Jeremia
1-7 Aankondiging van het einde van Zedekia 8-11 De slaven bedrogen 12-16 De zonde van de natie 17-22 De vergelding van het verraad
Aankondiging van het einde van Zedekia

1Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, en heel zijn leger, en alle koninkrijken van de aarde die [onder] de heerschappij van zijn hand waren, en alle volken streden tegen Jeruzalem en al zijn steden: 2Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ga zeggen tegen Zedekia, de koning van Juda, zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven, hij zal haar met vuur verbranden. 3En zelf zult u niet aan zijn hand ontkomen, maar zeker gegrepen worden en in zijn hand gegeven worden. U zult oog in oog met de koning van Babel staan, en hij zal van mond tot mond met u spreken. U zult in Babel komen. 4Maar hoor het woord van de HEERE, Zedekia, koning van Juda! Zo zegt de HEERE over u: U zult niet sterven door het zwaard, 5u zult sterven in vrede. En zoals er vuren [ontstoken zijn] voor uw vaderen, de vroegere koningen, die vóór u waren, zo zullen zij ook voor u [vuren] branden en over u rouw bedrijven [door te roepen]: Ach heer! Ík immers heb [dit] woord gesproken, spreekt de HEERE. 6Toen de profeet Jeremia al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem, sprak, 7streed het leger van de koning van Babel tegen Jeruzalem en tegen al de steden van Juda die [nog] over waren, tegen Lachis en tegen Azeka, want die waren [als] versterkte steden overgebleven onder de steden van Juda.

Na het ‘troostboek’ (Jr 30-33) zijn we terug in het alledaagse leven. Het woord van de HEERE komt tot Jeremia op het moment dat de hele wereld verzameld is tegen Jeruzalem (vers 11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, en heel zijn leger, en alle koninkrijken van de aarde die [onder] de heerschappij van zijn hand waren, en alle volken streden tegen Jeruzalem en al zijn steden:). Nebukadnezar en heel zijn leger en alle koninkrijken waarover hij regeert en alle volken waarover hij niet regeert, strijden tegen Jeruzalem en alle steden die daarbij horen. Jeruzalem is het mikpunt. In die situatie geeft de HEERE Jeremia de opdracht om naar Zedekia te gaan met de mededeling dat Hij de stad in de handen van Nebukadnezar zal geven die haar met vuur zal verbranden (vers 22Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ga zeggen tegen Zedekia, de koning van Juda, zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven, hij zal haar met vuur verbranden.).

De HEERE zinspeelt op de vlucht van Zedekia als Hij zegt dat hij zeker gegrepen zal worden en voor Nebukadnezar persoonlijk zal worden gebracht (vers 33En zelf zult u niet aan zijn hand ontkomen, maar zeker gegrepen worden en in zijn hand gegeven worden. U zult oog in oog met de koning van Babel staan, en hij zal van mond tot mond met u spreken. U zult in Babel komen.). Zijn vlucht zal dus zinloos zijn. Hij zal in Babel komen. Hij zal oog in oog komen te staan met de koning van Babel, maar Babel zelf zal hij niet zien, omdat zijn ogen worden uitgestoken, voordat hij naar Babel wordt gevoerd (Jr 52:1111Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.; Ez 12:13b13Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem brengen naar Babel, het land van de Chaldeeën, maar [ook] dat zal hij niet zien, hoewel hij daar zal sterven.).

In Zijn genade zegt de HEERE ook dat Zedekia niet door het zwaard zal sterven (vers 44Maar hoor het woord van de HEERE, Zedekia, koning van Juda! Zo zegt de HEERE over u: U zult niet sterven door het zwaard,), maar in vrede in Babel. Het is zelfs zo, dat er voor hem vuren zullen worden ontstoken (vgl. 2Kr 16:1414en zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zichzelf had uitgehouwen in de stad van David. Zij legden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen en [verschillende] soorten [kruiden], gemengd volgens zorgvuldig bereid werk. En zij ontstaken voor hem een buitengewoon groot vuur.; 21:1919En na verloop van tijd gebeurde het, op het moment dat er twee jaar voorbij was, dat zijn ingewanden ten gevolge van de ziekte naar buiten kwamen, en hij stierf aan deze kwaadaardige ziekte. Maar zijn volk brandde voor hem geen vuur, zoals bij zijn vaderen.). Dit is een onverwacht teken van eerbetoon aan deze toch zo goddeloze koning, die blijkbaar toch nog een zekere zorg voor zijn volk heeft gehad (vers 55u zult sterven in vrede. En zoals er vuren [ontstoken zijn] voor uw vaderen, de vroegere koningen, die vóór u waren, zo zullen zij ook voor u [vuren] branden en over u rouw bedrijven [door te roepen]: Ach heer! Ík immers heb [dit] woord gesproken, spreekt de HEERE.).

