Jeremia
Inleiding 1-6 Gods barmhartigheid voor Efraïm 7-14 De vreugde is terug in Israël 15-22 Israëls beklagenswaardige heden 23-26 Juda’s schitterende toekomst 27-30 Overvloed onder de Messias 31-34 Een nieuw verbond 35-40 Israël blijft voor eeuwig
Inleiding

In het vorige hoofdstuk is het herstel van Juda voorzegd. In dit hoofdstuk wordt dat van Israël voorzegd. De boodschappen van hoop en herstel lopen door tot Jeremia 33. De hoofdthema's in dit hoofdstuk zijn het herstel van Gods volk en het nieuwe verbond.


Gods barmhartigheid voor Efraïm

1In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
2Zo zegt de HEERE:
Het volk dat aan het zwaard ontkomen was,
heeft genade gevonden in de woestijn,
toen [Ik op weg] ging om hem, Israël, tot rust te brengen.
3Van verre [tijden] af is de HEERE aan mij verschenen:
[Met] eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,
daarom heb Ik u getrokken [met] goedertierenheid.
4Ik zal u weer bouwen en u zult gebouwd worden,
maagd Israël.
Opnieuw zult u zich tooien met uw tamboerijnen,
opnieuw zult u uittrekken in een reidans van vrolijke [mensen].
5Opnieuw zult u wijngaarden planten
op de bergen van Samaria:
de planters zullen planten en de vruchten genieten.
6Want er zal een dag zijn dat de wachters zullen roepen
op het bergland van Efraïm:
Sta op, laten wij opgaan [naar] Sion,
naar de HEERE, onze God!

“In die tijd” (vers 11In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
)
is weer de bekende uitdrukking voor de eindtijd (vgl. Jr 30:2424De brandende toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat begrijpen.
)
. Dan zal de HEERE de God van Zijn volk zijn dat hier voorgesteld wordt als “al de geslachten van Israël”, dat zijn de twaalf stammen en niet alleen Juda. Dat heeft betrekking op al de geslachten door de tijden heen, maar ook op al de geslachten op dat moment. God zal hen dan met vreugde als Zijn volk erkennen. Zij zullen dan op Hem gericht zijn en geen andere goden meer dienen.

Het volk dat er dan zal zijn, is een volk dat door genade bewaard is (vers 22Zo zegt de HEERE:
Het volk dat aan het zwaard ontkomen was,
heeft genade gevonden in de woestijn,
toen [Ik op weg] ging om hem, Israël, tot rust te brengen.
)
. Velen van hen zijn door het zwaard van de Assyriërs en de Babyloniërs gevallen. Maar er zijn er ook die daaraan zijn ontkomen. Dat heeft de genade gewerkt. Zij hebben allen hetzelfde oordeel verdiend. Zij hebben genade gevonden in de woestijn van hun ballingschap (Jr 16:14-1514Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,15maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.; 23:7-87Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,8maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.).

De reden van Zijn genade is Zijn eeuwige liefde (vers 33Van verre [tijden] af is de HEERE aan mij verschenen:
[Met] eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,
daarom heb Ik u getrokken [met] goedertierenheid.
; Hs 11:44Ik trok hen met menselijke touwen,
met koorden van liefde.
Ik was voor hen als zij die het juk
[van] op hun kaken omhoogtillen,
en Ik reikte hem voer toe.
; 14:11Samaria zal schuldig staan,
omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.
Door het zwaard zullen zij vallen,
hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
en hun zwangere vrouwen opengereten.
; Zf 3:1717De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
)
. De gelovige ziet die al van verre tijden af, want de HEERE laat dat aan Zijn uitverkorenen zien. Vanwege die eeuwige liefde heeft Hij Zijn volk “getrokken met goedertierenheid”. We zien hoe God Zich uit in genade, liefde en goedertierenheid. Voor het volk is dat een eerste keer bij de Sinaï gebeurd. Daar is de band tussen God en Zijn volk begonnen (Jr 2:1-31Het woord van de HEERE kwam tot mij:
2Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
3Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
)
.

In Zijn liefde zal Hij Zijn volk weer bouwen en zullen ze gebouwd worden (vers 44Ik zal u weer bouwen en u zult gebouwd worden,
maagd Israël.
Opnieuw zult u zich tooien met uw tamboerijnen,
opnieuw zult u uittrekken in een reidans van vrolijke [mensen].
)
. Hij doet het en zij zullen het beleven. Hij maakt Zijn belofte waar. Dat doet Hij aan de “maagd Israël”. Zij zullen als een nieuw volk zijn dat in een onbesmette relatie tot Hem staat en Hem trouw is. Van eerdere ontrouw is geen sprake. Hij begint de geschiedenis opnieuw, als het ware met een nieuwe uittocht onder muziek en gezang zoals destijds, toen ze uit Egypte wegtrokken. “Tamboerijnen” en “reidans” zijn kenmerkend voor tijden van vreugde (vgl. Ex 15:2020Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.). Deze vreugde-uitingen staan tegenover het verdriet van de ballingschap (Ps 137:11Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.
)
.

