Jeremia
Inleiding 1-6 De tempeltoespraak 7-11 Arrestatie en veroordeling van Jeremia 12-15 Verdediging van Jeremia 16-19 Vrijlating van Jeremia 20-24 De moord op Uria
Inleiding

De tempeltoespraak in de verzen 1-61In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE:2Zo zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan en spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen [in] het huis van de HEERE, alle woorden die Ik u geboden heb tot hen te spreken. Doe er geen woord van af.3Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, allen van hun slechte weg. Dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden.4Zeg dan tegen hen: Zo zegt de HEERE: Als u niet naar Mij wilt luisteren door te wandelen volgens Mijn wet, die Ik u heb voorgehouden,5door te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren, de profeten, die Ik vroeg en laat tot u zend, en u niet hebt willen luisteren,6dan zal Ik dit huis maken als Silo, en deze stad zal Ik maken tot een vloek voor alle volken van de aarde. is te zien als een samenvatting van de tempeltoespraak in Jeremia 7. Daar gaat het om de inhoud van de boodschap van Jeremia, terwijl het in dit hoofdstuk vooral gaat om de reactie van alle toehoorders, die daarna wordt beschreven.


De tempeltoespraak

1In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE: 2Zo zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan en spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen [in] het huis van de HEERE, alle woorden die Ik u geboden heb tot hen te spreken. Doe er geen woord van af. 3Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, allen van hun slechte weg. Dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden. 4Zeg dan tegen hen: Zo zegt de HEERE: Als u niet naar Mij wilt luisteren door te wandelen volgens Mijn wet, die Ik u heb voorgehouden, 5door te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren, de profeten, die Ik vroeg en laat tot u zend, en u niet hebt willen luisteren, 6dan zal Ik dit huis maken als Silo, en deze stad zal Ik maken tot een vloek voor alle volken van de aarde.

De gebeurtenissen in dit hoofdstuk vinden plaats “in het begin van het koningschap van Jojakim” (vers 11In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE:). Die in het vorige hoofdstuk vinden plaats in het vierde jaar van Jojakim (Jr 25:11Het woord dat tot Jeremia is gekomen over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda – dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel –). We gaan dus terug in de tijd. Jeremia moet naar de tempel gaan en in de voorhof prediken tot het volk dat daar komt om zich daar neer te buigen voor de HEERE (vers 22Zo zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan en spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen [in] het huis van de HEERE, alle woorden die Ik u geboden heb tot hen te spreken. Doe er geen woord van af.). De voorhof is een verzamelplaats van mensen. Daar heeft Jeremia een groot gehoor.

Hij moet tot hen alle woorden spreken die de HEERE hem heeft geboden om te spreken. Hij mag er niets van afdoen. Dat zegt de HEERE omdat de boodschap hard is en Jeremia geneigd kan zijn die te verzachten door iets weg te laten. Die neiging heeft iedere dienaar van het Woord. Het is ook vaak gebeurd dat de boodschap van Gods Woord is aangepast aan de natuurlijke mens. Dat mag niet gebeuren. We moeten de hele raad van God verkondigen en niets achterhouden (vgl. Hd 20:2727want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.).

Gods doel met de prediking van Jeremia is de bekering van Zijn volk (vers 33Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, allen van hun slechte weg. Dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden.). “Misschien” zullen ze luisteren. De HEERE veronderstelt dat ze toch nog luisteren. Als ze luisteren en zich bekeren, zal Hij berouw krijgen over het kwaad dat Hij van plan is over hen te brengen. We zien hier het voornemen van God om boosdoeners te straffen. We zien hier ook dat Hij gelegenheid geeft aan die straf te ontkomen. De voorwaarde is eveneens duidelijk: bekering.

Wat God gaat doen als zij zich niet bekeren, wordt net zo duidelijk door Jeremia voorgesteld. Hij moet tegen hen zeggen wat er gebeurt als zij niet naar de HEERE luisteren (vers 44Zeg dan tegen hen: Zo zegt de HEERE: Als u niet naar Mij wilt luisteren door te wandelen volgens Mijn wet, die Ik u heb voorgehouden,). Luisteren is niet alleen horen, maar ook gehoorzamen, wat zal blijken uit een wandelen volgens de wet van de HEERE die Hij hun heeft voorgehouden. De HEERE heeft Zich ingespannen om Zijn volk de wet voor te houden, want Hij heeft Zijn dienaren, de profeten, voortdurend tot hen gezonden (vers 55door te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren, de profeten, die Ik vroeg en laat tot u zend, en u niet hebt willen luisteren,). Hij moet echter vaststellen dat ze niet hebben willen luisteren.

