEERE komt neer op “het paard en zijn ruiter” en op “de strijdwagen en zijn ruiter” (vers 2121Met u zal Ik het paard en zijn ruiter stukslaan,
met u zal Ik de strijdwagen en zijn ruiter stukslaan.
)
; op “man en vrouw”, op “oud en jong” en op “jongen en meisje” (vers 2222Met u zal Ik man en vrouw stukslaan,
met u zal Ik oud en jong stukslaan,
met u zal Ik jongen en meisje stukslaan.
)
; op “de herder en zijn kudde”, op “de akkerbouwer en zijn juk [ossen]”, op “landvoogden en machthebbers” (vers 2323Met u zal Ik de herder en zijn kudde stukslaan,
met u zal Ik de akkerbouwer en zijn juk [ossen] stukslaan,
met u zal Ik landvoogden en machthebbers stukslaan.
)
. Het woord voor “stukslaan” heeft de betekenis van krachtig en intensief stukslaan, het is verpletterend stukslaan (Ex 15:66         Uw rechterhand, HEERE,
                        was heerlijk in macht;
            Uw rechterhand, HEERE,
                        verpletterde de vijand.
; Ps 2:99U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
)
.

Babel is dus een instrument in de hand van de HEERE. Maar dat betekent niet dat ze geen eigen verantwoordelijkheid hebben. Ze hebben namelijk kwaad gedaan aan Sion zonder dat de HEERE daar opdracht voor heeft gegeven (vers 2424Maar Ik zal aan Babel vergelden
en aan al de inwoners van Chaldea
al hun kwaad dat zij Sion aangedaan hebben
– voor uw ogen – spreekt de HEERE.
)
. Dat kan de HEERE niet ongestraft laten, maar zal Hij hun vergelden.

De machtige berg Babel die de hele aarde te gronde richt, zal door de HEERE geoordeeld worden (vers 2525Zie, Ik zál u, berg die te gronde richt, spreekt de HEERE,
[u,] die heel de aarde te gronde richt!
Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,
Ik zal u van de rotsen afrollen
en Ik zal u maken tot een berg die in brand staat.
)
. Hij zal Zijn hand ertegen uitstrekken, zodat hij van zijn hoge rots zal rollen. Hij zal hem met Zijn vuur in brand steken, zodat het een berg wordt die in brand staat. De verwoesting zal zo radicaal zijn, dat er niets bruikbaars overblijft dat zou kunnen dienen als grondslag voor de herbouw van de stad (vers 2626Zij zullen uit u geen steen halen voor een hoek
of een steen voor fundamenten,
want u zult eeuwige woestenijen worden, spreekt de HEERE.
)
.


De naties bevolen

27Hef een banier omhoog in het land,
blaas de bazuin onder de heidenvolken,
zet de heidenvolken in tegen [de stad],
roep tegen haar op de koninkrijken
van Ararat, Minni en Askenaz.
Stel tegen haar een legeroverste aan,
laat paarden oprukken als ruige treksprinkhanen.
28Zet de heidenvolken tegen haar in,
de koningen van Medië, zijn landvoogden
en al zijn machthebbers,
ja, heel het land van zijn heerschappij.
29Dan zal het land beven en pijn lijden,
want de gedachten van de HEERE tegen Babel staan vast,
om van het land van Babel een woestenij te maken,
zodat er geen inwoner [meer] is.
30De helden van Babel houden op met strijden,
zij blijven in de bergvestingen zitten.
Hun macht is opgedroogd, zij zijn als vrouwen geworden.
Men heeft zijn woningen in brand gestoken,
zijn grendels zijn stukgebroken.
31De [ene] ijlbode rent de [andere] ijlbode tegemoet,
de [ene] boodschapper [rent] de [andere] boodschapper tegemoet,
om de koning van Babel bekend te maken
dat zijn stad van [alle] kanten wordt ingenomen,
32[dat] de doorwaadbare plaatsen zijn bezet,
[dat] ze de rietvelden met vuur hebben verbrand
en [dat] de strijdbare mannen door schrik overmand zijn.
33Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:
De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd dat men die aanstampt.
Nog even, en dan komt voor haar de oogsttijd.

