Jeremia
Inleiding 1-3 Het visioen van de manden met vijgen 4-7 Verklaring van de goede vijgen 8-10 Betekenis van de slechte vijgen
Inleiding

We hebben in dit hoofdstuk een verklaring van de beide wegen die in Jeremia 21 zijn voorgesteld: de weg naar het leven en de weg naar de dood (Jr 21:8-98En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor.9Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn.). De verklaring wordt voorgesteld in het beeld van twee manden met vijgen, een mand met goede vijgen en een mand met slechte vijgen. Men mag elke zegen van God verwachten als men zich eerst vernedert. We moeten eerst erkennen dat we het oordeel verdienen, dan krijgen we de zegen. De Rechter Die veroordeelt, wordt dan de Gever van zegen.


Het visioen van de manden met vijgen

1De HEERE liet mij zien, en zie, twee manden met vijgen waren neergezet voor de tempel van de HEERE, nadat Nebukadrezar, de koning van Babel, Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda en de vorsten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem in ballingschap gevoerd had, en hen naar Babel gebracht had. 2[In] de ene mand zaten zeer goede vijgen, zoals de eerste vroege vijgen zijn. [In] de andere mand zaten zeer slechte vijgen, die vanwege [hun] slechte [kwaliteit] niet te eten waren. 3Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, maar de slechte zeer slecht, die vanwege [hun] slechte [kwaliteit] niet te eten zijn.

De HEERE vestigt de aandacht van Jeremia op twee manden met vijgen die voor de tempel van de HEERE zijn neergezet (vers 11De HEERE liet mij zien, en zie, twee manden met vijgen waren neergezet voor de tempel van de HEERE, nadat Nebukadrezar, de koning van Babel, Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda en de vorsten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem in ballingschap gevoerd had, en hen naar Babel gebracht had.). Dat ze voor de tempel worden neergezet, maakt dat deze manden herinneren aan de mand van de eerstelingen. Die mand wordt door de priester voor het altaar neergezet (Dt 26:1-41En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het [zó] zijn2dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.3U moet naar de priester gaan die er in die dagen zal zijn, en tegen hem zeggen: Ik verklaar heden voor de HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land dat de HEERE onze vaderen gezworen heeft ons te geven.4Daarop zal de priester de korf uit uw hand nemen en die neerzetten voor het altaar van de HEERE, uw God.). Daarvan is hier geen sprake.

Het is de tijd dat de eerste wegvoering heeft plaatsgevonden (2Kn 24:8-168Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Nehusta, de dochter van Elnathan, uit Jeruzalem.9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader gedaan had.10In die tijd trokken de dienaren van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem, en de stad werd belegerd.11Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam [zelf] naar de stad, toen zijn dienaren die belegerden.12Toen ging Jojachin, de koning van Juda, [de stad] uit naar de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. De koning van Babel nam hem [gevangen] in het achtste jaar van zijn regering.13En hij voerde vandaar alle schatten van het huis van de HEERE weg, en [ook] de schatten van het huis van de koning. Hij haalde alle gouden voorwerpen weg die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van de HEERE gemaakt had, zoals de HEERE gesproken had.14Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.15Hij voerde Jojachin weg naar Babel. Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hovelingen en de heersers van het land voerde hij in ballingschap uit Jeruzalem naar Babel.16Ook alle strijdbare mannen, zevenduizend [in aantal], en de ambachtslieden en smeden, duizend [in aantal, en] alle helden die geoefend waren in de strijd. De koning van Babel voerde hen in ballingschap naar Babel.; 2Kr 36:9-109Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.10Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.). Nebukadnezar heeft de leiders weggevoerd, zodat het volk zonder leiding is. Hij heeft ook de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem weggevoerd en naar Babel gebracht, zodat het volk ook geen mensen heeft die hen van verdedigingsmiddelen en wapens kunnen voorzien.

