Jeremia
Inleiding 1-3 De stad ingenomen 4-10 Het lot van Zedekia en Jeruzalem 11-14 De bevrijding van Jeremia 15-18 Belofte voor Ebed-Melech
Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de val van Jeruzalem vermeld. Dit is een gebeurtenis van zo grote betekenis, dat de Heilige Geest die vier keer in Gods Woord vermeldt (2Kn 25:1-151Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.2Zo werd de stad belegerd, tot het elfde jaar van koning Zedekia.3Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,4werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen [vluchtten en trokken] ‘s nachts [de stad uit] via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En [de koning] ging in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.6Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. En zij spraken het vonnis over hem uit.7Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.8Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand – dit jaar was het negentiende [regerings]jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Babel, in Jeruzalem.9Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.10Het hele leger van de Chaldeeën dat de bevelhebber van de lijfwacht bij zich had, brak de muren rondom Jeruzalem af.11De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap.12Maar [enkelen] van de armsten van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht als wijnbouwers en akkerbouwers achter.13En de koperen pilaren die in het huis van de HEERE waren, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Het koper daarvan voerden zij naar Babel.14Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.15De bevelhebber van de lijfwacht nam de vuurschalen en de sprengbekkens mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.; 2Kr 36:17-2117Toen deed Hij de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken, die hun jongemannen in het huis van hun heiligdom met het zwaard doodde. Hij spaarde de jongemannen, de meisjes, de ouderen en de stokouden niet. [God] gaf hen allen in zijn hand.18Alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van de koning en zijn vorsten: dat alles bracht hij naar Babel.19Zij verbrandden het huis van God, en braken de muur van Jeruzalem af. Ook alle paleizen van [Jeruzalem] verbrandden zij met vuur, zodat alle kostbare voorwerpen ervan te gronde werden gericht.20En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, tot het koninkrijk van Perzië ging regeren,21om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia [gesproken], te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbats[jaren]. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.; Jr 39:1010Maar [enigen] van de armsten van het volk, die helemaal niets bezaten, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in het land Juda achter. Hij gaf hun op die dag wijngaarden en akkers.; 52:4-304Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.5Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Zedekia.6In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.8Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.9Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.10De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook [liet] hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten.11Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.12Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.14Heel het leger van de Chaldeeën dat de bevelhebber van de lijfwacht bij zich had, brak alle muren rondom Jeruzalem af.15En [enkelen] van de armsten van het volk, de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap.16Maar [enkelen] van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, als wijnbouwers en akkerbouwers achter.17En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.24Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee.25En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en zeven mannen uit degenen die het aangezicht van de koning [mochten] zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man van de bevolking van het land, die binnen de stad werden aangetroffen.26Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.27De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.28Dit is het volk dat Nebukadrezar in ballingschap heeft gevoerd: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs,29in het achttiende [regerings]jaar van Nebukadrezar achthonderdtweeëndertig personen uit Jeruzalem.30In het drieëntwintigste [regerings]jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen [bij elkaar]: vierduizend zeshonderd.).


De stad ingenomen

1In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het. 2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken. 3Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.

Wat is voorzegd, gebeurt. Het leger van de koning van Babel komt terug van de strijd tegen Egypte en belegert Jeruzalem (vers 11In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het.; Jr 37:88Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.). Dat gebeurt in de tiende maand van het negende jaar van de regering van Zedekia. Ruim anderhalf jaar later valt de stad (vers 22In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.). De datum wordt tot op de dag nauwkeurig gegeven.

Alle vorsten van de koning van Babel zijn erbij, dat wil zeggen dat er een groot machtsvertoon is (vers 33Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.). De uitgehongerde stad valt erbij in het niet. De “rab-mag” is het hoofd van magiërs. Dat de vorsten van Babel postvatten bij de Middenpoort, betekent waarschijnlijk dat zij daar een regering voor de stad vormen en daar ook rechtspreken over de gevangenen.


