Jeremia
1-5 Juda, de trouweloze vrouw 6-11 Juda erger dan Israël 12-13 Oproep tot bekering 14-18 Toekomstige zegen 19-20 Israëls ongehoorzaamheid 21-25 Vermaning tot berouw
Juda, de trouweloze vrouw

1Men zegt:
Als een man zijn vrouw wegstuurt,
zij bij hem weggaat
en [de vrouw] van een andere man wordt,
mag hij nog naar haar terugkeren?
Zou dat land
niet ten zeerste ontheiligd worden?
U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden,
en [dan] naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.
2Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,
waar bent u niet beslapen?
U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,
als een Arabier in de woestijn.
Zo hebt u het land ontheiligd
met uw hoererijen en uw kwaad.
3Daarom werden de regendruppels ingehouden
en is er geen late regen geweest.
U hebt het voorhoofd van een hoer,
u weigert [daarvoor] beschaamd te zijn.
4Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader,
U bent de Leidsman van mijn jeugd?
5– Zou Hij [soms] voor eeuwig [Zijn toorn] handhaven
of [die] voor altijd vasthouden? –
Zie, zo spreekt u, maar u doet
[alles] wat slecht is, en speelt [het] klaar!
Juda en Israël, de twee ontrouwe zusters!

In vers 11Men zegt:
Als een man zijn vrouw wegstuurt,
zij bij hem weggaat
en [de vrouw] van een andere man wordt,
mag hij nog naar haar terugkeren?
Zou dat land
niet ten zeerste ontheiligd worden?
U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden,
en [dan] naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.
vergelijkt de HEERE de verhouding tussen Hem en Jeruzalem met die van een aards huwelijk waarin een man zijn vrouw wegstuurt. Zal die man naar haar terugkeren? Het antwoord is ‘nee’ als zij de vrouw van een andere man is geworden (Dt 24:1-41Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen genade [meer] vindt in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, en hij haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt,2en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en [de vrouw] van een andere man wordt,3en die laatste man [ook] een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft,4dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.). De HEERE heeft Jeruzalem niet weggestuurd, maar ze is zelf weggegaan. Ze wordt echter als weggestuurde vrouw gezien en haar man mag niet naar haar terugkeren, want het land zou daardoor ten zeerste ontheiligd worden. Ze heeft namelijk door haar hoererij met veel vrienden de terugkeer onmogelijk gemaakt.

De HEERE houdt Jeruzalem haar gedrag voor (vers 22Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,
waar bent u niet beslapen?
U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,
als een Arabier in de woestijn.
Zo hebt u het land ontheiligd
met uw hoererijen en uw kwaad.
)
. Ze moest maar eens om zich heen kijken. Is er een plek te vinden waar ze zich niet aan hoererij heeft overgegeven? Ze is schaamteloos langs de wegen gaan zitten om zich aan iedere voorbijganger als hoer aan te bieden (vgl. Gn 38:14-1514Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.; Ez 16:2525Bij elk kruispunt bouwde u uw hoogten. U misbruikte uw schoonheid afschuwelijk, u spreidde uw benen voor ieder die voorbijtrok en maakte uw hoererijen talrijk.; Sp 7:12-1512Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
)
. Ze zit daar als een Arabier in de woestijn die zijn koopwaar aan voorbijgangers aanbiedt. Een Arabier leeft in totale ongebondenheid. Als er geen handel te drijven is, is er altijd wel wat te roven. Zo leeft Jeruzalem. Ze is alleen uit op hoererij. Door haar hoererij en alle bijkomende kwaad heeft ze het hele land ontheiligd. Haar zonden liggen als een bedekking over het land.

De HEERE heeft de regen ingehouden om haar te tuchtigen en tot Hem te laten terugkeren met belijdenis van haar ontrouw (vers 33Daarom werden de regendruppels ingehouden
en is er geen late regen geweest.
U hebt het voorhoofd van een hoer,
u weigert [daarvoor] beschaamd te zijn.
; Lv 26:99Ik zal Mij naar u toewenden, u vruchtbaar en talrijk maken en Mijn verbond met u bevestigen.; Dt 28:23-2423Uw hemel, die boven uw hoofd is, zal van brons zijn, en de aarde, die onder u is, zal van ijzer zijn.24De HEERE zal stuifzand en stof geven als regen voor uw land. Uit de hemel zal het op u neerdalen, totdat u weggevaagd bent.; 1Kn 17:11En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!)
. Hij wil haar laten voelen hoe leeg een leven is dat zich buiten de gemeenschap met Hem afspeelt. Ze heeft echter geen gevoel meer voor het goede. Ze heeft het voorhoofd van een hoer, die schaamteloos bezig is en niet aanspreekbaar is op haar weerzinwekkende gedrag. In hoogmoed gaat ze door en trekt zich niets van de HEERE aan. Ze weigert de zonde te erkennen en ermee te breken.

