Jeremia
Inleiding 1-3 Terugkeer uit ballingschap 4-7 De tijd van benauwdheid voor Jakob 8-11 Bevrijd van verdrukking 12-17 Wonden van Israël geheeld 18-22 Herbouw van Jeruzalem 23-24 Oordeel en dan zegen
Inleiding

Tot nu toe hebben we in dit boek profetieën van Jeremia gehoord die, op enkele passages na (Jr 2:1-31Het woord van de HEERE kwam tot mij:
2Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
3Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
; 3:14-1714Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.15Ik zal u herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand.16En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet [meer] in het hart opkomen. Men zal er niet [meer] aan denken en niet [meer] naar [haar] omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.17In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart achternagaan.; 16:14-1514Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,15maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.; 23:1-81Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en [overal] verspreiden, spreekt de HEERE.2Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen [overal] verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.3Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.4Ik zal over hen herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.5Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
6In Zijn dagen zal Juda verlost worden
en Israël onbezorgd wonen.
Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
7Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,8maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.
; 24:4-74Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:5Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede.6Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken7Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.)
, allemaal dreigend en somber van karakter zijn. In Jeremia 30-33 verandert het profetisch perspectief naar hoofdzakelijk hoopvol. Dit is te meer opmerkelijk omdat de profetieën in Jeremia 32-33 zijn gegeven in het tiende jaar van Zedekia, dat wil zeggen vlak voor de definitieve val van Jeruzalem. De hoofdgedachte van deze hoofdstukken is dat Israël als natie niet zal vergaan.


Terugkeer uit ballingschap

1Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia: 2Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf voor u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek. 3Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.

Deze verzen zijn de inleiding op Jeremia 30-31. Ze gaan over het hoopvolle thema van het herstel van het volk. In deze verzen wordt duidelijk en ondubbelzinnig vastgesteld dat het volk in het land zal terugkeren. De HEERE zegt dat in een nieuw woord tot Jeremia (vers 11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:). We komen hier op een hoogtepunt.

“Het woord” dat tot Jeremia komt, houdt een bijzondere opdracht in. Het heeft geen betrekking op een prediking of het overbrengen van een boodschap, maar is in de eerste plaats voor hemzelf bedoeld. Omdat hij een type van het gelovig overblijfsel is, is het ook voor hen bedoeld. Hij krijgt de opdracht om alles wat de HEERE heeft gesproken, in een boek te schrijven (vers 22Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf voor u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.). Daarbij lijkt het vooral te gaan om Jeremia 30-33 (vgl. Jr 36:22Neem u een boekrol en schrijf daarop alle woorden die Ik tot u gesproken heb over Israël, over Juda en over alle volken, vanaf de dag [dat] Ik tot u gesproken heb, vanaf de dagen van Josia tot op deze dag.). Wat geschreven staat, geeft zekerheid en controlemogelijkheden. Anderen hebben ook hun woorden in een boek geschreven, zoals Mozes (Ex 17:1414Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.; Dt 31:2424En het gebeurde, toen Mozes gereed was met het schrijven van de woorden van deze wet in een boek totdat zij voltooid waren,), Jozua (Jz 24:2626Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Vervolgens nam hij een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van de HEERE stond.), Jesaja (Js 8:11Verder zei de HEERE tegen mij: Neem u een groot schrijfbord en schrijf daarop, voor iedereen leesbaar: Maher Sjalal Chasj Baz.; 30:88Nu [dan], kom, schrijf het in hun bijzijn op een [schrijf]tafel
en teken het op in een boek,
zodat het blijft staan tot de laatste dag,
voor altijd en eeuwig.
)
, Nahum (Na 1:11De last van Ninevé. Het boek van het visioen van Nahum uit Elkos.), Habakuk (Hk 2:22Toen antwoordde de HEERE mij en zei:
Schrijf het visioen op,
grif het duidelijk in tafelen,
zodat het in het snel voorbijlopen te lezen is.
)
.