Het lot van Zedekia en Jeruzalem

4En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte. 5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit. 6De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten. 7Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen. 8Het huis van de koning en de huizen van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur, en de muren van Jeruzalem braken zij af. 9De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar hem waren overgelopen, en de rest van het volk dat was overgebleven, voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap naar Babel. 10Maar [enigen] van de armsten van het volk, die helemaal niets bezaten, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in het land Juda achter. Hij gaf hun op die dag wijngaarden en akkers.

Als Zedekia de vijand in de stad ziet verschijnen, sluit hij zijn slechte regering af met de smadelijke en laffe daad van een vluchtpoging (vers 44En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte.). Bezorgd voor zijn eigen leven laat hij zijn volk in de steek dat hij in het ongeluk heeft gestort door zijn zinloze tegenstand tegen een overmachtige vijand. Veel erger is nog dat hij hiermee opnieuw zijn ongehoorzaamheid aan Gods Woord toont dat hem zo duidelijk door Jeremia is gepredikt.

Hij waagt de uitbraak samen met de overgebleven strijdbare mannen. Ze doen het ’s nachts op een plaats die aan het oog van de vijand onttrokken lijkt te zijn. Hij vertrekt “in de richting van de Vlakte”, dat is die van de Jordaan. De vluchtpoging blijkt tevergeefs te zijn. Het is ook dwaasheid om weg te lopen voor de duidelijke uitspraken van de HEERE en voor het middel dat Hij gebruikt. Hij wordt ingehaald op de vlakten van Jericho en daar gevangengenomen (vers 55Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.). Het is wel heel tragisch dat de laatste koning van het volk dit lot ondergaat op de plaats waar Jozua en het volk hun eerste overwinning in het land behaalden (Jz 6:2,20-212Toen zei de HEERE tegen Jozua: Zie, Ik heb Jericho met zijn koning [en zijn] strijdbare helden in uw hand gegeven.20Het volk juichte, toen zij op de bazuinen bliezen. En het gebeurde, zodra het volk het bazuingeschal hoorde, dat het volk een luid gejuich aanhief. En de muur stortte in en het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.21En zij sloegen alles wat in de stad was, met de ban, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot het rund, het schaap en de ezel toe.).

Zedekia wordt naar de koning van Babel gebracht. Daar staat hij, zoals is voorzegd, oog in oog met de machtige Nebukadnezar (Jr 32:3-43waar Zedekia, de koning van Juda, hem had opgesloten [en] had gezegd: Waarom profeteert u: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven en hij zal haar innemen,4en Zedekia, de koning van Juda, zal aan de hand van de Chaldeeën niet ontkomen, want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken en oog in oog met hem staan.), de man die hem koning heeft gemaakt (2Kn 24:1616Ook alle strijdbare mannen, zevenduizend [in aantal], en de ambachtslieden en smeden, duizend [in aantal, en] alle helden die geoefend waren in de strijd. De koning van Babel voerde hen in ballingschap naar Babel.). Hij heeft met hem een verbond gesloten en dat gebroken (Ez 17:1818Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.). Nu oogst hij wat hij in zijn dwaasheid heeft gezaaid (2Kr 36:12-1312Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God, en hij vernederde zich niet voor [de ogen van] de profeet Jeremia, [die sprak] op bevel van de HEERE.13Bovendien kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem een eed had laten afleggen bij God. Hij was halsstarrig, en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.). De koning van Babel spreekt het vonnis over hem uit. In diepere zin is er sprake van het vonnis van de HEERE.

Zijn zonen worden voor zijn ogen afgeslacht (vers 66De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten.). Dat zal een vreselijk gezicht zijn geweest. Ook alle edelen van Juda, die Zedekia in diens goddeloze beleid hebben gesteund, worden afgeslacht. Daarna worden de ogen van Zedekia uitgestoken en is hij blind (vers 77Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.). Hij heeft altijd het licht van Gods Woord geweigerd en in geestelijke duisternis geleefd. Nu moet hij de rest van zijn leven ook het licht van zijn ogen missen en letterlijk in duisternis leven.

