Jeremia
Inleiding 1-5 Omstandigheden van Jeremia 6-8 Aanbod om een akker te kopen 9-15 Jeremia koopt een akker 16-25 Jeremia's twijfels en gebed 26-35 Het antwoord van de HEERE 36-44 Beloften van herstel
Inleiding

Nu wordt Jeremia's geloof in de woorden van de HEERE over het herstel in Jeremia 30-31 op de proef gesteld. Dit hoofdstuk is belangrijk omdat het de werkelijkheid laat zien van het geloof van Jeremia in de beloften van de HEERE over het herstel van het volk.


Omstandigheden van Jeremia

1Het woord dat van de HEERE tot Jeremia gekomen is in het tiende [regerings]jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar. 2Het leger van de koning van Babel hield toen Jeruzalem belegerd, en de profeet Jeremia zat opgesloten op het binnenplein van de wacht die bij het huis van de koning van Juda ligt, 3waar Zedekia, de koning van Juda, hem had opgesloten [en] had gezegd: Waarom profeteert u: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven en hij zal haar innemen, 4en Zedekia, de koning van Juda, zal aan de hand van de Chaldeeën niet ontkomen, want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken en oog in oog met hem staan. 5Hij zal Zedekia naar Babel doen gaan. Daar zal hij blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, spreekt de HEERE. Wanneer u tegen de Chaldeeën strijdt, zult u niet voorspoedig zijn.

Deze verzen zijn een inleiding op een bijzondere gebeurtenis in het leven van Jeremia. Die gebeurtenis heeft betrekking op het kopen van een stuk land en bevat een prachtige illustratie van waarachtig geloof. De situatie ziet er op dat moment voor Jeremia allesbehalve rooskleurig uit. Deze gebeurtenis staat midden in het troostboek van Jeremia 30-33 en past er helemaal in.

Het woord van de HEERE komt tot Jeremia in het tiende regeringsjaar van Zedekia (vers 11Het woord dat van de HEERE tot Jeremia gekomen is in het tiende [regerings]jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar.). Zedekia heeft elf jaar geregeerd (2Kr 36:1111Zedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem.). In het elfde jaar verwoest Nebukadnezar Jeruzalem. Voordat het woord van de HEERE wordt gegeven – dat komt in vers 66Jeremia zei: Het woord van de HEERE kwam tot mij: –, horen we eerst van de omstandigheden van Jeremia. De situatie is heel beroerd. De Babyloniërs zijn tegen Jeruzalem opgetrokken en hebben de stad belegerd (vers 22Het leger van de koning van Babel hield toen Jeruzalem belegerd, en de profeet Jeremia zat opgesloten op het binnenplein van de wacht die bij het huis van de koning van Juda ligt,). In de gevangen stad zit Jeremia zelf ook nog eens opgesloten.

Zedekia heeft hem laten opsluiten, omdat hij constant zegt dat de HEERE de stad in de hand van de koning van Babel zal geven (vers 33waar Zedekia, de koning van Juda, hem had opgesloten [en] had gezegd: Waarom profeteert u: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven en hij zal haar innemen,). Zedekia zal ook gevangengenomen worden en voor de koning van Babel worden gebracht (vers 44en Zedekia, de koning van Juda, zal aan de hand van de Chaldeeën niet ontkomen, want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken en oog in oog met hem staan.). Daar zal hij blijven, totdat de HEERE het genoeg vindt en naar hem zal omzien (vers 55Hij zal Zedekia naar Babel doen gaan. Daar zal hij blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, spreekt de HEERE. Wanneer u tegen de Chaldeeën strijdt, zult u niet voorspoedig zijn.). Jeremia heeft opgeroepen om niet tegen de koning van Babel te strijden, maar zich aan hem over te geven. Dit alles houdt Zedekia aan Jeremia voor. Hij moet er als het ware maar eens goed over nadenken en mee ophouden. Dan zal hij weer vrijkomen.


Aanbod om een akker te kopen

6Jeremia zei: Het woord van de HEERE kwam tot mij: 7Zie, Hanameël, de zoon van uw oom Sallum zal naar u toe komen [en] zeggen: Koop voor uzelf mijn akker die in Anathoth is, want u hebt het recht van lossing om [hem] te kopen. 8Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam, overeenkomstig het woord van de HEERE, naar mij toe op het binnenplein van de wacht. Hij zei tegen mij: Koop toch mijn akker die in Anathoth is, dat in het land van Benjamin is, want u hebt het recht van bezit en u hebt [het recht van] lossing. Koop [hem] voor uzelf! Toen wist ik dat dit het woord van de HEERE was.

