Jeremia
1-9 Er is niemand die recht doet 10-13 Ontkenning van het werk van de HEERE 14-19 Beschrijving van het oordeel 20-31 Bewuste opstand van Israël
Er is niemand die recht doet

1Trek rond door de straten van Jeruzalem,
kijk toch en let op,
zoek op zijn pleinen,
of u iemand vindt,
of er een is die recht doet,
[een] die betrouwbaarheid nastreeft,
dan zal Ik [Jeruzalem] vergeven.
2Als ze zeggen “[Zo waar] de HEERE leeft”,
leggen zij toch een valse eed af.
3HEERE, [zien] Uw ogen
niet uit naar betrouwbaarheid?
U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn.
U hebt hen omgebracht, [maar] zij weigerden vermaning te aanvaarden.
Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,
zij hebben geweigerd zich te bekeren.
4Ík zei echter: Zij zijn maar geringe [mensen],
zij gedragen zich als dwazen,
omdat zij de weg van de HEERE niet kennen,
het recht van hun God.
5Laat ik naar de aanzienlijken gaan
en met hen spreken,
want die kennen de weg van de HEERE [wel],
het recht van hun God.
Zij echter hebben samen het juk gebroken,
de banden verscheurd.
6Daarom zal een leeuw uit het woud hen doden,
een wolf van de vlakten zal hen uiteenrijten,
terwijl een luipaard op de loer ligt bij hun steden,
– al wie daar uitgaat, wordt verscheurd –
want hun overtredingen zijn talrijk geworden,
machtig veel hun afdwalingen.
7Hoe zou Ik u dit vergeven?
Uw kinderen hebben Mij verlaten
en zweren bij wat geen goden zijn.
Als Ik hun overvloed geef, plegen zij overspel,
en in het hoerenhuis drommen zij samen.
8Weldoorvoede, hitsige hengsten zijn het,
ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.
9Zou Ik deze dingen niet straffen?
spreekt de HEERE,
of op een volk als dit
Mijzelf niet wreken?

De HEERE zegt tegen Jeremia dat hij de hele stad moet doorzoeken om te zien of er iemand gevonden wordt die eerlijk is en betrouwbaarheid of de waarheid nastreeft (vers 11Trek rond door de straten van Jeruzalem,
kijk toch en let op,
zoek op zijn pleinen,
of u iemand vindt,
of er een is die recht doet,
[een] die betrouwbaarheid nastreeft,
dan zal Ik [Jeruzalem] vergeven.
)
. Hij moet zijn ogen grondig de kost geven. Het gaat om een diepgaand onderzoek. Hij moet ‘kijken’, ‘opletten’, ‘zoeken’ of hij er ook slechts een zou kunnen vinden die recht doet, [een] die betrouwbaarheid nastreeft”. Recht doen betekent het erkennen en handhaven van het recht van de HEERE in het onderling verkeer en in de rechtspraak. Betrouwbaarheid nastreven wil zeggen oprecht en waarachtig zijn.

Als er ook slechts een was, dan zou Hij het oordeel over de rest niet voltrekken en zou Jeruzalem gespaard blijven (vgl. Ez 22:3030Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.). Hij zou dan “vergeven”. Dit woord komt hier voor de eerste keer in dit boek voor. Het is een daad van God die Hij doet op voorwaarde van berouw van de mens of ter wille van iemand om anderen te sparen.

Hier zien we duidelijk de genade van God. Hij zoekt als het ware naar een mogelijkheid om te kunnen vergeven. Wat we hier lezen, doet denken aan Zijn belofte aan Abraham dat Hij Sodom zal sparen als Hij er slechts tien vindt die rechtvaardig zijn (Gn 18:23-3223En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige [tegelijk] met de goddeloze wegvagen?24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn?25Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?26Toen zei de HEERE: Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, dan zal Ik de hele plaats omwille van hen sparen.27Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!28Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf [mensen] de hele stad te gronde richten? En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten, als Ik er vijfenveertig vind.29Hij sprak opnieuw tot Hem: Misschien zullen er daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van die veertig.30Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik spreek; misschien zullen er daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, als Ik er daar dertig vind.31Hij zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken; misschien zullen er daar twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die twintig.32Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.). Hij vindt ze niet (vgl. Mi 7:1-21Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.2Een goedertieren mens is verdwenen uit het land
en een oprechte onder de mensen is er niet.
Zij loeren allen op bloed,
zij jagen op elkaar [met] een net.
; Ps 12:22Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.
)
.

