Jeremia
1-6 Profetie over Ammon 7-22 Profetie over Edom 23-27 Profetie over Damascus 28-33 Profetie over Kedar en Hazor 34-39 Profetie over Elam
Profetie over Ammon

1Over de Ammonieten.
Zo zegt de HEERE:
Heeft Israël geen kinderen
of heeft het geen erfgenaam?
Waarom is Malcam [dan] erfgenaam van Gad
en woont zijn volk in diens steden?
2Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik tegen Rabba van de Ammonieten
krijgsgeschreeuw zal doen horen.
Het zal tot een woeste ruïne worden,
de bijbehorende [plaatsen] zullen met vuur aangestoken worden.
Dan zal Israël in bezit nemen hen die het in bezit genomen hadden,
zegt de HEERE.
3Weeklaag, Hesbon, want Ai is verwoest,
schreeuw het uit, dochters van Rabba!
Omgord u met rouwgewaden, bedrijf rouw,
loop rond bij de omheiningen,
want Malcam zal in ballingschap gaan,
zijn priesters en zijn vorsten samen.
4Wat beroemt u zich op de dalen? Weggevloeid is uw dal,
afvallige dochter,
die vertrouwt op haar schatten
[en zegt:] Wie zou er tegen mij opkomen?
5Zie, Ik ga angst over u laten komen,
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten,
overal om u heen.
U zult verdreven worden, ieder voor zich,
en niemand is er die bijeenbrengt wie weggevlucht zijn.
6Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.

De Ammonieten zijn, na hun broedervolk de Moabieten in het vorige hoofdstuk, nu het onderwerp van een profetie (vers 11Over de Ammonieten.
Zo zegt de HEERE:
Heeft Israël geen kinderen
of heeft het geen erfgenaam?
Waarom is Malcam [dan] erfgenaam van Gad
en woont zijn volk in diens steden?
)
. Ook zij zijn via Lot verwant aan Israël (Gn 19:3838De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.). In Ammon zien we de geest van hebzucht. Malcam, de god van de Ammonieten, wordt de eer gegeven dat de Ammonieten de steden van Gad, een stam met een erfdeel in het Overjordaanse, nu bezitten. Er is geen respect voor wat God iemand, in dit geval Zijn volk, als bezit heeft gegeven. In naam van Malcam matigen ze zich aan erfgenaam van Gad te zijn. Daarmee negeren ze dat Israël zelf kinderen heeft die erfgenaam zijn.

Ammon toont geen respect voor een familie-erfstuk. Assyrië heeft Gad weggevoerd (1Kr 5:2626Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.) en de Ammonieten zijn er gaan wonen. Dat brengt Gods oordeel over Rabba, de hoofdstad van Ammon (vers 22Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik tegen Rabba van de Ammonieten
krijgsgeschreeuw zal doen horen.
Het zal tot een woeste ruïne worden,
de bijbehorende [plaatsen] zullen met vuur aangestoken worden.
Dan zal Israël in bezit nemen hen die het in bezit genomen hadden,
zegt de HEERE.
)
. Vijanden zullen onder krijgsgeschreeuw de stad verwoesten en de dorpen met vuur verbranden (vgl. Am 1:13-1513Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van de Ammonieten,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de zwangere [vrouwen] van Gilead opengereten hebben
om [zo] hun gebied te verruimen.
14Daarom zal Ik een vuur aansteken binnen de muren van Rabba;
dat zal zijn paleizen verteren,
met gejuich op de dag van de strijd,
met storm op de dag van de wervelwind.
15Hun koning zal in ballingschap gaan,
hij en zijn vorsten tezamen,
zegt de HEERE.
; Ez 25:3-5,103Zeg tegen de Ammonieten: Luister naar het woord van de Heere HEERE: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u ‘Haha!’ gezegd hebt over Mijn heiligdom, toen het ontheiligd werd, en over het land van Israël, toen het verwoest werd, en over het huis van Juda, toen zij in ballingschap gingen,4daarom, zie, ga Ik u in erfelijk bezit geven aan de mensen van het oosten. Die zullen bij u hun tentenkampen opzetten en hun woningen bij u plaatsen. Zíj zullen uw vruchten opeten en zíj zullen uw melk opdrinken.5Van Rabba zal Ik een weideplaats voor kamelen maken, van [het gebied van] de Ammonieten een rustplaats voor kleinvee. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.10Met [het gebied] van de Ammonieten zal Ik het in erfelijk bezit geven aan de mensen van het oosten, zodat onder de heidenvolken aan de Ammonieten niet [meer] gedacht zal worden.)
. Zij die erin wonen, zullen buit worden voor de Israëlieten die terugkeren, die daarmee vergoeding krijgen voor alles wat Ammon van hen heeft genomen. Dit zal in de toekomst gebeuren.

