Jeremia
1-4 Hananja spreekt Jeremia tegen 5-9 Jeremia’s beroep op het verleden 10-11 Het antwoord van Hananja 12-14 Jeremia’s krachtiger verklaring 15-17 Dood van de profeet Hananja
Hananja spreekt Jeremia tegen

1Het gebeurde in hetzelfde jaar, aan het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, [dat] de profeet Hananja, de zoon van Azzur, die uit Gibeon [kwam], voor de ogen van de priesters en van heel het volk in het huis van de HEERE tegen mij zei: 2Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik zal het juk van de koning van Babel breken! 3Binnen twee volle jaren breng Ik alle voorwerpen van het huis van de HEERE naar deze plaats terug, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht. 4Ook breng Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die in Babel zijn gekomen, naar deze plaats terug, spreekt de HEERE, want Ik breek het juk van de koning van Babel.

Uit vers 11Het gebeurde in hetzelfde jaar, aan het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, [dat] de profeet Hananja, de zoon van Azzur, die uit Gibeon [kwam], voor de ogen van de priesters en van heel het volk in het huis van de HEERE tegen mij zei: blijkt dat het eerste vers van het vorige hoofdstuk ook het koningschap van Zedekia betreft (Jr 27:11In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE tot Jeremia:). In het vierde jaar van Zedekia treedt er een valse profeet op, Hananja. Deze man komt uit Gibeon, een plaats met een godsdienstige historie. Daar heeft de tabernakel gestaan in de laatste dagen van David en de eerste dagen van Salomo. Deze plaats heeft traditie.

Hananja waagt het in de Naam van de HEERE van de legermachten de valse profetie uit te spreken dat de HEERE het juk van de koning van Babel binnenkort zal breken (vers 22Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik zal het juk van de koning van Babel breken!). Hij doet dat “voor de ogen van de priesters en van heel het volk”. Met zijn valse profetie beïnvloedt hij zowel de godsdienstige leiders als het gewone volk. Hij laadt daarmee een grote verantwoordelijkheid op zich.

Wat hij zegt, druist volledig in tegen wat Jeremia, de profeet uit Anathoth, in de Naam van de HEERE heeft gesproken. Hierdoor wordt het volk met twee tegengestelde boodschappen geconfronteerd die allebei in de Naam van de HEERE zijn uitgesproken. Wat moeten ze geloven? Ze geloven niet de woorden van de HEERE, maar de boodschap die hen het meeste bevalt, de boodschap van een spoedig herstel. Mogelijk is de aanleiding daartoe het verbond dat Zedekia met andere naties heeft gesloten om zich gezamenlijk tegen Babel te verweren (Jr 27:33en stuur ze naar de koning van Edom, naar de koning van Moab, naar de koning van de Ammonieten, naar de koning van Tyrus en naar de koning van Sidon, door de hand van de gezanten die naar Jeruzalem komen naar Zedekia, de koning van Juda.). Menselijke inspanningen om zich te bevrijden van een juk spreken hen meer aan dan zich voor de HEERE te verootmoedigen.

Hananja is zelfs zo vermetel te zeggen dat binnen twee volle jaren de HEERE alle voorwerpen van de tempel uit Babel terugbrengt naar Jeruzalem (vers 33Binnen twee volle jaren breng Ik alle voorwerpen van het huis van de HEERE naar deze plaats terug, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht.). Hij benadrukt het tijdselement door dat als eerste te noemen. Ook voorspelt hij de terugkeer van Jechonia en alle ballingen (vers 44Ook breng Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die in Babel zijn gekomen, naar deze plaats terug, spreekt de HEERE, want Ik breek het juk van de koning van Babel.). Ook dat doet hij in de Naam van de HEERE. Hieruit blijkt dat zijn voorkeur en ook die van het volk uitgaat naar Jechonia boven Zedekia. Nog eens spreekt hij het uit dat de HEERE het juk van de koning van Babel zal breken.