Jeremia 30-33 zijn een apart boek in dit boek. Dit ‘boek’ van vier hoofdstukken wordt wel ‘het troostboek’ genoemd omdat het vol met vertroostingen en beloften staat. Deze hoofdstukken bevatten de zekerheid van hun voortbestaan. In een tijd dat zoveel Joden in ballingschap zijn, moet dat voor hen die geloven wel een grote troost zijn. Er staan profetieën over het vrederijk en over de Heer Jezus in, want dan en door Hem wordt alles vervuld wat in deze hoofdstukken wordt beloofd. Ze hebben ook een praktische betekenis voor ons die nu al in het koninkrijk leven, al bestaat dat koninkrijk nu nog in verborgen vorm (Rm 14:1717Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.). In geestelijk opzicht kunnen wij nu al een dergelijk herstel beleven.

Bovenal kennen we door het geïnspireerde Woord de waarheid van God. We zien de bevestiging van wat Hij heeft gezegd, als vervuld wordt wat Hij heeft gezegd. Hier spreekt Hij met betrekking tot Zijn plan om in de gevangenschap van zowel Israël als Juda een omkeer te brengen (vers 33Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.). Het gaat om het herstel van de twaalf stammen. Israël is in verstrooiing en Juda in ballingschap. Zij zullen weer als één volk in het land van de vaderen zijn. Dat is nu nog niet zo en het is ook niet gebeurd bij de terugkeer uit Babel. De terugkeer uit Babel is onvolkomen, zowel in aantal als in toestand.


De tijd van benauwdheid voor Jakob

4Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda. 5Want zo zegt de HEERE:
Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord,
angst is er, geen vrede.
6Vraag toch en zie
of een man baren kan?
Waarom heb Ik [dan] iedere man gezien
[met] zijn handen op zijn heupen als een barende [vrouw],
en [waarom] zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken?
7Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.

De woorden van de HEERE betreffen de twaalf stammen, die nu nog gedeeld zijn in tien, “Israël”, en twee, “Juda” (vers 44Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda.). Hij spreekt tot hen allen. Zijn woorden betreffen het geheel. De woorden die Jeremia van de HEERE moet doorgeven, bevatten aanvankelijk geen woorden van hoop, maar zijn die van “een schrikwekkende stem” (vers 55Want zo zegt de HEERE:
Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord,
angst is er, geen vrede.
)
. Als de bevrijding komt, zal het volk zich in de diepste ellende bevinden, in grote angst. Er is geen enkel uitzicht op vrede.

Met een vraag wijst de HEERE op de ontzetting van die tijd. Hij wil dat er wordt nagedacht over de oorzaak ervan. De voorzegde gebeurtenissen bewerken bij de mannen een enorme, panische angst die vergeleken wordt met de barensweeën van een zwangere (vers 66Vraag toch en zie
of een man baren kan?
Waarom heb Ik [dan] iedere man gezien
[met] zijn handen op zijn heupen als een barende [vrouw],
en [waarom] zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken?
)
. Alle gezichten zijn lijkbleek weggetrokken door de aanblik van de rampen die over hen komen en waartegen elk verzet zinloos is.

Wat er dan gebeurt, maakt die dag – waarmee een periode wordt bedoeld – tot een dag die zijn weerga niet kent in de hele geschiedenis van Gods volk (vers 77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
. De uitroep “wee” past bij die dag. Die dag is de periode van “een tijd van benauwdheid van Jakob” (vgl. Mt 24:2121Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.). Tegelijk komt ook de vertroosting of bemoediging: “Toch zal hij daaruit verlost worden.” Als de nood het hoogst is, komt de HEERE Zijn volk te hulp en zal het bevrijden.