Nog eens wijst de Geest van God erop onder welke omstandigheden Jeremia al zijn woorden tot Zedekia spreekt (vers 66Toen de profeet Jeremia al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem, sprak,). De strijd om Jeruzalem en al de steden van Juda die nog niet gevallen zijn, is in alle hevigheid aan de gang (vers 77streed het leger van de koning van Babel tegen Jeruzalem en tegen al de steden van Juda die [nog] over waren, tegen Lachis en tegen Azeka, want die waren [als] versterkte steden overgebleven onder de steden van Juda.). Twee overgebleven steden worden bij name genoemd, omdat die als enige steden versterkt zijn – door Rehabeam (2Kr 11:5,95Rehabeam woonde in Jeruzalem, en hij bouwde [verschillende] steden in Juda om tot versterkte [steden].9Adoraïm, Lachis, Azeka,) – en daar de tegenstand het hevigst is.


De slaven bedrogen

8Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met heel het volk dat in Jeruzalem was, om voor hen vrijlating af te kondigen, 9zodat ieder zijn slaaf, en ieder zijn slavin, die een Hebreeër of Hebreeuwse was, vrij liet weggaan, zodat niemand bij hen [meer als slaaf] bij een Judeeër, zijn broeder, zou dienen. 10Al de vorsten en heel het volk die het verbond waren aangegaan, gaven er gehoor aan dat ieder zijn slaaf en ieder zijn slavin vrij zou laten weggaan, zodat zij bij hen niet meer zouden dienen. Zij gehoorzaamden en lieten hen gaan. 11Daarna kwamen zij [er] echter [op] terug en lieten de slaven en de slavinnen terugkomen die zij vrij hadden laten weggaan, en onderwierpen hen [weer] als slaven en als slavinnen.

