Jeremia
1-4 Het schrijven van de boekrol 5-8 Opdracht om de boekrol voor te lezen 9-10 De openlijke voorlezing 11-19 Het voorlezen aan de vorsten 20-26 Jojakim hoort de rol en verbrandt die 27-28 De opdracht om opnieuw te schrijven 29-31 De veroordeling van Jojakim 32 De woorden opnieuw geschreven
Het schrijven van de boekrol

1Het gebeurde in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, [dat] dit woord van de HEERE tot Jeremia kwam: 2Neem u een boekrol en schrijf daarop alle woorden die Ik tot u gesproken heb over Israël, over Juda en over alle volken, vanaf de dag [dat] Ik tot u gesproken heb, vanaf de dagen van Josia tot op deze dag. 3Misschien zullen die van het huis van Juda luisteren naar al het onheil dat Ik hun denk aan te doen, zodat zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en Ik hun ongerechtigheid en hun zonden zal vergeven. 4Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria. En Baruch schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van de HEERE die Hij tot hem gesproken had, op de boekrol.

Het woord van de HEERE komt tot Jeremia in het vierde jaar van Jojakim (vers 11Het gebeurde in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, [dat] dit woord van de HEERE tot Jeremia kwam:; vgl. Jr 25:11Het woord dat tot Jeremia is gekomen over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda – dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel –; 46:22Over Egypte. Tegen het leger van farao Necho, de koning van Egypte, dat zich aan de rivier de Eufraat bij Karchemis bevond, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, in het vierde [regerings]jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, verslagen heeft.
)
. Dat is het jaar waarin Egypte door Babel wordt verslagen en Nebukadnezar koning wordt. Het is het begin van het Babylonische rijk. Dat rijk is het werktuig in Gods hand om Juda, maar ook andere volken, te tuchtigen vanwege hun houding tegenover Hem.

Jeremia heeft niet alleen gesproken, maar ook geschreven (Jr 30:22Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf voor u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.). Het geschreven woord geeft het gesproken woord ondersteunende en blijvende kracht. De HEERE geeft hem de opdracht om alle woorden op te schrijven die Hij in de voorgaande vijfendertig hoofdstukken tot hem heeft gesproken (vers 22Neem u een boekrol en schrijf daarop alle woorden die Ik tot u gesproken heb over Israël, over Juda en over alle volken, vanaf de dag [dat] Ik tot u gesproken heb, vanaf de dagen van Josia tot op deze dag.). Het betreft de periode vanaf het dertiende jaar van Josia (Jr 1:22Tot hem kwam het woord van de HEERE in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.) tot het vierde jaar van Jojakim, dat is een tijdsduur van drieëntwintig jaar.

De HEERE geeft het volk hiermee nog een kans en bewijst Zijn volk daarmee een nieuwe en grote genade. Alle onheil dat Hij heeft uitgesproken, heeft de bedoeling gehad om Zijn volk tot bekering te brengen (vers 33Misschien zullen die van het huis van Juda luisteren naar al het onheil dat Ik hun denk aan te doen, zodat zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en Ik hun ongerechtigheid en hun zonden zal vergeven.). Dat dit de bedoeling is, zien we bij Josia die ook bij het horen van al het onheil dat de HEERE voorzegd heeft, zich diep voor Hem heeft vernederd (2Kr 34:26-2726Maar tegen de koning van Juda, die u gestuurd heeft om de HEERE te raadplegen, tegen hem moet u dit zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat betreft de woorden die u gehoord hebt,27omdat uw hart week geworden is en u zich voor het aangezicht van God vernederd hebt, toen u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en de inwoners ervan, en u zich voor Mijn aangezicht vernederd hebt, u uw kleren gescheurd hebt en voor Mijn aangezicht gehuild hebt, daarom heb Ík [u] ook verhoord, spreekt de HEERE.). Wat wordt opgeschreven, is het geheel van alle uitgesproken profetieën. Als die achtereenvolgens nog een keer aan het volk worden voorgehouden, zal dat misschien een nog grotere indruk maken dan de afzonderlijk uitgesproken profetieën. Op die manier wordt het volk het totaalpakket aan oordelen onder de aandacht gebracht.

Jeremia doet wat de HEERE hem heeft opgedragen (vers 44Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria. En Baruch schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van de HEERE die Hij tot hem gesproken had, op de boekrol.). Hij roept Baruch en die schrijft alle woorden van Jeremia, die uitdrukkelijk genoemd worden “al de woorden van de HEERE die Hij tot hem gesproken had”, op in een boekrol. Dit is een voorbeeld van de woordelijke inspiratie van de Schrift. We zien later nog de autoriteit van het Woord en de onvergankelijkheid van het Woord.

Paulus heeft zijn brieven meestal gedicteerd (Rm 16:2222Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in [de] Heer.; Ko 4:1818De groet met de hand van mij, Paulus. Denkt aan mijn gevangenschap. De genade zij met u.). De brief aan de Galaten heeft hij zelf geschreven, wat wel een uitzondering schijnt te zijn (Gl 6:1111Ziet, wat een lange brief ik u geschreven heb met mijn eigen hand!). God deelt Zijn gaven verschillend uit. Sommigen hebben een goed talent om te spreken en anderen om te schrijven. Zo hebben de gaven elkaar nodig (vgl. 1Ko 12:2121Het oog nu kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig; of ook het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.). De Geest van God dicteert Jeremia en Jeremia dicteert Baruch, die door Jeremia gebruikt is als getuige bij de aankoop van de akker (Jr 32:1212en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.). Baruch is nu zijn secretaris en plaatsvervanger in het profetisch ambt.