De condities waaronder dat nieuwe Israël zal worden gebouwd, zijn die van muziek en dans. Er is vrolijkheid alom. Het is als de thuiskomst van de verloren zoon (Lk 15:25-2725Nu was zijn oudste zoon op [het] veld; en toen hij terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans;26en hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat kon zijn.27Deze nu zei tot hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond heeft teruggekregen.). Ze zullen zich “opnieuw” omgeven met muziek en “opnieuw” hun vreugde uiten. Die tijd is ook een tijd van hernieuwde welvaart. “Opnieuw” zullen ze het land beplanten met vruchten die spreken van vreugde, “wijngaarden”, en de vrucht ervan zullen ze zelf genieten (vers 55Opnieuw zult u wijngaarden planten
op de bergen van Samaria:
de planters zullen planten en de vruchten genieten.
)
.

Die tijd is de tijd van het herstel van de eenheid van het volk. Wat de wachters roepen, bewijst dat de breuk in het rijk, die vele eeuwen heeft geduurd, geheeld is (vers 66Want er zal een dag zijn dat de wachters zullen roepen
op het bergland van Efraïm:
Sta op, laten wij opgaan [naar] Sion,
naar de HEERE, onze God!
)
. De wachters staan in Efraïm, het tienstammenrijk, en roepen op om naar Sion in het tweestammenrijk te gaan. Want daar is “de HEERE, onze God”. Van enige jaloersheid tussen de beide rijken is dan geen sprake meer.


De vreugde is terug in Israël

7Want zo zegt de HEERE:
Zing vrolijk over Jakob, [met] blijdschap!
Juich om het hoofd van de heidenvolken!
Laat het horen, prijs [Hem] en zeg:
Verlos Uw volk, HEERE,
het overblijfsel van Israël.
8Zie, Ik doe hen komen
uit het land van het noorden,
Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;
onder hen zijn blinden en verlamden,
zwangeren en barenden met elkaar:
[met] een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.
9Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
10Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
11Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht,
en hem verlost uit de hand van hem die sterker was dan hij.
12Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion,
zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE:
naar het koren, naar de nieuwe wijn en naar de olie,
naar de lammeren en runderen.
Hun ziel zal zijn als een bevloeide hof,
zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
13Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,
ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.
Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,
Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.
14Ik zal de ziel van de priesters verzadigen [met] overvloed,
Mijn volk zal met het goede van Mij verzadigd worden,
spreekt de HEERE.

De HEERE roept op om over Jakob, de twaalf stammen, met blijdschap te zingen (vers 77Want zo zegt de HEERE:
Zing vrolijk over Jakob, [met] blijdschap!
Juich om het hoofd van de heidenvolken!
Laat het horen, prijs [Hem] en zeg:
Verlos Uw volk, HEERE,
het overblijfsel van Israël.
)
. Met vijf werkwoorden, “zing”, “juich”, “laat … horen”, “prijs”, “zeg”, viert Jeremia de grote verlossing die voor Israël in het verschiet ligt. Het volk dat zo lang vertrapt is geweest, staat dan als hoofd boven alle heidenvolken. Omdat het nu nog niet zover is, klinkt de oproep de HEERE te prijzen en daaraan het gebed toe te voegen dat Hij Zijn volk verlost. Zijn volk is “het overblijfsel van Israël”.

Hier zien we dat lofprijzing aan het gebed voorafgaat. De lofprijzing verkondigt de zekerheid dat het gebed zal worden verhoord. De verhoring komt ook direct, want de HEERE doet het overblijfsel komen van alle einden van de aarde (vers 88Zie, Ik doe hen komen
uit het land van het noorden,
Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;
onder hen zijn blinden en verlamden,
zwangeren en barenden met elkaar:
[met] een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.
; Mt 24:3131En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.)
. Niemand zal door zwakheid achterblijven of door natuurlijke omstandigheden verhinderd worden. Het zal een grote menigte zijn. De “zwangeren en barenden” kondigen nieuw leven aan, waardoor de grote menigte nog groter zal worden.

Het overblijfsel dat terugkeert, is zich ervan bewust dat ze de verstrooiing aan zichzelf te wijten hebben (vers 99Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
)
. Daarover zullen ze tranen van berouw huilen. Hun smeekbeden zullen door de HEERE worden beantwoord met Zijn leiding. Geween en smeekbeden zijn de houding en gezindheid die een vreugde zijn voor Zijn hart. Zo’n volk kan Hij leiden naar waterbeken van verkwikking (vgl. Js 41:1818Ik zal op kale hoogten rivieren doen ontspringen,
midden in valleien bronnen.
Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel,
het dorre land tot waterbronnen.
; 43:2020De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
; 49:1010Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
)
. Hij doet dat op een weg die zonder onverwachte bochten en zonder enige hindernis met het gevaar van struikelen is. Hij doet dat als een Vader in Zijn zorg voor Zijn geliefd kind die Zijn eerstgeborene is, wat speciaal waar is van Efraïm.

De HEERE maakt alle heidenvolken bekend met wat Hij met Israël zal doen (vers 1010Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
)
. Hij heeft Israël inderdaad moeten verstrooien vanwege hun verlaten van Hem. Maar Hij zal hen weer bijeenbrengen en hoeden. Hij is de goede Herder voor Zijn volk (Jh 10:1-161Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover;2maar wie door de deur binnengaat, is een herder van de schapen.3Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.4Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.5Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zij zullen van hem vluchten, omdat zij de stem van de vreemden niet kennen.6Deze beeldspraak sprak Jezus tot hen, maar zij wisten niet wat het was dat Hij tot hen sprak.7Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen.8Allen die <vóór Mij> gekomen zijn, zijn dieven en rovers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord.9Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.13En de huurling vlucht>, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn leven af voor de schapen.16En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.).