In Jeruzalem is het nog erger: er is er niet één te vinden. Dit moet Jeremia ervan overtuigen dat de HEERE rechtvaardig is in Zijn besluit om Zijn volk te oordelen. Het bevestigt hem ook in zijn opdracht die de HEERE heeft gegeven om dat oordeel aan te kondigen.

Ze wagen het de Naam van de HEERE uit te spreken en in die Naam een valse eed af te leggen (vers 22Als ze zeggen “[Zo waar] de HEERE leeft”,
leggen zij toch een valse eed af.
; vgl. Mt 5:33-3733U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult geen valse eed zweren, maar de Heer uw eden houden.34Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren, niet bij de hemel, want hij is [de] troon van God;35niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;36niet bij uw hoofd zult u zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken.37Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.)
. Dat wordt gedaan om anderen te bedriegen. Ze breken onbeschaamd hun beloften die ze in de Naam van de HEERE hebben uitgesproken. Zowel Elisa als Gehazi gebruikt de uitdrukking: “[Zo waar] de HEERE leeft” (2Kn 5:16,2016Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik wil het niet aannemen! En hij drong bij hem aan om het aan te nemen, maar hij weigerde het.20zei Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër, tegengehouden; hij heeft uit zijn hand niets aangenomen van wat hij meegebracht had. Maar [zo waar] de HEERE leeft, ik zal hem achterna rennen en [wel] iets van hem aannemen.), de een in waarheid, de ander in leugenachtigheid. Dit onwaarachtige gebruik van de Naam van de HEERE is een ijdel gebruik van Zijn Naam en door de wet verboden (Ex 20:77U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.).

Jeremia weet dat de HEERE uitziet naar iemand die betrouwbaar is (vers 33HEERE, [zien] Uw ogen
niet uit naar betrouwbaarheid?
U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn.
U hebt hen omgebracht, [maar] zij weigerden vermaning te aanvaarden.
Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,
zij hebben geweigerd zich te bekeren.
)
. In vers 11Trek rond door de straten van Jeruzalem,
kijk toch en let op,
zoek op zijn pleinen,
of u iemand vindt,
of er een is die recht doet,
[een] die betrouwbaarheid nastreeft,
dan zal Ik [Jeruzalem] vergeven.
spreekt de HEERE over zo iemand, hier doet Jeremia dat. Hij weet waar de HEERE naar op zoek is. Hij weet hoe de HEERE er alles aan heeft gedaan om Zijn volk weer een betrouwbaar volk te doen zijn. Hij heeft hen op alle mogelijke manieren getuchtigd, maar niemand heeft het ter harte genomen. In plaats van zich onder de kastijding te buigen verharden ze hun gezicht en tonen hun absolute weigering zich te bekeren.

Dan begeeft Jeremia zich opnieuw onder het volk om te zien of er dan werkelijk niemand te vinden is die de HEERE vreest. Daarmee getuigt hij wel van een grote liefde voor zijn volk. Eerder is hij bij de geringen geweest, de eenvoudige mensen, maar die zich als dwazen gedragen (vers 44Ík zei echter: Zij zijn maar geringe [mensen],
zij gedragen zich als dwazen,
omdat zij de weg van de HEERE niet kennen,
het recht van hun God.
)
. Hun gedrag komt voort uit hun onbekendheid met de weg van de HEERE. Het recht van hun God kennen ze niet. Daar vindt hij die ene betrouwbare dan ook niet.

Laat hij nu maar eens naar de aanzienlijken gaan (vers 55Laat ik naar de aanzienlijken gaan
en met hen spreken,
want die kennen de weg van de HEERE [wel],
het recht van hun God.
Zij echter hebben samen het juk gebroken,
de banden verscheurd.
)
. Daar zal hij toch wel meer succes hebben. Zij moeten de weg van de HEERE en Zijn recht kennen. Maar ook daar is niemand die betrouwbaarheid nastreeft, want deze mensen hebben het juk van de HEERE afgeworpen. Ze willen zich op geen enkele manier aan Hem onderwerpen.

De conclusie is dat er niemand is die goed doet, niet bij de armen en geringen en niet bij de aanzienlijken en rijken, niet bij het gewone volk en niet bij de leiders. Er is niemand die God zoekt, er is er zelfs niet één (vgl. Rm 3:10-1210zoals geschreven staat: ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één;11er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt;12allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één’;). Wij weten nu dat er toch Iemand is, Eén Die absoluut betrouwbaar is, de Heer Jezus.