Blijft dit zo, dan zal Hij het huis waar ze gekomen zijn om zich neer te buigen (vers 11In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE:) – dat is de tempel –, maken als Silo (vers 66dan zal Ik dit huis maken als Silo, en deze stad zal Ik maken tot een vloek voor alle volken van de aarde.; Jr 7:1414zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.). Jeruzalem zal in plaats van een zegen (vgl. Gn 12:33Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.) een vloek worden voor alle volken van de aarde.


Arrestatie en veroordeling van Jeremia

7De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van de HEERE. 8Het gebeurde zodra Jeremia geëindigd had uit te spreken alles wat de HEERE geboden had tot heel het volk te spreken, dat de priesters, de profeten en heel het volk hem grepen en zeiden: U zult zeker sterven! 9Waarom hebt u in de Naam van de HEERE geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner [meer] is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de HEERE. 10Toen nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, kwamen zij uit het huis van de koning [naar] het huis van de HEERE, en gingen bij de ingang van de nieuwe poort [van het huis] van de HEERE, zitten. 11Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf [verdiend], want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.

Het gezelschap van luisteraars dat zich in de voorhof van de tempel bevindt, hoort Jeremia spreken (vers 77De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van de HEERE.). We zouden denken dat een dergelijk gezelschap van aanbidders openstaat voor het woord van de HEERE. Het tegendeel is echter het geval. Ze zijn ten diepste beledigd. Ze laten Jeremia uitspreken, maar dan grijpen ze hem, terwijl ze roepen dat hij zeker zal sterven (vers 88Het gebeurde zodra Jeremia geëindigd had uit te spreken alles wat de HEERE geboden had tot heel het volk te spreken, dat de priesters, de profeten en heel het volk hem grepen en zeiden: U zult zeker sterven!). Nog voordat het proces is gevoerd, staat de veroordeling al vast. De priesters en de profeten staan hierbij vooraan. Zij die het volk moeten voorgaan in het dienen van de HEERE, gaan het volk voor in het verwerpen van Zijn profeet. Voor hen allen is Jeremia een valse profeet en ze willen hem als zodanig berechten (vgl. Dt 18:2020Maar de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.). Zo is het ook met de Heer Jezus gegaan.

De aanklacht wordt direct geuit door de priesters en de profeten. Ze vinden het ontoelaatbaar dat Jeremia de teloorgang van de tempel en de stad, hun nationale trots, heeft aangekondigd (vers 99Waarom hebt u in de Naam van de HEERE geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner [meer] is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de HEERE.). Hij heeft het zelfs gewaagd dit in de Naam van de HEERE te doen. Zoiets kan nooit van de HEERE zijn, zo beweren ze. Over de oproep van Jeremia om zich te bekeren reppen ze met geen woord.

Dan lezen we voor de eerste, maar niet de laatste keer dat het leven van Jeremia wordt bedreigd. De hele woedende menigte komt op hem af, wat een angstaanjagende ervaring voor hem moet zijn. Ook Paulus en Stéfanus en bovenal de Heer Jezus hebben te midden van woede menigten gestaan die hen in hun godsdienstige fanatisme wilden vermoorden. Bij Stéfanus zijn zijn woorden over de tempel voor de leiders van het volk doorslaggevend in het besluit hem om ter dood te brengen (Hd 6:1313En zij brachten valse getuigen voor, die zeiden: Deze mens houdt niet op woorden te spreken tegen <deze> heilige plaats en de wet;).