De HEERE zal Zijn volk weer bijeenbrengen omdat Hij hen heeft vrijgekocht en verlost heeft uit machten die sterker zijn dan zij (vers 1111Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht,
en hem verlost uit de hand van hem die sterker was dan hij.
)
. Zonder Hem is Zijn volk zwakker dan het zwakste volk. Hij is sterker dan de sterkste macht en als Zijn volk Hem weer erkent, is hun verlossing een feit. Dit is vooral van toepassing op de verlossing uit de macht van de antichrist in de eindtijd.

Zijn volk zal in het vrederijk – want over die tijd gaat het – als verlost volk komen en op Sion staan om Hem toe te juichen (vers 1212Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion,
zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE:
naar het koren, naar de nieuwe wijn en naar de olie,
naar de lammeren en runderen.
Hun ziel zal zijn als een bevloeide hof,
zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
)
. “Het goede van de HEERE” zijn de zegeningen van het land die ze overvloedig zullen genieten: het koren, de nieuwe wijn en de olie (vgl. Dt 11:13-1413En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel,14dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.). Ze zullen Hem offers brengen en Hem eren. Hun ziel is in volkomen rust en geniet van Zijn weldaden. Er is geen enkele aanleiding meer om treurig te zijn. Ook zal de overvloed van zegen hen niet meer ontrouw maken, zoals het vaak bij hen is geweest en vaak ook bij ons is. Het egoïstische gebruik van materiële zegen is een bron van veel haat.

De jeugd, wat ook wijst op die nieuwe, frisse situatie, zal zich in blijdschap uiten en de ouderen sluiten zich daarbij aan (vers 1313Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,
ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.
Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,
Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.
)
. Jonge vrouwen dansen samen, ook jonge mannen en ouderen dansen samen. Hieraan kan nog de volgende praktische opmerking worden verbonden. We lezen nergens in Gods Woord dat er wordt gedanst door een man en een vrouw samen. Het is altijd meervoud of alleen en voor de HEERE. Hierbij zijn geen verkeerde gevoelens aanwezig. Dansen om mensen te behagen zoals de dochter van Herodias dat doet, wekt die gevoelens wel op (Mk 6:2222en de dochter van deze Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun die mee aanlagen. De koning nu zei tot het meisje: Vraag van mij wat je wilt en ik zal het je geven.).

Het is de situatie in het vrederijk. Daar is de rouw veranderd in vreugde en er is troost na het verdriet. Die omkering is van de HEERE. Hij is de oorzaak van hun vreugde en troost. Hij voert Zijn volk het vrederijk binnen.

De priesters, zij die de HEERE offeren, worden verzadigd met overvloed (vers 1414Ik zal de ziel van de priesters verzadigen [met] overvloed,
Mijn volk zal met het goede van Mij verzadigd worden,
spreekt de HEERE.
)
. Zo groot zal de welvaart van het volk zijn die hun wordt geschonken, dat de priesters verzadigd zullen worden vanwege de vele offers die door de aanbidders worden gebracht (vgl. Lv 7:3434Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.). De overvloedige oogsten zullen het deel van de priesters vergroten.

Het volk, dat is het hele volk, zal ook verzadigd worden en wel “met het goede van Mij”. Wat moet dat een diepe voldoening geven. In geestelijk opzicht kunnen we dat nu al beleven, als we ons bezighouden met al de goede zegeningen die ons door de Heer Jezus zijn gegeven en ons door de Geest worden voorgesteld in Gods Woord.


Israëls beklagenswaardige heden

15Zo zegt de HEERE:
Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht,
een zeer bitter geween:
Rachel weent over haar kinderen.
Zij weigert zich te laten troosten
over haar kinderen,
want zij zijn er niet [meer].
16Zo zegt de HEERE:
Bedwing uw stem van geween,
en uw ogen van tranen,
want er is loon voor uw werk,
spreekt de HEERE.
Zij zullen uit het land van de vijand terugkomen,
17en er is hoop voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE,
[uw] kinderen zullen terugkomen naar hun gebied.
18Ik heb zeker gehoord
dat Efraïm zichzelf beklaagt:
U hebt mij gestraft, ik ben gestraft
als een ongetemd kalf.
Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn,
want U bent de HEERE, mijn God.
19Want nadat ik bekeerd was,
heb ik berouw gekregen.
Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt,
heb ik mij op de heup geslagen.
Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden,
omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag.
20Is Efraïm voor Mij [niet] een dierbare zoon,
is hij [voor Mij niet] een lievelingskind?
Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek,
denk Ik nog voortdurend aan hem.
Daarom is Mijn binnenste bewogen over hem,
Ik zal Mij zeker over hem ontfermen,
spreekt de HEERE.
21Richt u merktekens op,
zet u wegwijzers neer.
Richt uw hart op de gebaande weg,
de weg [die] u bent gegaan.
Keer terug, maagd Israël,
keer terug naar deze steden van u.
22Hoelang blijft u draaien,
afvallige dochter?
Voorzeker, de HEERE heeft iets nieuws geschapen op de aarde:
een vrouw zal een man omvatten.