Omdat zij zo volhardend zijn in hun afwijking van de HEERE en hun overtredingen “talrijk” en hun afdwalingen “machtig veel” zijn geworden, zal Hij hen straffen (vers 66Daarom zal een leeuw uit het woud hen doden,
een wolf van de vlakten zal hen uiteenrijten,
terwijl een luipaard op de loer ligt bij hun steden,
– al wie daar uitgaat, wordt verscheurd –
want hun overtredingen zijn talrijk geworden,
machtig veel hun afdwalingen.
)
. Zijn instrumenten zijn de wilde dieren, die zonder enig medegevoel doden en verscheuren. Behalve dat we aan letterlijke wilde dieren denken, kunnen in de “leeuw”, de “wolf” en het “luipaard” achtereenvolgens de kracht, de roofzucht en de snelheid van de Babyloniërs zien. Zij zijn de tuchtroede van God voor Zijn volk vanwege hun talrijke overtredingen en machtig vele afdwalingen.

Hoe kan de HEERE hen vergeven als ze zó zondigen (vers 77Hoe zou Ik u dit vergeven?
Uw kinderen hebben Mij verlaten
en zweren bij wat geen goden zijn.
Als Ik hun overvloed geef, plegen zij overspel,
en in het hoerenhuis drommen zij samen.
)
? Hij kan niet vergeven als ze hun schuld niet bekennen en er geen berouw is. Ze hebben Hem verlaten en hebben ook hun kinderen geleerd Hem te verlaten. Nu zweren die kinderen bij wat geen goden zijn, om daarvan hun heil te verwachten.

Zelfs de gunstbewijzen die Hij hun overvloedig heeft gegeven, misbruiken ze. Ze vatten die op als een erkenning van hun zondige weg. Ze hebben ze beantwoord met de grootst mogelijke ontrouw, met afschuwelijk en veelvuldig overspel. Het huis van Israël is een hoerenhuis, een afgodenhuis, geworden, waar massaal overspel wordt gepleegd, dat wil zeggen waar massaal de afgoden worden gediend.

Israël is ook letterlijk verworden tot een hoerenhuis. Afgoderij opent altijd de deur naar immoreel gedrag. Afgoderij gaat altijd met seksueel kwaad gepaard (1Ko 10:7-87Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen’.8Laten wij ook niet hoereren, zoals sommigen van hen hoereerden, en er vielen er op één dag drieëntwintigduizend.; Op 2:2020Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt Mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten.). Afgoderij en hoererij vormen een goddeloos span. Het volk is in de bevrediging van hun lusten gelijk aan hengsten die zonder enige terughoudendheid hun drang naar paring volgen (vers 88Weldoorvoede, hitsige hengsten zijn het,
ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.
)
. Zo hinnikt en hunkert iedere man zonder enige terughoudendheid naar de vrouw van zijn naaste. De zonde van overspel is algemeen, iedereen lijkt eraan mee te doen.

Kan de HEERE iets anders doen dan hen straffen en Zich wreken op een dergelijk volk, dat Hij zo heeft gezegend (vers 99Zou Ik deze dingen niet straffen?
spreekt de HEERE,
of op een volk als dit
Mijzelf niet wreken?
; vgl. 1Th 4:3-63Want dit is [de] wil van God: uw heiliging, dat u zich onthoudt van de hoererij;4dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid5(niet in begerige hartstocht, zoals de volken die God niet kennen)6[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben.)
? Hierin klinkt Zijn verontwaardiging en rechtvaardigheid door.


Ontkenning van het werk van de HEERE

10Klim zijn wijnbergen op, richt [ze] te gronde,
maar maak er geen [vernietigend] einde aan.
Verwijder zijn ranken,
want die zijn niet van de HEERE.
11Zij hebben immers volkomen trouweloos tegen Mij gehandeld,
het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE.
12Zij hebben de HEERE verloochend
en zeggen: Hij is het niet!
Geen onheil zal over ons komen,
zwaard of honger zullen wij niet zien!
13Die profeten zullen worden als wind,
het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.