In de profetische Schriften staan veel verwijzingen naar deze unieke tijd van benauwdheid van Jakob (Jr 46:1010Deze dag is van de Heere, de HEERE van de legermachten,
een dag van wraak om Zich te wreken op Zijn tegenstanders.
Het zwaard zal verslinden en verzadigd worden,
en dronken worden van hun bloed.
Want het is een slachting voor de Heere, de HEERE van de legermachten,
in het land in het noorden, aan de rivier de Eufraat.
; Js 2:12-2112Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
18En de afgoden – ze vergaan volkomen.19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
20Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan
en de kloven in de rotsen,
uit angst voor de HEERE,
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
; 13:66Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;
als een verwoesting van de Almachtige komt hij.
; 34:1-81Kom naar voren, heidenvolken, om te luisteren!
Sla er acht op, natiën!
Laat de aarde luisteren en al wat zij bevat,
de wereld, en alles wat daarop uitspruit!
2Want de grote toorn van de HEERE [richt zich] tegen alle heidenvolken,
[Zijn] grimmigheid tegen heel hun legermacht.
Hij heeft hen met de ban geslagen,
hen overgegeven ter slachting.
3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,
en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.
De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.
4Heel het [sterren]leger aan de hemel zal vergaan.
De hemel zal opgerold worden als een boek[rol],
en heel zijn leger zal vallen,
zoals bladeren vallen van een wijnstok,
en zoals [vijgen] vallen van een vijgenboom.5Want Mijn zwaard is
dronken geworden in de hemel.
Zie, het zal neerdalen op Edom,
op het volk dat Ik geslagen heb met de ban, als een oordeel.
6Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,
het is verzadigd van vet,
van het bloed van lammeren en bokken,
van het niervet van rammen.
Want de HEERE richt een offer aan in Bozra,
een grote slachting in het land Edom.
7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,
en de jonge stieren met de sterke stieren.
Hun land zal doordrenkt zijn met bloed
en hun stoffige [grond] verzadigd van vet.
8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,
het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.
; Ez 30:33Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
; Jl 1:1515Ach, die dag!
Ja, de dag van de HEERE is nabij,
en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.
; 2:1-2,111Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!2[Het is] een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en donkerheid.
Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,
[verspreidt zich] een groot en machtig volk,
zoals er niet geweest is
van oude tijden af,
en er hierna niet meer zal zijn,
jarenlang, van generatie op generatie.11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?
; Dn 12:11In die tijd zal Michaël opstaan,
de grote vorst,
hij die stáát voor uw volksgenoten.
Het zal een benauwde tijd zijn,
zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest
tot op die tijd.
In die tijd zal uw volk ontkomen,
ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.
; Am 5:18-2018Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!19[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
20Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn,
en geen licht;
donkerte – zonder lichtglans erover?
; Mi 1:2-52Luister, volken, allemaal!
Sla [er] acht [op], aarde, met al wat u bevat!
En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn,
de Heere, uit Zijn heilige tempel.3Want zie, de HEERE komt uit Zijn [woon]plaats,
Hij daalt af en treedt op de hoogten van de aarde.4De bergen smelten onder Hem weg,
de dalen splijten
als was voor het vuur,
als water dat langs een helling vloeit.5Dit alles is om de overtreding van Jakob
en om de zonden van het huis van Israël.
Wie is de overtreding van Jakob?
Is het niet Samaria?
En wie zijn de [offer]hoogten van Juda?
Is het niet Jeruzalem?
; Zf 1:2-3:82Ik zal alles volkomen wegvagen
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
3Ik zal mens en dier wegvagen,
Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen
en de struikelblokken, [samen] met de goddelozen;
ja, Ik zal de mensen uitroeien
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
; Zc 14:1-8,12-151Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.3Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!6Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
7Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.8Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
12En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
13Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
14Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
15En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.
)
. De verdrukking zal uitmonden in zowel fysieke als geestelijke bevrijding (vgl. Zc 12:10-1410Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.11Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.12Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,14al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.; 13:11Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.) die zodanig zal zijn, dat Israël nooit meer door een natie zal worden onderworpen. Dit kan niet worden gezegd van welke bevrijding ook die tot nu heeft plaatsgevonden. De toezegging “toch zal hij daaruit verlost worden”, verwijst naar een ook nu nog toekomstige tijd.


Bevrijd van verdrukking

8Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, [dat] Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen, 9maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.
10U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël,
want zie, Ik ga u verlossen uit verre [landen],
uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap,
zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is,
en niemand [hem] schrik aanjaagt.
11Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen,
want Ik maak een [vernietigend] einde aan alle heidenvolken
waarheen Ik u verspreid heb,
maar aan u zal Ik geen [vernietigend] einde maken.
Ik zal u bestraffen met mate,
maar u beslist niet voor onschuldig houden.

De uitkomst uit die grote nood komt van de HEERE. Hij zal het juk van het verbond verbreken dat er is tussen de antichrist en het hoofd van het Romeinse rijk en dat op Zijn volk ligt, dat wil zeggen op het overblijfsel daarvan (vers 88Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, [dat] Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen,). De banden waarmee Zijn volk, dat is het overblijfsel, dan gebonden is, zal Hij verbreken. Het is een totale bevrijding van alle vijandelijke onderdrukkende machten. Dat zal Hij doen door Zijn Koning David, de Messias, Die Hij hun zal doen opstaan (vers 99maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.
)
. Dan zullen ze de HEERE, hun God, dienen.