Terwijl Jeremia gevangenzit omdat Zedekia zijn dienst niet meer wil horen, komt het woord van de HEERE tot hem (vers 66Jeremia zei: Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Een gevangenis is voor de HEERE geen verhindering om Zijn woord aan Zijn profeet door te geven. Hij vertelt Jeremia dat hij bezoek zal krijgen van zijn neef Hanameël (vers 77Zie, Hanameël, de zoon van uw oom Sallum zal naar u toe komen [en] zeggen: Koop voor uzelf mijn akker die in Anathoth is, want u hebt het recht van lossing om [hem] te kopen.). Zijn neef zal hem vragen zijn akker te kopen, omdat hij het recht van lossing heeft (Lv 25:23-2823Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.24In heel het land dat u bezit, moet u de loskoping van het land toestaan.25Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht.26En wanneer iemand geen losser heeft en zijn vermogen toereikend is, zodat hij over voldoende [middelen] beschikt voor zijn loskoping,27dan moet hij de jaren berekenen dat het verkocht is geweest, en het verschil vergoeden aan de man aan wie hij het verkocht had. Dan zal hij naar zijn bezit terugkeren.28Maar als hij over onvoldoende middelen beschikt om hem te vergoeden, dan blijft het verkochte in handen van de koper ervan, tot het jubeljaar toe. Maar in het jubeljaar komt het vrij en keert hij terug naar zijn bezit.; Ru 4:1-61Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.3Toen zei hij tegen de losser: Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht.4En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zei: Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden.6Toen zei de losser: Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan [het] niet lossen.). De vijand heeft het hele land, inclusief Anathoth, al in bezit. Alleen Jeruzalem moet nog ingenomen worden. Dat de vijand Anathoth al in handen heeft, maakt het verzoek om het land te kopen opmerkelijk.

Zoals de HEERE heeft gezegd, gebeurt het. Hanameël komt bij Jeremia in zijn gevangenschap en doet hem het aanbod zijn akker te kopen (vers 88Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam, overeenkomstig het woord van de HEERE, naar mij toe op het binnenplein van de wacht. Hij zei tegen mij: Koop toch mijn akker die in Anathoth is, dat in het land van Benjamin is, want u hebt het recht van bezit en u hebt [het recht van] lossing. Koop [hem] voor uzelf! Toen wist ik dat dit het woord van de HEERE was.). Hij vertelt erbij waar de akker ligt en waarom Jeremia de akker te koop wordt aangeboden. Jeremia erkent in wat er gebeurt de hand van de HEERE.

Dat is een opmerkelijke boodschap. Het is geen opdracht, want we lezen niet dat de HEERE tegen Jeremia zegt dat hij die akker moet kopen. Alle omstandigheden wijzen erop dat het kopen van een stuk land een dwaze investering is. De vijand ligt voor de stad en die wordt binnenkort verwoest. Anathoth is al in handen van de vijand. Jeremia zelf zit in de gevangenis. Wat moet je in zo’n situatie en met zo’n vooruitzicht nu met de aankoop van een stuk land?

Het is echter geen dwaze investering als je gelooft dat de HEERE herstel zal geven. Het is dan juist een getuigenis van het geloof. Jeremia heeft ook over dat herstel gesproken en niet alleen over de wegvoering en verwoesting. De simpele koop van een akker wordt door de omstandigheden een geloofsdaad.


Jeremia koopt een akker

9Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker die in Anathoth is. Ik woog voor hem het geld af, zeventien sikkel zilver. 10Ik ondertekende de [koop]brief en verzegelde [die], en liet [door] getuigen bevestigen dat ik het geld op een weegschaal had afgewogen. 11Ik nam de koopbrief, die [volgens] het gebod en de verordeningen verzegeld was en de opengelaten [brief], 12en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten. 13Ik gaf Baruch voor hun ogen [deze] opdracht [en] zei: 14Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief – de verzegelde en deze opengelaten brief – en doe ze in een aarden pot, zodat ze vele dagen in goede staat blijven. 15Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.