Opnieuw komt het woord van de HEERE tot Jeremia (vers 88Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met heel het volk dat in Jeruzalem was, om voor hen vrijlating af te kondigen,). De aanleiding is een verbond dat Zedekia met allen in Jeruzalem heeft gesloten om de vrijlating van de slaven aan te kondigen (vers 99zodat ieder zijn slaaf, en ieder zijn slavin, die een Hebreeër of Hebreeuwse was, vrij liet weggaan, zodat niemand bij hen [meer als slaaf] bij een Judeeër, zijn broeder, zou dienen.). De afspraak is dat ieder zijn slaaf of slavin die Hebreeër of Hebreeuwse was, dus een volksgenoot, zal vrijlaten. Dat zal gebeuren vanuit het besef dat het om een broeder, een naaste gaat. Het lijkt erop dat de rijken de armen langer dan de door God in de wet voorgeschreven zeven jaar als slaven hebben laten dienen (Ex 21:1-111Dit zijn de bepalingen die u hun moet voorhouden.2Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij [man] vertrekken.3Als hij alleen gekomen is, moet hij alleen vertrekken, [en] als hij getrouwd is, mag zijn vrouw met hem vertrekken.4Als zijn meester hem een vrouw gegeven heeft en zij zonen of dochters bij hem gebaard heeft, dan zal de vrouw met haar kinderen aan haar meester blijven toebehoren en moet hijzelf alleen vertrekken.5Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij [man] vertrekken,6dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen.7Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, dan mag zij niet vertrekken zoals de slaven vertrekken.8Als zij slecht bevalt in de ogen van haar meester, die haar voor zichzelf bestemd had, moet hij haar laten vrijkopen. Hij heeft niet het recht haar aan een vreemd volk te verkopen, omdat hij haar ontrouw geworden is.9Maar als hij haar voor zijn zoon bestemt, moet hij haar behandelen volgens de bepaling voor de dochters.10Als hij voor zichzelf [nog] een andere [vrouw] neemt, mag hij haar niet tekortdoen wat betreft voedsel, kleding en huwelijksgemeenschap.11Als hij deze drie [dingen] niet voor haar doet, mag zij vertrekken, voor niets, zonder [los]geld.; Lv 25:39-5539En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten.40Als een dagloner, als een bijwoner moet hij bij u zijn. Tot het jubeljaar is hij bij u in dienst.41Dan mag hij bij u vertrekken, hij en zijn kinderen met hem, en hij mag naar zijn familie terugkeren en terugkeren naar het bezit van zijn vaderen.42Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte heb geleid. Zij mogen niet verkocht worden zoals men een slaaf verkoopt.43U mag niet met harde [hand] over hem heersen, maar u moet uw God vrezen.44Wat uw slaaf of uw slavin betreft die u toebehoren, zij moeten [afkomstig] zijn uit de heidenvolken die rondom u zijn. Van hen mag u een slaaf of slavin kopen.45U mag hen verder ook kopen van de nakomelingen van de bijwoners die bij u als vreemdeling verblijven, uit hen die bij u zijn en uit hun familie, die zij in uw land verwekt hebben. Zij mogen voor u als bezit dienen.46U mag hen als erfbezit aan uw kinderen na u nalaten om [hen] als bezit te erven. U moet hen voor altijd laten dienen, maar over uw broeders, de Israëlieten, mag u niet – de een over de ander – met harde [hand] heersen.47En wanneer voor een vreemdeling of een bijwoner die bij u is, het vermogen toereikend is geworden, en uw [eigen] broeder die bij hem is, in armoede raakt, zodat hij zich heeft moeten verkopen aan de vreemdeling, de bijwoner die bij u is, of aan een afstammeling van de familie van de vreemdeling,48dan geldt voor hem het recht op loskoping, nadat hij zich heeft verkocht. Een van zijn broers mag hem vrijkopen,49of zijn oom of een zoon van zijn oom mag hem vrijkopen, of [een] van zijn naaste bloedverwanten, uit zijn [eigen] familie, mag hem vrijkopen, of hij mag zichzelf vrijkopen [als] zijn [eigen] vermogen toereikend is.50Hij moet dan samen met hem die hem gekocht heeft, [het aantal jaren] berekenen vanaf het jaar dat hij zich aan hem verkocht heeft, tot het jubeljaar. Zijn verkoopsom moet namelijk overeenkomstig het aantal jaren zijn. Als de dagen van een dagloner zal het bij hem zijn.51Als er nog vele jaren zijn, moet hij dienovereenkomstig zijn loskoping vergoeden van het geld waarvoor hij was verkocht.52En als er nog weinig jaren overblijven tot het jubeljaar, dan moet hij [dat] met hem berekenen. Overeenkomstig zijn jaren moet hij zijn loskoping vergoeden.53Hij moet als een dagloner jaar op jaar bij hem blijven. Men mag onder uw ogen niet met harde [hand] over hem heersen.54Maar als hij op deze manier niet kan worden vrijgekocht, dan mag hij in het jubeljaar vertrekken, hij en zijn kinderen met hem.55Want de Israëlieten behoren Mij als dienaren toe. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God.; Dt 15:12-1812Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan.13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet [met] lege [handen] laten gaan.14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven.15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.16Maar het moet [zó] zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft,17dat u een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen.18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.). Dit verbond wordt door velen aangegaan (vers 1010Al de vorsten en heel het volk die het verbond waren aangegaan, gaven er gehoor aan dat ieder zijn slaaf en ieder zijn slavin vrij zou laten weggaan, zodat zij bij hen niet meer zouden dienen. Zij gehoorzaamden en lieten hen gaan.). Zij gehoorzamen eraan en laten hen gaan.