Weer luidt het woord van de HEERE de banier omhoog te heffen in het land, dat is in het land dat de aanval op Babel moet uitvoeren (vers 2727Hef een banier omhoog in het land,
blaas de bazuin onder de heidenvolken,
zet de heidenvolken in tegen [de stad],
roep tegen haar op de koninkrijken
van Ararat, Minni en Askenaz.
Stel tegen haar een legeroverste aan,
laat paarden oprukken als ruige treksprinkhanen.
)
. Andere volken worden door middel van de bazuin opgeroepen zich aan te sluiten. Er moet een aanvoerder komen en een menigte van paarden. Alles wat al onder de heerschappij van de koningen van Medië is gebracht, moet worden ingezet (vers 2828Zet de heidenvolken tegen haar in,
de koningen van Medië, zijn landvoogden
en al zijn machthebbers,
ja, heel het land van zijn heerschappij.
)
. Babel zal beven en pijn lijden (vers 2929Dan zal het land beven en pijn lijden,
want de gedachten van de HEERE tegen Babel staan vast,
om van het land van Babel een woestenij te maken,
zodat er geen inwoner [meer] is.
)
. De HEERE heeft het immers besloten en het staat vast. Daaraan is niets meer te veranderen. Babel zal een woestenij worden.

De helden van Babel zien de zinloosheid in om te strijden tegen de geweldige overmacht (vers 3030De helden van Babel houden op met strijden,
zij blijven in de bergvestingen zitten.
Hun macht is opgedroogd, zij zijn als vrouwen geworden.
Men heeft zijn woningen in brand gestoken,
zijn grendels zijn stukgebroken.
)
. Ze blijven in de bergvestingen, niet om zich te verdedigen, maar om zich te verbergen voor de oprukkende vijanden. De macht die ze hebben bezeten, is “opgedroogd”, elke vitaliteit is verdwenen; ze zijn zwak als vrouwen. Hun woningen, waarmee wel kazernes bedoeld kunnen zijn, waar de helden, de soldaten, gelegerd zijn, zijn in brand gestoken. Die forten zijn nu voor iedereen toegankelijk, want de grendels zijn stukgebroken.

De koning van Babel wordt in razend tempo door een estafette van ijlboden en boodschappers op de hoogte gesteld hoe het er met “zijn stad” voorstaat (vers 3131De [ene] ijlbode rent de [andere] ijlbode tegemoet,
de [ene] boodschapper [rent] de [andere] boodschapper tegemoet,
om de koning van Babel bekend te maken
dat zijn stad van [alle] kanten wordt ingenomen,
)
. Hij krijgt te horen dat de stad aan alle kanten wordt ingenomen en dat de vluchtwegen via de doorwaadbare plaatsen van de Eufraat bezet zijn (vers 3232[dat] de doorwaadbare plaatsen zijn bezet,
[dat] ze de rietvelden met vuur hebben verbrand
en [dat] de strijdbare mannen door schrik overmand zijn.
)
. Ontkomen is onmogelijk.

Zich verstoppen in het riet is ook niet mogelijk, want het riet is verbrand. Op menselijke steun hoeft hij ook niet te rekenen, want de strijdbare mannen zijn door schrik overmand en verlamd. De HEERE van de legermachten, de God van Israël, zegt dat Hij de dochter van Babel tot een dorsvloer maakt (vers 3333Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:
De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd dat men die aanstampt.
Nog even, en dan komt voor haar de oogsttijd.
)
. Die dorsvloer zal worden aangestampt door de oordelen die erover komen. De oogst is aanstaande, de oogst van het oordeel.