Plotseling zijn we weer terug van de toekomst in de huidige toestand. De toestand van Israël nu is nog een toestand van verlatenheid (vers 1515Zo zegt de HEERE:
Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht,
een zeer bitter geween:
Rachel weent over haar kinderen.
Zij weigert zich te laten troosten
over haar kinderen,
want zij zijn er niet [meer].
)
. Van gejuich is nog geen sprake. Wat wordt gehoord, is geween waarvoor geen troost is, omdat er geen uitzicht is. Dit vers wordt toegepast op de kindermoord in Bethlehem (Mt 2:16-1816Toen werd Herodes, daar hij zag dat hij door de wijzen was misleid, zeer toornig; en hij zond [knechten] en doodde alle jongens die in Bethlehem en in het hele gebied daarvan waren, van twee jaar en daaronder, overeenkomstig de tijd die hij bij de wijzen nauwkeurig onderzocht had.17Toen werd vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia, die zei:18‘Een stem is in Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel die haar kinderen beweende, en zij wilde niet getroost worden, omdat zij niet [meer] zijn’.).

Rama ligt op de grens tussen de tien en de twee stammen. De beide zonen van Rachel, Jozef en Benjamin, zijn gescheiden. Jozef behoort bij de tien stammen en Benjamin bij de twee. De kinderen zijn echter niet alleen gescheiden, ze zijn er niet eens meer, ze zijn weggevoerd: de tien stammen in de verstrooiing, de twee stammen in de ballingschap. Daarom weent Rachel.

Dan komt het vertroostende woord van de HEERE (vers 1616Zo zegt de HEERE:
Bedwing uw stem van geween,
en uw ogen van tranen,
want er is loon voor uw werk,
spreekt de HEERE.
Zij zullen uit het land van de vijand terugkomen,
)
. Ze hoeven hun stem niet meer in geween te uiten en hun tranen hoeven niet meer tevoorschijn te komen, want ze zullen beloond worden voor hun trouw. Dat loon is een terugkeer uit het land van de vijand. Wat de HEERE Zelf heeft bewerkt, wordt ook nog eens door Hem beloond. Hij geeft hun hoop door hun aandacht te richten op wat er in de toekomst zal gebeuren met de kinderen waarover ze nu weent: ze komen terug in hun gebied, het land waarvan Hij heeft beloofd dat Hij het aan hun vaders en hun nageslacht zal geven. (vers 1717en er is hoop voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE,
[uw] kinderen zullen terugkomen naar hun gebied.
)
.

De HEERE verzekert Efraïm ervan dat Hij hoort waarover ze zichzelf beklagen (vers 1818Ik heb zeker gehoord
dat Efraïm zichzelf beklaagt:
U hebt mij gestraft, ik ben gestraft
als een ongetemd kalf.
Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn,
want U bent de HEERE, mijn God.
)
. Hij vergeet hen niet, maar neemt nota van wat ze zeggen. Hij hoort hun belijdenis waarin ze erkennen dat ze rechtvaardig gestraft zijn omdat ze zich als een ongetemd kalf eigenwillig hadden gedragen. Door die straf, die tuchtiging, worden ze ertoe gebracht Hem te vragen hen weer aan te nemen, omdat ze Zijn eigen volk zijn. Ze vragen dat met de woorden: “Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn.” Het is het gebed – niet van een enkele zondaar, een individueel mens, maar – van het overblijfsel van het tienstammenrijk tot de HEERE om Zijn werk te voltooien door het al innerlijk bekeerde volk ook terug te brengen in het land.

Deze vraag aan de HEERE om bekering wordt in bepaalde christelijke (reformatorische) kringen misbruikt als argument dat een mens zich niet kan bekeren, maar dat God dat moet doen. Dit misbruik komt voort uit een verkeerd begrip van de uitverkiezing. Dat God op veel andere plaatsen in de Bijbel de mens oproept, ja, beveelt dat de mens zich moet bekeren (Hd 17:3030Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,), daaraan hebben de mensen in die kringen geen boodschap. Als je daarop wijst, komen ze toch steevast met dit vers. Daarom is het van groot belang dit vers te lezen in het verband waarin het staat. Het betreft een volk dat door een werk van God al tot bekering is gekomen.

Hetzelfde geldt voor wat Jeremia in Klaagliederen 5 zegt: “HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn” (Kl 5:2121HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn!
Vernieuw onze dagen als vanouds.
)
. Jeremia spreekt deze woorden uit voor en namens het volk en niet voor zichzelf of iemand persoonlijk. Jeremia is uiteraard al bekeerd en wedergeboren. Het gaat om een omkeer, een terugkeer van Gods volk naar de verhouding waarin het tot God heeft gestaan voordat het is afgeweken. Een beroep op deze verzen door een enkeling als een excuus dat hij zich niet kan bekeren, is dan ook volkomen misplaatst.

Het berouw van Efraïm is oprecht. Berouw is de basis voor herstel. Het is na de bekering doorgedrongen hoe groot hun ontrouw is geweest (vers 1919Want nadat ik bekeerd was,
heb ik berouw gekregen.
Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt,
heb ik mij op de heup geslagen.
Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden,
omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag.
)
. Ze zijn aan zichzelf ontdekt en hebben erkend dat ze in eigen kracht bezig zijn geweest. Dat erkennen ze met schaamte. Door hun afwijkingen, al van hun vroegste jeugd af, zijn ze te schande geworden.