Met de belofte van het verbreken van het juk bemoedigt de HEERE Zijn “dienaar Jakob” om niet te vrezen (vers 1010U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël,
want zie, Ik ga u verlossen uit verre [landen],
uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap,
zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is,
en niemand [hem] schrik aanjaagt.
)
. Het juk dat hun daarna wordt opgelegd, zullen ze graag op zich nemen, want het is het zachte, weldadige juk van hun Messias Koning (Mt 11:28-3028Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.29Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;30want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.). Jakob is Zijn dienaar, het volk dient Hem. Wie Hem dient, wordt door Hem beschermd. “Israël” hoeft ook niet ontsteld te zijn, want het volk zal uit de verre landen waarin ze gevangen zijn, door Hem worden verlost. De HEERE zal Jakob laten terugkeren en het in rust, zonder zorgen en zonder angst voor vijanden, in zijn land laten wonen.

Hij staat ervoor garant, Hij is met hen (vers 1111Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen,
want Ik maak een [vernietigend] einde aan alle heidenvolken
waarheen Ik u verspreid heb,
maar aan u zal Ik geen [vernietigend] einde maken.
Ik zal u bestraffen met mate,
maar u beslist niet voor onschuldig houden.
)
. Dat is de grote en heerlijke toezegging die elke tegenstand en elk gevaar van geen betekenis maakt. Als Hij met ons is, kan niets ons bedreigen en wordt elke bedreiging neergeslagen. Als Hij Zijn volk heeft verspreid en hen weer terughaalt, zal Hij allen verdelgen die dat willen verhinderen.

Maar Zijn volk zal Hij niet verdelgen, aan hen zal Hij geen einde maken. Hij zal hen zeker bestraffen, omdat ze dat hebben verdiend. Maar Hij zal dat doen met mate, waardoor ze niet totaal verdelgd zullen worden. Hij zal die tuchtiging gebruiken om hen te reinigen en dan zal Hij Zijn beloften waarmaken aan hen, dat is aan het overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade.


Wonden van Israël geheeld

12Want zo zegt de HEERE:
Ongeneeslijk is uw breuk,
pijnlijk uw wond.
13Er is niemand die uw zaak behartigt;
voor een gezwel zijn er medicijnen, [maar] voor u is er geen herstel.
14Al uw minnaars zijn u vergeten,
zij vragen niet naar u,
want Ik heb u getroffen [met] een wond [als] door een vijand,
[met] een bestraffing [als] door een meedogenloze,
vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid,
[omdat] uw zonden machtig veel zijn.
15Wat schreeuwt u het [dan] uit vanwege uw breuk,
[omdat] uw leed ongeneeslijk is?
Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid, [omdat] uw zonden machtig veel zijn,
heb Ik u deze dingen aangedaan.
16Evenwel zullen allen die u verslinden, [zelf] verslonden worden,
al uw tegenstanders – zij allen zullen in gevangenschap gaan.
Wie u plunderen, zullen tot buit worden,
allen die u uitplunderen zal Ik als buit geven.
17Ja, Ik zal uw herstel bevorderen,
u van uw wonden genezen,
spreekt de HEERE,
al noemen ze u: Verdrevene,
het is Sion,
niemand vraagt naar haar.

De toestand van het volk ziet er op dit moment hopeloos uit (vers 1212Want zo zegt de HEERE:
Ongeneeslijk is uw breuk,
pijnlijk uw wond.
)
. De breuk tussen de tien en twee stammen is ongeneeslijk, het is een pijnlijke wond. Geen mens kan er iets aan doen en er zijn ook geen middelen voor herstel (vers 1313Er is niemand die uw zaak behartigt;
voor een gezwel zijn er medicijnen, [maar] voor u is er geen herstel.
)
. Politiek, wetenschap of vorming, alles is zinloos gebleken om hun hun gezondheid terug te geven. De situatie is hopeloos voor hen die geen berouw hebben.