Het laatste wat hij in het licht van de wereld heeft gezien, is de afslachting van zijn zonen. Dat beeld zal hem altijd bijblijven en kwellen. Dan wordt hij, blind en met twee bronzen ketenen gebonden, naar Babel gebracht. Zo gaat ook het woord in vervulling dat hij naar Babel zal gaan, maar het niet zal zien (Ez 12:1313Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem brengen naar Babel, het land van de Chaldeeën, maar [ook] dat zal hij niet zien, hoewel hij daar zal sterven.).

1. Zedekia, de laatste koning,
2. Simson, de laatste richter en
3. Laodicéa, de laatste gemeente,
zijn allen blind geëindigd. Ze zijn door de wereld overwonnen vanwege hun ontrouw aan God en hun ongehoorzaamheid aan Zijn Woord. Daardoor zijn ze het zicht op de dingen van God kwijtgeraakt.

De Chaldeeën verbranden het huis van de koning en de huizen van het volk (vers 88Het huis van de koning en de huizen van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur, en de muren van Jeruzalem braken zij af.). Ook breken ze de muren van Jeruzalem af. Wat van het volk is overgebleven, zowel in de stad als erbuiten, wordt in ballingschap naar Babel gevoerd, evenals de overlopers (vers 99De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar hem waren overgelopen, en de rest van het volk dat was overgebleven, voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap naar Babel.). De armsten van het land, zij die geen bezit hebben – misschien de Rechabieten (Jr 35:1-111Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2Ga naar het huis van de Rechabieten, spreek met hen en breng hen in het huis van de HEERE, in een van de kamers, en geef hun wijn te drinken.3Toen haalde ik Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja met zijn broers en al zijn zonen, ja heel het huis van de Rechabieten,4en bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man Gods, die naast de kamer van de vorsten is, die zich boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter, bevindt.5Ik zette de leden van het huis van de Rechabieten kannen vol wijn en bekers voor en ik zei tegen hen: Drink wijn!6Zij zeiden echter: Wij drinken geen wijn, want onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden: U mag geen wijn drinken, u niet en uw kinderen niet, tot in eeuwigheid.7U mag geen huis bouwen, en geen zaad zaaien, geen wijngaard planten of [in bezit] hebben, maar u moet in tenten wonen, al uw dagen, opdat u vele dagen leeft in het land waar u als vreemdeling verblijft.8Wij nu hebben geluisterd naar de stem van onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft, door al onze dagen geen wijn te drinken, wij niet [en] onze vrouwen niet, evenmin als onze zonen en onze dochters,9en door geen huizen te bouwen tot onze woning. We hebben geen wijngaard of akker, en geen zaaigoed.10Wij hebben in tenten gewoond, en hebben geluisterd en gedaan overeenkomstig alles wat onze voorvader Jonadab ons geboden heeft.11Maar het gebeurde, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optrok, dat wij zeiden: Kom, laten wij Jeruzalem binnengaan, vanwege het leger van de Chaldeeën en vanwege het leger van de Syriërs. Daarom wonen wij [nu] in Jeruzalem.)? – mogen in het land blijven wonen (vers 1010Maar [enigen] van de armsten van het volk, die helemaal niets bezaten, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in het land Juda achter. Hij gaf hun op die dag wijngaarden en akkers.). Zij vormen geen bedreiging en kunnen de wijngaarden en akkers verzorgen die zij tot hun beschikking krijgen.


De bevrijding van Jeremia

11Maar wat Jeremia betrof, had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven door de hand van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht: 12Neem hem mee, houd uw ogen op hem gericht en doe hem geen enkel kwaad. Voorzeker, zoals hij tot u spreken zal, zo moet u met hem doen. 13Toen stuurden Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Nebuschasban, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de bevelhebbers van de koning van Babel [boden]. 14Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.