De HEERE nodigt hen uit Hem aan te roepen met “mijn Vader” (vers 44Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader,
U bent de Leidsman van mijn jeugd?
)
. Hij zegt dat, opdat ze in Hem hun oorsprong zullen erkennen in het bewustzijn dat ze door het dienen van de afgoden zich van Hem, hun oorsprong, hebben losgemaakt. Hij zegt erbij dat ze Hem zullen erkennen als “de Leidsman” van hun jeugd. Dat houdt in dat ze inzien dat ze Hem als Leidsman hebben verworpen en de afgoden zijn gaan dienen.

Maar de HEERE weet hoe ze in hun hart over Hem denken. Al zouden ze tot Hem komen en “mijn Vader” tegen Hem zeggen en Hem als “de Leidsman” van hun jeugd belijden, dan doen ze dat zonder enige belijdenis van hun zonden. Ze doen wel een beroep op Zijn goedertierenheid, als de goede God Die Zijn volk toch wel weer zal aannemen (vers 55– Zou Hij [soms] voor eeuwig [Zijn toorn] handhaven
of [die] voor altijd vasthouden? –
Zie, zo spreekt u, maar u doet
[alles] wat slecht is, en speelt [het] klaar!
Juda en Israël, de twee ontrouwe zusters!
)
, maar ze doen het in huichelarij.

Ze menen dat de goede God wel weer een keer Zijn boosheid zal loslaten. Hij zal toch niet altijd toornig op hen blijven? Hun taal is vleiend, zo spreken ze, maar hun daden zijn slecht. Ze spelen het klaar om vroom te spreken en zondig te handelen. De HEERE doorziet dat en zegt hun dat ook duidelijk. In de uitspraak “u speelt het klaar”, horen we de verbazing van de HEERE over hun ontstellende, glasharde en onverbeterlijk brutale houding. Wij zouden zeggen: ‘Moet je daar nog een woord aan vuil maken?’ Maar waar wij stoppen, gaat God in geduld en genade verder. Dat is een houding die ons moet verbazen.

Dit moet Jeremia als jongeman allemaal tegen Gods volk zeggen. Hier eindigt zijn eerste boodschap met samengevat de hoofdonderwerpen:
1. Israël is schuldig aan vreselijke zonden.
2. De HEERE straft Zijn volk.
3. In tijden van nood willen ze dat de HEERE hen helpt.
4. Ze hebben echter geen waarachtig berouw.


Juda erger dan Israël

6In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij. 7Ik zei, nadat zij al deze dingen gedaan had: Keer terug naar Mij, maar zij keerde niet terug. Dat zag haar trouweloze zuster Juda. 8Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven. 9Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout. 10Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar [slechts] in schijn, spreekt de HEERE. 11Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf [nog] rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.

Hier begint een nieuwe profetie die doorloopt tot Jeremia 6:30. Deze is uitvoeriger dan de voorgaande, Jeremia 2:1-3:5. Hij is uitgesproken “in de dagen van koning Josia” (vers 66In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij.). Dan zijn de tien stammen al vele tientallen jaren in de verstrooiing, weggevoerd door de Assyriërs. In welke periode van de regering van koning Josia we ons hier bevinden, wordt ons niet verteld. Er wordt nader ingegaan op het afwijken van de HEERE door zowel het noordelijke tienstammenrijk als het zuidelijke tweestammenrijk. Toch vinden we tussendoor prachtige beloften van herstel en zegen na hun berouw en dat de goedheid van de HEERE hen nog zal leiden, al is het door de diepste verdrukking.