Ook Ai wordt verwoest (vers 33Weeklaag, Hesbon, want Ai is verwoest,
schreeuw het uit, dochters van Rabba!
Omgord u met rouwgewaden, bedrijf rouw,
loop rond bij de omheiningen,
want Malcam zal in ballingschap gaan,
zijn priesters en zijn vorsten samen.
)
. Dat zal Hesbon en de dochters van Rabba pijn doen. Zij worden opgeroepen te weeklagen en het uit te schreeuwen. Nog een reden om rouw te bedrijven en verdwaasd rond te lopen is het in ballingschap gaan van hun god Malcam, samen met zijn priesters en vorsten. Zo zal de hele afgodendienst geoordeeld en de waardeloosheid ervan aangetoond worden. Malcam, die zij eerst hebben geëerd als erfgenaam van Gad (vers 11Over de Ammonieten.
Zo zegt de HEERE:
Heeft Israël geen kinderen
of heeft het geen erfgenaam?
Waarom is Malcam [dan] erfgenaam van Gad
en woont zijn volk in diens steden?
)
, blijkt niet meer dan een stuk hout te zijn dat kan worden meegenomen.

Evenals Moab is ook Ammon niet vrij van hoogmoed (vers 44Wat beroemt u zich op de dalen? Weggevloeid is uw dal,
afvallige dochter,
die vertrouwt op haar schatten
[en zegt:] Wie zou er tegen mij opkomen?
; Jr 48:2929Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,
en zijn hooghartigheid.
)
. Hun dalen geven rijke oogsten, maar daar is niets van over. Ammon vertrouwt op schatten en snoeft dat zij voor geen vijand bang zijn. ‘Wel’, zegt “de Heere, de HEERE van de legermachten”, ‘Ik zal jullie bang maken (vers 55Zie, Ik ga angst over u laten komen,
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten,
overal om u heen.
U zult verdreven worden, ieder voor zich,
en niemand is er die bijeenbrengt wie weggevlucht zijn.
)
. Er komt een vijand die jullie zal omsingelen. Waar jullie ook kijken, zal angst jullie overvallen. Jullie zullen op de vlucht slaan en uit elkaar geslagen worden.’ Het is ieder voor zich, zonder kans op hereniging.

Toch is er ook voor Ammon herstel (vers 66Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.). Als de tucht van de HEERE zijn werk heeft gedaan, zal Hij een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten. Dan zal Hij hen terugbrengen in hun land.


Profetie over Edom

7Over Edom.
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad van verstandige [mensen] vergaan?
Is hun wijsheid overbodig geworden?
8Vlucht, keer u om, verblijf in diepgelegen [plaatsen],
inwoners van Dedan!
Want Ik heb de ondergang van Ezau over hem gebracht,
de tijd [dat] Ik hem straf.
9Als er druivenplukkers bij u komen,
laten zij [dan] geen nalezing over?
Als er dieven in de nacht [komen],
zouden zij [dan geen] verderf aanrichten tot zij genoeg hebben?
10Ik echter, Ik zal Ezau ontbloten,
Ik zal zijn verborgen plaatsen blootleggen,
zodat hij zich niet kan verstoppen.
Zijn nageslacht wordt verdelgd, [evenals] zijn broers
en zijn buren – en hij is er niet [meer].
11Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
12Want zo zegt de HEERE: Zie, zij die niet verdienden om de beker te moeten drinken, moeten [hem] beslist drinken. Zou u [dan] in enig opzicht voor onschuldig gehouden worden? U zult niet voor onschuldig gehouden worden, maar u moet [hem] beslist drinken! 13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra zal worden tot een verschrikking, tot smaad, tot een verwoeste [plaats] en tot een vloek. Al zijn steden zullen tot eeuwige puinhopen worden.
14Ik heb een bericht gehoord van de HEERE,
een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Verzamel u, kom ertegen [op],
sta op voor de strijd!
15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken,
veracht onder de mensen.
16De schrik voor u heeft u bedrogen,
de overmoed van uw hart,
u die woont in rotskloven,
u die zich vastklemt aan hoge heuvels.
Al zou u uw nest [zo] hoog maken als de arend,
vandaar zal Ik u neerhalen,
spreekt de HEERE.
17Edom zal worden tot een verschrikking. Ieder die er voorbij trekt, zal zich ontzetten en sissen [van afschuw] over al zijn wonden. 18Zoals Sodom, Gomorra en hun naburige [plaatsen] ondersteboven zijn gekeerd, zegt de HEERE, zal daar niemand wonen en zal geen mensenkind erin verblijven.
19Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
20Daarom, hoor het raadsbesluit van de HEERE
dat Hij over Edom genomen heeft,
en Zijn plannen die Hij bedacht heeft
tegen de inwoners van Teman:
Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!
Voorwaar, men zal hun woonplaats boven hen verwoesten!
21Van het geluid van hun val beeft de aarde,
het geschreeuw – bij de Schelfzee wordt het geluid daarvan gehoord.
22Zie, als een arend stijgt hij op, komt hij aanzweven, spreidt hij zijn vleugels uit over Bozra. Het hart van de helden van Edom zal op die dag zijn als het hart van een vrouw in [barens]nood.