De reactie van de HEERE op hun belijdenis is de verzekering van hun waarde voor Hem (vers 2020Is Efraïm voor Mij [niet] een dierbare zoon,
is hij [voor Mij niet] een lievelingskind?
Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek,
denk Ik nog voortdurend aan hem.
Daarom is Mijn binnenste bewogen over hem,
Ik zal Mij zeker over hem ontfermen,
spreekt de HEERE.
)
. Ze zijn voor Hem een dierbare zoon, een lievelingskind. Al Zijn spreken tot hen komt vanuit Zijn gedachten die voortdurend met hen bezig zijn. Zijn hart gaat naar hen uit. Zijn innerlijke gevoelens gaan naar hen uit, om Zich over hen te ontfermen. Vaderlijke tederheid gaat hier kinderlijke weerspannigheid te boven en neemt die ook op een rechtvaardige manier weg. In het Hebreeuws is “Mijn binnenste is onrustig” letterlijk “Mijn darmen maken geluid”. Het spreken van de HEERE is hier heel menselijk.

Hij wijst Zijn volk, de tien stammen, uit de verstrooiing de weg terug naar Hem (vers 2121Richt u merktekens op,
zet u wegwijzers neer.
Richt uw hart op de gebaande weg,
de weg [die] u bent gegaan.
Keer terug, maagd Israël,
keer terug naar deze steden van u.
)
. Ze moeten de richting vaststellen en daarop hun hart richten. Daarna moeten ze, net als de verloren zoon, de daad bij het voornemen voegen en opstaan en op weg gaan naar hun land (Lk 15:18,20a18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,20En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.). Hij roept hen op als “maagd Israël” om nu de weg terug naar Hem te gaan en naar hun eigen steden.

De “maagd Israël” is nu nog de “afvallige dochter” (vers 2222Hoelang blijft u draaien,
afvallige dochter?
Voorzeker, de HEERE heeft iets nieuws geschapen op de aarde:
een vrouw zal een man omvatten.
)
, die naar alle kanten draait om ergens steun te krijgen, maar niet naar boven kijkt om van de HEERE die steun te vragen. Er komt echter een einde aan haar gedraai. De HEERE zal iets nieuws scheppen. Ze zal zich tot de HEERE bekeren. Dan zal zij de macht van de naties, die nu nog over haar heersen, overwinnen. Algemeen staat ‘vrouw’ voor zwakheid en ‘man’ voor kracht. De hoofdgedachte van het vers is dat wat zwak is het zal winnen van dat wat sterk is. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. Het zwakke beschaamt het sterke (vgl. 1Ko 1:27b27maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,).


Juda’s schitterende toekomst

23Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zij zullen in het land Juda en in zijn steden weer dit woord zeggen, wanneer Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap: Moge de HEERE u zegenen, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg. 24Daarin zullen Juda en al zijn steden met elkaar wonen, akkerbouwers en [wie] met de kudde rondtrekken. 25Want Ik heb de vermoeide ziel te drinken gegeven en elke treurig geworden ziel heb Ik [met voedsel] vervuld. 26Hierop ontwaakte ik en ik keek. Mijn slaap was mij aangenaam geweest.

De HEERE bemoedigt Juda en zijn steden (vers 2323Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zij zullen in het land Juda en in zijn steden weer dit woord zeggen, wanneer Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap: Moge de HEERE u zegenen, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.). Hij zegt dat Hij een omkeer zal brengen in hun gevangenschap. Dan zal de oude zegengroet weer gehoord worden uit de mond van hen die Jeruzalem bezoeken. Die zegen is gebaseerd op het feit dat ze dan in Juda wonen op basis van gerechtigheid en heiligheid. Er is geen zegen los van deze aspecten, die tevens de absolute garantie van de zegen zijn. “De heilige berg” verwijst naar de tempelberg en naar Jeruzalem als geheel (vgl. Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
; Js 66:2020En zij zullen al uw broeders uit alle heidenvolken brengen [als] graanoffer aan de HEERE, op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op [snelle] kamelen, naar Mijn heilige berg toe, [naar] Jeruzalem, zegt de HEERE, zoals de Israëlieten het graanoffer in rein vaatwerk naar het huis van de HEERE brengen.
)
.

In die tijd zal de stad opnieuw gekenmerkt worden door haar gerechtigheid (vgl. Js 1:2121Hoe is de trouwe stad
tot een hoer geworden!
Vol recht was zij,
gerechtigheid overnachtte in haar,
maar nu – moordenaars!
)
. Als die gerechtigheid er is, die zijn oorsprong vindt in de Messias Die regeert, is er ook vrede. Er zal in vrede worden samengeleefd en samengewerkt (vers 2424Daarin zullen Juda en al zijn steden met elkaar wonen, akkerbouwers en [wie] met de kudde rondtrekken.). Ze zullen verzadigd en verkwikt zijn door de HEERE (vers 2525Want Ik heb de vermoeide ziel te drinken gegeven en elke treurig geworden ziel heb Ik [met voedsel] vervuld.). Vermoeidheid en verdriet zullen er niet meer zijn omdat Hij alle aanleiding daartoe heeft weggenomen.

Jeremia heeft dat tafereel in een droom gezien (vers 2626Hierop ontwaakte ik en ik keek. Mijn slaap was mij aangenaam geweest.), want de werkelijkheid die hem omgeeft, is totaal in tegenstelling daarmee. Als hij wakker wordt, kijkt hij om zich heen en neemt dat waar. Toch is zijn droom geen bedrog. Hij is door de slaap aangenaam verkwikt. Hij is erdoor vertroost omdat wat hij heeft gezien, zal gebeuren. Hier is de droom een middel dat openbaart wat zal gebeuren. We zien zulke dromen bijvoorbeeld in de geschiedenissen van Jakob, Jozef, de farao en Nebukadnezar.