Jeremia, die door het bezoek en het aanbod van zijn neef het woord van de HEERE herkent, koopt de akker (vers 99Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker die in Anathoth is. Ik woog voor hem het geld af, zeventien sikkel zilver.). Hij betaalt de afgewogen prijs ervoor. Hoewel Jeremia gevangenzit, heeft hij blijkbaar wel een bepaalde vrijheid van handelen. Het bedrag is niet hoog. Dat zal te maken hebben met de situatie van dat moment.

De transactie wordt in een koopbrief vastgelegd die door Jeremia wordt ondertekend (vers 1010Ik ondertekende de [koop]brief en verzegelde [die], en liet [door] getuigen bevestigen dat ik het geld op een weegschaal had afgewogen.). Daarna verzegelt hij de brief en laat getuigen bevestigen dat hij het juiste bedrag heeft betaald. De koopakte bestaat uit twee brieven: een verzegelde en een open brief (vers 1111Ik nam de koopbrief, die [volgens] het gebod en de verordeningen verzegeld was en de opengelaten [brief],). De verzegelde brief geeft zekerheid, de open brief kan door iedereen worden ingezien om te bewijzen dat er geheel volgens afspraak is gehandeld.

De verzegeling is wettelijk geregeld. Jeremia geeft beide brieven aan Baruch. Alles gebeurt met de grootste openheid (vers 1212en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.). Alles is doorzichtig en door iedereen waar te nemen. Er is geen enkele verdenking mogelijk dat er iets gebeurt met verborgen bedoelingen. Tegelijk ook is het een overduidelijk getuigenis van het geloof. Jeremia koopt een stuk land ook als bewijs van zijn vertrouwen in de HEERE dat Hij ook herstel zal geven.

Als Jeremia de brieven aan Baruch overhandigt, geeft hij er een opdracht bij (vers 1313Ik gaf Baruch voor hun ogen [deze] opdracht [en] zei:). Baruch moet de verzegelde en de opengelaten brief in een aarden pot doen (vers 1414Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief – de verzegelde en deze opengelaten brief – en doe ze in een aarden pot, zodat ze vele dagen in goede staat blijven.). Jeremia geeft hem die opdracht in de Naam van “de HEERE van de legermachten, de God van Israël”. De macht van God en dat Hij de God van Zijn volk is, zijn voor het geloof de garantie van Zijn beloften (vgl. Jr 27:44U moet hun gebieden tegen hun heren te zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen uw heren:). Ze moeten in een aarden pot worden gedaan, om beide brieven lange tijd te bewaren en opdat ze na die lange tijd nog goed leesbaar zullen zijn. Als ze na lange tijd tevoorschijn worden gehaald, zal blijken dat de opengelaten brief en de verzegelde brief dezelfde inhoud hebben. De koop zal nog volledig van kracht zijn.

Dat ze tevoorschijn gehaald zullen worden, is zeker. De HEERE van de legermachten, de God van Israël zegt namelijk dat er een tijd komt dat er weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht zullen worden in dit land (vers 1515Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.). De koop van Jeremia is een koop in geloof. Hij doet in geloof wat straks voor het hele land mogelijk zal zijn.

Wat er met Jeremia gebeurt, is een beeld van wat met Christus gebeurt. Christus is niet alleen in de gevangenis geweest, maar heeft de akker, de wereld, met Zijn bloed gekocht (Op 5:1-131En ik zag op de rechterhand van Hem Die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.2En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?3En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien.4En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.5En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.6En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.7En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.11En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,12en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.13En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.). We zien Hem de zegels met het eigendomsrecht op de wereld verbreken, omdat Hij de rechtmatige Eigenaar is (Op 6:1-171En ik zag, toen het Lam een van de zeven zegels opende, en ik hoorde een van de levende wezens zeggen als een stem van een donderslag: Kom!2En ik zag en zie, een wit paard, en hij die erop zat had een boog, en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit overwinnend en om te overwinnen.3En toen het [Lam] het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede levende wezen zeggen: Kom!4En een ander paard, vuurrood, trok uit; en hem die erop zat werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen en [te maken] dat zij elkaar zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.5En toen het [Lam] het derde zegel opende, hoorde ik het derde levende wezen zeggen: Kom! En ik zag en zie, een zwart paard, en hij die erop zat had een weegschaal in zijn hand.6En ik hoorde als een stem in [het] midden van de vier levende wezens zeggen: Een rantsoen tarwe voor een denaar en drie rantsoenen gerst voor een denaar; en breng geen schade toe aan de olie en de wijn.7En toen het [Lam] het vierde zegel opende, hoorde ik [de] stem van het vierde levende wezen zeggen: Kom!8En ik zag en zie, een bleekgroen paard, en hij die erop zat, zijn naam was <de> dood, en de hades volgde hem; en hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met [het] zwaard en met honger en met [de] dood en door de wilde dieren van de aarde.9En toen het [Lam] het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het Woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.10En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?11En aan ieder van hen werd een lang wit kleed gegeven; en hun werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook hun medeslaven en hun broeders die gedood zouden worden evenals zij, voltallig zouden zijn.12En ik zag, toen het [Lam] het zesde zegel opende, en er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak en de hele maan werd als bloed,13en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind geschud wordt.14En de hemel week terug als een boek dat wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werden van hun plaatsen gerukt.15En de koningen van de aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de sterken en elke slaaf en vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen;16en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor [het] aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam;17want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?). Dan komt Hij om Zijn erfenis op te eisen en alle gelovigen mogen daarbij zijn (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.).