Edom – dat is Ezau (Gn 36:88Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.) – is aan de beurt om te horen wat de HEERE over hem te zeggen heeft (vers 77Over Edom.
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad van verstandige [mensen] vergaan?
Is hun wijsheid overbodig geworden?
)
. Zijn land ligt – vanuit Israël bezien – aan de andere kant van de Dode Zee, ten zuiden van Moab. Edom staat bekend om zijn grenzeloze haat tegen Gods volk die voortkomt uit jaloersheid. Edom is ook bekend om zijn wijsheid (Ez 25:1313daarom, zo zegt de Heere HEERE, zal Ik Mijn hand tegen Edom uitstrekken. Ik zal mens en dier daaruit uitroeien en het [tot] een puinhoop maken, van Teman af. [Tot aan] Dedan [toe] zullen zij door het zwaard vallen.), met Teman als het centrum ervan.

Maar hun wijsheid baat niet als God gaat oordelen. Dan vraagt Hij spottend of er geen wijsheid meer is en of de raad van de verstandige is vergaan of dat de wijsheid gewoon overbodig is. Het oordeel dat over Edom worden aangekondigd, staat ook in Obadja (Ob 1:1-191Het visioen van Obadja.
Zo zegt de Heere HEERE over Edom:
Een bericht hebben wij gehoord van de HEERE,
en een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Sta op! Laten wij tegen [Edom] opstaan ten strijde!2Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken;
diep veracht wordt u.3De overmoed van uw hart heeft u bedrogen,
[hij] die woont in de rotskloven, [in] zijn hoge verblijfplaats,
[hij] die zegt in zijn hart:
Wie zal mij neerhalen naar de aarde?4Al verhief u zich als een arend,
en al bouwde u uw nest tussen de sterren,
[ook] vandaar zou Ik u neerhalen, spreekt de HEERE.5Als er dieven bij u komen,
of nachtelijke verwoesters
– hoe zult u uitgeroeid worden! –
stelen zij niet tot zij genoeg hebben?
Als er druivenplukkers bij u komen,
zullen zij niet een nalezing overlaten?6Hoe is Ezau doorzocht,
wat hij verborgen heeft, opgespoord!7Tot aan de grens hebben zij u gestuurd,
al uw bondgenoten.
Zij met wie u [in] vrede [leefde],
hebben u bedrogen, u overwonnen.
[Zij die] uw brood [eten],
leggen een valstrik voor u.
Er is geen inzicht in hem.8Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.10Vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.11Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.15Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!16Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,
zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;
zij zullen drinken en slurpen;
zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!17Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:
die zal een heilige plaats zijn;
zij die van het huis van Jakob zijn,
zullen hun bezittingen [weer] in bezit nemen.18Dan zal het huis van Jakob een vuur zijn,
het huis van Jozef een vlam,
en het huis van Ezau zal tot stoppels worden;
zij zullen tegen hen ontbranden en hen verslinden,
zodat er geen ontkomene zal zijn voor het huis van Ezau,
want de HEERE heeft gesproken!19Het Zuiderland zal het gebergte van Ezau in bezit nemen, en het Laagland [het gebied van] de Filistijnen; ja, zij zullen het gebied van Efraïm en het gebied van Samaria in bezit nemen; en Benjamin [dat van] Gilead.
)
. Deze tweevoudige beschrijving van het oordeel over Edom toont wel aan hoezeer Gods toorn op dit volk rust en hoezeer Edom dit verdient.

