Jeremia
1-3 De klacht van Baruch 4-5 Het antwoord van de HEERE
De klacht van Baruch

1Het woord dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Neria, toen hij deze woorden uit de mond van Jeremia op een boek[rol] schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: 2Zo zegt de HEERE, de God van Israël, tegen u, Baruch: 3U zegt: Wee mij toch, want de HEERE heeft aan mijn leed [nog meer] verdriet toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik vind geen rust.

Jeremia krijgt een boodschap van de HEERE die voor “Baruch, de zoon van Neria” bestemd is (verzen 1-21Het woord dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Neria, toen hij deze woorden uit de mond van Jeremia op een boek[rol] schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2Zo zegt de HEERE, de God van Israël, tegen u, Baruch:). Het is een aanhangsel bij Jeremia 36, waarop dit hoofdstuk chronologisch volgt. De boodschap die Jeremia krijgt, is tot hem gekomen in de tijd dat Baruch de woorden uit zijn mond op een boekrol schrijft (Jr 36:44Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria. En Baruch schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van de HEERE die Hij tot hem gesproken had, op de boekrol.). Dat is ongeveer twintig jaar eerder dan de tijd van Jeremia 44. Baruch heeft kort na het schrijven van de boekrol die ook twee keer voorgelezen, eerst voor het volk en daarna nog een keer voor de vorsten (Jr 36:10,14-1510Toen las Baruch uit de boek[rol] de woorden van Jeremia voor [in] het huis van de HEERE, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, [bij] de ingang van de nieuwe poort van het huis van de HEERE, ten aanhoren van heel het volk.14Toen stuurden alle vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cusji, naar Baruch, om te zeggen: De rol waaruit u ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die in uw hand en kom. Baruch, de zoon van Neria, nam de rol in zijn hand en kwam naar hen toe.15Zij zeiden tegen hem: Ga toch zitten en lees ten aanhoren van ons deze voor. En Baruch las ten aanhoren van hen voor.).

We zijn even terug “in het vierde jaar van Jojakim”. De naam van Jojakim herinnert eraan hoe hij tijdens het voorlezen van de boekrol steeds het voorgelezen stuk er schaamteloos af heeft gesneden en in het vuur heeft geworpen (Jr 36:21-2321Daarop stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Toen las Jehudi eruit voor ten aanhoren van de koning en ten aanhoren van al de vorsten die rondom de koning stonden.22Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken,23gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.). Ook de naam van “Josia” wordt genoemd, de naam die herinnert aan de hervormingen die deze Godvrezende koning heeft doorgevoerd, maar die door zijn goddeloze zoon Jojakim weer ongedaan zijn gemaakt.

Hoewel de boodschap dus twintig jaar eerder is gekomen, plaatst Baruch deze helemaal aan het einde van het boek, dat wil zeggen als alles in puin ligt. De HEERE weet wat Baruch zegt, terwijl hij schrijft. Hij spreekt het “wee mij” over zichzelf uit vanwege de slechte behandeling die hij ondergaat (vers 33U zegt: Wee mij toch, want de HEERE heeft aan mijn leed [nog meer] verdriet toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik vind geen rust.).

Die slechte behandeling dankt hij aan het feit dat hij de secretaris en bondgenoot van Jeremia is. Hij deelt in wat het volk Jeremia aandoet. Daarvan geeft hij de HEERE de schuld, want Die heeft hem dat aangedaan en aan zijn leed nog meer verdriet toegevoegd (vgl. Ru 1:20-2120Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.21Ík ging vol weg, maar de HEERE heeft mij leeg laten terugkeren. Waarom zou u mij Naomi noemen, nu de HEERE tegen mij getuigd heeft en de Almachtige mij kwaad gedaan heeft?). Hij zit er helemaal doorheen en ziet het niet meer zitten. Er is voor hem nergens rust te vinden.

Dit gevoel kan ook ons overvallen als we een zaak niet kunnen overgeven aan de Heer. Als we ons buigen onder Zijn juk, vinden we rust voor onze zielen te midden van alle onrust om ons heen (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Er zijn enkele manieren waarop we onze rust kunnen verliezen. Dat gebeurt
1. als we in onszelf zoeken wat alleen in Christus kan worden gevonden;
2. als we in de schepping zoeken wat alleen in de Schepper kan worden gevonden;
3. als we op aarde zoeken wat alleen in de hemel kan worden gevonden.


Het antwoord van de HEERE

4Dit moet u tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, wat Ik gebouwd heb, ga Ik afbreken, en wat Ik geplant heb, ga Ik wegrukken, zelfs heel dit land. 5En zou ú voor uzelf grote dingen zoeken? Zoek ze niet, want zie, Ik ga onheil brengen over alle vlees, spreekt de HEERE. Maar u zal Ik uw leven ten buit geven in alle plaatsen waarheen u zult gaan.