Jeremia's twijfels en gebed

16Ik bad tot de HEERE, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, had gegeven: 17Ach, Heere HEERE! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk. 18U, Die goedertierenheid bewijst aan duizenden, Die de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen, U, grote, machtige God – HEERE van de legermachten is Zijn Naam – 19groot van raad en machtig van daad (want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om eenieder te geven overeenkomstig zijn wegen en overeenkomstig de vrucht van zijn daden), 20U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder [de andere] mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is. 21U leidde Uw volk Israël uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden. 22U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had hun te zullen geven, een land dat overvloeit van melk en honing. 23Zij kwamen en namen het in bezit, maar zij hebben niet geluisterd naar Uw stem en hebben niet volgens Uw wet gewandeld. Alles wat U hun geboden had om te doen, hebben zij niet gedaan. Daarom hebt U al dit onheil over hen doen afroepen. 24Zie de belegeringsdammen! Zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen, en de stad is, vanwege het zwaard, de honger en de pest, in de hand van de Chaldeeën gegeven, die tegen haar strijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd. En zie, U ziet [het]. 25Toch hebt U Zelf tegen mij gezegd, Heere HEERE: Koop voor uzelf die akker voor geld en laat [het door] getuigen bevestigen. De stad is echter in de hand van de Chaldeeën gegeven.

Als de koop is gesloten, wordt Jeremia door vertwijfeling overvallen en bidt hij tot de HEERE (vers 1616Ik bad tot de HEERE, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, had gegeven:). Hij meldt zijn twijfels niet aan mensen, maar doet het enig juiste. Hij richt zich tot de Heere HEERE, Adonai Jahweh, dat is de soevereine Heerser, Adonai, en de God van het verbond met Zijn volk, Jahweh (vers 1717Ach, Heere HEERE! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk.). Hij denkt eraan Wie de HEERE is. Hij is de Schepper van hemel en aarde, die Hij door Zijn grote kracht en Zijn uitgestrekte arm heeft gemaakt. Voor die grote, almachtige Schepper is niets te wonderlijk. Die Schepper bewijst Zich zowel in goedertierenheid als in vergelding van ongerechtigheid aan de mensen (vers 1818U, Die goedertierenheid bewijst aan duizenden, Die de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen, U, grote, machtige God – HEERE van de legermachten is Zijn Naam –). Ook in die handelingen bewijst Hij de “grote, machtige God” te zijn.

Die God is “groot van raad en machtig van daad”, juist in Zijn wegen met de mensen om daarbij aan ieder te geven wat hem toekomt als gevolg van zijn daden (vers 1919groot van raad en machtig van daad (want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om eenieder te geven overeenkomstig zijn wegen en overeenkomstig de vrucht van zijn daden),). Hij is geen onbewogen toeschouwer van alles wat de mensen doen. Vaak denken wij dat wel, maar dat komt door onze beperkte blik. Dat Hij begaan is met wat op aarde gebeurt en in het bijzonder met de Zijnen, heeft Hij laten zien in de tekenen en wonderen die Hij heeft verricht in Egypte, bij de bevrijding van Zijn volk daaruit (vers 2020U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder [de andere] mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is.). Hij heeft het ook laten zien in Israël en aan alle mensen op aarde, zoals dat op dat moment ook zichtbaar is geweest.