De inhoud van beide manden met vijgen wordt ons meegedeeld. In de ene mand zitten “zeer goede vijgen” (vers 22[In] de ene mand zaten zeer goede vijgen, zoals de eerste vroege vijgen zijn. [In] de andere mand zaten zeer slechte vijgen, die vanwege [hun] slechte [kwaliteit] niet te eten waren.). Deze goede vijgen zijn “zoals de eerste vroege vijgen”, dat zijn vijgen die als eerstelingen aan de HEERE moeten worden geofferd (Dt 14:2222Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven.). Ze zijn goed om te eten (Js 28:4b4En de verwelkende bloem van zijn schitterend sieraad
op het hoofd van de vruchtbare vallei
zal zijn als een vroege vijg vóór de zomer:
als iemand die ziet,
slokt hij die meteen op uit zijn hand.
; Hs 9:1010Ik vond Israël als druiven in de woestijn;
als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,
zag Ik uw vaderen.
Zíj gingen [echter] naar Baäl-Peor,
wijdden zich aan die schande.
Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.
)
. De HEERE zegt daarvan: “Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen” (Mi 7:1c1Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.
)
. In de andere mand zitten zeer slechte vijgen, die zo slecht zijn, dat ze niet te eten zijn. De slechte kwaliteit wordt wel heel nadrukkelijk vermeld.

Dan stelt de HEERE Jeremia de vraag wat hij ziet (vers 33Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, maar de slechte zeer slecht, die vanwege [hun] slechte [kwaliteit] niet te eten zijn.; vgl. Jr 1:11,1311Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.13Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
)
. Jeremia moet goed weergeven wat hij ziet, opdat de HEERE hem ook de betekenis duidelijk kan maken. Zijn antwoord is dat hij vijgen ziet en ook dat er een groot verschil is tussen de vijgen. Hij beschrijft ze precies zoals ze in het vorige vers beschreven zijn. Daaruit blijkt dat hij ze ziet zoals de HEERE ze ziet.


Verklaring van de goede vijgen

4Toen kwam het woord van de HEERE tot mij: 5Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede. 6Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken 7Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.

Dan gaat de HEERE de betekenis ervan geven (vers 44Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:). Als “de HEERE, de God van Israël”, de God van Zijn volk, Die Zijn volk door en door kent, vertelt Hij Jeremia wat de vijgen voorstellen. Hij begint met de goede vijgen (vers 55Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede.). De goede vijgen zijn zij die door Hem in ballingschap zijn gestuurd. Zij zijn wel weg uit Zijn land, maar niet uit Zijn hart. Hij kent hen ten goede omdat zij Zijn tucht hebben aanvaard. Wat dat goede is, verklaart Hij vervolgens. We horen wat Hij zal doen, waaruit blijkt dat Hij een volheid van zegen voor hen in gedachten heeft.

Ze zijn wel onder Zijn tucht, maar Zijn oog blijft op hen gericht ten goede (vers 66Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken). Als wij dat ook beseffen ondanks al onze ontrouw, is dat al een grote zegen. Zijn goedheid laat Hij zien door hen naar dit land te doen terugkeren. De ballingschap is niet definitief, maar tijdelijk. Hij zal hen bouwen en niet, zoals het nu lijkt, afbreken. Hij zal hen planten en niet, zoals het nu lijkt, wegrukken. Het herstel zal volledig zijn. Dit volledige herstel is niet gekomen nadat na zeventig jaar ballingschap een overblijfsel uit Babel terugkeert naar het land. Dat is een gedeeltelijk en ook tijdelijk herstel. Het volle herstel zal plaatsvinden in de eindtijd.

De goede vijgen zijn in zichzelf niet beter dan de andere vijgen. Ze zijn goed omdat ze zich buigen onder Gods oordeel. Daarom zal de HEERE hen “kennen ten goede” (vers 55Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede.) en Zijn oog “op hen gericht houden ten goede” (vers 66Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken). Alle nadruk valt op het feit dat Hij de ballingen ten goede zal aanzien. Dat gaat regelrecht in tegen de opvatting van de achtergeblevenen, die met minachting op de weggevoerden neerzien, terwijl ze zichzelf als de getrouwen zien.