Dan klinkt ineens de oproep tot Dedan om te vluchten (vers 88Vlucht, keer u om, verblijf in diepgelegen [plaatsen],
inwoners van Dedan!
Want Ik heb de ondergang van Ezau over hem gebracht,
de tijd [dat] Ik hem straf.
)
. Dedan is een stam die in het zuiden van Edom woont en bekendstaat om zijn handel (Jr 25:2323aan Dedan, Tema, Buz, en allen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen,). Ze moeten hun gebruikelijke contacten met Edom opgeven, opdat ze niet in het verderf dat over hem komt, zullen worden meegesleept. Als ze dat doen, zal dat van wijsheid getuigen. Want de HEERE brengt “de ondergang van Ezau over hem”, Zijn rechtvaardige straf.

Een druivenplukker laat altijd nog wat druiven hangen voor een nalezing (vers 99Als er druivenplukkers bij u komen,
laten zij [dan] geen nalezing over?
Als er dieven in de nacht [komen],
zouden zij [dan geen] verderf aanrichten tot zij genoeg hebben?
; Lv 19:1010U mag ook uw wijngaard niet nalopen en de afgevallen druiven van uw wijngaard niet oprapen. U moet ze voor de arme en voor de vreemdeling achterlaten. Ik ben de HEERE, uw God.)
. Dieven stelen alleen wat van waarde is en laten de rest liggen. Zo zal het echter niet zijn als de HEERE Ezau oordeelt (vers 1010Ik echter, Ik zal Ezau ontbloten,
Ik zal zijn verborgen plaatsen blootleggen,
zodat hij zich niet kan verstoppen.
Zijn nageslacht wordt verdelgd, [evenals] zijn broers
en zijn buren – en hij is er niet [meer].
)
. Hij zal hem volledig verdelgen, er zal geen plek zijn waar hij veilig is voor Zijn oordeel. Niemand zal ontkomen, op enkele wezen en weduwen na. Hen zal de HEERE in het leven behouden als zij op Hem vertrouwen (vers 1111Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
)
.

Edom heeft zich veel schuldiger gemaakt dan andere volken en zal daarom zeker niet voor onschuldig gehouden worden (vers 1212Want zo zegt de HEERE: Zie, zij die niet verdienden om de beker te moeten drinken, moeten [hem] beslist drinken. Zou u [dan] in enig opzicht voor onschuldig gehouden worden? U zult niet voor onschuldig gehouden worden, maar u moet [hem] beslist drinken!). Hij zal de beker van Gods toorn moeten drinken. Edom heeft het ernaar gemaakt dat de HEERE bij Zichzelf heeft gezworen dat Hij Bozra en al zijn steden zal verwoesten en tot eeuwige puinhopen zal maken (vers 1313Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra zal worden tot een verschrikking, tot smaad, tot een verwoeste [plaats] en tot een vloek. Al zijn steden zullen tot eeuwige puinhopen worden.
)
. Dat betekent dat er voor Ezau geen herstel zal zijn.

Jeremia spreekt vervolgens over een bericht dat hij van de HEERE heeft gehoord (vers 1414Ik heb een bericht gehoord van de HEERE,
een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Verzamel u, kom ertegen [op],
sta op voor de strijd!
)
. Dit bericht luidt dat er een oproep is gedaan onder de heidenvolken om zich te verzamelen en zich klaar te maken voor de strijd. De heidenvolken zien Edom als een klein volk en verachten hem (vers 1515Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken,
veracht onder de mensen.
)
. Dit is door de HEERE bewerkt. Edom zelf denkt dat het andersom is en dat de heidenvolken bang voor hem zijn (vers 1616De schrik voor u heeft u bedrogen,
de overmoed van uw hart,
u die woont in rotskloven,
u die zich vastklemt aan hoge heuvels.
Al zou u uw nest [zo] hoog maken als de arend,
vandaar zal Ik u neerhalen,
spreekt de HEERE.
)
. Dit zelfbedrog komt door de overmoed van zijn hart. Hij meent dat hij in een onneembare vesting woont. Maar de HEERE zal hem van zijn hoogte neerhalen.