Met Zijn volk is Hij een speciale weg gegaan. Hij heeft Zich steeds aan Zijn volk bewezen als de God Die voor hen bezig is vanaf dat Hij hen uit Egypte heeft geleid (vers 2121U leidde Uw volk Israël uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden.). Hij heeft hen gebracht in het land dat Hij hun vaderen gezworen heeft hun te zullen geven, het goede land dat overvloeit van melk en honing (vers 2222U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had hun te zullen geven, een land dat overvloeit van melk en honing.). Kort vat Jeremia samen: “Ze kwamen en namen het in bezit” (vers 2323Zij kwamen en namen het in bezit, maar zij hebben niet geluisterd naar Uw stem en hebben niet volgens Uw wet gewandeld. Alles wat U hun geboden had om te doen, hebben zij niet gedaan. Daarom hebt U al dit onheil over hen doen afroepen.). Direct voegt hij eraan toe hoe ze zich daarin hebben gedragen. Ze hebben niet gedaan wat de HEERE heeft gezegd en daarom heeft Hij al dit onheil dat ze nu beleven over hen laten komen (Ne 9:22-3522U hebt hun koninkrijken en volken gegeven en U hebt die [hun] toebedeeld als rand[gebied]: zij hebben het land van Sihon, te weten het land van de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan, in bezit gekregen.23Hun kinderen hebt U talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. U hebt hen naar het land gebracht waarvan U tegen hun vaderen had gezegd dat zij [het] binnen zouden gaan om het in bezit te nemen.24[Hun] kinderen zijn het binnengegaan en hebben het land in bezit genomen. En U hebt de bewoners van het land, de Kanaänieten, vóór hen onderworpen en U hebt die in hun hand gegeven, [samen] met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen naar hun goeddunken.25Zij hebben versterkte steden en vruchtbare grond ingenomen en hebben huizen in bezit genomen die vol zijn van alle goeds, uitgehakte waterputten, wijngaarden, olijfbomen en vruchtbomen in overvloed. Zij hebben gegeten en zijn verzadigd en welvarend geworden en hebben als in een lusthof geleefd door Uw grote goedheid.26Zij zijn echter ongehoorzaam geworden en zijn tegen U in opstand gekomen, en zij hebben Uw wet verworpen en Uw profeten gedood, die bij hen hebben getuigd om hen tot U te doen terugkeren. Zo hebben zij grote [gods]lasteringen gepleegd.27U hebt hen overgegeven in de hand van hun tegenstanders en die hebben hen benauwd. Maar als zij ten tijde van hun benauwdheid tot U riepen, hoorde U [hen] vanuit de hemel en gaf U hun, overeenkomstig Uw grote barmhartigheid, verlossers, die hen uit de hand van hun tegenstanders verlosten.28Maar als zij rust gekregen hadden, deden zij opnieuw wat kwaad is voor Uw aangezicht. Dan gaf U hen [weer] over in de hand van hun vijanden en die heersten [dan weer] over hen. Als zij zich dan bekeerden en tot U riepen, hoorde U vanuit de hemel en redde hen vele malen, overeenkomstig Uw barmhartigheid.29U hebt hen gewaarschuwd om hen te doen terugkeren naar Uw wet, maar zíj hebben overmoedig gehandeld. Ze hebben niet naar Uw geboden geluisterd, maar hebben gezondigd tegen Uw bepalingen, waardoor een mens die ze houdt, leven zal. Zij zetten [hun] schouder [er] dwars [tegenin], zij waren halsstarrig en luisterden niet.30Vele jaren bent U geduldig geweest ten opzichte van hen, en hebt U hen door Uw Geest gewaarschuwd, door de dienst van Uw profeten, maar zij namen het niet ter ore. Toen hebt U hen in de hand van de volken van de landen overgegeven.31Door Uw grote barmhartigheid hebt U hen niet vernietigd en hebt U hen niet verlaten, want U bent een genadig en barmhartig God.32Welnu, onze God, o grote, geweldige en ontzagwekkende God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt, laat al de moeite die ons heeft getroffen niet gering zijn voor Uw aangezicht: onze koningen, onze vorsten, onze priesters, onze profeten, en onze vaderen, heel Uw volk, vanaf de dagen van de koningen van Assyrië tot op deze dag.33U bent echter rechtvaardig geweest in alles wat ons overkomen is. Want U hebt getrouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld.34Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaderen hebben Uw wet niet gehouden en zij hebben geen acht geslagen op Uw geboden en op Uw getuigenissen, die U hun gegeven hebt.35Zij hebben U in hun koninkrijk niet gediend, ondanks Uw vele kostbaarheden, die U hun had gegeven, en ondanks het uitgestrekte en vruchtbare land dat U aan hen overgegeven had, en zij hebben zich niet bekeerd van hun slechte daden.).