Jeremia’s beroep op het verleden

5Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja voor de ogen van de priesters en voor de ogen van heel het volk, die in het huis van de HEERE stonden, 6– toen zei de profeet Jeremia: Amen, zo doe de HEERE! Moge de HEERE de woorden die u geprofeteerd hebt, bevestigen door de voorwerpen van het huis van de HEERE en door alle ballingen uit Babel terug te brengen naar deze plaats. 7Maar luister toch naar dit woord, dat ik spreek ten aanhoren van u en ten aanhoren van heel het volk: 8De profeten die vóór mij en vóór u vanouds geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van onheil en van pest. 9[Maar] van de profeet die profeteert van vrede, als het woord van die profeet uitkomt, van die profeet zal erkend worden dat de HEERE hem in waarheid heeft gezonden.

Jeremia richt zich tot de profeet Hananja, terwijl de priesters en het volk staan toe te kijken (vers 55Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja voor de ogen van de priesters en voor de ogen van heel het volk, die in het huis van de HEERE stonden,). Hier staat profeet tegenover profeet. Hananja staat ogenschijnlijk sterk. Hij heeft een krachtige, aangename boodschap, die er bij het volk goed ingaat. Jeremia heeft een zwak voorkomen. Hij staat met een juk op zijn nek en heeft een onaangename boodschap. Maar we zien in Jeremia hoe Gods kracht in zwakheid werkt.

Jeremia spreekt niet voor hun oren, maar voor hun “ogen”. Zij staan erbij en kijken ernaar. Met een ‘amen’ stemt Jeremia in met wat Hananja heeft gezegd (vers 66– toen zei de profeet Jeremia: Amen, zo doe de HEERE! Moge de HEERE de woorden die u geprofeteerd hebt, bevestigen door de voorwerpen van het huis van de HEERE en door alle ballingen uit Babel terug te brengen naar deze plaats.). Hij bedoelt daarmee dat hij wel zou willen dat Hananja gelijk heeft. Hij weet echter dat het niet zo is. De ballingschap zal niet twee jaar, maar zeventig jaar duren. Dat heeft de HEERE gesproken. De tijd zal leren dat de profetie van Hananja een leugenprofetie is (Dt 13:1-51Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft,2en dat teken of dat wonder waarvan hij tot u gesproken had, komt en hij zegt: Laten we achter andere goden aan gaan, die u niet kent, en laten we die dienen,3luister [dan] niet naar de woorden van die profeet of naar hem die die dromen heeft! Want de HEERE, uw God, stelt u [dan] op de proef om te weten of u de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.4Achter de HEERE, uw God, moet u aan gaan, Hem moet u vrezen, Zijn geboden moet u in acht nemen en Zijn stem gehoorzamen; Hem moet u dienen en u aan Hem vasthouden.5En die profeet of hij die die dromen heeft, moet gedood worden, omdat hij heeft opgeroepen afvallig te worden aan de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis verlost heeft; [en] omdat hij u [wilde] afbrengen van de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft daarop te gaan. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.).

Dan richt hij zich tot de oren van Hananja en tot de oren van het volk (vers 77Maar luister toch naar dit woord, dat ik spreek ten aanhoren van u en ten aanhoren van heel het volk:). Hij wijst erop dat Hananja en hij niet de eerste profeten zijn (vers 88De profeten die vóór mij en vóór u vanouds geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van onheil en van pest.). Er zijn al heel wat profeten voor hen geweest. We kunnen daarbij denken aan Jesaja, Amos, Micha. Tot wie en wat hebben zij geprofeteerd? Ze hebben tegen vele landen en grote koninkrijken geprofeteerd “van oorlog, van onheil en van pest”. Ze hebben geen aangename boodschap gebracht. Dat dit echte profeten zijn, kunnen ze allemaal weten. Ze hebben immers gezien dat hun profetieën zijn uitgekomen.

Van de profeet die van vrede profeteert, dat is Hananja, moet dat nog blijken. Als de voorspelde vrede uitkomt, zal van die profeet erkend worden dat de HEERE hem in waarheid heeft gezonden (vers 99[Maar] van de profeet die profeteert van vrede, als het woord van die profeet uitkomt, van die profeet zal erkend worden dat de HEERE hem in waarheid heeft gezonden.; Dt 18:20-2220Maar de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.21Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat de HEERE niet gesproken heeft?22Wanneer die profeet in de Naam van de HEERE spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, [dan] is dat een woord dat de HEERE niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.). Jeremia kan zo spreken, omdat hij weet dat Hananja een leugenprofeet is. Het kenmerk van een leugenprofeet is dat hij altijd voorspoed voorspelt zonder er enige voorwaarde aan te verbinden en zonder de noodzaak van bekering.