Veel van wat hier is beschreven, wordt door de Meden en Perzen vervuld als zij Babel veroveren (Dn 5:3030In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.). De volle vervulling zal echter in de eindtijd plaatsvinden (Op 18:1-191Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen, die grote macht had; en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.2En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.3Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde.4En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt;5want haar zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel en God heeft Zich haar ongerechtigheden herinnerd.6Vergeldt haar zoals ook zij vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar haar werken; mengt haar dubbel in de drinkbeker die zij gemengd heeft.7Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.8Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is [de] Heer, God, Die haar geoordeeld heeft.9En de koningen van de aarde die met haar gehoereerd en weelderig geleefd hebben, zullen over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar brand zien,10terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in één uur is uw oordeel gekomen.11En de kooplieden van de aarde wenen en treuren over haar, omdat niemand hun koopwaar meer koopt:12koopwaar van goud, van zilver, van edelgesteente en van parels; van fijn linnen, van purper, van zijde en van scharlaken; allerlei welriekend hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout; van koper, van ijzer en van marmer;13kaneel, specerij, reukwerken, balsem, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe; lastdieren en schapen; van paarden en wagens; van lichamen en zielen van mensen.14En de vruchten die de begeerte van uw ziel waren, zijn van u geweken en al het glansrijke en blinkende is voor u verloren en men zal het geenszins meer vinden.15De kooplieden in deze dingen, die door haar rijk geworden zijn, zullen uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan, terwijl zij wenen en treuren16en zeggen: Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteente en parels; want in één uur is die zo grote rijkdom verwoest.17En iedere stuurman en iedere zeereiziger en [de] zeelieden en allen die op zee hun werk hebben, bleven in de verte staan18en terwijl zij de rook van haar brand zagen, riepen zij de woorden: Welke [stad] was aan die grote stad gelijk?19En zij wierpen stof op hun hoofden en terwijl zij weenden en treurden, riepen zij de woorden: Wee, wee de grote stad, waarin allen die hun schepen op zee hadden, door haar kostbaarheid rijk werden; want in één uur is zij verwoest.).


Zinloze verdediging van Babel

34Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij verslonden, heeft mij verpletterd,
hij heeft mij neergezet [als] een leeg vat.
Hij heeft mij verzwolgen als een zeemonster,
hij heeft zijn buik gevuld met mijn lekkernijen, hij heeft mij weggespoeld.
35[Laat] het geweld mij en mijn familie aangedaan, [komen] op Babel,
moet de inwoonster van Sion zeggen.
[Laat] mijn bloed [komen] op de inwoners van Chaldea,
moet Jeruzalem zeggen.
36Daarom, zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga uw rechtszaak voeren
en Ik zal zeker wraak voor u nemen.
Ik zal zijn zee droogleggen
en zijn bron doen opdrogen.
37Babel zal worden tot steenhopen,
een verblijf[plaats] van jakhalzen,
een verschrikking en aanfluiting,
zodat er geen inwoner [meer] is.
38Tezamen zullen zij brullen als jonge leeuwen
en grommen als leeuwenwelpen.
39Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank voorzetten;
Ik zal hen dronken maken, zodat zij opspringen [van schrik].
Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen,
zij zullen niet ontwaken, spreekt de HEERE.
40Ik zal hen afvoeren als lammeren ter slachting,
als rammen met bokken.
41Hoe is Sesach veroverd,
de roem van heel de aarde ingenomen!
Hoe is Babel tot een verschrikking geworden
onder de volken!
42De zee is tegen Babel opgerezen,
met een menigte van zijn golven is het bedekt.
43Zijn steden zijn tot een woestenij geworden,
een dor land, een wildernis,
een land waarin niemand woont
en waar geen mensenkind doorheen trekt.
44Ik zal Bel in Babel straffen,
Ik zal wat hij verzwolgen heeft, uit zijn muil halen.
De heidenvolken zullen niet meer
naar hem toestromen.
Zelfs de muur van Babel is gevallen!

Dan horen we de klacht van Jeruzalem of Sion over wat Nebukadnezar haar heeft aangedaan (vers 3434Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij verslonden, heeft mij verpletterd,
hij heeft mij neergezet [als] een leeg vat.
Hij heeft mij verzwolgen als een zeemonster,
hij heeft zijn buik gevuld met mijn lekkernijen, hij heeft mij weggespoeld.
)
. Hij heeft Sion verslonden en verpletterd en leeggeroofd als een zeemonster. Met alle lekkernijen van het land heeft hij zijn buik gevuld en het land zelf heeft hij weggespoeld door de inwoners eruit weg te voeren. De inwoonster van Sion wordt aangemoedigd te vragen om vergelding (vers 3535[Laat] het geweld mij en mijn familie aangedaan, [komen] op Babel,
moet de inwoonster van Sion zeggen.
[Laat] mijn bloed [komen] op de inwoners van Chaldea,
moet Jeruzalem zeggen.
)
.