Opdracht om de boekrol voor te lezen

5En Jeremia gebood Baruch: Ik word tegengehouden, ik kan niet in het huis van de HEERE komen. 6Daarom moet u zelf gaan en uit de rol voorlezen waarop u uit mijn mond de woorden van de HEERE hebt opgeschreven, ten aanhoren van het volk [in] het huis van de HEERE op de vastendag. U moet ze ook voorlezen ten aanhoren van alle Judeeërs die uit hun steden komen. 7Misschien zal hun smeekbede terechtkomen voor het aangezicht van de HEERE, en zullen zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg, want groot is de toorn en de grimmigheid die de HEERE tegen dit volk heeft uitgesproken. 8Baruch, de zoon van Neria, deed overeenkomstig alles wat de profeet Jeremia hem geboden had, door uit de boek[rol] de woorden van de HEERE voor te lezen [in] het huis van de HEERE.

Dan vertelt Jeremia Baruch dat hij zelf niet naar het huis van de HEERE kan komen om de woorden van de boekrol voor te lezen (vers 55En Jeremia gebood Baruch: Ik word tegengehouden, ik kan niet in het huis van de HEERE komen.). Wat de oorzaak is, is niet duidelijk. Jeremia is nog niet gevangen en kan zich nog vrij onder het volk bewegen (vers 1919Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia, zodat niemand weet waar u bent.). Omdat hij zelf niet naar de tempel kan gaan, geeft hij Baruch de opdracht de boekrol in het huis van de HEERE te gaan voorlezen (vers 66Daarom moet u zelf gaan en uit de rol voorlezen waarop u uit mijn mond de woorden van de HEERE hebt opgeschreven, ten aanhoren van het volk [in] het huis van de HEERE op de vastendag. U moet ze ook voorlezen ten aanhoren van alle Judeeërs die uit hun steden komen.).

Als de ene dienaar verhinderd is, is het mooi als een andere dienaar de dienst kan overnemen. De HEERE gebruikt Jeremia om Zijn woorden door te geven en Hij gebruikt Baruch om ze op te schrijven en die mag ze nu ook prediken. Zo krijgt iedere dienaar van het Woord een eigen opdracht. Baruch is een dienaar van Jeremia, maar ook een instrument van de HEERE.

Zo stuurt Paulus medewerkers naar gemeenten, die hij zelf niet kan bezoeken. Die medewerkers geven in zijn plaats door wat hij hun wil zeggen. Dat zijn niet altijd nieuwe dingen, maar ook wel dingen die hij hun al eerder heeft gezegd (1Ko 4:1717Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.).

Wat Baruch moet gaan voorlezen, zijn de woorden van de HEERE, niet zijn eigen woorden. In dit hoofdstuk zien we het belang van het geschreven Woord en hoe belangrijk het is om alleen dat te prediken. Baruch moet het prediken in het huis van de HEERE en op de vastendag, dat wil zeggen in Gods tegenwoordigheid en op een dag dat het volk vast. Op die dag zullen er ook Judeeërs uit andere steden naar de tempel komen. Ook zij moeten de boodschap horen.

Wat de aanleiding van deze vastendag is, wordt niet gezegd (vers 99Het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, [dat] zij een vasten uitriepen voor het aangezicht van de HEERE, voor heel het volk in Jeruzalem en heel het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam.). Het houden van een vastendag veronderstelt het bewustzijn van ellende. Alleen kan dit gemakkelijk een uiterlijke vertoning zijn en geen zaak van het hart (Js 58:1-141Roep luidkeels, houd u niet in,
verhef uw stem als een bazuin,
verkondig Mijn volk hun overtreding,
en het huis van Jakob hun zonden.
2Hoewel zij Mij dag aan dag zoeken
en vreugde vinden in de kennis van Mijn wegen,
als een volk dat gerechtigheid doet
en het recht van zijn God niet verlaat,
vragen zij Mij om rechtvaardige oordelen.
Zij vinden er vreugde in om tot God te naderen,
3[terwijl zij zeggen:] Waarom vasten wij, als U het toch niet ziet,
[waarom] kwellen wij onze ziel, als U het toch niet weet?
Zie, op uw vastendag zoekt u [uw eigen] wens,
en beult u al uw arbeiders af.
4Zie, u vast om te twisten en ruzie te maken
en om goddeloos op de vuist te gaan.
Vast niet zoals heden
als u uw stem wilt laten horen in de hoogte.
5Zou dit het vasten zijn dat Ik verkies:
dat de mens zich een dag [lang] verootmoedigt,
dat hij zijn hoofd buigt als een riet
en zich neerlegt in rouwgewaad en as?
Noemt u dat vasten
en een dag die de HEERE welgevallig is?6Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
dat u de boeien van de goddeloosheid losmaakt,
dat u de banden van het juk ontbindt,
dat u de onderdrukten vrij laat heengaan
en dat u elk juk breekt?
7Is het niet [dit], dat u uw brood deelt met wie hongerlijdt,
en de ellendige ontheemden een thuis biedt,
dat, als u een naakte ziet, u hem kleedt,
en dat u zich voor eigen vlees [en bloed] niet verbergt?8Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad,
en uw herstel snel intreden.
Uw gerechtigheid zal voor u uit gaan
[en] de heerlijkheid van de HEERE zal uw achterhoede zijn.
9Dan zult u roepen en de HEERE zal antwoorden,
[dan] zult u om hulp roepen en Hij zal zeggen: Zie, [hier] ben Ik.
Als u het juk uit uw midden wegdoet,
het uitsteken van de vinger en het uitspreken van ongerechtigheid;
10als u uw hart opent voor de hongerigen,
en de verdrukte ziel verzadigt,
dan zal uw licht in de duisternis opgaan,
en uw donkerheid als de middag zijn.
11En de HEERE zal u voortdurend leiden,
Hij zal uw ziel in dorre streken verzadigen,
uw beenderen kracht geven;
u zult zijn als een bevloeide tuin,
als een waterbron
waarvan het water nooit ontbreekt.
12En wie uit u [voortkomen], zullen de verwoeste [plaatsen] van weleer herbouwen;
de fundamenten, van generatie op generatie [verwoest], zult u herstellen.
En u zult genoemd worden: hij die bressen dichtmaakt,
hij die paden herstelt, opdat men er [weer kan] wonen.13Indien u uw voet van de sabbat terughoudt,
[ermee ophoudt om] op Mijn heilige dag te doen wat u [zelf] wilt;
[indien] u de sabbat een verlustiging noemt,
opdat de HEERE geheiligd wordt
– die geëerd moet worden –
[indien] u die eert door niet uw [eigen] wegen te volgen,
niet uw [eigen] wensen zoekt of [daarover] een woord spreekt,
14dan zult u vreugde scheppen in de HEERE,
Ik zal u doen rijden op de hoogten van de aarde
en Ik zal u voeden met het erfelijk bezit van uw vader Jakob,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
; Mt 6:16-1816Wanneer u nu vast, toont dan niet een droevig gezicht zoals de huichelaars; want zij maken hun gezichten ontoonbaar om zich aan de mensen te vertonen wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.17Maar u, als u vast, zalf uw hoofd en was uw gezicht,18om u niet aan de mensen te vertonen wanneer u vast, maar aan uw Vader Die in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.)
. Op die dag zullen er ook Judeeërs uit andere steden naar de tempel komen. Ook zij moeten de boodschap horen.