De HEERE vraagt Jeremia of hij heeft gezien wat “het afvallige Israël gedaan heeft”. Een profeet moet een scherp waarnemer zijn en zien wat de HEERE ziet. De HEERE vertelt hem dat Hij heeft gezien wat het afvallige Israël, de tien stammen, heeft gedaan, hoe ze overal hoererij heeft bedreven. Hij zegt ook tegen Jeremia wat Hij na al haar ontrouw tegen haar heeft gezegd (vers 77Ik zei, nadat zij al deze dingen gedaan had: Keer terug naar Mij, maar zij keerde niet terug. Dat zag haar trouweloze zuster Juda.). Hij heeft haar opgeroepen naar Hem terug te keren. En deed ze dat? Nee, ze deed het niet.

Wat Israël heeft gedaan en wat de HEERE daarom met het afvallige Israël heeft gedaan, is waargenomen door Juda, dat de HEERE hier “haar trouweloze zuster Juda” noemt. Is het gedrag van Israël en wat de HEERE met haar heeft gedaan een waarschuwing voor Juda geweest (vers 88Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.)? Nee, Juda heeft zich niet laten waarschuwen door het voorbeeld van Israël. De HEERE heeft moeten constateren dat Zijn wegzenden van Israël geen enkele indruk op Juda heeft gemaakt. Juda is er niet bang van geworden, maar ging integendeel zelf ook hoererij bedrijven.

Het zijn twee zusters. Met beiden heeft de HEERE in een huwelijksrelatie gestaan. De oudste zuster, Israël, heeft Hij weggestuurd, met een echtscheidingsbrief. Daar zou Juda lering uit hebben moeten trekken. Juda zou hebben moeten zien en ter harte hebben moeten nemen wat er met Israël is gebeurd in het oordeel dat God over hem heeft moeten brengen.

Het is belangrijk dat wij ons laten waarschuwen door wat we in de levens van andere gelovigen zien (vgl. 1Ko 10:6,116En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Als wij niet leren van de dwaasheden van anderen, zijn we nog grotere dwazen dan zij. Wij zijn niet beter en moeten ons niet verbeelden dat wij niet zo slecht zijn als die anderen. Laten we niet menen dat wij onze grenzen wel kennen.

We kunnen in hoogmoed zeggen dat wij wel weten hoeveel we kunnen drinken zonder dronken te worden of hoe hard we kunnen rijden zonder roekeloos te worden. Dan hebben we onze zelfbeheersing tot afgod gemaakt. Het is beter ervan overtuigd te zijn dat we zwak zijn en de waarschuwing ter harte te nemen: “Daarom, laat hij die meent te staan, uitkijken dat hij niet valt” (1Ko 10:1212Daarom, laat hij die meent te staan, uitkijken dat hij niet valt.).

Door het gedrag van Juda is het heilige land, het land van God, ontheiligd. Juda pleegt namelijk “overspel met steen en met hout” (vers 99Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout.). Juda aanbidt de materie en stelt daarop zijn vertrouwen, het maaksel van mensenhanden. Wat hij met zijn mond belijdt, is schijn (vers 1010Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar [slechts] in schijn, spreekt de HEERE.). Zijn hart is niet recht voor God. Dat ziet de HEERE. Hij kent het hart. Niets is voor Hem verborgen, ook niet de diepste motieven. “Alle dingen zijn naakt en geopend” voor Zijn ogen (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.).

Juda doet alsof ze God aanbidden, maar God oordeelt dat Juda nog slechter is dan Israël (vers 1111Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf [nog] rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.; Ez 23:1111Hoewel haar zuster Oholiba [dit] zag, gedroeg zij zich in haar hartstocht nog verderfelijker dan zij en overtrof zij met haar hoererijen de hoererijen van haar zuster.). Vergeleken met Juda lijkt Israël zelfs rechtvaardiger dan Juda. Israël wordt “het afvallige Israël” genoemd en Juda “het trouweloze Juda”. Afvallig worden is erg. Het is het prijsgeven van een bevoorrechte positie. Trouweloosheid is nog erger. Het is het verachten van een bevoorrechte relatie. Toen Israël afvallig werd, wisten ze nog niet wat het oordeel zou zijn. Zij hadden daarvan geen voorbeeld. Juda heeft dat wel. Zij hebben bij Israël gezien wat het oordeel betekent, maar ze hebben zich desondanks niet bekeerd. Bij alle zonden van Israël voegt Juda die van huichelarij.

Hoe is het met de gemeente? Is zij trouw gebleven? Paulus maakte zich grote zorgen dat de gemeente is afgeweken “van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus” (2Ko 11:33Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.). We zien in de christenheid hoeveel afgoderij er binnengekomen is. Christus is allang niet meer het enige voorwerp van het geloof. Het verval en de afval nemen steeds grovere vormen aan. Met een beroep op de Bijbel worden de afschuwelijkste zonden goedgepraat. Het oordeel wordt ver weg gesteld, als men er al in gelooft.