Dat past bij de tijd waarin zij leeft. De gelovige van de gemeente vraagt dat niet, maar vraagt om vergeving voor zijn vijanden. In het Oude Testament en na de opname van de gemeente geldt de wet. In die perioden staat God in verbinding met Zijn aardse volk, een relatie die door de wet wordt geregeld. De tijd van de gemeente, Gods hemelse volk, op aarde wordt gekenmerkt door genade.

De HEERE beantwoordt de vraag om vergelding met de toezegging dat Hij de rechtszaak van Zijn volk zal voeren (vers 3636Daarom, zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga uw rechtszaak voeren
en Ik zal zeker wraak voor u nemen.
Ik zal zijn zee droogleggen
en zijn bron doen opdrogen.
)
. Hij zal wraak voor hen nemen. De grensrivier de Eufraat zal Hij droogleggen (Op 16:1212En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat, en zijn water droogde op, opdat de weg van de koningen die van [de] zonsopgang komen, bereid zou worden.), zodat de vijandige legers zonder moeite het land kunnen binnenkomen. Hij zal er ook voor zorgen dat er geen nieuwe aanvoer van water zal komen. Babel zal verwoest worden (vers 3737Babel zal worden tot steenhopen,
een verblijf[plaats] van jakhalzen,
een verschrikking en aanfluiting,
zodat er geen inwoner [meer] is.
)
. Alleen jakhalzen zullen er nog wonen. Geen mens zal die plaats meer begeren, omdat er verschrikking van uitgaat en het een aanfluiting is geworden.

De Babyloniërs hebben zichzelf altijd gezien als brullende jonge leeuwen waarvoor iedereen op de vlucht slaat (vers 3838Tezamen zullen zij brullen als jonge leeuwen
en grommen als leeuwenwelpen.
)
. Ze hoeven maar te grommen of de schrik slaat toe. Maar de HEERE zal drank aan hen voorzetten waardoor ze dronken worden en het zicht op de werkelijkheid verliezen (vers 3939Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank voorzetten;
Ik zal hen dronken maken, zodat zij opspringen [van schrik].
Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen,
zij zullen niet ontwaken, spreekt de HEERE.
; vgl. Dn 5:1-4,301Koning Belsazar richtte een groot feestmaal aan voor zijn duizend machthebbers, en in tegenwoordigheid van die duizend dronk hij wijn.2Onder invloed van de wijn beval Belsazar dat men de gouden en zilveren voorwerpen moest halen die zijn vader Nebukadnezar had weggenomen uit de tempel in Jeruzalem, opdat de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen eruit zouden drinken.3Toen haalde men de gouden voorwerpen die men uit de tempel, het huis van God, in Jeruzalem had weggenomen, en de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen dronken eruit.4Zij dronken wijn en prezen [hun] goden van goud, zilver, koper, ijzer, hout en steen.30In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.)
. Ze zullen omgebracht worden en nooit weer wakker worden. De “eeuwige slaap” is geen zielenslaap, want die bestaat niet, maar een aanduiding dat ze nooit meer macht zullen bezitten. De HEERE zal hen als slachtvee ombrengen (vers 4040Ik zal hen afvoeren als lammeren ter slachting,
als rammen met bokken.
; vgl. Jr 12:33U echter, HEERE, kent mij, U ziet mij,
U beproeft mijn hart, dat met U is.
Ruk hen weg als schapen ter slachting,
bereid hen voor op de dag van de slacht.
)
.