Het oordeel moet komen, maar de HEERE zal niet het hele land verwoesten (vers 1010Klim zijn wijnbergen op, richt [ze] te gronde,
maar maak er geen [vernietigend] einde aan.
Verwijder zijn ranken,
want die zijn niet van de HEERE.
)
. Hij roept de vijanden op Israëls wijnbergen te beklimmen en te verwoesten, maar stelt een grens aan dat verwoestende werk (vgl. Jb 1:1212De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:66En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.). Er moet een overblijfsel gelaten worden. Het te gronde richten betreft de ranken die geen vrucht dragen, dat is de goddeloze massa. Zij zijn ranken die geen verbinding hebben met de ware wijnstok (Jh 15:1-61Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.2Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke [rank] die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.3U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u.4Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft.5Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen.6Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buiten geworpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij verbranden.). In plaats van goede vrucht hebben ze slechte vrucht voortgebracht (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
.

Ze hebben “volkomen trouweloos” tegen de HEERE gehandeld (vers 1111Zij hebben immers volkomen trouweloos tegen Mij gehandeld,
het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE.
)
. Ze zijn niet zomaar een keer of in een bepaald aspect trouweloos, maar voortdurend en in alle aspecten van hun leven. Het zijn ook niet slechts enkelen die zo doen, maar het hele volk, zowel “het huis van Israël” als “het huis van Juda”.

Het volk is er blind voor. Ze zijn blind voor de waarschuwingen van tucht van de HEERE. Ze verwachten niet van Hem dat Hij hen zal tuchtigen en loochenen het onheil dat hun wordt aangezegd (vers 1212Zij hebben de HEERE verloochend
en zeggen: Hij is het niet!
Geen onheil zal over ons komen,
zwaard of honger zullen wij niet zien!
; vgl. Zf 1:1212En in die tijd zal het gebeuren
dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken.
Ik zal de mannen straffen
die dik worden op hun droesem,
die in hun hart zeggen:
De HEERE doet geen goed
en Hij doet geen kwaad.
)
. Ze oordelen dat de woorden van Jeremia woorden van hemzelf zijn en niet van de HEERE. Voor hen is Jeremia iemand die claimt door de Geest te spreken, maar wiens woorden niet meer zijn dan wind (vers 1313Die profeten zullen worden als wind,
het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.
)
. [In het Hebreeuws betekent het woord ruah zowel ‘geest’ als ‘wind’.]

Daarmee loochent het volk dat Jeremia Gods woorden spreekt. Tevens toont het aan dat ze geen onderscheid kunnen maken tussen wind en de ware geest van profetie. Ze zijn zelfs zo vermetel dat ze zeggen dat het woord, dat is het woord van de HEERE, niet bij profeten als Jeremia is. Ze voegen eraan toe dat de oordelen die profeten als Jeremia verkondigen, op die profeten zelf terecht zullen komen. Hun wens is dat het de doempredikers zal vergaan zoals zij prediken, wat inhoudt dat het onheil, zwaard en honger, de profeet van de HEERE zal treffen.


Beschrijving van het oordeel

14Daarom, zo zegt de HEERE,
de God van de legermachten:
Omdat [u] dit woord spreekt,
zie, Ik ga Mijn woorden
in uw mond tot vuur maken
en dit volk [tot] hout,
zodat het hen zal verteren.
15Zie, Ik ga over u
een volk van ver weg brengen,
huis van Israël, spreekt de HEERE.
Een taai volk is het,
een volk, van oude tijden af is het er,
een volk waarvan u de taal niet kent,
en niet verstaat wat het spreekt.
16Zijn pijlkoker is als een open graf,
het zijn allen helden.
17Verslinden zal het uw oogst en uw brood,
verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,
verslinden zal het uw schapen en uw runderen,
verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,
met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,
waarop u vertrouwt.
18Maar ook in die dagen, spreekt de HEERE, zal Ik geen [vernietigend] einde aan u maken. 19En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft de HEERE, onze God, ons al deze dingen aangedaan? dat u tegen hen zult zeggen: Zoals u Mij hebt verlaten en vreemde goden bent gaan dienen in uw land, zo zult u vreemden dienen in een land dat niet het uwe is.

De HEERE neemt het voor Zijn dienaar op. De woorden van Jeremia die zij loochenen als woorden van de HEERE en waarvan zij zeggen dat het slechts wind is (vers 1313Die profeten zullen worden als wind,
het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.
)
, zullen in Jeremia’s mond een vuur worden (vers 1414Daarom, zo zegt de HEERE,
de God van de legermachten:
Omdat [u] dit woord spreekt,
zie, Ik ga Mijn woorden
in uw mond tot vuur maken
en dit volk [tot] hout,
zodat het hen zal verteren.
)
. Tevens zal Hij het volk tot hout maken en zullen zij door het vuur uit de mond van Jeremia verteerd worden. Wat zij als niets meer dan wind beschouwen, zal door God de kracht van vuur worden gegeven. De HEERE zal Zijn woorden, gesproken door Zijn profeten, waarmaken. Hij spreekt dit als “de God van de legermachten”. Hier zien we Hem in Zijn verhevenheid aan het hoofd van alle legers van de hemel en de aarde.