Hij zal Edom tot een verschrikking maken (vers 1717Edom zal worden tot een verschrikking. Ieder die er voorbij trekt, zal zich ontzetten en sissen [van afschuw] over al zijn wonden.). Wie hem zien, zullen geluiden van afschuw laten horen. Het zal Edom vergaan zoals het ongeveer twaalfhonderd jaar eerder Sodom en Gomorra is vergaan (vers 1818Zoals Sodom, Gomorra en hun naburige [plaatsen] ondersteboven zijn gekeerd, zegt de HEERE, zal daar niemand wonen en zal geen mensenkind erin verblijven.
)
. Net zoals daar niemand meer woont, zo zal er in Edom niemand meer wonen, geen mensenkind.

Dan vertelt de profeet over de vijand die eraan komt om Edom te verwoesten (vers 1919Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
)
. Die vijand komt als een leeuw. De HEERE zal hem snel sturen. Hij heeft dit instrument uitgekozen. Wie zal daar iets tegen kunnen inbrengen of Hem daarover ter verantwoording kunnen roepen? Wie zal zich kunnen opwerpen als beschermer van Ezau dat hij voor Zijn aangezicht zou kunnen standhouden? Op indrukwekkende wijze maakt de HEERE hier bekend dat het oordeel dat Hij Zich over Edom heeft voorgenomen, volmaakt rechtvaardig en niet te keren is.

Dan maakt Hij Zijn raadsbesluit bekend dat Hij over Edom genomen heeft en de plannen die Hij bedacht heeft tegen de inwoners van Teman (vers 2020Daarom, hoor het raadsbesluit van de HEERE
dat Hij over Edom genomen heeft,
en Zijn plannen die Hij bedacht heeft
tegen de inwoners van Teman:
Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!
Voorwaar, men zal hun woonplaats boven hen verwoesten!
)
. Er zal niet veel kracht nodig zijn om hen weg te slepen. Hun woonplaats in het hoge gebergte zal worden verwoest. Hun val zal groot zijn, de aarde zal ervan beven (vers 2121Van het geluid van hun val beeft de aarde,
het geschreeuw – bij de Schelfzee wordt het geluid daarvan gehoord.
)
. Hun geschreeuw zal op grote afstand te horen zijn.

Het beeld van de leeuw (vers 1919Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
)
verandert nu in dat van een arend. Zij hebben zichzelf met een arend vergeleken die zijn nest hoog op de rotsen bouwt (vers 1616De schrik voor u heeft u bedrogen,
de overmoed van uw hart,
u die woont in rotskloven,
u die zich vastklemt aan hoge heuvels.
Al zou u uw nest [zo] hoog maken als de arend,
vandaar zal Ik u neerhalen,
spreekt de HEERE.
)
. Maar als de vijand als een arend komt aanzweven en zijn vleugels over Bozra uitspreidt, zal het hart van de helden van Edom worden als het hart van een vrouw in barensnood (vers 2222Zie, als een arend stijgt hij op, komt hij aanzweven, spreidt hij zijn vleugels uit over Bozra. Het hart van de helden van Edom zal op die dag zijn als het hart van een vrouw in [barens]nood.). De vijand zal hen totaal overvallen en alles in bezit nemen, terwijl zij van angst verlamd zullen staan.


Profetie over Damascus

23Over Damascus.
Hamath en Arpad staan beschaamd.
Omdat zij een slecht bericht hebben gehoord,
smelten zij weg. Bij de zee is bezorgdheid,
men kan niet tot rust komen.
24Damascus heeft de moed verloren, het keert zich om om te vluchten,
siddering heeft het aangegrepen,
benauwdheid en weeën hebben het aangegrepen als een barende [vrouw].
25Hoe is de stad van de roem verlaten,
de stad van mijn vreugde!
26Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen en alle strijdbare mannen zullen op die dag verdelgd worden, spreekt de HEERE van de legermachten.
27Ik zal een vuur aansteken binnen de muren van Damascus;
dat zal de paleizen van Benhadad verteren.