Jeremia vertelt Baruch dat het voorlezen van de woorden van de HEERE mogelijk een smeekbede tot de HEERE bij het volk zal bewerken en dat ze zich zullen bekeren (vers 77Misschien zal hun smeekbede terechtkomen voor het aangezicht van de HEERE, en zullen zij zich bekeren, ieder van zijn slechte weg, want groot is de toorn en de grimmigheid die de HEERE tegen dit volk heeft uitgesproken.). Het woord “terechtkomen” heeft de betekenis van neervallen en wijst op de houding van de smekeling. De smeekbede en de smekeling worden als het ware vereenzelvigd. Jeremia kan zich bijna niet anders voorstellen, dan dat ze dit zullen doen, omdat de toorn en grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk zo groot zijn.

Hoewel de daadwerkelijke voorlezing pas over enkele maanden zal plaatsvinden, zoals het volgende vers aantoont, staat hier al dat Baruch doet wat Jeremia heeft gezegd (vers 88Baruch, de zoon van Neria, deed overeenkomstig alles wat de profeet Jeremia hem geboden had, door uit de boek[rol] de woorden van de HEERE voor te lezen [in] het huis van de HEERE.). Baruch gehoorzaamt omdat hij erkent dat de opdracht van Jeremia naar de wil van de HEERE is. Hij ziet dat de HEERE Jeremia leidt. Baruch voert in alle opzichten nauwgezet de opdracht uit, wat hij moet doen, op welke tijd en op welke plaats.


De openlijke voorlezing

9Het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, [dat] zij een vasten uitriepen voor het aangezicht van de HEERE, voor heel het volk in Jeruzalem en heel het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam. 10Toen las Baruch uit de boek[rol] de woorden van Jeremia voor [in] het huis van de HEERE, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, [bij] de ingang van de nieuwe poort van het huis van de HEERE, ten aanhoren van heel het volk.

Dan komt een jaar later de vastendag, de dag die door Jeremia is bepaald om zijn woorden voor te lezen (vers 99Het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, [dat] zij een vasten uitriepen voor het aangezicht van de HEERE, voor heel het volk in Jeruzalem en heel het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam.; vers 66Daarom moet u zelf gaan en uit de rol voorlezen waarop u uit mijn mond de woorden van de HEERE hebt opgeschreven, ten aanhoren van het volk [in] het huis van de HEERE op de vastendag. U moet ze ook voorlezen ten aanhoren van alle Judeeërs die uit hun steden komen.). Er is hier sprake van een speciaal vasten. Dit vasten vindt in de negende maand plaats, terwijl het vasten op de grote Verzoendag op de tiende dag van de zevende maand plaatsvindt (Lv 16:2929Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin.; 23:27-3227Alleen op de tiende [dag] van deze zevende maand is de Verzoendag. U moet een heilige samenkomst houden. U moet uzelf dan verootmoedigen en de HEERE een vuuroffer aanbieden.28Op diezelfde dag mag u geen enkel werk doen, want het is de Verzoendag, om voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verzoening voor u te doen.29Voorzeker, iedere persoon die zich op diezelfde dag niet verootmoedigt, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.30En elke persoon die op diezelfde dag enig werk verricht, die persoon zal Ik uit het midden van zijn volk ombrengen.31U mag geen enkel werk doen. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door, in al uw woongebieden.32Het moet voor u een sabbat zijn, een dag van volledige rust, en u moet uzelf verootmoedigen. 's Avonds, op de negende [dag] van de maand, moet u uw sabbat vieren, vanaf de avond tot aan de [volgende] avond.). Dit vasten is mogelijk uitgeroepen om de dreigende aanval van Nebukadnezar af te wenden. Bij deze gelegenheid is te veronderstellen dat het volk meer ontvankelijk zal zijn voor de woorden van HEERE, terwijl er ook een groter aantal mensen samen zal zijn om die woorden te horen.