Hij zal over “u”, dat is het hele volk, een vijand brengen (vers 1515Zie, Ik ga over u
een volk van ver weg brengen,
huis van Israël, spreekt de HEERE.
Een taai volk is het,
een volk, van oude tijden af is het er,
een volk waarvan u de taal niet kent,
en niet verstaat wat het spreekt.
)
. Die vijand is een “volk van ver weg” (Dt 28:49a49De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat,), het is “een taai volk”, “een volk” dat er “van oude tijden af is”. Het vier keer terugkerende woord “volk” geeft de onweerstaanbaarheid ervan aan. Hiermee wordt het Babylonische volk bedoeld, dat is gegrond door Nimrod (Gn 10:1010Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.; 11:3131En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen.). Dat volk spreekt een taal die zij niet verstaan. Er is met dat volk niet te communiceren (Dt 28:49b49De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat,; Js 28:1111Ja, met belachelijke klanken
en in een andere taal
zal Hij tot dit volk spreken,
)
.

Dat volk zal dood en verderf over hen brengen (vers 1616Zijn pijlkoker is als een open graf,
het zijn allen helden.
; Dt 28:5050een meedogenloos volk, dat oude mensen niet ontziet en jonge [mensen] niet genadig is.)
. Tegen hun pijlen is niets bestand. Elke pijl die de pijlkoker verlaat, zal raak zijn en als een lijk terugkeren in de pijlkoker. De pijlkoker zal als een open graf met lijken worden gevuld. Zij die de pijlen afschieten, zijn “allen helden”, door en door getrainde soldaten en geen gerekruteerde burgers.

Na deze beschrijving van de macht van de vijand schildert Jeremia de verwoestingen die deze in het land zal aanrichten (vers 1717Verslinden zal het uw oogst en uw brood,
verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,
verslinden zal het uw schapen en uw runderen,
verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,
met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,
waarop u vertrouwt.
)
. Vier keer gebruikt hij het woord “verslinden”. Het benadrukt het onafwendbare, vreselijke lot dat Juda wacht. Achtereenvolgens worden hun voedsel, “oogst” en “brood”, hun kinderen, “zonen” en “dochters”, hun kudden, “schapen” en “runderen”, en hun vruchten, “wijnstok” en “vijgenboom”, van hen weggenomen (vgl. Jr 3:2424Die schande heeft
de arbeid van onze vaderen verslonden, van onze jeugd af,
hun schapen en hun runderen,
hun zonen en hun dochters.
)
. Hun “versterkte steden” waarop ze vertrouwen, zullen met het zwaard verwoest worden. Het oordeel is totaal, het komt over alles en iedereen.

Toch zal de vernietiging niet totaal zijn (vers 1818Maar ook in die dagen, spreekt de HEERE, zal Ik geen [vernietigend] einde aan u maken.; vers 1010Klim zijn wijnbergen op, richt [ze] te gronde,
maar maak er geen [vernietigend] einde aan.
Verwijder zijn ranken,
want die zijn niet van de HEERE.
; Jr 4:2727Want zo zegt de HEERE:
Heel het land zal een woestenij worden –
toch zal Ik er geen [vernietigend] einde aan maken.
)
. De HEERE zal een rest laten overblijven. Dat overblijfsel zal zich afvragen waarom de HEERE dit heeft gedaan (vers 1919En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft de HEERE, onze God, ons al deze dingen aangedaan? dat u tegen hen zult zeggen: Zoals u Mij hebt verlaten en vreemde goden bent gaan dienen in uw land, zo zult u vreemden dienen in een land dat niet het uwe is.). Op die vraag zullen ze bij monde van Jeremia ook een antwoord krijgen. Ze krijgen te horen dat dit alles door de HEERE over hen is gebracht omdat ze Hem hebben verlaten en in hun land, dat Hij hun heeft gegeven, vreemde goden zijn gaan dienen. Hierdoor hebben zij het land ontwijd en het onteigend, dat wil zeggen van de HEERE afgenomen.