De politieke leiders van het volk horen het rumoer en komen uit het huis van de koning naar de tempel (vers 1010Toen nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, kwamen zij uit het huis van de koning [naar] het huis van de HEERE, en gingen bij de ingang van de nieuwe poort [van het huis] van de HEERE, zitten.; vgl. Hd 21:31-3231En terwijl zij hem trachtten te doden, werd aan de overste van de legerafdeling gemeld dat heel Jeruzalem in verwarring was;32deze nam onmiddellijk soldaten en hoofdlieden met zich mee en liep snel op hen af. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan.). Ze nemen plaats in de nieuwe poort van de tempel om recht te spreken (vgl. Dt 21:18-1918Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, [ook] als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert,19moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn [woon]plaats.; Ru 4:1-111Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.3Toen zei hij tegen de losser: Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht.4En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zei: Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden.6Toen zei de losser: Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan [het] niet lossen.7Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.8Dus zei de losser tegen Boaz: Koopt u het voor uzelf. En hij trok zijn schoen uit.9Toen zei Boaz tegen de oudsten en heel het volk: U bent vandaag getuigen dat ik van de hand van Naomi alles gekocht heb wat van Elimelech geweest is, en alles wat van Chiljon en Machlon geweest is.10Daarbij neem ik voor mijzelf Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, tot vrouw om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden, opdat de naam van de gestorvene niet zal worden uitgewist onder zijn broeders en in de poort van zijn [woon]plaats. U bent vandaag getuigen.11En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Doe krachtige daden in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem.). De priesters en profeten richten zich tot de rechters en het hele volk en eisen dat Jeremia gedood wordt, want hij heeft hun nationale trots gekrenkt (vers 1111Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf [verdiend], want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.). Dat vraagt toch niet om nadere uitleg, want de vorsten hebben het toch zelf gehoord?


Verdediging van Jeremia

12Maar Jeremia zei tegen al de vorsten en tegen heel het volk: De HEERE heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren alle woorden die u gehoord hebt. 13Nu dan, maak uw wegen en uw daden goed en luister naar de stem van de HEERE, uw God. Dan zal het de HEERE berouwen over het kwaad dat Hij over u uitgesproken heeft. 14Ik echter, zie, ik ben in uw hand. Doe met mij zoals goed en recht is in uw ogen. 15Alleen moet u goed weten: als u mij doodt, brengt u onschuldig bloed over uzelf, over deze stad en over de inwoners ervan, want in waarheid, de HEERE heeft mij naar u toe gezonden om al deze woorden ten aanhoren van u uit te spreken.

Jeremia verdedigt zich tegen de aanklacht van de priesters en de profeten, waarbij hij zich richt tot al de vorsten en heel het volk (vers 1212Maar Jeremia zei tegen al de vorsten en tegen heel het volk: De HEERE heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren alle woorden die u gehoord hebt.). Hij spreekt zonder aarzeling, moedig en ernstig, zonder de vraag om hem genadig te zijn. Hij beroept zich op zijn roeping door de HEERE. Zijn eerste verweer is dat hij door niemand anders dan door de HEERE gezonden is. Hij heeft Diens woorden gesproken. Daar heeft hij zelf ook rust in en daarom kan hij onbevreesd verder getuigen. Onverschrokken herhaalt hij, dat de HEERE het kwaad niet zal laten komen als ze luisteren naar Zijn stem (vers 1313Nu dan, maak uw wegen en uw daden goed en luister naar de stem van de HEERE, uw God. Dan zal het de HEERE berouwen over het kwaad dat Hij over u uitgesproken heeft.). Ze kunnen zich nog bekeren.

Wat hemzelf betreft, weet hij dat zijn leven in de hand van de HEERE is. Daarom kan hij zeggen dat hij in hun hand is en dat ze met hem mogen doen naar wat recht is in hun ogen (vers 1414Ik echter, zie, ik ben in uw hand. Doe met mij zoals goed en recht is in uw ogen.), want met de wil van de HEERE rekenen ze toch niet. Hij probeert niet zich aan hun macht te onttrekken en pleit niet voor zijn leven. Hij kijkt de dood moedig in de ogen.