Sesach is veroverd en daarmee is de roem van heel de aarde ingenomen (vers 4141Hoe is Sesach veroverd,
de roem van heel de aarde ingenomen!
Hoe is Babel tot een verschrikking geworden
onder de volken!
)
. Zo betrekkelijk is de roem van de mens, die kan zomaar vergaan. Het indrukwekkende Babel is vergaan en daarmee een verschrikking geworden. Wat niemand voor mogelijk heeft gehouden, dat dit machtige Babel zou omvallen, is gebeurd. Een volkenzee is ertegen opgerezen en Babel is daarin ondergegaan (vers 4242De zee is tegen Babel opgerezen,
met een menigte van zijn golven is het bedekt.
; vgl. vers 1313U die woont aan grote wateren,
die rijk bent aan schatten,
uw einde is gekomen,
de maat van uw winstbejag.
)
. Zijn steden zijn onbewoonbaar verwoest, evenals het land (vers 4343Zijn steden zijn tot een woestenij geworden,
een dor land, een wildernis,
een land waarin niemand woont
en waar geen mensenkind doorheen trekt.
)
. Niemand woont er meer, er trekt zelfs niemand meer doorheen.

Twee dingen waardoor Babel beroemd is geweest, zijn de god Bel en de muur van de stad. De HEERE voltrekt het oordeel over Bel, de god van Babel (vers 4444Ik zal Bel in Babel straffen,
Ik zal wat hij verzwolgen heeft, uit zijn muil halen.
De heidenvolken zullen niet meer
naar hem toestromen.
Zelfs de muur van Babel is gevallen!
)
. Alles wat in naam van deze god is veroverd en aan hem is gewijd, alles waarvan deze gruwel de eer heeft gekregen, zal de HEERE hem ontnemen. De demonen achter deze gruwel zullen geen eer meer krijgen. De HEERE zal alle eer opeisen. Alle knie zal zich voor Hem buigen. Na het oordeel over de onzichtbare demonische bron van zijn kracht voltrekt de HEERE ook het oordeel over de muur, zijn tastbare en zichtbare bron van kracht. Alle weerstand van Babel is met de val van zijn muur gebroken.


Israël moet Babel ontvluchten

45Ga weg uit zijn midden, Mijn volk,
laat ieder zijn leven redden
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
46Anders zal uw hart week worden en zult u bevreesd worden door het bericht dat in het land gehoord zal worden. Want er zal een bericht komen in het [ene] jaar en daarna een bericht in een [ander] jaar, en geweld in het land, heerser tegen heerser.
47Daarom zie, er komen dagen
dat Ik de beelden van Babel zal straffen.
Heel zijn land zal beschaamd worden,
en in zijn midden zullen al zijn gesneuvelden liggen.
48Hemel en aarde
en al wat daarin is,
zullen juichen over Babel,
want vanuit het noorden zullen de verwoesters
eropaf komen, spreekt de HEERE.

Met het oog op het oordeel over Babel roept de HEERE Zijn volk op Babel te verlaten (vers 4545Ga weg uit zijn midden, Mijn volk,
laat ieder zijn leven redden
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
; vgl. vers 66Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,
word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE,
Hij vergeldt het wat het verdient.
)
. Zijn toorn is over Babel ontbrand. Als ze geen gehoor geven aan de oproep om weg te gaan uit Babel, zullen ze bang worden van het bericht dat hen zal bereiken over wat er in het land gebeurt (vers 4646Anders zal uw hart week worden en zult u bevreesd worden door het bericht dat in het land gehoord zal worden. Want er zal een bericht komen in het [ene] jaar en daarna een bericht in een [ander] jaar, en geweld in het land, heerser tegen heerser.
)
. Er zullen burgeroorlogen komen die de eenheid zullen verwoesten en de kracht zullen wegnemen.

Er komen dagen dat de HEERE de afgodsbeelden van Babel zal straffen (vers 4747Daarom zie, er komen dagen
dat Ik de beelden van Babel zal straffen.
Heel zijn land zal beschaamd worden,
en in zijn midden zullen al zijn gesneuvelden liggen.
)
. Dan blijken die beelden geen enkele bescherming te bieden. Daarvoor hoeven ze maar naar de gesneuvelden te kijken die in hun midden liggen. Als de verwoesters uit het noorden komen en Babel verwoesten, zal dat in de hele schepping grote blijdschap veroorzaken (vers 4848Hemel en aarde
en al wat daarin is,
zullen juichen over Babel,
want vanuit het noorden zullen de verwoesters
eropaf komen, spreekt de HEERE.
)
.