Baruch krijgt de beschikking over de kamer van Gemarja (vers 1010Toen las Baruch uit de boek[rol] de woorden van Jeremia voor [in] het huis van de HEERE, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, [bij] de ingang van de nieuwe poort van het huis van de HEERE, ten aanhoren van heel het volk.). Gemarja is de zoon van Safan. Safan heeft Josia geholpen bij het herstel van de tempel (2Kn 22:3-103Het gebeurde nu in het achttiende jaar van koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, naar het huis van de HEERE stuurde om te zeggen:4Ga naar de hogepriester Hilkia, en laat hem [al] het geld gereedleggen dat in het huis van de HEERE gebracht is, dat de deurwachters bij het volk ingezameld hebben.5Laten zij het de uitvoerders van het werk in handen geven die aangesteld zijn over het huis van de HEERE, zodat die het [weer] aan de uitvoerders van het werk kunnen geven die in het huis van de HEERE zijn, om de bouwvallige [gedeelten] van het huis te herstellen:6aan de timmerlieden, de bouwlieden en de metselaars, om hout en gehouwen stenen te kopen om het huis te herstellen.7Maar er hoeft door hen geen rekenschap te worden afgelegd van het geld dat hun in handen gegeven is, want zij handelen oprecht.8Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. Hilkia gaf die boek[rol] aan Safan, en die las het.9Daarna kwam de schrijver Safan bij de koning en bracht de koning verslag uit. Hij zei: Uw dienaren hebben het geld dat in het huis gevonden is, ingezameld en in handen gegeven van de uitvoerders van het werk die aangesteld zijn over het huis van de HEERE.10Ook vertelde de schrijver Safan aan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek[rol] gegeven. En Safan las die de koning voor.). Gemarja heeft een kamer boven de poort, zodat Baruch van daaruit kan voorlezen aan allen die door de poort het tempelcomplex binnengaan. Dat Gemarja zijn kamer beschikbaar stelt, lijkt erop te wijzen dat hij de boodschap van Baruch ondersteunt.


Het voorlezen aan de vorsten

11Toen Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van de HEERE uit die boek[rol] hoorde, 12daalde hij af naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. En ziedaar, alle vorsten zaten er: de schrijver Elisama, Delaja, de zoon van Semaja, Elnathan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Hananja, en alle vorsten. 13Michaja maakte hun alle woorden bekend die hij gehoord had, toen Baruch ten aanhoren van het volk uit die boek[rol] voorlas. 14Toen stuurden alle vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cusji, naar Baruch, om te zeggen: De rol waaruit u ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die in uw hand en kom. Baruch, de zoon van Neria, nam de rol in zijn hand en kwam naar hen toe. 15Zij zeiden tegen hem: Ga toch zitten en lees ten aanhoren van ons deze voor. En Baruch las ten aanhoren van hen voor. 16Nu gebeurde het, zodra zij alle woorden hoorden, [dat] zij elkaar angstig aankeken en tegen Baruch zeiden: Al deze woorden moeten wij beslist aan de koning bekendmaken. 17Zij vroegen Baruch: Maak ons toch bekend, hoe hebt u al deze woorden [die] uit zijn mond [kwamen], opgeschreven? 18Baruch zei tegen hen: Met zijn [eigen] mond deelde hij mij al deze woorden mee, terwijl ik ze met inkt op deze boek[rol] schreef. 19Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia, zodat niemand weet waar u bent.

Gemarja heeft een zoon, Michaja, die de woorden van de HEERE hoort (vers 1111Toen Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van de HEERE uit die boek[rol] hoorde,). Het is mooi om die lijn van grootvader (Safan), vader (Gemarja) en zoon (Michaja) te zien, die allen een verbinding met het Woord van God hebben. Michaja wordt geraakt door wat hij hoort. Het brengt hem in beweging en hij gaat naar de kamer van de schrijver waar alle vorsten zitten (vers 1212daalde hij af naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. En ziedaar, alle vorsten zaten er: de schrijver Elisama, Delaja, de zoon van Semaja, Elnathan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Hananja, en alle vorsten.).

Hij vertelt hun alles wat hij heeft gehoord uit de boekrol die Baruch heeft voorlezen (vers 1313Michaja maakte hun alle woorden bekend die hij gehoord had, toen Baruch ten aanhoren van het volk uit die boek[rol] voorlas.). Als wij Gods woorden hebben gehoord en als die ons hebben getroffen en opgebouwd, zullen wij die graag aan anderen, die ze niet gehoord hebben, tot hun opbouwing meedelen.

Michaja is een jongeman, maar wel iemand die serieus wordt genomen. Hij moet bekend hebben gestaan als betrouwbaar en Godvrezend. De vorsten zeggen niet dat ze hem niet geloven, maar komen na zijn verslag in actie (vers 1414Toen stuurden alle vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cusji, naar Baruch, om te zeggen: De rol waaruit u ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die in uw hand en kom. Baruch, de zoon van Neria, nam de rol in zijn hand en kwam naar hen toe.). Ze sturen Jehudi erop uit om Baruch met zijn boekrol te halen. Waarom gaan ze niet zelf naar Baruch? Schamen ze zich om zich te midden van het volk te begeven en met hen te luisteren naar de woorden van God? Dit is later ook de handelwijze van Zedekia die in het geheim Jeremia bij zich laat komen.