Het antwoord van Hananja

10Toen nam de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia af en brak het. 11En Hananja zei voor de ogen van heel het volk: Zo zegt de HEERE: Zo zal Ik binnen twee volle jaren het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de nek van alle volken breken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.

Hananja zou gewillig moeten zijn om op de HEERE te wachten of zijn profetie ook zou uitkomen. Hij weet echter dat hij zijn profetie verzint. Wat Jeremia zegt, maakt hem bang. Hij is te trots om toe te geven dat hij leugen profeteert. Zijn reactie bestaat uit een daad en een verklaring daarvan. Om indruk te maken op het volk onderstreept hij zijn woorden met een gewelddadige actie. Hij neemt het juk van de nek van de profeet Jeremia en breekt het (vers 1010Toen nam de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia af en brak het.). Hij kan het niet langer aanzien. Dit juk, dit symbool van onderwerping en onderdrukking, is een doorn in zijn oog. Dat moet stuk. Alsof daarmee de betekenis ervan ook tenietgedaan zou zijn.

Het volk staat erbij en kijkt ernaar (vers 1111En Hananja zei voor de ogen van heel het volk: Zo zegt de HEERE: Zo zal Ik binnen twee volle jaren het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de nek van alle volken breken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.). Hananja voegt aan zijn daad de verklaring toe die het volk aangenaam in de oren zal hebben geklonken. Als hij de betekenis van zijn daad uitlegt, begint hij zijn woorden weer met de formule die echte profeten gebruiken. Weer misbruikt hij de Naam van de HEERE.

We horen geen reactie van de priesters of het volk. Zij zullen instemmend hebben geknikt bij de woorden die Hananja spreekt. Dit is tenminste taal van hoop, vinden ze. Verlossing op korte termijn. Ook Jeremia reageert niet, maar gaat “zijns weegs”. Hij gaat geen woordenstrijd aan. Soms is het beter te zwijgen en weg te gaan, dan nog langer tegen een leugenprofeet in te gaan. Hij weet dat hij de HEERE aan zijn zijde heeft.

Hierin is Jeremia een voorbeeld voor iedere dienaar van de Heer. Hij heeft krachtig getuigd tegen het kwaad voor koningen en vorsten, voor priesters en volk. Hier doet hij dat niet meer. Hij is uitgepraat met Hananja en begint geen woordenstrijd “die tot niets dient dan tot ondergang van de hoorders” (2Tm 2:1414Breng dit in herinnering en betuig voor God dat zij geen woordenstrijd voeren, die tot niets dient dan tot ondergang van de hoorders.). Het is goed om op zeker moment niet meer in te gaan op de beweringen van de tegenstanders van God en Zijn Woord. Jeremia laat het aan de HEERE over om tussen een profeet en een profeet te oordelen.


Jeremia’s krachtiger verklaring

12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia had gebroken: 13Ga tegen Hananja zeggen: Zo zegt de HEERE: Jukken van hout hebt u gebroken, nu zult u in plaats daarvan jukken van ijzer maken. 14Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een juk van ijzer gelegd op de nek van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel te dienen, en zij zullen hem dienen, ja, Ik heb hem ook de dieren van het veld gegeven.

De HEERE spreekt tot Jeremia, nadat “de profeet Hananja” het juk van de nek van “de profeet Jeremia” had gebroken (vers 1212Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia had gebroken:). Zowel Jeremia als Hananja wordt in hun confrontatie telkens weer profeet genoemd. Het is een grote beproeving te worden tegengestaan door mensen die dezelfde positie in Gods volk hebben. Jeremia heeft de zaak in de handen van de HEERE gegeven. Van Hem krijgt hij nu de opdracht tegen Hananja te profeteren (vers 1313Ga tegen Hananja zeggen: Zo zegt de HEERE: Jukken van hout hebt u gebroken, nu zult u in plaats daarvan jukken van ijzer maken.).