Hij laat hun echter wel weten dat ze onschuldig bloed vergieten als ze hem doden en dat bloed daarom over zichzelf, de stad en de inwoners brengen (vers 1515Alleen moet u goed weten: als u mij doodt, brengt u onschuldig bloed over uzelf, over deze stad en over de inwoners ervan, want in waarheid, de HEERE heeft mij naar u toe gezonden om al deze woorden ten aanhoren van u uit te spreken.). Dat is ook zo gebeurd met het vermoorden van de Heer Jezus (Mt 27:2525En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed over ons en over onze kinderen!). Jeremia blijft zonder vrees belijden dat hij de waarheid heeft gezegd. De HEERE heeft hem gezonden met de woorden die hij heeft gesproken. Hem vermoorden verandert daar niets aan.


Vrijlating van Jeremia

16Toen zeiden de vorsten en heel het volk tegen de priesters en tegen de profeten: Deze man heeft niet de doodstraf [verdiend], want hij heeft in de Naam van de HEERE, onze God, tot ons gesproken. 17Ook stonden er mannen op uit de oudsten van het land. Zij zeiden tegen heel het verzamelde volk: 18Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Sion zal [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem zal [tot] puinhopen worden
en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
19Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ooit ter dood laten brengen? Vreesde hij niet de HEERE? Trachtte hij niet het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, zodat het de HEERE berouwde over het kwaad dat Hij over hen uitgesproken had? Wij zijn bezig onszelf een groot kwaad aan te doen!

De rechters en heel het volk zijn overtuigd van de onschuld van Jeremia (vers 1616Toen zeiden de vorsten en heel het volk tegen de priesters en tegen de profeten: Deze man heeft niet de doodstraf [verdiend], want hij heeft in de Naam van de HEERE, onze God, tot ons gesproken.). Hier is het volk het weer met de rechters eens. De volksmassa verandert zo gemakkelijk van mening (vgl. vers 99Waarom hebt u in de Naam van de HEERE geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner [meer] is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de HEERE.). Dat zien we ook bij hun beoordeling van de Heer Jezus, maar dan omgekeerd. Eerst roepen ze “hosanna! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer” (Jh 12:1313namen zij de takken van de palmbomen en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer, <en:> De Koning van Israël!), en vijf dagen later “weg met [Hem]! Weg met [Hem]! Kruisig Hem!” (Jh 19:1515Zij dan riepen: Weg met [Hem]! Weg met [Hem]! Kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Moet ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan de keizer.).

De rechters richten zich tot de aanklagers, de priesters en de profeten. Ze spreken Jeremia tegenover hen vrij van de aanklacht en bevestigen de waarheid van wat hij heeft gezegd. Ze erkennen hem als een man die in de Naam van de HEERE tot hen heeft gesproken. Dat is anders dan het bij de Heer Jezus is gegaan. Hoewel Pilatus meerdere keren van Hem zegt dat Hij niets heeft gedaan wat de dood verdient, eist het volk, onder aanvoering van de priesters, dat Hij zal worden gedood. Die eis willigt Pilatus in.

De vorsten worden in hun beoordeling van Jeremia bijgevallen door mannen uit de oudsten van het land (vers 1717Ook stonden er mannen op uit de oudsten van het land. Zij zeiden tegen heel het verzamelde volk:). Die wijzen op een soortgelijk geval uit de geschiedenis van Gods volk dat ook tegen de tempel is gepredikt. Wij zouden zeggen: ze kennen hun Bijbel en weten daaruit het juiste te citeren op het juiste moment. Ze herinneren aan de profeet Micha uit Moreset (Mi 1:11Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz [en] Jehizkia, de koningen van Juda, [en] dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.), die in de dagen van Hizkia heeft geprofeteerd met woorden die veel lijken op wat Jeremia heeft gezegd (vers 1818Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Sion zal [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem zal [tot] puinhopen worden
en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
)
. Ze citeren daarbij de woorden van Micha (Mi 3:1212Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
. Net als de oudsten moeten ook wij een trouwe prediker van het Woord niet afwijzen, maar ontvangen, ook al bevalt zijn boodschap ons niet direct.

De oudsten wijzen op de reactie van Hizkia op de prediking van Micha. Ze doen dat in de vorm van enkele vragen waarop slechts één antwoord mogelijk is. Door dat op deze wijze te doen worden de hoorders gedwongen zelf dat antwoord te geven. Hizkia en heel Juda hebben Micha niet ter dood gebracht, want hij vreesde de HEERE (vers 1919Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ooit ter dood laten brengen? Vreesde hij niet de HEERE? Trachtte hij niet het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, zodat het de HEERE berouwde over het kwaad dat Hij over hen uitgesproken had? Wij zijn bezig onszelf een groot kwaad aan te doen!). Hizkia heeft de boodschap ook ter harte genomen, want hij zocht de gunst van de HEERE om het kwaad af te wenden.