Baruch aarzelt niet, maar komt direct naar hen toe met de boekrol in zijn hand. Dat is dapper, want hij weet dat de boekrol geen aangename boodschap inhoudt en hij kent de weerspannigheid van de vorsten. Dan vragen ze hem te gaan zitten en hun de boekrol voor te lezen (vers 1515Zij zeiden tegen hem: Ga toch zitten en lees ten aanhoren van ons deze voor. En Baruch las ten aanhoren van hen voor.). Baruch doet wat hem is gevraagd, zonder verwijt dat ze toch naar de poort hadden kunnen komen om het daar te horen en hem dit dubbele werk te besparen. Hij heeft het onbevreesd voor het volk gedaan, hij doet het nu onbevreesd voor de leiders van het volk.

We horen niet welke indruk het voorlezen van de boekrol op het volk heeft gemaakt. We lezen wel wat de uitwerking van het Woord bij de vorsten is. Als ze alle woorden horen, worden ze bang (vers 1616Nu gebeurde het, zodra zij alle woorden hoorden, [dat] zij elkaar angstig aankeken en tegen Baruch zeiden: Al deze woorden moeten wij beslist aan de koning bekendmaken.). Ze kennen de boodschap van Jeremia wel. Ze zullen er vaak de schouders over hebben opgehaald, maar nu maken de woorden indruk op hen. Ze kunnen hun angst niet verbergen, maar tonen die aan elkaar. Het is niet duidelijk of het angst voor de HEERE of angst voor de koning is. De woorden brengen hen in elk geval niet tot een belijdenis voor de HEERE, maar tot een bekendmaken van de woorden aan de koning. Die moet ervan op de hoogte worden gebracht.

Dan willen ze nog weten hoe Baruch al deze woorden uit de mond van Jeremia heeft opgeschreven (vers 1717Zij vroegen Baruch: Maak ons toch bekend, hoe hebt u al deze woorden [die] uit zijn mond [kwamen], opgeschreven?). Het lijkt meer een technische vraag dan de vraag van een overtuigd geweten. Het antwoord van Baruch is eenvoudig (vers 1818Baruch zei tegen hen: Met zijn [eigen] mond deelde hij mij al deze woorden mee, terwijl ik ze met inkt op deze boek[rol] schreef.). Er is niets opzienbarends aan. De vorsten onderkennen het gevaar dat Jeremia en Baruch voor hun leven lopen als Jojakim deze woorden hoort. Ze adviseren hen om zich te verbergen. God kan mensen die wel een zekere waardering voor Zijn Woord hebben, maar zich niet bekeren, toch gebruiken voor Zijn werk en de bescherming van Zijn dienaren (vgl. Hd 19:3131En ook sommigen van de oversten van Asia, die zijn vrienden waren, zonden [een boodschap] naar hem en drongen erop aan zich niet in het theater te begeven.).

De vorsten kennen hun koning (vers 1919Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia, zodat niemand weet waar u bent.). Zij vrezen dat zijn woede zal ontsteken en dat zowel Baruch als Jeremia ter dood zal worden gebracht, als hij weet waar zij zijn. Daarom zeggen ze tegen Baruch dat hij en Jeremia zich moeten verbergen. Evenals Achab Elia ijverig heeft gezocht tijdens de verschrikkelijke droogte om hem te doden (1Kn 18:1010[Zo waar] de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waarheen mijn heer [geen boden] heeft gestuurd om u te zoeken. En als zij zeiden: Hij is hier niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren dat zij u niet konden vinden.), zal ook Jojakim tegen hen woeden. De HEERE zorgt echter voor Zijn dienaren.


Jojakim hoort de rol en verbrandt die

20Zij gingen naar de koning in de voorhof [van het koninklijk paleis], maar de rol legden zij weg in de kamer van de schrijver Elisama. Toen maakten zij al deze woorden bekend ten aanhoren van de koning. 21Daarop stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Toen las Jehudi eruit voor ten aanhoren van de koning en ten aanhoren van al de vorsten die rondom de koning stonden. 22Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken, 23gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was. 24Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden. 25Toch hadden Elnathan, Delaja en Gemarja er bij de koning op aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij heeft niet naar hen geluisterd. 26Verder gaf de koning Jerahmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia [gevangen] te nemen. Maar de HEERE hield hen verborgen.

Wat er dan gebeurt, is zo schokkend en stuitend, dat Jeremia alles tot in detail beschrijft. De vorsten gaan naar de koning (vers 2020Zij gingen naar de koning in de voorhof [van het koninklijk paleis], maar de rol legden zij weg in de kamer van de schrijver Elisama. Toen maakten zij al deze woorden bekend ten aanhoren van de koning.). De rol nemen ze niet mee, maar leggen die weg in de kamer van de schrijver. Ze kennen de inhoud blijkbaar zo goed, dat ze wat in de boekrol staat, aan de koning bekend kunnen maken. De koning wil echter de boekrol zelf zien (vers 2121Daarop stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Toen las Jehudi eruit voor ten aanhoren van de koning en ten aanhoren van al de vorsten die rondom de koning stonden.). Hij stuurt Jehudi erop uit om de rol op te halen. Jehudi haalt hem op uit de kamer van de schrijver Elisama. Twee keer wordt gezegd dat de rol daar ligt. Als Jehudi terug is bij de koning, leest hij eruit voor. De koning en al de vorsten horen opnieuw de inhoud. De vorsten worden er al voor de derde keer mee geconfronteerd.