Allen op wie zij hun hoop hebben gevestigd, hebben hen in de steek gelaten, ze zijn hun aandacht niet meer waard (vers 1414Al uw minnaars zijn u vergeten,
zij vragen niet naar u,
want Ik heb u getroffen [met] een wond [als] door een vijand,
[met] een bestraffing [als] door een meedogenloze,
vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid,
[omdat] uw zonden machtig veel zijn.
; Jr 22:2020Klim op de Libanon, roep om hulp,
laat op de Basan uw stem klinken,
roep om hulp van Abarim af,
want al uw minnaars zijn gebroken!
)
. De reden daarvan is dat de HEERE dat heeft bewerkt en de aanleiding daarvan is hun ongerechtigheid. Hij heeft hen geslagen vanwege de veelheid van hun zonden. Daarom is Hij voor hen geworden als “een vijand” en “een meedogenloze”. Niet de volken zijn hun werkelijke vijanden, maar de HEERE. Daarom is het gekerm volledig onterecht (vers 1515Wat schreeuwt u het [dan] uit vanwege uw breuk,
[omdat] uw leed ongeneeslijk is?
Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid, [omdat] uw zonden machtig veel zijn,
heb Ik u deze dingen aangedaan.
)
. Ze hebben de ellende aan zichzelf te wijten. Ook hoeven ze de volken niet de schuld te geven, want wat over hen komt, komt van de HEERE. Ze moeten zich tot Hem wenden in hun nood.

Dat wil niet zeggen dat hun vijanden vrijuit gaan (vers 1616Evenwel zullen allen die u verslinden, [zelf] verslonden worden,
al uw tegenstanders – zij allen zullen in gevangenschap gaan.
Wie u plunderen, zullen tot buit worden,
allen die u uitplunderen zal Ik als buit geven.
)
. Hun vijanden die hen onder Gods toelating tuchtigen, verslinden Gods volk. Ze doen alles uit puur eigen belang, ze zijn op eigen voordeel uit. Ook zij rekenen niet met God. Daarom zullen al hun tegenstanders in gevangenschap gaan en de ellende ondergaan die zij Gods volk hebben aangedaan.

Daartegenover zal God Zijn volk herstellen en dat ook spoedig doen (vers 1717Ja, Ik zal uw herstel bevorderen,
u van uw wonden genezen,
spreekt de HEERE,
al noemen ze u: Verdrevene,
het is Sion,
niemand vraagt naar haar.
)
. Hij zal dat doen omdat de vijanden Zijn volk hebben uitgebuit, terwijl zij hen als paria’s hebben beschouwd en behandeld. Zij hebben het verachtelijk “Sion” genoemd. God zal laten zien dat Hij juist heeft uitgekozen wat zij hebben veracht.

Het is ermee als met een vader die zijn kinderen tuchtigt, maar die als een leeuw zal vechten tegen iedereen die zijn kinderen kwaad wil doen. Zo laat God niet toe dat Zijn volk verachtelijk wordt behandeld of dat er laatdunkend over wordt gesproken. Wie Zijn volk aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.


Herbouw van Jeruzalem

18Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een omkeer brengen in de gevangenschap van de tenten van Jakob
en zal Mij ontfermen over zijn woningen.
De stad zal herbouwd worden op haar ruïne
en het paleis zal op zijn rechtmatige [plaats] gelegen zijn.
19Van hen zal dankzegging uitgaan,
en het geluid van vrolijke [mensen].
Ik zal hen talrijk maken, ze zullen niet [in aantal] verminderen.
Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden.
20Zijn zonen zullen zijn als vanouds,
en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden.
Ik zal al zijn onderdrukkers straffen.
21Zijn Machtige zal één van hem zijn,
zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen.
Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen.
Want wie is hij die met zijn hart borg wordt
om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE.
22En u zult Mij tot een volk zijn
en Ík zal u tot een God zijn.