De laatste woorden van de oudsten zijn een waarschuwing. Ze erkennen dat ze bezig zijn zichzelf een groot kwaad aan te doen door hun verwerping van Jeremia. Maar de vraag is of er ook een echt werk in het geweten is. Het citeren van Gods Woord is goed. Het bewaart voor het begaan van een misdaad. Maar gebeurt dit om zelf niet in problemen te raken of gebeurt het uit een overtuigd geweten voor God? Ze zijn inderdaad bezig zichzelf een groot kwaad aan te doen. Maar waar is het bewustzijn dat ze bezig zijn God grote oneer aan te doen door niet naar Hem te luisteren?


De moord op Uria

20Er was nog een man die in de Naam van de HEERE profeteerde: Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land overeenkomstig al de woorden van Jeremia. 21Toen koning Jojakim met al zijn dappere helden en al de vorsten zijn woorden hoorden, wilde de koning hem ter dood brengen. Toen Uria [dat] hoorde, werd hij bevreesd. Hij vluchtte en kwam in Egypte, 22maar koning Jojakim stuurde mannen [naar] Egypte: Elnathan, de zoon van Achbor, en [andere] mannen met hem, naar Egypte. 23Die haalden Uria uit Egypte en brachten hem naar koning Jojakim. Toen sloeg hij hem met het zwaard en wierp zijn dode lichaam op de begraafplaats van het gewone volk. 24Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, zodat men hem niet overgaf in de hand van het volk om hem ter dood te brengen.

Er wordt op nog een profeet gewezen en wel op Uria (vers 2020Er was nog een man die in de Naam van de HEERE profeteerde: Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land overeenkomstig al de woorden van Jeremia.). Net als Micha uit het vorige gedeelte, heeft ook hij een boodschap gepredikt gelijk aan die van Jeremia. Net als Jeremia heeft ook Uria zich niet geliefd gemaakt. Als Jojakim de woorden van Uria hoort, wil hij hem doden (vers 2121Toen koning Jojakim met al zijn dappere helden en al de vorsten zijn woorden hoorden, wilde de koning hem ter dood brengen. Toen Uria [dat] hoorde, werd hij bevreesd. Hij vluchtte en kwam in Egypte,). Dat maakt het contrast duidelijk met Hizkia, die boog voor de woorden die Micha sprak. Micha hoefde niet te vluchten. Zijn woorden zijn in goede aarde gevallen. Uria wordt wel genoodzaakt om te vluchten, want zijn woorden stuiten op groot verzet. Soms moeten dienaren vluchten.

Uria vlucht naar Egypte. Daar is hij echter niet veilig, want Jojakim is zo kwaad op hem, dat hij een groep mannen onder aanvoering van Elnathan achter hem aan stuurt (vers 2222maar koning Jojakim stuurde mannen [naar] Egypte: Elnathan, de zoon van Achbor, en [andere] mannen met hem, naar Egypte.). Zij brengen Uria bij Jojakim die hem met het zwaard doodt en zijn dode lichaam met minachting behandelt (vers 2323Die haalden Uria uit Egypte en brachten hem naar koning Jojakim. Toen sloeg hij hem met het zwaard en wierp zijn dode lichaam op de begraafplaats van het gewone volk.). Hij werpt zijn dode lichaam op de begraafplaats voor het gewone volk. Hij wordt niet begraven in zijn familiegraf.