De koning zit in zijn winterpaleis (vers 2222Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken,; Am 3:1515Ik zal het winterverblijf treffen
samen met het zomerverblijf,
zodat de ivoren huizen verloren gaan
en vele huizen weggevaagd worden,
spreekt de HEERE.
)
. Hij zit daar niets te doen. Misschien denkt hij erover na hoe hij zichzelf van een goed leven kan verzekeren. Dan wordt hij met het Woord van God, de gedachten van God, geconfronteerd, gedachten die tegen zijn plannen ingaan. Het is wintertijd. De negende maand is onze maand december. Dat verklaart waarom hij bij een brandend kolenbekken zit. Buiten is het koud; maar ook zijn hart is zo koud als ijs.

Als Jehudi een gedeelte van de woorden van de HEERE heeft gelezen, snijdt de koning dat gedeelte eraf en werpt het in het vuur in het kolenbekken (vers 2323gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.). Het geduld dat de vorsten wel hebben opgebracht om naar het voorlezen te luisteren totdat alles voorgelezen is, heeft hij niet. Als hij de inhoud van “drie of vier kolommen” heeft gehoord, snijdt hij ze in woede met een schrijversmes (het mes waarmee de schrijver zijn pen scherpt) van de rol af en werpt de kolommen stuk voor stuk in het vuur. [Noot: Vroeger schreef men niet op stenen tabletten of op kleitafeltjes, maar op papyrus. Een rol bestond uit aan elkaar gelijmde papyrusbladen en werd in kolommen beschreven.]

Zo gaat het door tot de hele rol door het vuur verteerd is en hij er zeker van is dat er niets van over is. Zo grondig gaat hij te werk. Het is een daad van opperste Godslastering en diepste minachting voor Gods openbaring in Zijn geschreven Woord. Jojakim doet het tegenovergestelde van wat God heeft gezegd in de wet, dat de koning zelf de wet moet overschrijven om die te leren kennen en in overeenstemming ermee te regeren (Dt 17:1818Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.).

In zijn dwaasheid meent hij hierdoor de dreigingen teniet te doen die tegen hem afgekondigd zijn, alsof God het vonnis niet kan uitvoeren omdat de rol weg is, waarin het vonnis opgetekend stond. Wat wij van de Bijbel denken en hoe wij ermee omgaan, heeft geen enkel effect op de Bijbel zelf. Wat Jojakim doet, gebeurt dagelijks met alle waarheden die een mens niet bevallen. Alles wat een mens hindert in zijn zelfgenoegzame leven, wordt weggesneden uit Gods Woord. Gedeelten over het oordeel van God worden weggelaten.

Heel wat predikers prediken alleen maar aardige dingen, mooie beloften, maar weigeren te spreken over het oordeel. Ze spreken over God als een God van liefde Die niemand naar de hel sturen zal sturen. Maar wat we ook uit de Bijbel schrappen, het verandert niets aan Gods Woord. Onze geringschatting verandert niets aan Gods oordeel. Izebel heeft zich tegen Gods Woord verzet, maar haar tegenstand heeft er niets aan veranderd dat zij, zoals God heeft gezegd, voedsel voor de honden is geworden (2Kn 9:10,35-3610Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk [land] van Jizreël, en er zal niemand zijn die [haar] begraaft. Toen opende hij de deur en vluchtte weg.35En zij gingen [ernaartoe] om haar te begraven, maar zij vonden niets van haar dan haar schedel, [haar] voeten en haar handpalmen.36Toen kwamen zij terug en vertelden het hem. Hij zei: Dit is het woord van de HEERE dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn dienaar Elia, de Tisbiet, [die zei]: Op het stuk [land] van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.).

De komst van Christus om te oordelen en Zijn rijk op te richten wordt niet geloofd, maar bespot (2Pt 3:33Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen). Daarmee wordt ook de opname van de gemeente, die Gods Woord duidelijk leert (1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)) weggesneden. Ook de lichamelijke opstanding wordt geloochend (1Ko 15:12-2312Als nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit [de] doden is opgewekt, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen opstanding van doden is?13Maar als er geen opstanding van doden is, dan is ook Christus niet opgewekt;14en als Christus niet is opgewekt, dan is <ook> onze prediking vergeefs, en vergeefs is ook uw geloof;15en dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, omdat wij van God getuigd hebben dat Hij Christus heeft opgewekt, Die Hij niet heeft opgewekt als er inderdaad geen doden worden opgewekt.16Want als er geen doden worden opgewekt, dan is ook Christus niet opgewekt.17En als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof inhoudsloos, dan bent u nog in uw zonden;18dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.19Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen.20(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.), evenals de verschillende plaats die man en vrouw hebben in de scheppingsorde van God en ook als de gemeente samenkomt. Hetzelfde geldt voor seksualiteit die alleen binnen het huwelijk tussen die ene man en die ene vrouw mag worden beleefd en voor de eerbied voor het leven aan het begin en het einde. Dit wordt allemaal weggesneden.