Zekerheid van de val van Babel

49Zoals Babel geweest is tot een val
voor de dodelijk gewonden van Israël,
zo zullen in Babel
de dodelijk gewonden van heel de aarde vallen.
50U die ontkomen bent aan het zwaard,
ga [op weg], blijf niet staan.
Denk vanuit verre [landen] aan de HEERE,
laat [de gedachte aan] Jeruzalem opkomen in uw hart.
51[Zeg dan maar:] Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben smaad gehoord,
het schaamrood heeft ons gezicht bedekt,
want vreemden zijn gekomen
op de heilige [plaatsen] van het huis van de HEERE.
52Daarom zie, er komen dagen,
spreekt de HEERE,
dat Ik zijn beelden zal straffen,
en de dodelijk gewonden zullen kermen in heel zijn land.
53Al klom Babel op naar de hemel,
en al versterkte het de hoogte van zijn vesting,
[toch] zullen van Mij uit verwoesters erover komen,
spreekt de HEERE.

Babel heeft veel volken onderworpen, maar de HEERE rekent het Babel vooral aan wat het met Israël heeft gedaan (vers 4949Zoals Babel geweest is tot een val
voor de dodelijk gewonden van Israël,
zo zullen in Babel
de dodelijk gewonden van heel de aarde vallen.
)
. Omdat het Israël heeft doen vallen en daar velen dodelijk heeft gewond, daarom zullen er in Babel, in het hele wereldrijk, dodelijk gewonden vallen. Dit is een aanmoediging voor Israël, voor hen die niet door het zwaard van Nebukadnezar zijn gedood, om waar ze ook zijn aan de HEERE en aan Jeruzalem te denken (vers 5050U die ontkomen bent aan het zwaard,
ga [op weg], blijf niet staan.
Denk vanuit verre [landen] aan de HEERE,
laat [de gedachte aan] Jeruzalem opkomen in uw hart.
)
. Daar moet hun hart weer naar uitgaan.

Ze mogen zich de vroegere heerlijkheid in herinnering roepen. Laat ze dat dan ook doen, maar wel met gepaste schaamte (vers 5151[Zeg dan maar:] Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben smaad gehoord,
het schaamrood heeft ons gezicht bedekt,
want vreemden zijn gekomen
op de heilige [plaatsen] van het huis van de HEERE.
)
. Het is door hun eigen ontrouw dat er nu vreemden zijn op de heilige plaatsen van het huis van de HEERE. Als die erkenning er is, zijn ze in de juiste gezindheid om terug te gaan.

De HEERE Zelf zal de weg voor hen vrijmaken door Babel en zijn afgodsbeelden te straffen (vers 5252Daarom zie, er komen dagen,
spreekt de HEERE,
dat Ik zijn beelden zal straffen,
en de dodelijk gewonden zullen kermen in heel zijn land.
)
. Het land van Babel zal vol zijn van het gekerm van de dodelijk gewonden. Er is voor Babel geen ontkomen aan het oordeel van de verwoesters die de HEERE op hen afstuurt (vers 5353Al klom Babel op naar de hemel,
en al versterkte het de hoogte van zijn vesting,
[toch] zullen van Mij uit verwoesters erover komen,
spreekt de HEERE.
)
. Hoe hoog ze ook zouden klimmen en hoe hoog ze hun vesting ook zouden bouwen, het oordeel zal hen treffen.


De verwoesting van Babel is totaal

54Hoor, geschreeuw vanuit Babel,
een grote ramp vanuit het land van de Chaldeeën.
55Want de HEERE is Babel aan het verwoesten
en Hij zal het grote geluid eruit doen vergaan;
want hun golven zullen bruisen als machtige wateren,
hun gebruis zal klinken.
56Want de verwoester zal erover komen, over Babel,
en zijn helden zullen gevangen worden genomen,
hun bogen zijn verbroken,
want de HEERE is een God van vergeldingen,
Hij zal [het hem] zeker vergelden.
57Ik zal zijn vorsten, zijn wijzen, zijn landvoogden, zijn machthebbers en zijn helden dronken maken, en zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet ontwaken, spreekt de Koning, van Wie de Naam HEERE van de legermachten is. 58Zo zegt de HEERE van de legermachten:
De brede muur van Babel
zal zeker geslecht worden,
en zijn hoge poorten
zullen met vuur aangestoken worden.
Zo hebben de volken zich voor niets moe gemaakt,
de natiën voor vuur – en zij zijn afgemat.