Dan komt de spijt (vers 1111Daarna kwamen zij [er] echter [op] terug en lieten de slaven en de slavinnen terugkomen die zij vrij hadden laten weggaan, en onderwierpen hen [weer] als slaven en als slavinnen.). Zodra ze merken wat een verlies ze hebben geleden, komen ze op hun verplichting terug en halen de slaven terug en onderwerpen hen weer als slaven en als slavinnen aan zich. Dit is een lage, gemene streek. Het verbond is ook niet van harte gesloten. Er is wel verondersteld dat Zedekia dit verbond ook alleen om politieke redenen heeft gesloten. Hij moet hebben gedacht dat vrijgelaten slaven en slavinnen veel gewilliger zouden zijn de stad mee te verdedigen tegen de aanval van Nebukadnezar, dan wanneer ze harde slavendienst moeten doen. Het is niet voor te stellen dat een zo goddeloos man die zich niets van Gods wet aantrekt, nu ineens er zo op zou staan een gebod van de wet uit te voeren. Hij staat bekend als een verbondsbreker (Ez 17:11-2111Het woord van de HEERE kwam tot mij:12Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?16[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.18Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen!20Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft.21En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.).

Zodra er echter verlichting in de nood komt, komt men op zijn besluit terug (vgl. Pr 5:33Wanneer u aan God een gelofte doet,
stel [dan] niet uit die na te komen,
want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.
Kom na wat u belooft.
)
. Met recht kan van hen worden gezegd: “Uw goedertierenheid is als een morgenwolk, als dauw die vroeg optrekt en weggaat” (Hs 6:4b4Wat zal Ik u doen, Efraïm?
Wat zal Ik u doen, Juda?
Uw goedertierenheid is als een morgenwolk,
als dauw die vroeg optrekt en weggaat.
)
. De vijand is (tijdelijk) weggetrokken (vers 2121Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten zal Ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan, te weten in de hand van het leger van de koning van Babel, dat [nu] bij u vandaan wegtrekt.). Dat zal verband houden met een bedreiging van Egypte (Jr 37:5,7-105[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.7Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen de koning van Juda, die u naar Mij toegestuurd heeft om Mij te raadplegen: Zie, het leger van de farao dat u te hulp is uitgetrokken, keert terug naar zijn land, [naar] Egypte.8Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.9Zo zegt de HEERE: Bedrieg uzelf niet door te zeggen: De Chaldeeën zullen beslist bij ons weggaan, want zij zullen niet weggaan!10Ja, al zou u [ook] heel het leger van de Chaldeeën die tegen u strijden, verslaan, en zouden er bij hen [slechts enkele] zwaargewonde mannen overblijven, zij zouden opstaan, ieder in zijn tent, en deze stad met vuur verbranden.). Het leven herneemt voor een groot deel zijn gewone gang en zijn dwingen de vrijgelaten slaven weer hen te dienen.

Het voorschrift over de vrijlating van een slaaf heeft voor ons een geestelijke betekenis. Voor ons betekent het dat we onze broeder zijn ware geestelijke vrijheid laten zien en hem niet aan ons verplichten. Als een broeder ons iets schuldig is, moeten we hem zijn schuld kwijtschelden. Als we dat niet doen, houden we hem in zeker opzicht in slavernij. Dan zullen we getuchtigd worden. Het gaat erom hoe wij als broeders en zusters met elkaar omgaan, of wij ons aan elkaar onderwerpen en niet iemand aan ons.


De zonde van de natie

12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia van de HEERE: 13Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb een verbond gesloten met uw vaderen, op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, uit het slavenhuis, [en] zei: 14Na verloop van zeven jaar moet ieder zijn Hebreeuwse broeder die zich aan u verkocht heeft, laten gaan. Als hij u zes jaar gediend heeft, moet u hem vrij van u laten weggaan. Maar uw vaderen hebben niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd. 15Ú hebt zich heden [wel] bekeerd en gedaan wat recht is in Mijn ogen door ieder voor zijn naaste vrijlating af te kondigen, en u hebt [wel] een verbond gesloten voor Mijn aangezicht in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, 16maar u bent [er weer op] teruggekomen en hebt Mijn Naam ontheiligd. Ieder heeft zijn slaaf en ieder zijn slavin laten terugkomen, die u naar hun verlangen vrij had laten weggaan, en u hebt hen [weer] onderworpen om voor u tot slaven en tot slavinnen te zijn.