Er volgen heerlijke toezeggingen over het herstel van Gods volk. De HEERE spreekt over “de tenten van Jakob” en over zijn “woningen” (vers 1818Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een omkeer brengen in de gevangenschap van de tenten van Jakob
en zal Mij ontfermen over zijn woningen.
De stad zal herbouwd worden op haar ruïne
en het paleis zal op zijn rechtmatige [plaats] gelegen zijn.
)
. Het zijn de woonplaatsen in het land waar Hij Zijn volk in vrede zal laten wonen. Die woonplaatsen zijn nu nog verlaten omdat het volk uit het land is verdreven. Ook Jeruzalem, Zijn “stad”, Zijn woonplaats, zal herbouwd worden, evenals “het paleis”, de woonplaats van Zijn Koning. Alles krijgt zijn rechtmatige plaats. Er is ook een zekere opklimming te zien: tent, woning, stad, paleis.

Als Zijn volk weer in vrede in het land woont, zal het land vervuld zijn van dankzegging (vers 1919Van hen zal dankzegging uitgaan,
en het geluid van vrolijke [mensen].
Ik zal hen talrijk maken, ze zullen niet [in aantal] verminderen.
Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden.
)
. Die zal uitgaan naar de HEERE en als een getuigenis worden waargenomen door de volken om hen heen. Het is het geluid van vrolijke mensen die talrijk zullen zijn. De volken om hen heen zullen tegen hen opzien en hen niet meer verachten.

Hun zonen zullen in trouw de HEERE dienen en het geheel, de gemeente van Israël, zal voor altijd voor Zijn aangezicht gevestigd zijn in het land (vers 2020Zijn zonen zullen zijn als vanouds,
en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden.
Ik zal al zijn onderdrukkers straffen.
)
. Ze zullen er nooit meer uit verwijderd worden. Wie het waagt nog een vinger naar hen uit te steken, zal door Hem bestraft worden.

We hebben in vers 2121Zijn Machtige zal één van hem zijn,
zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen.
Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen.
Want wie is hij die met zijn hart borg wordt
om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE.
een van die mooie verwijzingen in het Oude Testament naar de Messias. In de eerste plaats zal de natie gezegend zijn met een Heerser van het eigen volk en niet van een vreemd volk. “Zijn Machtige”, dat is de Messias, zal “Eén van hem zijn” (vgl. Js 10:3434Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
; 11:11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
)
. Dit is een profetie die een sterke vertroosting betekent in het licht van de dreigende onderwerping van het volk aan een vreemde mogendheid. Hij is geen vreemde, zoals de vele vreemde heersers die over hen hebben geregeerd. Hij zal over hen als over ‘Mijn broeders’ spreken (vgl. Dt 17:1515dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.). Hij is hun Heerser, “de heerschappij rust op Zijn schouder” (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
, Hij, “Die een Heerser zal zijn in Israël” (Mi 5:11En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
)
. Hij regeert.

Tevens is Hij Degene Die tot God nadert. Dat wijst op Zijn priesterlijke positie en bediening (vgl. Zc 6:1313Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
; Ps 110:44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
)
Hij is de Koning-Priester, de ware Melchizedek. Hij is de Middelaar tussen God en Zijn volk. Deze Heerser heeft geen middelaar nodig. Hij is dan ook groter dan David en Salomo. Net als Melchizedek zal Hij een dubbele functie hebben. Geen mens kan zelf de dienst van het priesterschap op zich nemen (vgl. Hb 5:44En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aäron.). Het is in feite zelfs voor een koning gevaarlijk om dat te doen. We zien dat bij Jerobeam (1Kn 12:26-3326En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.28Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.; 13:1-61En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, terwijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.2Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u verbranden.3Op die dag gaf hij een teken: Dit is het teken waarvan de HEERE heeft gesproken: Zie het altaar zal scheuren en de as die erop ligt, zal eraf storten.4En het gebeurde, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat deze tot het altaar in Bethel uitgeroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte en zei: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem had uitgestrekt, verstijfde, zodat hij hem niet meer naar zich toe kon trekken.5En het altaar scheurde, en de as stortte van het altaar af, overeenkomstig het teken dat de man Gods door het woord van de HEERE had gegeven.6Toen antwoordde de koning en zei tegen de man Gods: Tracht toch het aangezicht van de HEERE uw God gunstig te stemmen, en bid voor mij dat mijn hand weer teruggetrokken kan worden! Toen trachtte de man Gods het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, en de hand van de koning kon weer teruggetrokken worden en werd als daarvoor.) en Uzzia (2Kr 26:16-2016Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot [zijn eigen] verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om [reukwerk] in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.17Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE [reukwerk] in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om [reukwerk] in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.).