Het is een dubbele zonde. De straf is ook dubbel. De HEERE zal ervoor zorgen dat zij ook onteigend worden en dat ze vreemden zullen dienen. Het woord “dienen” houdt volstrekte onderwerping in. Ze zullen uit hun land in ballingschap worden weggevoerd. In het land van hun ballingschap zullen ze als slaven vreemden moeten gehoorzamen.


Bewuste opstand van Israël

20Maak dit aan het huis van Jakob bekend,
laat het horen in Juda:
21Hoor toch dit,
dwaas volk, zonder verstand,
zij hebben ogen, maar zij zien niet,
zij hebben oren, maar zij horen niet.
22Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
23Maar dit volk heeft
een opstandig, ongehoorzaam hart,
zij zijn afgeweken, zij gingen [hun eigen weg].
24Ze zeggen niet in hun hart:
Laten wij toch de HEERE, onze God, vrezen,
Die de regen geeft, zowel vroege regen als late regen, op zijn tijd,
Die de vastgestelde weken van de oogst voor ons bewaakt.
25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af,
uw zonden onthouden u het goede.
26Want onder Mijn volk
worden goddelozen gevonden.
Men ligt op de loer,
ineengedoken als vogelvangers.
Zij zetten een vernielende strik,
mensen vangen zij.
27Hun huizen zijn zo vol bedrog
als een kooi vol vogels.
Daarom zijn zij groot en rijk geworden,
28vet [en] vadsig.
Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:
geen rechtszaak behartigen zij,
[zelfs niet] de rechtszaak van een wees, en [toch] hebben ze voorspoed,
het recht van de armen laten zij niet gelden.
29Zou Ik vanwege deze dingen niet straffen?
spreekt de HEERE,
of op een volk als dit
Mijzelf niet wreken?
30Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks
gebeurt er in het land:
31de profeten profeteren leugens,
de priesters heersen door hun handen,
en Mijn volk heeft het graag zo.
Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?

Jeremia moet “aan het huis van Jakob” bekendmaken en “in Juda” laten horen hoe de HEERE hen ziet (vers 2020Maak dit aan het huis van Jakob bekend,
laat het horen in Juda:
)
. De HEERE roept hen, die Hij “een dwaas volk, zonder verstand” noemt, op om te horen (vers 2121Hoor toch dit,
dwaas volk, zonder verstand,
zij hebben ogen, maar zij zien niet,
zij hebben oren, maar zij horen niet.
)
. Ze zijn “een dwaas volk” omdat ze met Hem geen rekening houden. Daardoor zijn ze ook “zonder verstand”. Ze zijn elk gevoel van redelijkheid kwijt en kunnen zich niet meer oriënteren om te ontdekken wat goed is.

De HEERE heeft hun “in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid” (Rm 2:20b20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt, –) gegeven. Maar ze handelen in alle opzichten in strijd met de wet (Rm 2:17-2317Als u nu een Jood genoemd wordt, op [de] wet steunt, in God roemt,18Zijn wil kent en beproeft wat het beste is, omdat u uit de wet bent onderwezen,19en van uzelf vertrouwt dat u een leidsman bent van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn,20een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van onmondigen, daar u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt, –21u dan die een ander leert, leert u zichzelf niet? U die predikt dat men niet mag stelen, steelt u?22U die zegt dat men geen overspel mag plegen, pleegt u overspel? U die de afgoden verfoeit, pleegt u tempelroof?23U die zich op [de] wet beroemt, onteert u God door de overtreding van de wet?). Ze storen zich niet aan wat de HEERE van hen eist. Dat ligt niet aan Hem. Hij heeft hun ogen en oren gegeven. Omdat ze die niet hebben gebruikt om naar Hem te kijken en naar Hem te luisteren, zijn ze blind en doof geworden (vgl. Ez 12:22Mensenkind, u woont te midden van een ongehoorzaam huis. Zij hebben ogen om te zien, maar zij kijken niet, zij hebben oren om te horen, maar zij luisteren niet, want zij zijn een opstandig huis!). Hij roept hen wel op om naar Hem terug te keren, maar ze luisteren niet (vgl. Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
; Mt 13:13-1513Daarom spreek Ik in gelijkenissen tot hen, omdat zij kijkend niet kijken en horend niet horen en niet verstaan.14En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ’Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;15want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.)
. Daarmee zijn ze gelijk geworden aan hun afgoden die ze dienen in plaats van Hem, afgoden die geen enkel teken van leven geven (Ps 115:5-85zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
6zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
7hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
8Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
)
.