De mens beoordeelt alles naar eigen normen. Dat hij daarbij wordt aangestuurd door de satan, realiseert hij zich niet. Alles wordt in het vuur van de eigen beoordeling geworpen. En hoe zit het met de opdracht het evangelie te prediken aan alle mensen? Hebben we dat ook weggesneden? En altijd bidden? Doen we dat? Ook dat is een opdracht van de Heer. Als we dat niet doen, hebben we het weggesneden. Luisteren we naar wat de Bijbel zegt over onze tong (Jk 3:1-121Laten niet velen leraars worden, mijn broeders, daar u weet dat wij een des te strenger oordeel zullen ontvangen.2Want wij struikelen allen dikwijls. Als iemand in [het] woord niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam in toom te houden.3Als wij nu de paarden tomen in de monden doen opdat zij ons gehoorzamen, dan besturen wij ook hun hele lichaam.4Zie, ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn en door harde winden worden voortgedreven, worden door een zeer klein roer gestuurd waarheen de opzet van de stuurman wil.5Zo is ook de tong een klein lid en zij beroemt zich op grote dingen. Zie, hoe zo’n klein vuur zo’n groot bos aansteekt.6Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.7Want elke natuur, zowel van wilde dieren als van vogels, van kruipende dieren als van zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur,8maar de tong kan geen enkel mens temmen; zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn.9Met haar zegenen wij de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn.10Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Dit moet niet zo zijn, mijn broeders.11De bron laat toch niet uit dezelfde opening het zoete en het bittere opwellen?12Kan een vijgenboom soms olijven voortbrengen, mijn broeders, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een zoute [bron] zoet water geven.)? Zo niet, dan hebben we het weggesneden. We hanteren allemaal zo gemakkelijk het schrijversmes van onze eigen mening, soms zelfs zonder er zelf erg in te hebben.

De koning versnijdt Gods Woord zonder blikken of blozen (vers 2424Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden.). Ook zijn dienaren staan erbij en verschieten niet van kleur vanwege de ongekende minachting voor de woorden van de HEERE die de koning, de koning van Gods volk!, toont. Zij scheuren hun kleren niet, zoals Josia, de eigen vader van deze Jojakim, doet, als hem het boek van de wet wordt voorgelezen (2Kn 22:1111Het gebeurde nu, toen de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.). Ze doen het tegenovergestelde. Wat voor Josia de vondst van zijn leven is, wordt door Jojakim en al zijn dienaren met de grootste verachting behandeld.

Eerder nog hebben de vorsten elkaar angstig aangekeken als ze de woorden horen voorlezen (vers 1616Nu gebeurde het, zodra zij alle woorden hoorden, [dat] zij elkaar angstig aankeken en tegen Baruch zeiden: Al deze woorden moeten wij beslist aan de koning bekendmaken.). Er is geen teken dat erop wijst dat het woord van de HEERE iets bij hen heeft bewerkt. Dat is het gevolg als men zich niet afzondert van het kwaad. Jojakim en de vorsten lijken op de moderne vertalers en moderne theologen die ook zonder respect en met verachting met het Woord van God omgaan. We zijn net zulke goede christenen als we liefde hebben voor de Bijbel. Anders gezegd: De maat van de liefde voor de Bijbel bepaalt de maat of de kwaliteit van het christen zijn.

Enkele dienaren hebben nog een zwak protest laten horen (vers 2525Toch hadden Elnathan, Delaja en Gemarja er bij de koning op aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij heeft niet naar hen geluisterd.). Maar mensen die in een verkeerde positie zijn, zijn krachteloos om tegen een heersend kwaad op te treden. Denk aan Lot in Sodom. Het protest is meer een sussen van het eigen geweten. Wie werkelijk ontdaan is over de oneer die God wordt aangedaan, zal een gezelschap dat zo verachtelijk met God en Zijn Woord omgaat, verlaten. Respect voor Gods Woord blijkt uit gehoorzaamheid aan Gods Woord. Gods Woord roept op om weg te gaan uit een gemeenschap die weigert het kwaad, de zonde, te oordelen. Het is óf het boze wegdoen (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.), óf zelf weggaan als het boze niet wordt weggedaan (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).

Jojakim geeft opdracht Baruch en Jeremia gevangen te nemen (vers 2626Verder gaf de koning Jerahmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia [gevangen] te nemen. Maar de HEERE hield hen verborgen.). Hij heeft hun pennenvruchten vernietigd, nu wil hij ook henzelf doden, zodat ze hun werk niet meer kunnen doen. Na het vernietigen van het schriftelijke getuigenis moeten vervolgens de getuigen zelf worden omgebracht. Deze houding zien we ook bij de overpriesters ten aanzien van het evangelie als de gemeente net is ontstaan (Hd 4:1717Maar laten wij, opdat het niet meer en meer onder het volk wordt verspreid, hun dreigend gebieden niet meer tot enig mens in deze Naam te spreken.). De opdracht van Jojakim kan niet worden uitgevoerd, want Baruch en Jeremia zijn onvindbaar omdat de HEERE hen verborgen houdt. De vorsten kunnen wel adviseren dat ze zich verbergen, maar ze kunnen niet voor veiligheid en bescherming zorgen en durven dat ook niet. Dat doet de HEERE (Ps 31:2121U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht
voor het hoogmoedig gedrag van de man;
U doet hen schuilen in een hut
voor het getwist van tongen.
)
.


De opdracht om opnieuw te schrijven

27Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden [die] uit de mond van Jeremia [kwamen], die Baruch had opgeschreven, had verbrand: 28Neem u weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de vorige rol stonden, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft,

De HEERE is niet in verlegenheid gebracht door de actie van Jojakim. Als de koning zijn verwoestend werk heeft verricht door de woorden uit de mond van Jeremia die Baruch heeft opgeschreven te verbranden, spreekt Hij weer tot Jeremia (vers 2727Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden [die] uit de mond van Jeremia [kwamen], die Baruch had opgeschreven, had verbrand:). Hij heeft Zijn beide dienaren verborgen om hen opnieuw te gebruiken. Hij geeft hun de opdracht een andere rol te nemen en daarop te schrijven “al de vorige woorden die op de vorige rol stonden, die Jojakim, de koning van Juda verbrand heeft” (vers 2828Neem u weer een andere rol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de vorige rol stonden, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft,). Het is ermee als met de verbroken stenen tafels van de wet: op de twee nieuwe stenen tafelen komen al de woorden van de eerste tafelen (Dt 10:4a4Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die de HEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag [dat u daar] bijeenkwam; en de HEERE gaf ze aan mij.).