Ook over Damascus wordt het oordeel uitgesproken (vers 2323Over Damascus.
Hamath en Arpad staan beschaamd.
Omdat zij een slecht bericht hebben gehoord,
smelten zij weg. Bij de zee is bezorgdheid,
men kan niet tot rust komen.
)
. Damascus is de hoofdstad van Syrië, het land waarvan Israël – en Juda in het bijzonder – veel geleden heeft. Het is ook de stad waaraan de genade van God verbonden is door de bekering van Saulus als hij daarheen op weg is en waar hij ook enige tijd als bekeerde Jood verblijft (Hd 9:1-251Terwijl nu Saulus nog steeds dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij naar de hogepriester2en vroeg hem om brieven naar Damascus, voor de synagogen, om, als hij er vond die van de Weg waren, zowel mannen als vrouwen geboeid naar Jeruzalem te brengen.3Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damascus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel;4en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?5En hij zei: Wie bent U, Heer? En hij zei: Ik ben Jezus, Die jij vervolgt.6Maar sta op en ga de stad binnen en er zal tot je gesproken worden wat je moet doen.7De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen.8Saulus nu stond op van de grond; en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem in Damascus.9En hij kon drie dagen niet zien en hij at en hij dronk niet.10Nu was er een discipel in Damascus, genaamd Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer.11En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.12En hij heeft <in een gezicht> gezien dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem <de> handen oplegde, opdat hij weer kon zien.13Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan;14en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die Uw Naam aanroepen te boeien.15De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;16want Ik zal hem tonen hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.17Ananias nu ging en kwam het huis binnen; en hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met [de] Heilige Geest vervuld wordt.18En terstond vielen hem als het ware schubben van de ogen en hij kon weer zien; en hij stond op en werd gedoopt.19En toen hij voedsel had genomen, werd hij versterkt. Hij nu was enige dagen bij de discipelen in Damascus.20En terstond predikte hij in de synagogen Jezus, dat Deze de Zoon van God is.21En allen die het hoorden, raakten buiten zichzelf en zeiden: Is deze niet degene die in Jeruzalem hen verdelgde die deze Naam aanroepen, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen?22Saulus echter werd steeds krachtiger en bracht <de> Joden die in Damascus woonden in verwarring door te bewijzen dat Deze de Christus is.23Toen er nu vele dagen verlopen waren, beraadslaagden de Joden samen om hem te doden.24Hun aanslag werd Saulus echter bekend. En ook bewaakten zij dag en nacht de poorten om hem te kunnen doden.25Zijn discipelen echter namen hem ‘s nachts mee en lieten hem door de muur in een mand naar beneden zakken.).

Hamath en Arpad zijn steden in het noorden van Syrië, die eerst door Assyrië en later door Nebukadnezar zijn ingenomen (Js 36:1919Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?). Als deze steden het nieuws over een op handen zijnde oorlog horen, smelten ze weg van angst. De bewoners aan de zee, waaraan zij hun welvaart te danken hebben, raken vol bezorgdheid en onrust die ze niet kwijtraken. Rusteloosheid is een ramp in het leven van een volk en van een enkeling en een oorzaak van veel ellende.

Er is geen moed om zich te verzetten tegen de vijand die er aankomt (vers 2424Damascus heeft de moed verloren, het keert zich om om te vluchten,
siddering heeft het aangegrepen,
benauwdheid en weeën hebben het aangegrepen als een barende [vrouw].
)
. Het enige wat men kan doen, is omkeren en vluchten. De angst zit er diep in, de benauwdheid is groot en wordt vergeleken met de weeën van een barende vrouw. De stad waarop ze zich hebben beroemd en waar ze plezier hebben gehad, ligt er door hun vlucht verlaten bij (vers 2525Hoe is de stad van de roem verlaten,
de stad van mijn vreugde!
)
. De roem en het plezier waaraan ze met weemoed terugdenken, is roem en plezier zonder enige gedachte aan God. Daarom kan dat geen standhouden.

De Babyloniërs zullen komen en de kracht van de stad, de jongemannen en strijdbare mannen, doden (vers 2626Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen en alle strijdbare mannen zullen op die dag verdelgd worden, spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. Dit zegt de HEERE van de legermachten, Die dit alles bestuurt. Hij zal het oordeel voltrekken over de stad van hun roem en de paleizen van Benhadad, hun koning (vers 2727Ik zal een vuur aansteken binnen de muren van Damascus;
dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
; Am 1:44Daarom zal Ik vuur werpen in het huis van Hazaël;
dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
)
. Meerdere koningen van Syrië dragen de naam Benhadad. Het is een titel, zoals de koningen van Egypte farao worden genoemd. Hadad is een van de goden van Syrië en Ben betekent zoon. Ze heten dus ‘zoon van Hadad’.