De HEERE vraagt Zich verbaasd af of ze dan niet bevreesd voor Hem zijn, of ze niet voor Zijn aangezicht zouden beven (vers 2222Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
)
. Waar is de eerbied voor Hem (vgl. Ml 1:6a6Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?)? Hij is immers die ontzagwekkend grote God? Tegenover Hem zijn ze volstrekt hulpeloos.

Het volk heeft echter alle gevoel voor de grootheid van de HEERE verloren. Hij beteugelt de zee en die gehoorzaamt Hem (Mk 4:37-4137En er ontstond een hevige stormwind en de golven sloegen in het schip, zodat het schip al vol liep.38En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?39En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.40En Hij zei tot hen: Waarom bent u <zo> angstig? Hebt u nog geen geloof?41En zij vreesden met grote vrees en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen?; Jb 38:8-118Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
; Ps 104:99U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.
)
. Hij bepaalt een grens voor de zee. Hoe de zee ook kolkt en bruist, Zijn machtige hand houdt haar in toom, zodat zij niets kan uitrichten en de door Hem bepaalde grens niet zal overschrijden. Het volk laat zich echter niet beteugelen en trekt zich niets aan van de grenzen die de HEERE in Zijn verbond met hen heeft bepaald.

De oorzaak daarvan is “een opstandig, ongehoorzaam hart” (vers 2323Maar dit volk heeft
een opstandig, ongehoorzaam hart,
zij zijn afgeweken, zij gingen [hun eigen weg].
)
. Daardoor overschrijden zij schaamteloos Gods morele grenzen. Ze zijn afgeweken van de goede weg en zijn hun eigen verdorven weg van afgoderij gegaan. Het gelovig overblijfsel zal dat in de toekomst als hun zonde belijden en tegelijk mogen vaststellen dat de Heer Jezus daarvoor de straf van Godswege heeft gedragen (Js 53:66Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.
)
.

Het komt niet in hun hart op om de HEERE, hun God, te vrezen (vers 2424Ze zeggen niet in hun hart:
Laten wij toch de HEERE, onze God, vrezen,
Die de regen geeft, zowel vroege regen als late regen, op zijn tijd,
Die de vastgestelde weken van de oogst voor ons bewaakt.
)
. Het hart is het centrum van het innerlijke leven en omvat gevoel, wil en verstand. Daarom moeten we ons hart beschermen door het aan Hem te geven (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
; 23:26a26Mijn zoon, geef mij je hart,
en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen.
)
. De HEERE neemt het hun kwalijk dat ze er niet aan denken Hem te vrezen, terwijl er, behalve de hiervoor genoemde bewijzen van Zijn almacht, ook zoveel bewijzen van Zijn goedheid zijn.

Elke keer als ze de oogstfeesten vieren, zien ze die goedheid. Hij heeft de regen gegeven, “zowel vroege als late regen”, zodat de oogst er kan zijn. Het is zelfs zo, dat Hij “de vastgestelde weken van de oogst” (vgl. Ex 34:2222Ook moet u voor uzelf het Wekenfeest houden, [dat is het feest bij] de eerste vruchten van de tarweoogst; en [ook] het Feest van de inzameling, bij de jaarwisseling.; Lv 23:10,1510Spreek tot de Israëlieten, en zeg tegen hen: Wanneer u in het land komt dat Ik u geven zal, en u de oogst ervan binnenhaalt, dan moet u de eerste schoof van uw oogst naar de priester brengen.15U moet dan vanaf de dag na de sabbat [gaan] tellen, vanaf de dag dat u de schoof van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn.) voor hen heeft bewaakt. Zo is Hij voortdurend voor hen bezig geweest (vgl. Hd 14:1717hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.). Ze erkennen Hem echter niet als de bron van zegen, maar schrijven die toe aan de afgoden. Wat een schaamteloze belediging van Hem!

Hij kan dan ook niet doorgaan met hen te zegenen. Hun ongerechtigheden en zonden blokkeren Hem om hun nog langer al die goede dingen te geven (vers 2525Uw ongerechtigheden wenden die dingen af,
uw zonden onthouden u het goede.
)
. Het ligt dus aan henzelf en niet aan Hem. Altijd vormen de ongerechtigheden en de zonden van de mens een blokkade voor God om hem te zegenen. Ongerechtigheid is het afbuigen van de weg die God wil dat de mens gaat en zonde is het doel missen dat God voor de mens heeft.

Hij doet er dan ook alles aan om die blokkade weg te nemen, zodat Hij kan zegenen. In Christus biedt God de mens de mogelijkheid om van zijn ongerechtigheden en zonden bevrijd te worden en de zegen te ontvangen die Hij wil geven. Voorwaarde is dat er berouw en bekering zijn.