Dan komt het woord van de HEERE tot Jeremia (vers 1212Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia van de HEERE:). De HEERE roept bij het volk in herinnering dat Hij, “de HEERE, de God van Israël”, een verbond met hun vaderen heeft gesloten toen Hij hen uit Egypte, het slavenhuis, heeft geleid (vers 1313Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb een verbond gesloten met uw vaderen, op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, uit het slavenhuis, [en] zei:). Met nadruk wordt Egypte “het slavenhuis” genoemd. Toen heeft de HEERE bepaald dat een Hebreeuwse broeder die zich heeft moeten verkopen als slaaf, door zijn heer na zes jaar dienst vrij moet worden gelaten (vers 1414Na verloop van zeven jaar moet ieder zijn Hebreeuwse broeder die zich aan u verkocht heeft, laten gaan. Als hij u zes jaar gediend heeft, moet u hem vrij van u laten weggaan. Maar uw vaderen hebben niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd.; Ex 21:1-61Dit zijn de bepalingen die u hun moet voorhouden.2Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij [man] vertrekken.3Als hij alleen gekomen is, moet hij alleen vertrekken, [en] als hij getrouwd is, mag zijn vrouw met hem vertrekken.4Als zijn meester hem een vrouw gegeven heeft en zij zonen of dochters bij hem gebaard heeft, dan zal de vrouw met haar kinderen aan haar meester blijven toebehoren en moet hijzelf alleen vertrekken.5Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij [man] vertrekken,6dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen.).

Deze wet is gegeven vlak na hun uittocht uit Egypte, waar ze zelf een lange tijd als slaven hebben gediend. Ze weten dus wat het is om slaaf te zijn. Dan zou je zeggen dat ze een dergelijke wet van harte zouden uitvoeren. Maar de vaderen hebben niet geluisterd. De mens vergeet snel de ellende waarin hij is geweest als het hem goed gaat en is dan zelfs in staat om anderen uit te buiten.

Nu hebben de mensen tot wie Jeremia het woord richt wel naar dit gebod geluisterd (vers 1515Ú hebt zich heden [wel] bekeerd en gedaan wat recht is in Mijn ogen door ieder voor zijn naaste vrijlating af te kondigen, en u hebt [wel] een verbond gesloten voor Mijn aangezicht in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen,). De HEERE zegt zelfs dat zij zich hebben bekeerd en gedaan wat recht is in Zijn ogen. De vrijlating en het verbond hebben ze uitgevoerd. Dat prijst Hij. Wat Hij echter niet prijst, is dat zij op hun gesloten verbond zijn teruggekomen (vers 1616maar u bent [er weer op] teruggekomen en hebt Mijn Naam ontheiligd. Ieder heeft zijn slaaf en ieder zijn slavin laten terugkomen, die u naar hun verlangen vrij had laten weggaan, en u hebt hen [weer] onderworpen om voor u tot slaven en tot slavinnen te zijn.). Dat neemt Hij hen zeer kwalijk. Het is ook wel een groot onrecht en mensonwaardig om op een dergelijk besluit terug te komen. Het is een grote zonde tegen God én tegen de naaste. Zij hebben de slaven “naar hun verlangen vrij … laten weggaan”, maar hen daarna weer aan zich onderworpen om als slaven te dienen. Hierover is de HEERE terecht zeer vertoornd.


De vergelding van het verraad

17Daarom, zo zegt de HEERE: Ú hebt naar Mij niet geluisterd door vrijlating af te kondigen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, [dan] kondig Ik voor u een vrijlating af, spreekt de HEERE, voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik zal u tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken van de aarde. 18Ik zal de mannen die Mijn verbond hebben overtreden, die de woorden van het verbond dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, niet gestand hebben gedaan, maken [als] het kalf dat zij in tweeën hebben gesneden en tussen de stukken waarvan zij zijn doorgegaan, 19[namelijk] de vorsten van Juda, de vorsten van Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de hele bevolking van het land, die [allen] tussen de stukken van het kalf zijn doorgegaan. 20Ja, Ik zal hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hun dode lichamen zullen de vogels in de lucht en de dieren op de aarde tot voedsel zijn. 21Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten zal Ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan, te weten in de hand van het leger van de koning van Babel, dat [nu] bij u vandaan wegtrekt. 22Zie, Ik geef bevel, spreekt de HEERE, en Ik zal hen naar deze stad terugbrengen. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden. Ik zal van de steden van Juda een woestenij maken, zodat er geen inwoner [meer] zal zijn.