Jeremia blijft echter gespaard (vers 2424Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, zodat men hem niet overgaf in de hand van het volk om hem ter dood te brengen.). Om hem uit de hand van zijn beschuldigers te redden gebruikt de HEERE Ahikam, de zoon van Safan [zie over Safan en zijn zonen en kleinzonen aan het einde van het dit hoofdstuk]. Ahikam heeft nog onder Josia gediend (2Kn 22:1212Toen gaf de koning [de volgende] opdracht aan de priester Hilkia, aan Ahikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan, en Asaja, de dienaar van de koning:). Hij is de vader van Gedalja, die door Nebukadnezar tot gouverneur over Juda is aangesteld (Jr 39:1414Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.; 40:13-1613Maar Johanan, de zoon van Kareah, en alle de bevelhebbers van de legers die in het veld waren, kwamen naar Gedalia in Mizpa.14Zij zeiden tegen hem: Weet u wel dat Baälis, de koning van de Ammonieten, Ismaël, de zoon van Nethanja, gestuurd heeft om u om het leven te brengen? Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen echter niet.15Daarop zei Johanan, de zoon van Kareah, in Mizpa in het geheim tegen Gedalia: Laat mij toch eropuit gaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, doodslaan, en niemand zal het weten. Waarom zou hij u om het leven brengen, zodat heel Juda dat zich bij u gevoegd heeft, verspreid wordt en het overblijfsel van Juda omkomt?16Gedalia, de zoon van Ahikam, zei echter tegen Johanan, de zoon van Kareah: Doe deze zaak niet, want u spreekt leugens over Ismaël.; 41:1-31Het gebeurde echter in de zevende maand [dat] Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, [iemand] van koninklijken bloede, en de bevelhebbers van de koning en tien mannen met hem, naar Gedalia, de zoon van Ahikam, in Mizpa kwamen. Samen gebruikten zij daar de maaltijd in Mizpa.2Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, met de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dood met het zwaard. Zo bracht hij hem ter dood die de koning van Babel over het land had aangesteld.3Ismaël versloeg alle Judeeërs die bij hem, [namelijk] bij Gedalia, in Mizpa waren, en de Chaldeeën, de strijdbare mannen, die zich daar bevonden.; 2Kn 25:2222Maar over het volk dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven – daarover stelde hij Gedalia aan, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan.). Ahikam stelt zich aan de zijde van Jeremia en voorkomt daarmee dat deze in de hand van het volk gegeven wordt om hem te doden.

Wij kunnen niet nagaan waarom Uria wordt gedood en Jeremia gespaard blijft. Het is ermee als met Jakobus die door Herodes met het zwaard wordt gedood, terwijl de Heer Petrus uit de gevangenis bevrijdt en zo voorkomt dat Herodes ook hem met het zwaard doodt (Hd 12:1-101Omstreeks die tijd nu sloeg koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente om hun kwaad te doen;2en hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met [het] zwaard.3Toen hij nu zag dat het de Joden welgevallig was, ging hij verder door ook Petrus gevangen te nemen (het waren nu <de> dagen van de ongezuurde broden),4die hij ook, na hem te hebben gegrepen, in [de] gevangenis zette en overleverde aan vier viertallen soldaten om hem te bewaken, daar hij hem na het Pascha voor het volk wilde brengen.5Petrus werd dus in de gevangenis bewaakt, maar door de gemeente werd vurig een gebed tot God voor hem gedaan.6Toen nu Herodes hem zou laten voorkomen, sliep Petrus in die nacht tussen twee soldaten, geboeid met twee ketenen; en wachters voor de deur bewaakten de gevangenis.7En zie, een engel van [de] Heer kwam bij hem staan en een licht scheen in de cel; en door de zijde van Petrus aan te stoten wekte hij hem en zei: Sta vlug op. En zijn ketenen vielen van zijn handen.8De engel nu zei tot hem: Omgord u en bind uw sandalen aan. En hij deed aldus. En hij zei tot hem: Werp uw mantel om en volg mij.9En hij ging naar buiten en volgde. En hij wist niet, dat wat door de engel plaatsvond, waar was, maar hij meende een gezicht te zien.10Toen zij nu door [de] eerste en [de] tweede wacht waren gegaan, kwamen zij bij de ijzeren poort die naar de stad leidt, die vanzelf voor hen openging. En zij gingen naar buiten en gingen één straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.).