Wij mogen er ook aan denken dat de Heer Jezus alles goed zal maken. We zien dat nu nog niet, we zien alleen ellende, maar de gedachte aan de toekomst is voor ons aangenaam en verkwikt ons. Als we aan de toekomst denken die we in Gods Woord lezen, zijn we niet aan het dagdromen of luchtkastelen aan het bouwen. Het is werkelijk waar wat ons te wachten staat, omdat het is gebaseerd op gerechtigheid en heiligheid door het werk van Christus. De valse profeten hebben ook hun dromen en vertellen die aan het volk (Jr 29:88Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet bedriegen. Luister niet naar uw dromers die u laat dromen,). Als zij wakker worden, zal dat niet aangenaam zijn.


Overvloed onder de Messias

27Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal [met] zaad van mensen en zaad van dieren. 28Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en [hun] kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.
29In die dagen zullen zij niet meer zeggen:
De vaders hebben onrijpe druiven gegeten,
en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.
30Maar ieder zal om zijn [eigen] ongerechtigheid sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet – zijn tanden zullen stomp worden.

De tijd van zegen zal aanbreken (vers 2727Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal [met] zaad van mensen en zaad van dieren.). Er zal een overvloed aan mensen en dieren zijn in de beide huizen van Israël die dan één huis zullen zijn. De HEERE zal het zaad van mensen en dieren zaaien en er zal een overvloedige oogst zijn (vgl. Ez 36:8-118En u, bergen van Israël, u zult uw takken [weer] voortbrengen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen naderbij.9Want zie, Ik [kom] naar u toe, Ik zal Mij naar u toewenden, en u zult bewerkt en bezaaid worden.10Ik zal [de] mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puinhopen zullen herbouwd worden.11Ik zal mens en dier op u talrijk maken, zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal u doen bewonen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goeddoen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.; Hs 1:1111Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.; 2:2222En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien
en Mij ontfermen over Lo-Ruchama.
Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk,
en hij zal zeggen: Mijn God!
)
. Wat een contrast zal dat zijn met de verlatenheid van het land nu, nu de bevolking in ballingschap is weggevoerd en het vee niets heeft om van in leven te blijven.

De HEERE zal Zijn woord om op te bouwen en te planten net zo waarmaken als wat Hij heeft gezegd over wegrukken, afbreken, omverhalen en vernielen om hun kwaad aan te doen (vers 2828Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en [hun] kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.
)
. Ze zullen zien dat Zijn oordelen terecht zijn geweest. Ze zullen erkennen dat ze niet over hen zijn gekomen omdat hun vaderen hebben gezondigd (vers 2929In die dagen zullen zij niet meer zeggen:
De vaders hebben onrijpe druiven gegeten,
en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.
)
, maar omdat ze die zelf verdiend hebben (vers 3030Maar ieder zal om zijn [eigen] ongerechtigheid sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet – zijn tanden zullen stomp worden.; vgl. Ez 18:2-32Wat is er met u dat u dit spreekwoord gebruikt over het land van Israël:
De vaders eten onrijpe druiven,
en de tanden van de kinderen worden stomp?
3[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, als u dit spreekwoord in Israël nog durft te gebruiken!
)
.


Een nieuw verbond

31Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, 32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE. 33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn. 34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.

De verzen 31-4031Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.35Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
36Als deze verordeningen [ooit] zouden wijken
van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,
[dan] zou ook het nageslacht van Israël ophouden
een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!
37Zo zegt de HEERE:
Als de hemel hierboven [ooit] opgemeten zou kunnen worden
en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,
[dan] zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,
om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
38Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.
gaan over het nieuwe verbond:
1. De tijd van het verbond (vers 3131Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,)“er komen dagen”
2. De Maker van het verbond (vers 3131Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,)“de HEERE”
3. De naam van het verbond (vers 3131Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,)“nieuw verbond”
4. De partijen van het verbond (vers 3131Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,)“huis van Israël” en “huis van Juda”
5. Een ander verbond (vers 3232niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.)“niet zoals het verbond” van vroeger, het eerste verbond, op basis van verdienste en werken
6. De plaats van het verbond (verzen 33-3433Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.)“in hun binnenste … in hun hart”
7. De onveranderlijkheid van het verbond (verzen 35-3735Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
36Als deze verordeningen [ooit] zouden wijken
van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,
[dan] zou ook het nageslacht van Israël ophouden
een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!
37Zo zegt de HEERE:
Als de hemel hierboven [ooit] opgemeten zou kunnen worden
en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,
[dan] zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,
om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
)
– even onveranderlijk als de vaste cyclus van de natuur
8. De tastbare aspecten van het verbond (verzen 38-4038Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.) – Jeruzalem herbouwd in heiligheid en duurzaamheid
9. De borgstelling van het verbond – “spreekt de HEERE” (negen keer).

Dit gedeelte is wel een hoogtepunt in het onderwijs van Jeremia. Het begint met het aandacht vragende woord “zie” (vers 3131Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,). De woorden “er komen dagen” heeft Jeremia al eerder gebruikt. Ze plaatsen de profetie in Messiaanse tijden, in de dag van de HEERE, de periode waarop de geschiedenis van het volk uitloopt (vgl. vers 2727Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal [met] zaad van mensen en zaad van dieren.).