Jeremia ziet de verwoesters van Babel als al aanwezig. Er komt geschreeuw uit Babel (vers 5454Hoor, geschreeuw vanuit Babel,
een grote ramp vanuit het land van de Chaldeeën.
)
. Dat is geen krijgsgeschreeuw, maar angstgeschreeuw, vanwege de ramp die het land treft. Die ramp komt over hen van de HEERE, Die Babel verwoest. Hij zal het grote geluid van hun geschreeuw smoren in een nog veel groter geluid van de aanstormende legers die als machtige wateren bruisen (vers 5555Want de HEERE is Babel aan het verwoesten
en Hij zal het grote geluid eruit doen vergaan;
want hun golven zullen bruisen als machtige wateren,
hun gebruis zal klinken.
)
. De verwoester die over Babel komt, zal hun helden gevangennemen en elk verzet breken (vers 5656Want de verwoester zal erover komen, over Babel,
en zijn helden zullen gevangen worden genomen,
hun bogen zijn verbroken,
want de HEERE is een God van vergeldingen,
Hij zal [het hem] zeker vergelden.
)
. Babel heeft te maken met de HEERE als de God van de vergelding. Hij vergeldt Babel al het door hem bedreven kwaad.

Allen die in Babel verantwoordelijk zijn voor het kwaad dat ze hebben aangericht, de vorsten, wijzen, landvoogden, machthebbers en helden, zullen hun verstand en kracht verliezen en omkomen (vers 5757Ik zal zijn vorsten, zijn wijzen, zijn landvoogden, zijn machthebbers en zijn helden dronken maken, en zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet ontwaken, spreekt de Koning, van Wie de Naam HEERE van de legermachten is.). Ze zullen nooit meer op aarde ontwaken (vgl. vers 3939Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank voorzetten;
Ik zal hen dronken maken, zodat zij opspringen [van schrik].
Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen,
zij zullen niet ontwaken, spreekt de HEERE.
)
en nooit meer in de gelegenheid worden gesteld kwaad te doen. Hij Die dit zegt, is dé Koning, en Zijn Naam is HEERE van de legermachten. Daarom zal het zo gaan als Hij heeft gezegd. De muur van Babel vormt geen probleem voor Hem (vers 5858Zo zegt de HEERE van de legermachten:
De brede muur van Babel
zal zeker geslecht worden,
en zijn hoge poorten
zullen met vuur aangestoken worden.
Zo hebben de volken zich voor niets moe gemaakt,
de natiën voor vuur – en zij zijn afgemat.
)
. Alle werk dat eraan is verricht door mensen van allerlei herkomst, is zinloos. Alle krachten zijn verspild. Ze hebben zich voor niets moe gemaakt en afgemat. Hun werk wordt een prooi van het vuur (vgl. Hk 2:1313Zie, is het niet
van de HEERE van de legermachten
dat volken zich inspannen voor het vuur
en natiën zich voor niets afmatten?
)
.


De opdracht aan Seraja

59Het woord dat de profeet Jeremia [als] opdracht gaf aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, toen deze vanwege Zedekia, de koning van Juda, naar Babel ging, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja nu was kwartiermeester. 60En Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen op een boek[rol], al deze woorden die geschreven zijn tegen Babel. 61En Jeremia zei tegen Seraja: Zodra u in Babel komt, zult u [het] bezien en al deze woorden voorlezen, 62en zeggen: HEERE, U hebt Zelf over deze plaats gesproken dat U het zult uitroeien, zodat er geen inwoner [meer] in is, van mens tot dier, maar dat het zal worden [tot] eeuwige woestenijen. 63Dan zal het gebeuren, zodra u het voorlezen van deze boek[rol] beëindigt, dat u daaraan een steen zult binden en hem midden in de Eufraat zult werpen. 64Dan moet u zeggen: Zo zal Babel wegzinken en niet [meer] boven komen, vanwege het onheil dat Ik erover zal brengen. En zij zullen afgemat zijn. Tot zover de woorden van Jeremia.