Profetie over Kedar en Hazor

28Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft verslagen. Zo zegt de HEERE:
Sta op, ruk op naar Kedar,
en verdelg de mensen van het oosten.
29Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen,
hun tentkleden en heel hun uitrusting.
Zij zullen hun kamelen voor zichzelf wegnemen,
en zij zullen tegen hen roepen: Angst van rondom!
30Vlucht, vlucht zo snel mogelijk weg, verblijf in diepgelegen [plaatsen],
inwoners van Hazor, spreekt de HEERE.
Want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadsbesluit over u genomen
en plannen tegen hen bedacht.
31Sta op, ruk op naar het geruste volk,
[dat] onbezorgd woont, spreekt de HEERE,
[dat] geen poorten en geen grendel heeft
– zij wonen alleen.
32Hun kamelen zullen tot buit worden
en hun menigte van vee tot prooi.
Ik zal hen naar alle wind[streken] verstrooien,
hen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen,
en Ik zal van alle kanten
hun ondergang doen komen,
spreekt de HEERE.
33Hazor zal tot een verblijf[plaats] van jakhalzen worden,
een woestenij tot in eeuwigheid.
Daar zal niemand wonen,
en geen mensenkind erin verblijven.

Vervolgens komt het woord van de HEERE over Kedar en de koninkrijken van Hazor (vers 2828Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft verslagen. Zo zegt de HEERE:
Sta op, ruk op naar Kedar,
en verdelg de mensen van het oosten.
)
. Kedar is een zoon van Ismaël (Gn 25:1313Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam;). Zijn nakomelingen leven in de woestijn van Arabië, waar ze handel drijven (Ez 27:2121Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u.). De HEERE geeft Nebukadnezar bevel op te rukken naar Kedar en het te verdelgen. Hun tenten, hun handelswaar (kudden) en hun bezit worden hun afgenomen (vers 2929Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen,
hun tentkleden en heel hun uitrusting.
Zij zullen hun kamelen voor zichzelf wegnemen,
en zij zullen tegen hen roepen: Angst van rondom!
)
. Ook hun kamelen zullen ze nemen. Ze zullen omringd worden door het krijgsgeschreeuw van hun vijanden waardoor doodsangst zich van hen meester zal maken.

De inwoners van Hazor krijgen van de HEERE het dringende advies zo snel mogelijk te vluchten en zich zo diep mogelijk te verstoppen (vers 3030Vlucht, vlucht zo snel mogelijk weg, verblijf in diepgelegen [plaatsen],
inwoners van Hazor, spreekt de HEERE.
Want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadsbesluit over u genomen
en plannen tegen hen bedacht.
)
. Hier zien we de genade van God, Die altijd een waarschuwing geeft, voordat Zijn oordeel komt. Dat is ook nu zo. Het oordeel komt, maar Hij geeft de mens gelegenheid zich nog te bekeren. Hier maakt Hij de plannen van Nebukadnezar aan hen bekend, zodat ze gewaarschuwd zijn.

Hij kent die plannen en maakt daarvan gebruik (vers 3131Sta op, ruk op naar het geruste volk,
[dat] onbezorgd woont, spreekt de HEERE,
[dat] geen poorten en geen grendel heeft
– zij wonen alleen.
)
. Nebukadnezar is een instrument in Zijn hand. Hier zien we het samengaan van de plannen van de mens en de raad van God. Het volk dat onder Zijn oordeel ligt, is een zelfverzekerd volk. Ze trekken zich van niemand iets aan en gaan hun eigen gang. Zij trekken zich ook niets aan van God en rekenen op hun eigen kracht.

Maar hun leven, waarin het alleen om henzelf draait, zal op zijn kop worden gezet (vers 3232Hun kamelen zullen tot buit worden
en hun menigte van vee tot prooi.
Ik zal hen naar alle wind[streken] verstrooien,
hen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen,
en Ik zal van alle kanten
hun ondergang doen komen,
spreekt de HEERE.
)
. Al hun bezit wordt van hen afgenomen, het wordt een prooi voor de vijand. Zelf zullen ze naar alle windrichtingen verstrooid worden. Los van de veiligheid van de groep zullen ze daar omkomen. De HEERE zegt het en dus gebeurt het.