Oproep tot bekering

12Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg:
Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE,
Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,
want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE,
Ik handhaaf [Mijn toorn] niet voor eeuwig.
13Alleen, erken uw ongerechtigheid,
want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen,
en u hebt zich [in alle] richtingen verspreid [op zoek] naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom,
maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE.

In aansluiting op de constatering dat Israël rechtvaardiger lijkt dan Juda geeft de HEERE Jeremia de opdracht tegen het noorden te prediken (vers 1212Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg:
Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE,
Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,
want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE,
Ik handhaaf [Mijn toorn] niet voor eeuwig.
)
. Daar bevindt zich een overblijfsel van de tien stammen. Een aantal jaren geleden heeft koning Hizkia hen uitgenodigd voor het Pascha. Velen hebben hem uitgelachen, maar sommigen zijn toch gekomen (2Kr 30:1,10-111Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.10Zo trokken de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe, maar men lachte hen uit en bespotte hen.11Maar toch vernederden sommigen van Aser, Manasse en van Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem.). Nu biedt de HEERE hun aan tot Hem terug te keren. Hij maakt het aantrekkelijk voor hen door Zich aan hen als “goedertieren” voor te stellen. Ze mogen er ook op rekenen dat Hij Zijn toorn niet voor eeuwig handhaaft als ze komen. Wat een indrukwekkende uitnodiging van een God vol genade!

Het is alsof de HEERE hun nog een keer een kans geeft zich tot Hem te bekeren en gezegend te worden. Alleen moeten ze dan wel hun zonden belijden (vers 1313Alleen, erken uw ongerechtigheid,
want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen,
en u hebt zich [in alle] richtingen verspreid [op zoek] naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom,
maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE.
)
. Ze zijn namelijk tegen Hem, de HEERE, hun God, in opstand gekomen. Dat kan God niet verdragen. In hun rebellie zijn ze naar alle richtingen gegaan om, waar ze ook maar komen, hun afschuwelijke afgoderij te plegen. Dat doen ze, terwijl ze niet luisteren naar Zijn stem. Hun gedrag staat haaks op Zijn wil.


Toekomstige zegen

14Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen. 15Ik zal u herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand. 16En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet [meer] in het hart opkomen. Men zal er niet [meer] aan denken en niet [meer] naar [haar] omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden. 17In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart achternagaan. 18In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.

Hij wil heel graag dat zij naar Hem terugkeren. Hij heeft hen immers getrouwd (vers 14a14Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.)? In deze woorden klinkt het hartstochtelijke verlangen door naar hun terugkeer tot Hem, een liefhebbende God. Hij noemt hen “afkerig” en tegelijk toch ook “kinderen”. Behalve in een relatie van een Vader tot Zijn kinderen staat Hij ook met hen in een huwelijksrelatie, dat wil zeggen een verbondsrelatie. Zij hebben beide relaties opgegeven, maar Hij wil van Zijn kant die relaties niet opgeven. Daarom roept Hij hen op naar Hem terug te keren.

Omdat Hij hen heeft getrouwd, zal Hij hen niet volledig verstoten. Hij zal “één uit een stad en twee uit een geslacht” nemen, dat wil zeggen dat Hij een overblijfsel tot Zich zal nemen (vers 14b14Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.) en daarmee de huwelijksverbinding zal aangaan. Hier en in de volgende verzen schittert iets door van de situatie in het vrederijk. Eenmaal terug in het land zal de HEERE Godvrezende leiders aan hen geven, herders naar Zijn hart. Dat zijn herders die op de ware Herder lijken, de grote Zoon van David. David is “een man naar Zijn hart” (1Sm 13:14b14maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.; Hd 13:2222En na hem te hebben afgezet verwekte Hij hun David tot koning, van wie Hij ook aldus getuigenis gaf: ‘Ik heb David gevonden, de [zoon] van Isaï, een man naar Mijn hart, die Mijn hele wil zal doen’.), de Heer Jezus is dat in volmaakte zin. Deze herders zullen als onderherders de Heer Jezus als de Herder van Zijn volk vertegenwoordigen (vers 1515Ik zal u herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand.). Zij zullen het volk “met kennis en verstand” weiden (vgl. Ps 78:7272Hij heeft hen geweid met een oprecht hart
en hen geleid met zeer bekwame hand.
)
.