Aan het einde van de lange profetie tegen Babel, na alle woorden die Jeremia over Babel heeft gesproken, heeft hij een opdracht voor Seraja (vers 5959Het woord dat de profeet Jeremia [als] opdracht gaf aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, toen deze vanwege Zedekia, de koning van Juda, naar Babel ging, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja nu was kwartiermeester.). Seraja is waarschijnlijk de broer van Baruch (Jr 32:1212en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.) en kwartiermeester van Zedekia. Als kwartiermeester moet hij ervoor zorgen dat de koning op zijn reizen overal een goed onderkomen heeft.

In het vierde jaar van de regering van Zedekia gaat hij naar Babel. Jeremia heeft al het onheil dat hij over Babel heeft aangekondigd, in een boekrol geschreven (vers 6060En Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen op een boek[rol], al deze woorden die geschreven zijn tegen Babel.). Het zijn de woorden die waarschijnlijk door Baruch zijn opgeschreven toen Jeremia ze uitsprak. De boekrol geeft hij mee aan Seraja als deze naar Babel gaat. Als hij in Babel komt, moet hij eerst goed om zich heen kijken (vers 6161En Jeremia zei tegen Seraja: Zodra u in Babel komt, zult u [het] bezien en al deze woorden voorlezen,). Hij zal alle heerlijkheid en macht van Babel zien.

Vervolgens moet hij alle woorden van de boekrol voorlezen. Hij moet dat doen met het gebed tot de HEERE dat Hij deze woorden over Babel heeft gesproken (vers 6262en zeggen: HEERE, U hebt Zelf over deze plaats gesproken dat U het zult uitroeien, zodat er geen inwoner [meer] in is, van mens tot dier, maar dat het zal worden [tot] eeuwige woestenijen.). Als een ware Elia zal hij zich bewust zijn dat hij voor de HEERE staat en niet voor de macht van Babel (vgl. 1Kn 17:1a1En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!). Voor Babel zal het door de HEERE aangekondigde einde zeker komen. Er zal niets van overblijven. Jeremia heeft de ondergang van Babel aangekondigd, zoals hij die van Juda en Jeruzalem heeft aangekondigd, al is er van beide ondergangen nog niet veel te zien en al geloven velen er al helemaal niet in.

Als Seraja klaar is met voorlezen, moet hij een steen aan de boekrol binden en hem midden in de Eufraat, waar de rivier het diepst is, werpen (vers 6363Dan zal het gebeuren, zodra u het voorlezen van deze boek[rol] beëindigt, dat u daaraan een steen zult binden en hem midden in de Eufraat zult werpen.). Als hij dat heeft gedaan, moet hij verklaren waarom hij dat heeft gedaan, wat die daad betekent (vers 6464Dan moet u zeggen: Zo zal Babel wegzinken en niet [meer] boven komen, vanwege het onheil dat Ik erover zal brengen. En zij zullen afgemat zijn. Tot zover de woorden van Jeremia.). Net zoals de boekrol naar de diepte van de rivier is gezonken om nooit meer boven te komen, zal Babel wegzinken en nooit meer boven komen (Op 18:2121En één sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zó zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.). Dit is het onheil dat de HEERE over Babel heeft besloten. De afmattende inspanningen om Babel overeind te houden blijven zonder resultaat. We zien hier dat Jeremia, in de tijd dat hij oproept tot onderwerping aan Babel, tegelijk de uiteindelijke val van die stad aankondigt.

Hiermee eindigen de woorden van Jeremia. Zijn dienst zit erop. Zijn profetie tegen Babel is bedoeld als bemoediging voor het geloof van het volk van Juda. Het hoofdstuk dat nog volgt, beschrijft de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar. Maar vooraf is dus duidelijk gezegd dat de macht van Nebukadnezar niet onbeperkt en niet eindeloos is. God heeft het laatste woord. Deze wetenschap geeft alleen steun als we God op Zijn woord vertrouwen.


Lees verder