Nebukadnezar zal zeker geïnformeerd zijn over de prediking van Jeremia tot het volk om zich aan hem over te geven. Dat is er de reden van dat hij bevel geeft aangaande Jeremia (vers 1111Maar wat Jeremia betrof, had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven door de hand van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht:). Hij beveelt dat Jeremia in bescherming moet worden genomen en dat hem geen enkel kwaad mag worden gedaan (vers 1212Neem hem mee, houd uw ogen op hem gericht en doe hem geen enkel kwaad. Voorzeker, zoals hij tot u spreken zal, zo moet u met hem doen.). Hij moet integendeel op zijn wenken worden bediend als hij iets zegt. Nebukadnezar geeft zijn hele staf die in Jeruzalem is, hierover bevel (vers 1313Toen stuurden Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Nebuschasban, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de bevelhebbers van de koning van Babel [boden].).

Zij doen wat hij gebiedt en sturen boden naar Jeremia om hem uit zijn gevangenschap te bevrijden (vers 1414Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.). Daarna geven ze hem over aan de zorg van Gedalia, die hem naar huis moet brengen. Jeremia is weer vrij. Hij oogst de waarheid van de woorden van de HEERE die hij tot het hele volk heeft gesproken.


Belofte voor Ebed-Melech

15Het woord van de HEERE was tot Jeremia gekomen, toen hij nog opgesloten zat op het binnenplein van de wacht: 16Ga tegen Ebed-Melech, de Cusjiet, zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga Mijn woorden over deze stad brengen, ten kwade en niet ten goede; op die dag zullen ze voor uw ogen geschieden. 17Op die dag zal Ik u echter redden, spreekt de HEERE, en u zult niet in de hand van de mannen gegeven worden voor wie u met schrik bevangen bent. 18Voorzeker, Ik zal u beslist bevrijden. U zult niet vallen door het zwaard en u zult uw leven tot buit hebben, omdat u op Mij hebt vertrouwd, spreekt de HEERE.

De HEERE vergeet niets van wat iemand voor Hem of de Zijnen heeft gedaan. Voordat de stad is gevallen en Jeremia nog gevangenzit, is het woord van de HEERE nog tot hem gekomen met een boodschap voor Ebed-Melech (vers 1515Het woord van de HEERE was tot Jeremia gekomen, toen hij nog opgesloten zat op het binnenplein van de wacht:). Hij moet Ebed-Melech, de Cusjiet, het woord van de HEERE van de legermachten, de God van Israël brengen (vers 1616Ga tegen Ebed-Melech, de Cusjiet, zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga Mijn woorden over deze stad brengen, ten kwade en niet ten goede; op die dag zullen ze voor uw ogen geschieden.).

Eerst wijst de HEERE erop dat Hij Zijn woorden van onheil over de stad zal brengen. Ebed-Melech zal dat zelf zien. Maar de HEERE zal hem redden (vers 1717Op die dag zal Ik u echter redden, spreekt de HEERE, en u zult niet in de hand van de mannen gegeven worden voor wie u met schrik bevangen bent.). Hij is wel bang voor de Chaldeeën, want hij is een dienaar van Zedekia geweest. Misschien is hij ook nog bang voor de mannen die Jeremia hebben willen doden, omdat hij Jeremia uit de put heeft geholpen waar zij hem in hadden gegooid. De man die zo’n dappere geloofsdaad heeft verricht, zullen ze dat betaald willen zetten.

Maar hij heeft de HEERE, de Koning van de koningen, gediend, en Die belooft dat Hij hem “beslist bevrijden” (vers 1818Voorzeker, Ik zal u beslist bevrijden. U zult niet vallen door het zwaard en u zult uw leven tot buit hebben, omdat u op Mij hebt vertrouwd, spreekt de HEERE.) zal uit alle gevaren. Het zwaard zal hem niet treffen, hij zal in leven blijven. De reden daarvan is: “Omdat u op Mij hebt vertrouwd.” God eert hen die Hem eren. Laten ook wij de risico’s van het geloof nemen in de weg van gehoorzaamheid en zo het evangelie versieren.


Lees verder