Het volk zal dan in de zegen van het vrederijk zijn ingegaan. De uitdrukking “in die dagen” geeft dat aan. Die uitdrukking ziet vaak vooruit naar de tijd van het vrederijk en de tijd die daar direct aan voorafgaat. Ze zullen zich vermeerderen en vruchtbaar worden in het land (vgl. Gn 1:2828En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!). De ark zal niet meer nodig zijn, omdat Hij van Wie de ark spreekt, Christus, de Messias, in hun midden zal zijn (vers 1616En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet [meer] in het hart opkomen. Men zal er niet [meer] aan denken en niet [meer] naar [haar] omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.).

Dat de ark niet meer nodig zal zijn, is voor een oudtestamentische profeet een gewaagde veronderstelling. De ark is het centrum van het godsdienstige leven van Gods volk en de plaats waar de hogepriester het bloed offert op de grote Verzoendag. Maar de ark zal niet langer nodig zijn als een symbool van Gods tegenwoordigheid in het midden van het volk, omdat de heerlijkheid van de HEERE Zelf te midden van Zijn volk zal wonen. We zien hetzelfde in de tempel van Ezechiël die in het vrederijk in Jeruzalem zal staan (Ezechiël 40-43). In die tempel is ook geen ark, ook omdat de heerlijkheid van de HEERE in de tempel woont. Met die tempel verbindt Hij ook Zijn troon (Ez 43:7a7en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.).

De eerste keer dat de ark in de Bijbel wordt genoemd, is bij het ontwerp van de tabernakel dat aan Mozes is getoond (Ex 25:10-2210Ook moeten zij een ark van acaciahout maken; zijn lengte moet tweeënhalve el zijn, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el.11U moet hem met zuiver goud overtrekken; vanbinnen en vanbuiten moet u hem overtrekken en er aan de bovenkant een gouden rand omheen maken.12Dan moet u er vier gouden ringen voor gieten en [die] aan zijn vier voetstukken bevestigen, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan.13Vervolgens moet u draagbomen van acaciahout maken en die overtrekken met goud.14Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.15De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden.16Vervolgens moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.17Dan moet u een verzoendeksel van zuiver goud maken, zijn lengte tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el.18Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken, als gedreven werk moet u ze maken, aan de beide uiteinden van het verzoendeksel.19Maak één cherub aan het uiteinde aan de ene [kant], en één cherub aan het uiteinde aan de andere [kant]; als één geheel met het verzoendeksel moet u de cherubs maken, aan de beide uiteinden ervan.20De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden, terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe [gericht zijn]; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel [gericht] zijn.21Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.22Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.). We zien dat de ark ook in de tempel van Salomo zijn plaats krijgt (1Kn 8:66Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs.). De laatste historische vermelding hebben we tijdens de regering van koning Josia (2Kr 35:33En hij zei tegen de Levieten, die heel Israël onderwezen, die voor de HEERE heilig waren: Plaats de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u behoeft [die niet meer] op uw schouders te dragen. Dien nu de HEERE, uw God, en Zijn volk Israël,). Waarschijnlijk is de ark meegenomen naar Babel, samen met alle andere voorwerpen van de tempel. Opmerkelijk genoeg wordt hij niet genoemd in een opsomming van wat allemaal wordt meegevoerd naar Babel (Jr 52:17-2317En de koperen pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.18Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed, mee.19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – [al] wat geheel van goud en geheel van zilver was.20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, [namelijk] de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.21Wat betreft de pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, [en] hij was hol.22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze [eerste], eveneens granaatappels.23Er waren zesennegentig granaatappels [aangebracht in alle] windrichtingen. [Het totaal van] alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.). Hij is in 586 v.Chr. verloren gegaan en nooit gevonden of vervangen.