In de dagen die komen, sluit de HEERE een nieuw verbond met de beide huizen van Israël. De partijen van het verbond zijn de HEERE, het huis van Israël en het huis van Juda. We zien hier dat het verbond herinnert aan de scheuring van het volk in twee koninkrijken, maar we zien ook dat beide delen van het volk erin zijn opgenomen. Het hele verbond is voor het hele volk. Het nieuwe verbond zal dan ook net als het oude verbond met Gods uitverkoren aardse volk worden gesloten. Het kan niet worden gesloten met de gemeente, omdat er geen voormalig (oud) verbond met de gemeente is gesloten. Dat kan ook niet omdat de gemeente in het Oude Testament nog helemaal niet bestaat.

Tegelijk is dit nieuwe verbond een heel ander verbond. Het is niet als het oude verbond dat Hij met hun vaderen bij de Sinaï heeft gesloten, nadat Hij hen uit Egypte heeft verlost (vers 3232niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.). Aan dat oude verbond zijn ook voorwaarden verbonden waartoe het volk zich heeft verplicht. Het zijn als het ware huwelijksvoorwaarden, want de HEERE heeft hen getrouwd en hun Zijn liefde getoond. Het volk heeft hun beloften van trouw echter verbroken en daarmee is de beloofde zegen vervallen.

Het nieuwe verbond is van een heel ander karakter (vers 3333Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.). Het is niet beter omdat het oude slecht is, maar omdat het is gebaseerd op betere beloften. Het oude verbond is afhankelijk van de gehoorzaamheid van de mens. Het nieuwe verbond is een eenzijdig verbond met alleen voorwaarden of beloften van Gods kant. Daarbij komt dat Hij Zijn voorwaarden kan vervullen op grond van het bloed van Zijn Zoon, waardoor de zonden die begaan zijn onder het oude verbond, vergeven kunnen worden (Mt 26:27-2827En Hij nam <de> drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zei: Drinkt allen daaruit.28Want dit is Mijn bloed van het <nieuwe> verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.; Lk 22:2020Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.; Hb 8:1212Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.). De Heer Jezus is de Middelaar van het nieuwe verbond. Hij heeft door Zijn dood de zegeningen van het nieuwe verbond zeker gesteld (Hb 9:1515En daarom is Hij Middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu [de] dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.).

Hij zal hun ook in staat stellen om te voldoen aan wat Hij van hen vraagt, want Hij geeft Zijn wet in hun binnenste en schrijft die in hun hart. Ze zullen Zijn wil met volle instemming en volledig vervullen. Dan zal Hij hun God zijn en zij Zijn volk. De relatie is in orde gemaakt door de trouw van God, een relatie die is gebaseerd op het bloed van het nieuwe verbond (2Ko 3:1-181Beginnen wij opnieuw onszelf aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven aan u of van u nodig?2U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen;3u, van wie blijkt dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar met [de] Geest van [de] levende God, niet op stenen tafelen, maar op vlezen tafelen van de harten.4Zo’n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God.5Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets te denken, alsof het uit onszelf [kwam], maar onze bekwaamheid is uit God,6Die ons ook bekwaam heeft gemaakt als dienaars van [het] nieuwe verbond, niet van [de] letter, maar van [de] Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.7(Als nu de bediening van de dood, met letters op stenen gegraveerd, met heerlijkheid ontstond, zodat de zonen van Israël hun ogen niet konden vestigen op het gezicht van Mozes wegens de heerlijkheid van zijn gezicht, die tenietgedaan moest worden;8hoe zal niet veeleer de bediening van de Geest in heerlijkheid bestaan?9Want als de bediening van de veroordeling heerlijkheid had, zoveel te meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.10Immers, wat verheerlijkt was, is in dit opzicht niet verheerlijkt wegens de uitnemende heerlijkheid.11Want als dat wat tenietgedaan moest worden, door heerlijkheid [begon], zoveel te meer zal wat blijft, in heerlijkheid [bestaan].12Daar wij nu zo’n hoop hebben, handelen wij met veel vrijmoedigheid13en [doen] niet zoals Mozes, die een bedekking voor zijn gezicht deed; opdat de zonen van Israël hun ogen niet vestigden op het einde van wat tenietgedaan moest worden.14Maar hun gedachten zijn verhard geworden; want tot op heden blijft dezelfde bedekking bij het lezen van het oude testament, zonder weggenomen te worden, die in Christus tenietgedaan wordt.15Maar tot heden toe ligt er, wanneer Mozes wordt gelezen, een bedekking over hun hart;16maar wanneer het tot [de] Heer zal terugkeren, wordt de bedekking weggenomen.)17De Heer nu is de Geest; waar nu de Geest van [de] Heer is, is vrijheid.18Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.; Hb 8:1-131[De] hoofdzaak nu van wat wij zeggen is, dat wij zo’n Hogepriester hebben, Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen,2een Bedienaar van het heiligdom en van de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht, niet een mens.3Want iedere hogepriester wordt aangesteld om zowel gaven als slachtoffers te offeren; daarom was het nodig dat ook Deze iets had om te offeren.4Als Hij evenwel op aarde was, zou Hij niet eens priester zijn, daar er zijn die naar [de] wet de gaven offeren.5Dezen dienen een zinnebeeld en schaduw van de hemelse dingen, zoals Mozes een Goddelijke aanwijzing ontving toen hij de tabernakel zou vervaardigen; want: ‘Zie erop toe’, zegt Hij, ‘dat u alles maakt naar het voorbeeld dat u op de berg getoond is’.6Maar nu heeft Hij een zoveel uitnemender bediening verkregen als Hij ook Middelaar is van een beter verbond, dat op betere beloften is gegrondvest.7Want als dat eerste onberispelijk was geweest, zou er voor een tweede geen plaats gezocht zijn.8Want hen berispend zegt Hij: ‘Zie, [de] dagen komen, zegt [de] Heer, dat Ik voor het huis van Israël en voor het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten;9niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen maakte ten dage dat Ik hen bij de hand nam om hen uit [het] land Egypte te leiden, want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik sloeg geen acht [meer] op hen, zegt [de] Heer.10Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen geenszins leren ieder zijn medeburger en ieder zijn broeder door te zeggen: ‘Ken de Heer’, want zij zullen Mij allen kennen, van [de] kleine tot [de] grote onder hen.12Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.13Door te zeggen: ‘een nieuw’, heeft Hij het eerste oud gemaakt. Wat nu oud is en verouderd, is dicht bij [de] verdwijning.).