Met het oog op het belang van de toegang tot God toont Jeremia in de laatste regels van vers 2121Zijn Machtige zal één van hem zijn,
zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen.
Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen.
Want wie is hij die met zijn hart borg wordt
om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE.
door een retorische vraag aan dat het geen lichtvaardige zaak is om tot God te naderen. Tot God naderen wordt alleen toegestaan aan de priesters, die in het heilige dienen, terwijl op de grote Verzoendag alleen de hogepriester in het heilige der heiligen mag komen. De vraag houdt een ontkennend antwoord in. Maar als de ware David regeert, zal Israël in waarheid Gods volk zijn en kan God hen openlijk als Zijn volk erkennen (vers 2222En u zult Mij tot een volk zijn
en Ík zal u tot een God zijn.
)
.

Bij de vraag wie met zijn hart borg wordt om tot de HEERE te naderen, kunnen we denken aan de prijs die de Heer Jezus voor Zijn volk op het kruis heeft willen betalen. Daar heeft Hij Zijn hart als borg gesteld. Hij heeft Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld (Js 53:10b10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
)
en de schuld betaald die wij niet konden betalen. Daar heeft de Goddelijke ruil plaatsgevonden: Hij onze zonden en wij Zijn zegen.

In Spreuken 17 lezen we dat iemand “een mens zonder verstand” is als hij zich borg stelt voor zijn naaste (Sp 17:1818Een mens zonder verstand bevestigt [iets] met handslag
[en] stelt zich borg voor zijn naaste.
)
. Je weet immers maar nooit waarvoor je komt te staan. De schuld kan wel zo groot zijn, dat die onbetaalbaar is. Wat de Heer heeft gedaan, is niet ‘zonder verstand’. Hij wist namelijk volmaakt hoe hoog de prijs was en Hij wist dat Hij die kon betalen. Het herinnert ons aan de uitspraak in de brief aan Filémon waar de apostel Paulus als een waar navolger van de Heer Jezus zich tegenover Filémon als borg voor Onésimus aanbiedt (Fm 1:1818En als hij u enig onrecht heeft aangedaan of u iets schuldig is, breng dat mij in rekening.).


Oordeel en dan zegen

23Zie, een storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,
een aanhoudende storm,
op het hoofd van de goddelozen zal hij blijven.
24De brandende toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat begrijpen.

Er volgt nog een woord over de grote verdrukking die hier “een storm van de HEERE” wordt genoemd en “grimmigheid”, “een aanhoudende storm” (vers 2323Zie, een storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,
een aanhoudende storm,
op het hoofd van de goddelozen zal hij blijven.
)
. Dit woord betreft de goddelozen. Zij worden niet verlost. Gods brandende toorn wendt zich niet van hen af, maar blijft op hun hoofd (vgl. Jh 3:36b36Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.). Voordat er zegen kan zijn, moeten de schuldigen worden geoordeeld. Dat wordt juist hier gezegd, opdat de zorgelozen geen valse zekerheid in hun zonden wordt gegeven. Ondanks beloften van hoop blijven Gods morele doeleinden altijd hetzelfde.

De HEERE staat achter het oordeel dat wordt uitgevoerd door Nebukadnezar. Jeremia gebruikt het beeld van een plotselinge storm om dat oordeel te beschrijven. De HEERE doet Zijn werk van de verlossing door het tonen van Zijn kracht in het oordeel. De zegeningen waarover Jeremia heeft gesproken, zijn alleen voor de Godvrezende.

Gods toorn zal zijn volle loop en uitwerking krijgen (vers 2424De brandende toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat begrijpen.
)
. Hij kan niet worden tegengehouden. Voor de gelovige is die ook niet tegen te houden, maar hij mag weten dat hij is afgewend en afgewenteld op de Heer Jezus. Wie niet gelooft, zal zelf Gods toorn moeten dragen. Wij kunnen niet altijd begrijpen hoe God Zijn toorn uit en daarmee de gedachten van Zijn hart tot stand brengt. Maar er komt een tijd dat we dat zullen begrijpen. Veel mogen wij er al van begrijpen als we het boek Openbaring lezen, waar veel over de uitoefening van Gods toorn wordt bekendgemaakt.


Lees verder