Alle inspanningen van de HEERE om Zijn volk terug te krijgen op de weg van zegen zijn door het volk met nog grotere ontrouw beantwoord. Onder Zijn volk ziet Hij hoe goddelozen erop uit zijn anderen te beroven (vers 2626Want onder Mijn volk
worden goddelozen gevonden.
Men ligt op de loer,
ineengedoken als vogelvangers.
Zij zetten een vernielende strik,
mensen vangen zij.
)
. Als ze dan geen zegen van God krijgen, zullen ze zelf wel zorgen dat ze aan eten en inkomen komen. Daarvoor liggen ze op de loer en zetten ze vernielende strikken. Het gaat er bij hen om dat ze mensen vangen om van hen alles te roven wat zij bezitten.

Met de buit vullen ze hun huizen, zoals een vogelvanger zijn kooi met vogels vult (vers 2727Hun huizen zijn zo vol bedrog
als een kooi vol vogels.
Daarom zijn zij groot en rijk geworden,
)
. Maar waarmee ze hun huizen hebben gevuld, wordt door de HEERE “bedrog” genoemd, omdat ze hun bezit op onrechtmatige, leugenachtige wijze hebben verkregen. Ze lijken geslaagd te zijn in hun boze opzet om zich ten koste van anderen te verrijken. Door hun gemene handelwijze zijn ze “groot en rijk geworden”. Het onrecht heeft hen ook “vet [en] vadsig” gemaakt (vers 2828vet [en] vadsig.
Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:
geen rechtszaak behartigen zij,
[zelfs niet] de rechtszaak van een wees, en [toch] hebben ze voorspoed,
het recht van de armen laten zij niet gelden.
)
. Ze zwelgen in hun gestolen goederen en doen zich er ongeremd te goed aan. Zelfbeheersing kennen ze niet.

Ze maken het nog bonter dan de grootste misdadigers en leven hun eigen luxe leven, zonder zich ook maar in het minst om anderen te bekommeren. Ze lopen over van kwade praktijken. De sociaal zwakkeren zien ze niet staan, of het zou moeten zijn om ook hen te beroven. Om recht geven ze niets. Dat ze ondanks dat alles toch voorspoed hebben, is een constatering die verbazing wekt. Loont de zonde dan toch?

Op die vraag komt direct het antwoord (vers 2929Zou Ik vanwege deze dingen niet straffen?
spreekt de HEERE,
of op een volk als dit
Mijzelf niet wreken?
)
. De HEERE zegt dat Hij hen zal straffen. Hij zegt dit als vraag. Daardoor wordt des te duidelijker dat Hij niet anders kan, dan Zich wreken “op een volk als dit”. We beluisteren hier Zijn grote afschuw van hun zonden. Het is een volk dat met de mond belijdt Zijn volk te zijn, terwijl het tegelijk zoveel verwerpelijke handelingen verricht.

Het is verschrikkelijk en afschuwelijk wat er allemaal in het land gebeurt (vers 3030Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks
gebeurt er in het land:
; vgl. Hs 6:1010In het huis van Israël
zie Ik afschuwelijke dingen:
daar is de hoererij van Efraïm,
Israël heeft zich verontreinigd.
)
. De HEERE ontzet Zich erover. Profeten, priesters en het hele volk hebben Hem de rug toegekeerd (vers 3131de profeten profeteren leugens,
de priesters heersen door hun handen,
en Mijn volk heeft het graag zo.
Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?
)
. Zij die voor het geestelijk welzijn van het volk moeten zorgen, denken alleen aan zichzelf. De profeten profeteren leugens om bij het volk in de gunst te blijven en geld op te strijken voor hun mooie praatjes. De priesters sluiten zich daarbij aan en strijken ook hun deel van het geld op.

Het volk is niet minder schuldig, want ze hebben maar al te graag zulke voorgangers die hun alleen maar mooie praatjes voorhouden, terwijl hun geweten buiten schot blijft (vgl. 2Tm 4:3-43Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;4en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden.). Ze houden niet van profeten die hun geweten aanspreken. Ze hebben hun valse zekerheid lief. Allemaal staan ze schuldig voor God. De vraag is wat ze zullen doen als het einde komt. Dan zal blijken wat de praatjes van de valse leiders waard waren en wat de valse zekerheid van het volk heeft opgeleverd.


Lees verder