Jeremia richt met de uitroep “zie de belegeringsdammen!” de aandacht van de HEERE op de actuele situatie (vers 2424Zie de belegeringsdammen! Zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen, en de stad is, vanwege het zwaard, de honger en de pest, in de hand van de Chaldeeën gegeven, die tegen haar strijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd. En zie, U ziet [het].). Tegelijk rechtvaardigt hij de HEERE. Er gebeurt wat Hij heeft gezegd. De HEERE ziet het immers Zelf.

Dan komt zijn vertwijfelde vraag die steeds op de achtergrond speelt bij alles wat hij hiervoor over de HEERE en Zijn volk heeft gezegd. Hoe kan het toch, als de situatie zo hopeloos is door de ontrouw van het volk, dat hij een bepaalde akker heeft moeten kopen met getuigen daarbij (vers 2525Toch hebt U Zelf tegen mij gezegd, Heere HEERE: Koop voor uzelf die akker voor geld en laat [het door] getuigen bevestigen. De stad is echter in de hand van de Chaldeeën gegeven.)? De HEERE ziet toch wel dat die koop geen zin lijkt te hebben omdat de stad in handen van de Chaldeeën is gegeven?


Het antwoord van de HEERE

26Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia: 27Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees. Zou ook maar iets voor Mij te wonderlijk zijn? 28Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, geven en hij zal haar innemen. 29En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen komen en deze stad met vuur aansteken en haar verbranden, mét de huizen waarvan men op de daken reukoffers heeft gebracht aan de Baäl en plengoffers heeft uitgegoten voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekten. 30Want de Israëlieten en de Judeeërs hebben vanaf hun jeugd alleen gedaan wat kwaad was in Mijn ogen. Ja, de Israëlieten hebben Mij alleen [maar] tot toorn verwekt door het werk van hun handen, spreekt de HEERE. 31Want deze stad is Mij tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid geweest, vanaf de dag dat zij haar gebouwd hebben tot op deze dag, zodat Ik haar moet wegdoen van voor Mijn aangezicht, 32vanwege al het kwaad van de Israëlieten en de Judeeërs, dat zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. 33Zij keerden Mij de nek toe en niet het gezicht, hoewel Ik hen vroeg en laat onderwees. Zij luisterden echter niet en aanvaardden de vermaningen niet. 34Zij zetten hun afschuwelijke [afgoden] in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen. 35Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.

Dan komt het antwoord van de HEERE aan Jeremia (vers 2626Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:). Het is een antwoord waarin we moeten leren rusten. Hij is de HEERE, “de God van alle vlees” (vers 2727Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees. Zou ook maar iets voor Mij te wonderlijk zijn?), dat wil zeggen niet alleen van Zijn volk Israël, maar van alle sterfelijke en beperkte mensen. Hij is ver boven hen verheven. Al Zijn voornemens zal Hij uitvoeren, hoe de situatie waarin Zijn volk, toen of nu, zich bevindt dat ook lijkt te logenstraffen. Voor Hem is niets te wonderlijk, een woord dat de HEERE duizend jaar eerder ook tegen Abraham heeft gezegd in verband met de geboorte van een zoon, terwijl hij en Sara menselijkerwijs te oud zijn om nog kinderen te krijgen (Gn 18:1414Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!).

De stad zal worden ingenomen door de Babyloniërs (vers 2828Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, geven en hij zal haar innemen.). Dat is de actuele situatie. Dat doet de HEERE op grond van Zijn Woord, omdat Zijn volk Hem ontrouw is geweest. De vijanden zullen niets van de stad overlaten (vers 2929En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen komen en deze stad met vuur aansteken en haar verbranden, mét de huizen waarvan men op de daken reukoffers heeft gebracht aan de Baäl en plengoffers heeft uitgegoten voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekten.). Ze zullen de stad verbranden en ook de huizen, omdat veel huizen verworden zijn tot afgodenaltaren, waar men offers brengt aan de Baäl en andere goden. De HEERE is daarom toornig op de stad geworden.