De ark is de troon van de HEERE (1Sm 4:4a4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.; 2Kn 19:1515en Hizkia bad voor het aangezicht van de HEERE en zei: HEERE, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.). In de toekomst, “in die tijd” (vers 1717In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart achternagaan.; vers 1616En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet [meer] in het hart opkomen. Men zal er niet [meer] aan denken en niet [meer] naar [haar] omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.), zal heel “Jeruzalem” de nieuwe “Troon van de HEERE” zijn en niet slechts de ark (Ez 48:35b35Achttienduizend [el] rondom. En de naam van de stad zal vanaf [die] dag zijn: DE HEERE IS DAAR.). De stad zal de kenmerken van Zijn regering dragen. Daarom zullen alle volken ernaartoe gaan en daar samenstromen (Js 2:2-32Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
; 56:6-86En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
7hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
8De Heere HEERE,
Die de verdrevenen uit Israël bijeenbrengt, spreekt:
Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen,
naast hen die [al] tot Hem bijeengebracht zijn.
; 60:11-1411Uw poorten zullen steeds openstaan;
dag en nacht zullen ze niet gesloten worden,
opdat men het vermogen van de heidenvolken naar u toe zal brengen
en hun koningen [naar u] toe geleid zullen worden.
12Want het volk en het koninkrijk die u niet zullen dienen, zullen vergaan en die volken zullen totaal verwoest worden.
13De luister van de Libanon zal naar u toe komen,
cipres, plataan en dennenboom tezamen,
om de plaats van Mijn heiligdom aanzien te geven,
en Ik zal de plaats van Mijn voeten verheerlijken.
14Ook zullen, zich buigend, naar u toe komen
de kinderen van hen die u onderdrukt hebben,
en allen die u verworpen hebben, zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen,
en zij zullen u noemen: Stad van de HEERE,
het Sion van de Heilige van Israël.
; Mi 4:1-21Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.2Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
)
. Ze zullen komen naar de Naam van de HEERE die ten nauwste aan Jeruzalem verbonden is. Zijn troon en Zijn Naam, Zijn regering en Zijn Persoon zijn het centrum en de basis van het vrederijk. De volken zullen dat erkennen. Vroeger heeft hun leven bestaan uit het achternagaan van hun verharde, boosaardige hart. Dat is dan voorbij. Ze hebben in Hem een totaal nieuw doel in hun leven.

Juda zal “in die dagen” samen met het overblijfsel van Israël terugkeren naar het land (vers 1818In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.; Mi 2:1212Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al.
Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen.
Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra,
als een kudde midden in zijn weide.
Het zal er gonzen van de mensen.
)
. Hier spreekt Jeremia over een terugkeer van Juda, wat betekent dat ook Juda uit het land zal worden weggevoerd. Ze komen uit het noorden, uit de richting waar hun vijanden vandaan zijn gekomen, zowel Assyrië als Babel, en hen hebben weggevoerd. In het vrederijk zullen de beide rijken weer herenigd zijn en zal het één volk zijn (Ez 37:16-1716En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.). Ze zullen wonen in het land van de beloften die de HEERE aan de vaderen heeft gedaan dat zij het erfelijk zullen bezitten.


Israëls ongehoorzaamheid

19Ík had wel gezegd:
Hoe kan Ik u tot kinderen maken
en u een begerenswaardig land geven,
het sierlijke erfelijk bezit van de heidenvolken?
Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader,
en u zult zich van achter Mij niet afkeren.
20Voorwaar, [zoals] een vrouw haar [levens]gezel ontrouw wordt,
zo bent u Mij ontrouw geworden, huis van Israël, spreekt de HEERE.

In deze verzen staan het voornemen en verlangen van God en de ontrouw van het volk tegenover elkaar. God heeft Zijn volk tot Zijn kinderen willen maken en hen in een sieraadland, “een begerenswaardig land”, “het sierlijke erfelijk bezit” laten wonen, (vers 1919Ík had wel gezegd:
Hoe kan Ik u tot kinderen maken
en u een begerenswaardig land geven,
het sierlijke erfelijk bezit van de heidenvolken?
Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader,
en u zult zich van achter Mij niet afkeren.
)
. Hij wilde van hen een reactie horen die Hij mocht verwachten, een reactie van dankbaarheid, wederliefde en trouw. Hij wilde dat zij tot Hem “mijn Vader” zouden roepen (vgl. Js 64:8a8Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
)
en dat zij zich niet meer van achter Hem zouden afkeren.

Maar in plaats daarvan is het volk Hem ontrouw geworden (vers 2020Voorwaar, [zoals] een vrouw haar [levens]gezel ontrouw wordt,
zo bent u Mij ontrouw geworden, huis van Israël, spreekt de HEERE.
)
. Er staat niet eens bij dat het volk andere goden is gaan dienen. De nadruk ligt op het feit dat zij ondanks zoveel liefde van de HEERE Hem ontrouw zijn geworden en niet bij Hem zijn gebleven. Dat is een grote smart voor de HEERE.