Het ontvolkte Hazor zal worden bevolkt door jakhalzen (vers 3333Hazor zal tot een verblijf[plaats] van jakhalzen worden,
een woestenij tot in eeuwigheid.
Daar zal niemand wonen,
en geen mensenkind erin verblijven.
)
. Het zal niet meer worden opgebouwd om weer een stad met inwoners te zijn. Nadrukkelijk wordt gezegd dat er niemand zal wonen en geen mensenkind er zal verblijven, tot in eeuwigheid. Dat is het lot van wat is opgebouwd zonder God.


Profetie over Elam

34Hetgeen als het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen is tegen Elam, aan het begin van het koningschap van Zedekia, koning van Juda:
35Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga de boog van Elam breken,
de keur van hun [gevechts]kracht.
36Ik zal over Elam doen komen vier [storm]winden,
van de vier einden van de hemel,
en Ik zal hen verstrooien
naar al deze wind[streken].
Er zal geen volk zijn
waarheen de verdrevenen uit Elam niet zullen komen.
37Ik zal Elam ontsteld doen staan ten overstaan van hun vijanden,
ten overstaan van wie hen naar het leven staan.
Ik zal onheil over hen brengen:
Mijn brandende toorn, spreekt de HEERE.
Ik zal het zwaard achter hen aan zenden,
tot Ik aan hen een einde zal hebben gemaakt.
38Ik zal Mijn troon opstellen in Elam
en koning en vorsten vandaar verdelgen, spreekt de HEERE.
39Maar het zal in later tijd gebeuren dat Ik een omkeer zal brengen
in de gevangenschap van Elam, spreekt de HEERE.

Het hoofdstuk besluit met een woord van profetie van de HEERE over Elam, dat is Perzië, het huidige Iran (vers 3434Hetgeen als het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen is tegen Elam, aan het begin van het koningschap van Zedekia, koning van Juda:
)
. Het komt tot Jeremia als Zedekia nog maar net koning van Juda is. Het is de tijd dat Babel bezig is zich tot een wereldmacht te ontwikkelen. Elam is een van de landen die hij zal veroveren.

De soldaten van Elam zijn bekwame boogschutters (Js 22:66Want Elam neemt de pijlkoker op,
de man en de paarden [staan] bij de strijdwagen,
en Kir ontbloot het schild.
)
, maar de HEERE zal hun boog verbreken en daarmee hun gevechtskracht (vers 3535Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga de boog van Elam breken,
de keur van hun [gevechts]kracht.
)
. Van alle kanten komt het oordeel over Elam waardoor ze naar alle kanten zullen worden verstrooid, zodat ze onder alle volken te vinden zullen zijn (vers 3636Ik zal over Elam doen komen vier [storm]winden,
van de vier einden van de hemel,
en Ik zal hen verstrooien
naar al deze wind[streken].
Er zal geen volk zijn
waarheen de verdrevenen uit Elam niet zullen komen.
)
. Ze zullen krachteloos worden, want het onheil dat hen treft, komt van de HEERE (vers 3737Ik zal Elam ontsteld doen staan ten overstaan van hun vijanden,
ten overstaan van wie hen naar het leven staan.
Ik zal onheil over hen brengen:
Mijn brandende toorn, spreekt de HEERE.
Ik zal het zwaard achter hen aan zenden,
tot Ik aan hen een einde zal hebben gemaakt.
)
. De HEERE zal met hen afrekenen. Hij zal laten zien dat Hij heerst door in Elam Zijn troon op te stellen en hen te oordelen (vers 3838Ik zal Mijn troon opstellen in Elam
en koning en vorsten vandaar verdelgen, spreekt de HEERE.
)
.

Dan komt de omkeer (vers 3939Maar het zal in later tijd gebeuren dat Ik een omkeer zal brengen
in de gevangenschap van Elam, spreekt de HEERE.
)
. Elam zal worden teruggebracht naar zijn land. Mogelijk is dat als beloning voor het feit dat zij Babel hebben verslagen en Gods volk hebben laten terugkeren naar hun land.


Lees verder