Safan en zijn zonen en kleinzonen

Safan en (enkele van) zijn zonen en kleinzonen spelen in de laatste jaren van Juda een belangrijke rol. Safan is de schrijver van koning Josia, die Josia de vondst van het wetboek meldt (2Kn 22:3-133Het gebeurde nu in het achttiende jaar van koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, naar het huis van de HEERE stuurde om te zeggen:4Ga naar de hogepriester Hilkia, en laat hem [al] het geld gereedleggen dat in het huis van de HEERE gebracht is, dat de deurwachters bij het volk ingezameld hebben.5Laten zij het de uitvoerders van het werk in handen geven die aangesteld zijn over het huis van de HEERE, zodat die het [weer] aan de uitvoerders van het werk kunnen geven die in het huis van de HEERE zijn, om de bouwvallige [gedeelten] van het huis te herstellen:6aan de timmerlieden, de bouwlieden en de metselaars, om hout en gehouwen stenen te kopen om het huis te herstellen.7Maar er hoeft door hen geen rekenschap te worden afgelegd van het geld dat hun in handen gegeven is, want zij handelen oprecht.8Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. Hilkia gaf die boek[rol] aan Safan, en die las het.9Daarna kwam de schrijver Safan bij de koning en bracht de koning verslag uit. Hij zei: Uw dienaren hebben het geld dat in het huis gevonden is, ingezameld en in handen gegeven van de uitvoerders van het werk die aangesteld zijn over het huis van de HEERE.10Ook vertelde de schrijver Safan aan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek[rol] gegeven. En Safan las die de koning voor.11Het gebeurde nu, toen de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.12Toen gaf de koning [de volgende] opdracht aan de priester Hilkia, aan Ahikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan, en Asaja, de dienaar van de koning:13Ga de HEERE raadplegen, voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van deze boek[rol] die gevonden is. Want de grimmigheid van de HEERE die tegen ons is ontstoken, is groot, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van deze boek[rol] en niet gehandeld hebben overeenkomstig alles wat voor ons geschreven is.). Van vier zonen wordt ons in de Schrift iets meegedeeld:
1. Ahikam. Deze zoon wordt door Josia naar de profetes Hulda gestuurd om naar de betekenis van het gevonden wetboek te vragen (2Kn 22:12-2012Toen gaf de koning [de volgende] opdracht aan de priester Hilkia, aan Ahikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan, en Asaja, de dienaar van de koning:13Ga de HEERE raadplegen, voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van deze boek[rol] die gevonden is. Want de grimmigheid van de HEERE die tegen ons is ontstoken, is groot, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van deze boek[rol] en niet gehandeld hebben overeenkomstig alles wat voor ons geschreven is.14Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de [priester]kleding – zij woonde in Jeruzalem, in het nieuwe gedeelte – en zij spraken met haar.15Zij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg tegen de man die u naar Mij toe gestuurd heeft:16Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga onheil over deze plaats brengen en over de inwoners ervan, [namelijk] al de woorden van de boek[rol] die de koning van Juda gelezen heeft,17omdat zij Mij verlaten en andere goden reukoffers gebracht hebben, zodat zij Mij tot toorn verwekt hebben met al het werk van hun handen. Daarom zal Mijn grimmigheid ontsteken tegen deze plaats en niet uitgeblust worden.18Maar tegen de koning van Juda, die u gestuurd heeft om de HEERE te raadplegen, tegen hem moet u dit zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat betreft de woorden die u gehoord hebt –19omdat uw hart week geworden is en u zich voor het aangezicht van de HEERE vernederd hebt, toen u hoorde wat Ik tegen deze plaats en de inwoners ervan gesproken heb, dat ze tot een verwoesting en vervloeking zullen worden, en omdat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht gehuild hebt – daarom heb Ík [u] ook verhoord, spreekt de HEERE.20Daarom, zie, Ik ga u met uw vaderen verenigen en u zult met vrede in uw graf bijgezet worden; uw ogen zullen al het onheil dat Ik over deze plaats ga brengen, niet zien. Daarop brachten zij de koning verslag uit.). Hij voorkomt dat Jeremia wordt gedood.