De rol verrijst als het ware weer uit de as als een symbool van de onverwoestbaarheid en onuitroeibaarheid van Gods Woord. Wat hebben vijanden van God door de geschiedenis van de mensheid heen toch allemaal geprobeerd om Gods Woord uit de wereld te verwijderen. Alle pogingen zijn gestrand. Het is zowel zinloos als dwaas om tegen God het woord op te nemen.


De veroordeling van Jojakim

29en zeg tegen Jojakim, de koning van Juda: Zo zegt de HEERE: Ú hebt deze rol verbrand [en] gezegd: Waarom hebt u daarop geschreven: De koning van Babel zal beslist komen en zal dit land te gronde richten en hij zal mens en dier eruit wegdoen? 30Daarom, zo zegt de HEERE over Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit, en zijn dode lichaam zal weggeworpen liggen, overdag in de hitte en 's nachts in de kou. 31Ik zal hem, zijn nageslacht en zijn dienaren straffen om hun ongerechtigheid, en Ik zal over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda, al het onheil brengen dat Ik tot hen gesproken heb, maar zij hebben niet geluisterd.

Jeremia krijgt ook de opdracht om Jojakim het oordeel aan te zeggen. We horen hier waarom Jojakim de rol heeft verbrand (vers 2929en zeg tegen Jojakim, de koning van Juda: Zo zegt de HEERE: Ú hebt deze rol verbrand [en] gezegd: Waarom hebt u daarop geschreven: De koning van Babel zal beslist komen en zal dit land te gronde richten en hij zal mens en dier eruit wegdoen?). Hij heeft Jeremia voor de voeten geworpen dat hij geschreven heft dat de koning van Babel het oordeel zal brengen over “dit land” en over wat er leeft aan mensen en dieren. Zo’n boodschap wil hij niet. Hij wil van geen oordeel horen. Het oordeel over Jojakim spreekt van de grote minachtig van de HEERE voor de man die Hem zo heeft geminacht (vers 3030Daarom, zo zegt de HEERE over Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit, en zijn dode lichaam zal weggeworpen liggen, overdag in de hitte en 's nachts in de kou.). Wie Hem minachten, zullen door Hem geminacht worden.

Jojakim zal geen opvolger op de troon hebben en hij zelf zal geen begrafenis hebben. Dat zijn zoon Jechonia nog drie maanden na hem heeft geregeerd, kan geen regering worden genoemd. Nebukadnezar neemt hem na drie maanden gevangen en voert hem naar Babel

Hij, zijn nageslacht en zijn dienaren, die allemaal hebben gedeeld in zijn kwaad, zullen allen gestraft worden door de HEERE (vers 3131Ik zal hem, zijn nageslacht en zijn dienaren straffen om hun ongerechtigheid, en Ik zal over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda, al het onheil brengen dat Ik tot hen gesproken heb, maar zij hebben niet geluisterd.). Over hen en de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda brengt de HEERE het onheil dat Hij gesproken heeft, maar waarnaar ze niet hebben geluisterd. Gods Woord blijft in eeuwigheid. Het is niet te verbranden.


De woorden opnieuw geschreven

32Toen nam Jeremia een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Neria. Deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden van de boek[rol], die Jojakim, de koning van Juda, in het vuur had verbrand. Nog vele woorden als deze werden eraan toegevoegd.

Na de oordeelsaankondiging over Jojakim doen Jeremia en Baruch wat de HEERE heeft gezegd (vers 3232Toen nam Jeremia een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Neria. Deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden van de boek[rol], die Jojakim, de koning van Juda, in het vuur had verbrand. Nog vele woorden als deze werden eraan toegevoegd.). Jeremia spreekt al de woorden en Baruch schrijft ze op. Niet een van Gods woorden zal ter aarde vallen (Mt 5:1818Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd.). De Geest van God brengt Jeremia al zijn toespraken en profetieën in herinnering. Dat maakt het verbranden van de boekrol door Jojakim tot een inhoudsloze actie. Het Woord van God houdt eeuwig stand. Er worden zelfs nog woorden aan toegevoegd. Dat zijn onder andere de woorden van dit hoofdstuk, waarin het oordeel over Jojakim wordt vermeld. God noteert alles, en wat wij moeten weten, heeft Hij ons in Zijn Woord meegedeeld.

Wie God liefheeft, heeft Zijn Woord lief. Wie zegt God lief te hebben, maar Zijn Woord niet leest, is een leugenaar. Zo iemand heeft zijn eigen god lief. We hebben niet nieuwe liederen en andere vormen van godsdienst nodig, maar een opleving van liefde voor het Woord van God. Alles wat God doet, doet Hij door Zijn Woord (Ps 33:6,9). Als dat waar voor ons is, zullen we het Woord lezen, bestuderen en beleven.

Wanneer de Heer Jezus op aarde is, leeft Hij erdoor en verweert Zich ermee. Hij zegt: “Er staat geschreven” en dat eindigt alle tegenspraak (Mt 4:1-111Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.11Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem.). Zo behoort het in ons leven te zijn. Het Woord van God en dat alleen geeft de overwinning over de verzoekingen van de duivel. Alle ellende komt omdat we ons leven niet willen baseren op Gods Woord. Als we het Woord in ons hart verbergen, zullen we niet zondigen (Ps 119:1111Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
)
. Iemand is naar de gedachten van God een goed christen als hij in het Woord blijft en daaruit leeft.


Lees verder