Hij moet tegen hem zeggen dat de houten jukken die hij heeft gebroken, vervangen zullen worden door ijzeren jukken (Dt 28:4848zult u uw vijanden, die de HEERE op u af zal sturen, dienen met honger en dorst, met naaktheid en gebrek aan alles. Hij zal u een ijzeren juk op de hals leggen, totdat Hij u wegvaagt.). Het houten juk is het zachte juk van de wil van God. Het ijzeren juk is het harde juk van de zonde. Die jukken zal hij zelf maken, dat wil zeggen die komen op hem door zijn eigen schuld. Het aanzetten tot opstand, die niets zal baten, heeft Hananja alleen maar een nog zwaardere overheersing opgeleverd. De HEERE zal dat doen door Nebukadnezar aan wie Hij de macht over al de volken gegeven heeft, waarbij Hij ook de dieren van het veld in zijn hand heeft gegeven (vers 1414Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een juk van ijzer gelegd op de nek van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel te dienen, en zij zullen hem dienen, ja, Ik heb hem ook de dieren van het veld gegeven.).


Dood van de profeet Hananja

15Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen. 16Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen afvallig te worden van de HEERE. 17En de profeet Hananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand.

Jeremia heeft nog een woord voor Hananja persoonlijk (vers 1515Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen.). Het is een bewogen woord, een oproep om toch te luisteren en zijn zonde in te zien dat hij niet gezonden is door de HEERE en het volk op leugen heeft doen vertrouwen. Misschien is het een oproep zoals Jozua eens aan Achan heeft gedaan (Jz 7:1919Toen zei Jozua tegen Achan: Mijn zoon, geef de HEERE, de God van Israël, toch de eer en doe voor Hem belijdenis. Vertel mij toch wat u gedaan hebt, verberg het niet voor mij.). Het oordeel staat evenwel vast. De HEERE gaat hem verwerpen van de aardbodem (vers 1616Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen afvallig te worden van de HEERE.). Hananja heeft opgeroepen afvallig te worden, niet van Babel, maar van de HEERE. Dit is de zonde van de antichrist, van wie Hananja een beeld is (vgl. Js 22:15-1915Zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten:
Ga, treed binnen
bij die hofmaarschalk, bij Sebna, het hoofd van de hofhouding, [en zeg:]
16Wat hebt u hier of wie hebt u hier,
dat u hier voor uzelf een graf hebt uitgehouwen?
Dat houwt zich in de hoogte een graf uit,
hakt zich in de rots een woning uit!
17Zie, de HEERE werpt u weg met de werpkracht van een man,
en rolt u op als een rol.
18Hij zal u helemaal ineenrollen tot een kluwen,
als een bal naar een wijd uitgestrekt land werpen.
Daar zult u sterven en daar zullen uw praalwagens zijn,
[u,] schandvlek van het huis van uw heer!
19Ik zal u wegstoten uit uw ambt;
hij zal u van uw post verdrijven.
)
.

In het Hebreeuws is er een woordspeling in vers 1515Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen. en vers 1616Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen afvallig te worden van de HEERE.. Omdat de HEERE Hananja “niet gezonden” (lo-selahaka) heeft, zegt Hij dat Hij hem weg “zal zenden” (mesallehaka) van de aardbodem, dat wil zeggen dat hij zal sterven. Anders gezegd: Hananja is niet als profeet door de HEERE tot Zijn volk gezonden, maar wordt nu wel door de HEERE uit het leven weggezonden.

Jeremia noemt ook een termijn. Het is de termijn waarbinnen Hananja zal sterven, dat is binnen zeven maanden. Halverwege dat jaar, twee maanden na de aankondiging (vers 11Het gebeurde in hetzelfde jaar, aan het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, [dat] de profeet Hananja, de zoon van Azzur, die uit Gibeon [kwam], voor de ogen van de priesters en van heel het volk in het huis van de HEERE tegen mij zei:), sterft Hananja door het oordeel van God (vers 1717En de profeet Hananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand.; vgl. Ez 11:1313En het gebeurde terwijl ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep met luide stem: Ach, Heere HEERE, maakt U een [vernietigend] einde aan het overblijfsel van Israël?).

Het zijn twee maanden die de HEERE aan zijn leven toevoegt, waarin hij nog gebruik zou hebben kunnen maken van de genade. Of hij dat heeft gedaan, weten we niet. Met zijn dood is het gezag van de ware profeet bevestigd. Deze gebeurtenissen onderstrepen de dienst van Jeremia.


Lees verder