2. Gemarja. Deze zoon dringt er bij Jojakim op aan de boekrol van Jeremia niet te vernietigen (Jr 36:12,2512daalde hij af naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. En ziedaar, alle vorsten zaten er: de schrijver Elisama, Delaja, de zoon van Semaja, Elnathan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Hananja, en alle vorsten.25Toch hadden Elnathan, Delaja en Gemarja er bij de koning op aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij heeft niet naar hen geluisterd.).
3. Elasa. Deze zoon neemt de brief van Jeremia mee naar de ballingen (Jr 29:1-31Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem gestuurd heeft aan de rest van de oudsten van de ballingen, aan de priesters, aan de profeten en aan heel het volk dat Nebukadnezar van Jeruzalem in ballingschap had gevoerd naar Babel2– nadat koning Jechonia, de koningin-moeder, de hovelingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem vertrokken waren –3door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel gestuurd heeft, naar Nebukadnezar, de koning van Babel:).
4. Jaäzanja. Deze zoon neemt deel aan de afgodendienst in de tempel (Ez 8:11-1211En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël stonden ervoor, terwijl Jaäzanja, de zoon van Safan, in hun midden stond, ieder met zijn wierookvat in zijn hand, terwijl een geurige wolk van reukwerk opsteeg.12Daarop zei Hij tegen mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël in de duisternis doen, ieder in de kamer [waar] zijn afbeelding zich bevindt? Want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.).
Ook van twee kleinzonen van Safan wordt ons iets meegedeeld:
1. Gedalja, de zoon van Ahikam. Deze kleinzoon wordt door Nebukadnezar aangesteld tot gouverneur van Juda (Jr 39:1414Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.; 40:55Zolang hij nog niet terugkeert, wendt u zich dan tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel heeft aangesteld over de steden van Juda, en verblijf bij hem te midden van het volk. Of ga daarheen, waar het in uw ogen juist is te gaan. Daarop gaf de bevelhebber van de lijfwacht hem voedsel voor onderweg en een geschenk, en liet hij hem gaan.).
2. Michaja, de zoon van Gemarja. Deze kleinzoon deelt aan de vorsten mee dat de boekrol van Jeremia door Baruch wordt voorgelezen (Jr 36:11-2511Toen Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van de HEERE uit die boek[rol] hoorde,12daalde hij af naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. En ziedaar, alle vorsten zaten er: de schrijver Elisama, Delaja, de zoon van Semaja, Elnathan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Hananja, en alle vorsten.13Michaja maakte hun alle woorden bekend die hij gehoord had, toen Baruch ten aanhoren van het volk uit die boek[rol] voorlas.14Toen stuurden alle vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cusji, naar Baruch, om te zeggen: De rol waaruit u ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die in uw hand en kom. Baruch, de zoon van Neria, nam de rol in zijn hand en kwam naar hen toe.15Zij zeiden tegen hem: Ga toch zitten en lees ten aanhoren van ons deze voor. En Baruch las ten aanhoren van hen voor.16Nu gebeurde het, zodra zij alle woorden hoorden, [dat] zij elkaar angstig aankeken en tegen Baruch zeiden: Al deze woorden moeten wij beslist aan de koning bekendmaken.17Zij vroegen Baruch: Maak ons toch bekend, hoe hebt u al deze woorden [die] uit zijn mond [kwamen], opgeschreven?18Baruch zei tegen hen: Met zijn [eigen] mond deelde hij mij al deze woorden mee, terwijl ik ze met inkt op deze boek[rol] schreef.19Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia, zodat niemand weet waar u bent.20Zij gingen naar de koning in de voorhof [van het koninklijk paleis], maar de rol legden zij weg in de kamer van de schrijver Elisama. Toen maakten zij al deze woorden bekend ten aanhoren van de koning.21Daarop stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Toen las Jehudi eruit voor ten aanhoren van de koning en ten aanhoren van al de vorsten die rondom de koning stonden.22Terwijl de koning [in] het winterpaleis zat – het was de negende maand – met vóór hem een brandend kolenbekken,23gebeurde het, zodra Jehudi drie of vier kolommen had voorgelezen, [dat de koning] ze met een schrijversmes afsneed en in het vuur wierp dat in het kolenbekken was, totdat heel de rol verteerd was in het vuur dat in het kolenbekken was.24Zij schrokken niet en zij scheurden hun kleding niet, de koning evenmin als al zijn dienaren, die al deze woorden gehoord hadden.25Toch hadden Elnathan, Delaja en Gemarja er bij de koning op aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij heeft niet naar hen geluisterd.).


Lees verder