Deze verzen tonen aan dat het leed en het verdriet van de HEERE voor Zijn volk veel groter zijn dan die van een mens ooit kunnen zijn. Hij moet met “heel dit land”, dat is Zijn land, zo handelen dat er niets van overblijft (vers 44Dit moet u tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, wat Ik gebouwd heb, ga Ik afbreken, en wat Ik geplant heb, ga Ik wegrukken, zelfs heel dit land.). Hij heeft het Zelf gebouwd en Zelf geplant. Maar nu wordt Hij er door de ontrouw van het volk toe gedwongen het Zelf af te breken en weg te rukken.

Daarom moet Jeremia tegen Baruch zeggen, dat zijn hoop nergens op rust (vers 55En zou ú voor uzelf grote dingen zoeken? Zoek ze niet, want zie, Ik ga onheil brengen over alle vlees, spreekt de HEERE. Maar u zal Ik uw leven ten buit geven in alle plaatsen waarheen u zult gaan.). Als de HEERE zó met Zijn land omgaat, moet een mens dan met betrekking tot dat land ambities koesteren en voor zichzelf “grote dingen zoeken?”. Ergens je hoop op vestigen waar de HEERE het oordeel over brengt, kan alleen teleurstelling tot gevolg hebben. Het lijkt erop dat Baruch teleurgesteld is omdat hij niet de waardering voor zijn dienst krijgt, die hij heeft verwacht.

Hij heeft zich toch voor de HEERE ingezet en trouw gedaan wat hem is opgedragen? In plaats van erkenning krijgt hij verachting. Wij zeggen: stank voor dank. Hij heeft gemeend een voorname positie te kunnen bekleden in het volk van God. Maar het volk luistert niet en wordt weggevoerd en hij krijgt zware verwijten naar zijn hoofd.

We zien hier de teleurstelling als gevolg van verkeerde verwachtingen. Dat horen we ook uit de mond van de discipelen. Zij willen niets weten van een verwerping van de Heer Die ze volgen. Ze willen wel met hem naar Jeruzalem, naar de troon, maar niet naar buiten Jeruzalem, naar het kruis. Hetzelfde horen we het uit de mond van de Emmaüsgangers (Lk 24:13-2113En zie, twee van hen waren op diezelfde dag op reis naar een dorp dat zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd was, genaamd Emmaüs,14en zij praatten met elkaar over dat alles wat er was voorgevallen.15En het gebeurde, terwijl zij praatten en van gedachten wisselden, dat Jezus Zelf naderde en met hen meeging;16hun ogen werden echter ervan weerhouden Hem te herkennen.17Hij nu zei tot hen: Wat zijn dit voor woorden die u al wandelend met elkaar uitwisselt? En zij bleven met droevig gezicht staan.18Een nu, genaamd Kléopas, antwoordde en zei tot Hem: Bent U alleen een vreemdeling in Jeruzalem dat U de dingen niet weet die daar deze dagen zijn gebeurd?19En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij nu zeiden tot Hem: De dingen betreffende Jezus de Nazaréner, Die een Profeet was, krachtig in werk en woord voor God en al het volk,20hoe onze overpriesters en oversten Hem hebben overgeleverd tot [het] doodvonnis en Hem hebben gekruisigd.21Wij echter hoopten dat Hij Degene was Die Israël zou verlossen; maar al met al is het nu al de derde dag sinds dit is gebeurd.). Dat ervaren wij ook als we wel de zegeningen, maar niet de tuchtigingen uit de hand van de Heer willen aannemen.

De HEERE kent de gedachten die Baruch koestert. Daarom stuurt Hij hem door Jeremia deze boodschap. Die past bij de gedachten die Baruch koestert. De boodschap houdt in dat grote dingen voor jezelf zoeken op een terrein dat aan het oordeel wordt prijsgegeven, dwaas is.

Dit is ook op ons van toepassing. Wij moeten geen grote dingen in de wereld zoeken, want het oordeel komt over de wereld. Daarom geldt ook voor ons de waarschuwing: Zoek die grote dingen niet. God brengt Zijn onheil over mensen die eigenwillig hun weg gaan, over mensen die leven zonder rekening te houden met Hem. Zij menen de wereld te kunnen maken tot een oord voor henzelf. Het doel van ons leven is Christus welgevallig zijn.

Als beloning voor zijn dienst krijgt Baruch de toezegging van de HEERE dat Hij hem zal bewaren overal waar hij gaat. Een grotere beloning is niet denkbaar. Zo zegt de Heer Jezus tegen ons dat Hij met ons zal zijn, “alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.). Iets groters dan de belofte van Zijn aanwezigheid in ons leven is er voor ons niet.


Lees verder