Er volgt een nieuwe uitspraak van de HEERE (vers 1717Daarom, zo zegt de HEERE: Ú hebt naar Mij niet geluisterd door vrijlating af te kondigen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, [dan] kondig Ik voor u een vrijlating af, spreekt de HEERE, voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik zal u tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken van de aarde.). Hij zal hen vanwege hun ongehoorzaamheid aan de wet van de vrijlating, als het ware vogelvrij verklaren voor het zwaard, de pest en de honger. Hij geeft deze dodelijke middelen de vrije hand. Die zullen een grondig werk doen, zodat ze tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde zullen worden.

De HEERE kent al de mannen die Zijn verbond hebben overtreden (vers 1818Ik zal de mannen die Mijn verbond hebben overtreden, die de woorden van het verbond dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, niet gestand hebben gedaan, maken [als] het kalf dat zij in tweeën hebben gesneden en tussen de stukken waarvan zij zijn doorgegaan,). Het zijn de mannen die een verbond hebben gesloten voor Zijn aangezicht en dat symbolisch hebben bekrachtigd door een kalf in tweeën te snijden en tussen de stukken door te gaan. Ze hebben het dus niet slechts in een opwelling gedaan, maar bewust en verplichtend. Wie het verbond overtreedt, zal het lot ondergaan van het kalf dat gedood is bij de verbondssluiting. Bij het verbond dat God met Abraham heeft gesloten, is alleen God tussen de stukken doorgegaan, Abraham niet (Gn 15:7-217Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heb, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.8Hij zei: Heere HEERE, waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen?9Hij zei tegen hem: Haal voor Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.10Hij haalde al deze [dieren] voor Hem, deelde ze doormidden en legde de stukken tegenover elkaar; de vogels deelde hij echter niet.11Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg die weg.12En het gebeurde, toen de zon bijna onderging, dat er een diepe slaap op Abram viel. En zie, een grote, schrikwekkende duisternis viel op hem.13Toen zei [God] tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.14Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.15Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden.16De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.17En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.18Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:19de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.). Dat verbond berust dan ook alleen op Gods toezeggingen, zonder enige verantwoordelijkheid van de kant van de mens.

Het betreft niet een klein en select gezelschap, maar het zijn mensen uit alle lagen van de bevolking, van hoog tot laag, die zo hebben gehandeld (vers 1919[namelijk] de vorsten van Juda, de vorsten van Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de hele bevolking van het land, die [allen] tussen de stukken van het kalf zijn doorgegaan.). Al deze overtreders zal de HEERE geven in de hand van hun vijanden, ook van vijanden die hen naar het leven staan (vers 2020Ja, Ik zal hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hun dode lichamen zullen de vogels in de lucht en de dieren op de aarde tot voedsel zijn.). De lichamen van hen die gedood worden, zullen voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde tot voedsel zijn. Die zullen niet worden weggejaagd, in tegenstelling tot wat Abraham heeft gedaan (Gn 15:1111Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg die weg.).

Tot Zedekia, de meest verantwoordelijke, komt nog een speciaal woord van de HEERE. Hij zal ook onder Gods oordeel vallen (vers 2121Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten zal Ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan, te weten in de hand van het leger van de koning van Babel, dat [nu] bij u vandaan wegtrekt.). Zedekia heeft eerst het bevel gegeven, maar is niet opgetreden tegen allen die er weer op zijn teruggekomen. Hij krijgt te horen dat hij zal vallen in de hand van de vijand, de koning van Babel. Het lijkt er weliswaar niet op dat de koning van Babel de stad zal innemen, want hij trekt nu net van Jeruzalem weg vanwege een aanval van de koning van Egypte (Jr 37:55[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.). Daardoor denken de inwoners van de stad dat het kwaad is geweken. Mogelijk daarom ook zijn ze teruggekomen op hun verbond tot vrijlating van de slaven.

De vijand is echter slechts tijdelijk weggetrokken (vers 2222Zie, Ik geef bevel, spreekt de HEERE, en Ik zal hen naar deze stad terugbrengen. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden. Ik zal van de steden van Juda een woestenij maken, zodat er geen inwoner [meer] zal zijn.). De HEERE spreekt dat Hij bevel zal geven en dat de vijand dan terug zal komen om tegen de stad te strijden. Dan wordt de stad ingenomen en met vuur verbrand. Ook de andere steden van Juda zullen verwoest worden, zodat zij tot een woestenij zullen zijn, zonder inwoners. De HEERE zegt dat Hij het zal doen, dus zal het gebeuren.


Lees verder