De HEERE zal de weggevoerden ook een hart geven om Hem te kennen (vers 77Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.). Dan zullen ze in een nauwe relatie met Hem staan. Ze zullen Hem als de HEERE kennen, de God van het verbond, Die al Zijn beloften vervult. Zij zullen Zijn volk zijn en Hij hun God. Dat zal zo zijn omdat zij zich tot Hem bekeren “met heel hun hart”. Dan is er volkomen harmonie tussen de HEERE en Zijn volk omdat Zijn volk helemaal in overeenstemming is met Zijn plan.


Betekenis van de slechte vijgen

8Maar zoals de slechte vijgen, die vanwege hun slechte [kwaliteit] niet te eten zijn – want zo zegt de HEERE – zo zal Ik Zedekia maken, de koning van Juda, zijn vorsten, het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in het land Egypte wonen. 9Ik zal hen voor alle koninkrijken van de aarde tot een schrikbeeld stellen hoe slecht [het kan aflopen], tot smaad en tot een spreekwoord, tot een voorwerp van spot en tot een vloek in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven. 10Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven.

Het oordeel over de slechte vijgen, dat zijn de achtergeblevenen in Jeruzalem, is vernietigend. Ook de mand met slechte vijgen staat voor de tempel (vers 88Maar zoals de slechte vijgen, die vanwege hun slechte [kwaliteit] niet te eten zijn – want zo zegt de HEERE – zo zal Ik Zedekia maken, de koning van Juda, zijn vorsten, het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in het land Egypte wonen.; vers 11De HEERE liet mij zien, en zie, twee manden met vijgen waren neergezet voor de tempel van de HEERE, nadat Nebukadrezar, de koning van Babel, Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda en de vorsten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem in ballingschap gevoerd had, en hen naar Babel gebracht had.). Deze slechte vijgen zijn overrijpe, rotte vijgen, die niet te eten zijn. Het zijn de offers die God verafschuwt (vgl. Ml 1:7-87[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.8En als u een blind [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn? [Dit] zegt de HEERE van de legermachten.). Deze offers worden gebracht door mensen die wel godsdienstig zijn, maar er een eigenwillige godsdienst op na houden. Ze vragen zich niet af wat God wil, maar vullen zelf in waarmee God tevreden moet zijn, terwijl ze zichzelf vleien met de gedachte dat ze God dan toch maar offers brengen.

De slechte vijgen stellen Zedekia en allen die in Jeruzalem zijn achtergebleven voor en ook hen die menen aan de ballingschap ontkomen te zijn door naar Egypte te vluchten. Zij hebben zich niet onder de tucht van God gebogen. Aan Gods tucht is echter niet te ontkomen. Hij zal een zwaardere tucht over hen brengen (vers 99Ik zal hen voor alle koninkrijken van de aarde tot een schrikbeeld stellen hoe slecht [het kan aflopen], tot smaad en tot een spreekwoord, tot een voorwerp van spot en tot een vloek in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.). Wat hen zal overkomen van de hand van de HEERE, zal voor alle koninkrijken van de aarde een voorbeeld zijn waarvan ze zullen schrikken. De smaad zal groot zijn. Ze zullen tot een spreekwoord worden en een voorwerp van spot en vloek. Dat zullen ze zijn in alle plaatsen waarheen de HEERE hen alsnog zal verdrijven.

Allen die in het land zijn achtergebleven in de mening dat de vijand hen niet zal kunnen overwinnen, zullen daar door geweld, gebrek of ziekte omkomen (vers 1010Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven.). Daardoor zullen ze worden weggedaan uit het land dat de HEERE hun en hun vaderen heeft gegeven, maar waarop zij een claim legden.


Lees verder