Hun gedrag is niet plotseling veranderd. Ze hebben vanaf hun jeugd, vanaf hun prille bestaan als natie, gedaan wat kwaad is in Zijn ogen (vers 3030Want de Israëlieten en de Judeeërs hebben vanaf hun jeugd alleen gedaan wat kwaad was in Mijn ogen. Ja, de Israëlieten hebben Mij alleen [maar] tot toorn verwekt door het werk van hun handen, spreekt de HEERE.). Er is nauwelijks een tijd geweest dat de stad heeft beantwoord aan Zijn doel (vers 3131Want deze stad is Mij tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid geweest, vanaf de dag dat zij haar gebouwd hebben tot op deze dag, zodat Ik haar moet wegdoen van voor Mijn aangezicht,). Het is opmerkelijk hoelang de HEERE de stad heeft verdragen. Maar de tijd van verdraagzaamheid heeft een einde. Hij moet de stad nu wegdoen van voor Zijn ogen. De hele bevolking van de stad heeft het ernaar gemaakt (vers 3232vanwege al het kwaad van de Israëlieten en de Judeeërs, dat zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.).

De HEERE heeft hen telkens, vroeg en laat, de hele dag door, onderwezen over Zijn wil, maar ze hebben Hem de nek en niet het gezicht toegekeerd (vers 3333Zij keerden Mij de nek toe en niet het gezicht, hoewel Ik hen vroeg en laat onderwees. Zij luisterden echter niet en aanvaardden de vermaningen niet.). Deze ondankbaarheid kunnen ook wij ervaren van hen aan wie we goed hebben gedaan en voor wie we het goede hebben gezocht.

In plaats van zich te bekeren hebben ze hun goddeloosheid ten top gevoerd door in Zijn huis afschuwelijke afgoden neer te zetten (vers 3434Zij zetten hun afschuwelijke [afgoden] in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen.). Daardoor hebben ze het huis van Zijn Naam verontreinigd. Ook daarbuiten kennen de gruwelijkheden geen einde (vers 3535Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.). Ze offeren hun kinderen aan de Moloch, de god van de Ammonieten. Dat heeft God hun niet geboden, het staat nergens in de wet, er is zelfs geen gedachte daaraan in Zijn hart opgekomen. Zulke walgelijke daden zijn Hem volkomen vreemd en Hij zet mensen er ook niet toe aan (Jk 1:1313Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.). Afgoderij in welke vorm ook en zonden in welke uiting ook komen niet van Hem. Hij is niet de Auteur van de zonde.


Beloften van herstel

36Welnu, daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van deze stad, waar u van zegt: Zij is door het zwaard, door de honger en door de pest in de hand van de koning van Babel gegeven: 37Zie, Ik ga hen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen in Mijn toorn, in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en Ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen. 38Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn. 39Ik zal hun één hart en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun kinderen na hen. 40Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken. 41Ik zal Mij over hen verblijden en hun goeddoen. En Ik zal hen in getrouwheid in dit land planten, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel. 42Want zo zegt de HEERE: Zoals Ik al dit grote onheil over dit volk gebracht heb, zo zal Ik [ook] al het goede over hen brengen dat Ik over hen uitspreek. 43Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is een woestenij, zodat er geen mens en geen dier [meer] is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven. 44Men zal akkers kopen voor geld, de [koop]brieven ondertekenen en verzegelen, en [die door] getuigen laten bevestigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, in de steden van het Bergland, in de steden van het Laagland, en in de steden van het Zuiderland. Ik zal namelijk een omkeer brengen in hun gevangenschap, spreekt de HEERE.

De HEERE heeft nu nog een woord van vertroosting voor Jeremia en voor iedere Godvrezende (vers 3636Welnu, daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van deze stad, waar u van zegt: Zij is door het zwaard, door de honger en door de pest in de hand van de koning van Babel gegeven:). Hij stelt Zich weer voor als “de HEERE, de God van Israël”, ondanks de omstandigheden waarin Zijn volk zich bevindt. De stad wordt onder vreselijke omstandigheden gegeven in de hand van de koning van Babel. Dat zegt Jeremia terecht. Dan komt het troostwoord, de belofte (vers 3737Zie, Ik ga hen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen in Mijn toorn, in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en Ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen.). De “toorn”, “grimmigheid” en “grote verbolgenheid” van de HEERE waarop Hij tegelijk ook wijst, geven in hun combinatie wel aan hoezeer de straf verdiend is.