Vermaning tot berouw

21Er wordt een geluid gehoord op de kale hoogten,
een geween, smeekbeden door de Israëlieten,
want zij hebben hun weg krom gemaakt,
zij hebben de HEERE, hun God, vergeten.
22Keer terug, afkerige kinderen,
Ik zal [u] van uw afdwalingen genezen.
Zie, [hier] zijn wij. Wij komen tot U,
want U bent de HEERE, onze God.
23Voorwaar, tevergeefs [verwacht men het] van de heuvels,
[en] de menigte van de bergen.
Voorwaar, in de HEERE, onze God,
is het heil van Israël.
24Die schande heeft
de arbeid van onze vaderen verslonden, van onze jeugd af,
hun schapen en hun runderen,
hun zonen en hun dochters.
25Wij liggen in onze schande
en onze smaad overdekt ons,
want tegen de HEERE, onze God, hebben wij gezondigd,
wij en onze vaderen, van onze jeugd af
tot op deze dag,
wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God.

Het geluid van smeekbeden wordt gehoord “op de kale hoogten”, dat zijn de plaatsen waar het volk afgoderij bedrijft (vers 2121Er wordt een geluid gehoord op de kale hoogten,
een geween, smeekbeden door de Israëlieten,
want zij hebben hun weg krom gemaakt,
zij hebben de HEERE, hun God, vergeten.
; vers 22Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,
waar bent u niet beslapen?
U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,
als een Arabier in de woestijn.
Zo hebt u het land ontheiligd
met uw hoererijen en uw kwaad.
)
. Omdat hun afwijken van de HEERE niet het verwachte resultaat heeft opgeleverd, huilen en smeken ze nu. Het antwoord van God daarop is een antwoord van wonderbare genade. Hij roept Zijn “afkerige kinderen” op terug te keren (vers 22a22Keer terug, afkerige kinderen,
Ik zal [u] van uw afdwalingen genezen.
Zie, [hier] zijn wij. Wij komen tot U,
want U bent de HEERE, onze God.
)
. Als ze dat doen, kan Hij hen van hun afdwalingen genezen. Wie terugkeert tot de HEERE met oprecht berouw over zijn zonden, zal geen verlangen meer hebben terug te keren naar de modderpoel van de zonde.

Jeremia belijdt de toestand van het volk, waarmee hij zich een maakt. Door de mond van Jeremia zegt het volk dat zij tot Hem komen en erkennen ze dat Hij de HEERE hun God is (vers 22b22Keer terug, afkerige kinderen,
Ik zal [u] van uw afdwalingen genezen.
Zie, [hier] zijn wij. Wij komen tot U,
want U bent de HEERE, onze God.
)
. Ze erkennen ook dat ze hun heil tevergeefs bij de afgoden op de heuvels en de menigte van de bergen hebben gezocht (vers 2323Voorwaar, tevergeefs [verwacht men het] van de heuvels,
[en] de menigte van de bergen.
Voorwaar, in de HEERE, onze God,
is het heil van Israël.
)
. Hun heil, de behoudenis van Israël, is alleen in de HEERE hun God.

Het volk ziet dat ze vanaf hun jeugd schande over zich hebben gehaald door tegen de HEERE te zondigen (verzen 24-2524Die schande heeft
de arbeid van onze vaderen verslonden, van onze jeugd af,
hun schapen en hun runderen,
hun zonen en hun dochters.
25Wij liggen in onze schande
en onze smaad overdekt ons,
want tegen de HEERE, onze God, hebben wij gezondigd,
wij en onze vaderen, van onze jeugd af
tot op deze dag,
wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God.
)
. Ze belijden de zonde van hun vaderen en ook die van henzelf, “wij en onze vaderen”. Er is geen enkele verontschuldiging meer, geen poging om hun zonden te verbergen of goed te praten. Ze erkennen dat de oorzaak ligt in het niet luisteren naar de stem van de HEERE, hun God.

Als wij terugkijken, hebben we nooit spijt van wat we goed hebben gedaan. Spijt hebben we alleen als we terugkijken naar de verkeerde dingen die we hebben gedaan (vgl. Rm 6:2121Welke vrucht had u dan toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is [de] dood.). Dat zijn dingen die, toen ze vóór ons waren, toen we ernaar keken, aantrekkelijk leken om te doen.


Lees verder