Ze zullen elkaar niet meer hoeven te vermanen om aan de HEERE trouw te zijn (vers 3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.). De profeten zijn niet meer nodig. Onderricht in de wet is ook niet meer nodig, want ze hebben allen kennis van de HEERE en Zijn wil. Het kennen van de Heer Jezus is het uitgangspunt om Hem beter te leren kennen: “Om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding” (Fp 3:1010om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en <de> gemeenschap aan Zijn lijden, terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word,). We mogen bidden dat ons wordt gegeven de “geest van wijsheid en openbaring … in de kennis van Hem” (Ef 1:1717opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,).

In hun verhouding tot de HEERE is weggedaan wat die verhouding heeft verhinderd: hun ongerechtigheden en hun zonden. Dat is voor ons ook een oorzaak om ons volkomen aan de wil van God over te geven en voor Hem te leven. Als we Hem liefhebben, zullen we voor Hem leven en Zijn geboden en Zijn woord bewaren (Jh 14:21,2321Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.23Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.).


Israël blijft voor eeuwig

35Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
36Als deze verordeningen [ooit] zouden wijken
van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,
[dan] zou ook het nageslacht van Israël ophouden
een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!
37Zo zegt de HEERE:
Als de hemel hierboven [ooit] opgemeten zou kunnen worden
en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,
[dan] zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,
om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
38Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort, 39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa. 40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.

De HEERE bevestigt al de voorgaande beloften met de krachtigste toezeggingen. Hij wijst op de vaste orde in de schepping van zon, maan en sterren, waaraan geen enkele macht iets kan veranderen (vers 3535Zo zegt de HEERE,
Die de zon tot een licht geeft overdag
en de vaste orde van maan en sterren
tot een licht in de nacht,
Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
. Hij staat ook achter het bruisen van de golven van de zee die ook door geen mens te temmen zijn. Zijn Naam is “HEERE van de legermachten”.

Zoals de verordeningen die Hij voor Zijn scheppingswerken heeft ingesteld nooit van voor Zijn aangezicht zullen wijken, zo zal het nageslacht van Israël nooit ophouden een volk te zijn voor Zijn aangezicht (vers 3636Als deze verordeningen [ooit] zouden wijken
van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,
[dan] zou ook het nageslacht van Israël ophouden
een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!
)
. Hij voegt eraan toe: “Alle dagen!” Elke dag zal Hij er voor Zijn volk zijn, zoals Hij ook elke dag zorg aan Zijn schepping besteedt. Hij heeft Zijn aangezicht enige tijd voor hen moeten verbergen, maar die tijd is voor altijd voorbij.

Om nog krachtiger Zijn verbond met Zijn volk vast te stellen wijst Hij op de onmetelijkheid van de hemel boven en de onnaspeurlijkheid van de fundamenten van de aarde beneden (vers 3737Zo zegt de HEERE:
Als de hemel hierboven [ooit] opgemeten zou kunnen worden
en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,
[dan] zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,
om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
)
. Het doet denken aan de lofzang van Paulus op Gods handelen in het herstel van Israël (Rm 11:33-3633O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?36Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.). Alles wat het volk gedaan heeft, heeft Hem niet van gedachten kunnen veranderen ten aanzien van Zijn voornemen om het te zegenen. Maar de wijze waarop Hij daarbij te werk is gegaan, is onze aanbidding eeuwig waard. Er is volkomen recht gedaan aan Zijn gerechtigheid en aan Zijn barmhartigheid door wat Christus heeft gedaan. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid!

In de dagen die komen, zal Jeruzalem herbouwd worden (vers 3838Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,). Zij zal dan voor de HEERE zijn. De omtrek van de stad wordt gemeten (vers 3939en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.), wat doet denken aan het meten van het nieuwe Jeruzalem (Op 21:1515En hij die met mij sprak, had een gouden meetrietstok, opdat hij de stad en haar poorten en haar muur zou meten.). Meten betekent het eigendomsrecht vastleggen. Er zal ook een gebied zijn met herinnering aan de oordelen (vers 4040Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.). Dat gebied zal afgezonderd zijn voor de HEERE. Alles wat daarbuiten is, wordt door Hem in stand gehouden. Nooit zal er meer iets van worden weggerukt of afgebroken. Als Hij regeert, is er volkomen rust en veiligheid.


Lees verder