Maar de tuchtiging kent een einde en het volk kent een herstel. God zal Zijn getuchtigd volk dat Hij verdreven en verstrooid heeft, weer terugbrengen naar Jeruzalem en daar onbezorgd, zonder vrees voor vijanden en in vrede en welvaart doen wonen. Zij zullen Zijn volk zijn en Hij hun God (vers 3838Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn.).

Hun hart zal niet meer gedeeld zijn, maar onverdeeld op Hem gericht zijn (vers 3939Ik zal hun één hart en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun kinderen na hen.). Ze krijgen een nieuw hart (Ez 36:2626Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.), waardoor ze ook één weg zullen gaan, Zijn weg. Van die weg zullen ze niet afdwalen om weer op eigen wegen te gaan. Er is vrees voor Hem in hen en ook in hun kinderen. Die vrees zal een weldaad voor hen zijn. Het vrezen van de HEERE brengt het goede over een volk.

De HEERE sluit een eeuwig verbond met hen (vers 4040Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.). Hij stelt Zich daarbij garant voor de vervulling ervan. Hij belooft dat Hij Zich niet meer van hen zal afwenden en hun zal goeddoen. Hij hoeft Zich ook niet meer van hen af te wenden, want Hij zal Zijn vrees in hun hart geven, zodat zij niet meer van Hem afwijken. God verandert nooit. Het probleem is altijd het dwaalzieke hart van de mens. Dat probleem is dan opgelost. Er is volkomen harmonie tussen de verlangens van God en die van Zijn volk. Dat zal de HEERE verblijden en Hij zal hun goeddoen (vers 4141Ik zal Mij over hen verblijden en hun goeddoen. En Ik zal hen in getrouwheid in dit land planten, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel.).

Hij zal alles voor Zijn volk, dat Hem dan trouw zal zijn, ten goede doen keren “met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel”. Dit is een unieke uitdrukking die laat horen dat de HEERE als het ware in verrukking spreekt over Zijn voornemen Zijn volk in hun land te planten.

Het is Gods grootst mogelijke vreugde ook vandaag een herstel te geven onder Zijn volk als Hij berouw ziet. Dan wil Hij weer het genot van de zegeningen van het land geven, zegeningen verbonden met een verheerlijkte Heer. Terugkeer naar het land betekent ook terugkeer naar Gods altaar en Gods huis.

De HEERE zal het goede over Zijn volk brengen, net zoals Hij het onheil over Zijn volk heeft gebracht op grond van Zijn Woord (vers 4242Want zo zegt de HEERE: Zoals Ik al dit grote onheil over dit volk gebracht heb, zo zal Ik [ook] al het goede over hen brengen dat Ik over hen uitspreek.). Hij heeft het uitgesproken en wat Hij zegt, maakt Hij waar. Zijn Woord is een woord dat kracht heeft. Dat maakt alles vast en zeker.

Als het volk is teruggekeerd uit de ballingschap, zullen er weer akkers gekocht worden, zoals Jeremia dat nu al in het geloof heeft gedaan (vers 4343Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is een woestenij, zodat er geen mens en geen dier [meer] is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.). Het zal nog lang duren, nog zeventig jaar, maar de terugkeer komt. Dan is de hele ballingschap vergeten. Voor Jeremia zal de inlossing ervan in het vrederijk gebeuren. Wat hij heeft verworven, verliest hij niet.

Alle bezitters van akkers zullen dan in het bezit worden gesteld van hun eigendom (vers 4444Men zal akkers kopen voor geld, de [koop]brieven ondertekenen en verzegelen, en [die door] getuigen laten bevestigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, in de steden van het Bergland, in de steden van het Laagland, en in de steden van het Zuiderland. Ik zal namelijk een omkeer brengen in hun gevangenschap, spreekt de HEERE.). Ieder zal het recht erop kunnen aantonen. Het is een recht dat hun is verleend door de HEERE die aan elke stam van Zijn volk een deel in het land heeft gegeven. Ze kunnen erop rekenen dat het zal gebeuren, want de HEERE heeft gezegd dat Hij een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Zijn volk.


Lees verder