Jeremia
1-4 De valse herders 5-8 De rechtvaardige SPRUIT 9-12 Veroordeling van de valse profeten 13-15 Valse profetie in Samaria en Jeruzalem 16-22 De woorden van de leugenprofeten 23-32 Gods oordeel over de leugenprofeten 33-40 De last van de HEERE
De valse herders

1Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en [overal] verspreiden, spreekt de HEERE. 2Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen [overal] verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE. 3Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden. 4Ik zal over hen herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.

De HEERE richt het woord tot de valse herders, de huurlingen die de schapen van Zijn weide ombrengen en overal verspreiden (vers 11Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en [overal] verspreiden, spreekt de HEERE.). Dat zijn niet alleen de vier slechte koningen uit de vorige hoofdstukken, maar al de leiders van Juda. De taak van een herder is om schapen te voeden en te beschermen en de kudde bij elkaar te houden (Jh 10:11-1311Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.13En de huurling vlucht>, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.). Hij, “de HEERE, de God van Israël”, veroordeelt deze herders om wat zij met Zijn volk doen (vers 22Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen [overal] verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.). Hij zal hun slechte daden aan hen vergelden.

Het raakt Hem diep dat deze herders Zijn volk zo verspreiden. Hij vergelijkt Zijn volk met een kudde schapen die in Zijn weide, het land van Israël, weiden (Ps 74:11Een onderwijzing van Asaf.
O God, waarom hebt U [ons] voor altijd verstoten?
[Waarom] ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?
; 79:1313Dan zullen wíj, Uw volk en de schapen van Uw weide,
U voor eeuwig loven;
van generatie op generatie
zullen wij van Uw roem vertellen.
; 95:77Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide
en de schapen van Zijn hand.
Heden, indien u Zijn stem hoort,
; 100:33Weet dat de HEERE God is;
Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –
Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
)
. Schapen hebben elkaar en een herder nodig. Een schaap alleen en zonder herder is hopeloos verloren. In plaats van de schapen bij elkaar te houden verspreiden deze herders hen. Door de ontrouw van de herders zijn de schapen door de Assyriërs in verstrooiing weggevoerd. In plaats van de schapen veiligheid te bieden verdrijven ze hen. In plaats van de schapen te verzorgen zien ze niet naar hen om. Het zijn waardeloze herders (Ez 34:1-101Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.7Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!8[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben.9Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!10Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet [meer] tot voedsel zijn.).

De HEERE zal Zelf de zorg voor Zijn schapen op Zich nemen (vers 33Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.). Hij zal hen bijeenbrengen uit de landen van de verstrooiing waar ze terechtgekomen zijn. Hij zal dat doen door Zijn rechtvaardige SPRUIT (verzen 5-85Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
6In Zijn dagen zal Juda verlost worden
en Israël onbezorgd wonen.
Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
7Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,8maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.
)
. Een kleine voorvervulling van de terugkeer naar het land zien we in de terugkeer van een overblijfsel uit Babel onder Jozua en Zerubbabel.

Opmerkelijk is dat eerst van de herders wordt gezegd dat zij de schapen verspreiden en verdrijven, maar dat de HEERE hier zegt dat Hij hen verdreven heeft. Het is allebei waar. Het gedrag en de toestand van de leiders van het volk hebben de HEERE geen andere keus gelaten dan de schapen te verstrooien. Maar de verantwoordelijkheid daarvoor legt Hij bij deze leiders.

Hij is ook machtig om hen terug te brengen naar hun schaapskooien, plaatsen van veiligheid en verzorging. Door Zijn zorg zullen ze vruchtbaar zijn en talrijk worden. Het bijeenbrengen in schaapskooien kunnen we toepassen op het bijeenbrengen van verstrooide kinderen van God in plaatselijke gemeenten, om daar vruchtbaar te zijn en talrijk te worden. Dat wil de Heer ook vandaag nog doen.

Hij zal Zijn zorg voor hen in de handen van trouwe herders leggen (vers 44Ik zal over hen herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.). Zij zullen de onderherders zijn van de ware Herder Die God over Zijn volk zal aanstellen (Ez 34:23-2423Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.). De schapen zullen vredig neerliggen, zonder bevreesd te zijn voor wat kan gebeuren of ontsteld te worden door een vijand die opduikt. Geen macht zal er één kunnen roven. Niemand kan er één rukken uit de hand van de Vader en de Zoon (Jh 10:28-2928En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.).


De rechtvaardige SPRUIT

5Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
6In Zijn dagen zal Juda verlost worden
en Israël onbezorgd wonen.
Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
7Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte, 8maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.

De dagen die komen (vers 55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
)
, zijn de dagen van de regering van de Heer Jezus in het vrederijk. In die dagen wordt de belofte van de HEERE in de vorige verzen waargemaakt. Hij zal dat Zelf doen door “voor David een rechtvaardige SPRUIT” te laten opstaan. Hij bewerkt dat een nakomeling van David, de Heer Jezus, de grote Zoon van David, op de troon van David zal plaatsnemen. Dan ligt de regering in handen van een onfeilbare Koning, Die rechtvaardig regeert en verstandig handelt. Deze rechtvaardige Spruit is de Messias.

De naam Spruit komt in verschillende samenstellingen voor en laat ons telkens een andere heerlijkheid van de Heer Jezus zien die we kunnen verbinden met de evangeliën. Hij wordt genoemd:
1. “De SPRUIT van de HEERE” (Js 4:22Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.). Dit is de Naam die doet denken aan het evangelie naar Johannes. Deze Naam spreekt van Zijn Godheid Die op schitterende wijze door Johannes in zijn evangelie wordt beschreven.
2. “Een rechtvaardige SPRUIT” (Jr 23:55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
; Jr 33:1515In die dagen en in die tijd zal Ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.)
. Dat staat in verbinding met Hem als de rechtvaardige Koning. Zo zien we Hem in het evangelie naar Mattheüs.
3. “Mijn Knecht, de SPRUIT” (Zc 3:88Luister toch, hogepriester Jozua,
u en uw vrienden die vóór u zitten
– zij zijn immers een wonderteken –
want zie, Ik ga Mijn Knecht, de SPRUIT, doen komen.
)
. In het evangelie naar Markus zien we Hem als Knecht.
4. “Een Man – Zijn Naam is SPRUIT” (Zc 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. Dat brengt ons bij het evangelie naar Lukas, want daarin wordt Hij voorgesteld als Mens.

Er zal geen onrecht meer gebeuren, want “Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde”, zoals Zijn vader David dat heeft gedaan (2Sm 8:1515Zo regeerde David over heel Israël, en David deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk.). Als de ware Zoon van David, de ware Salomo, zal Hij over Zijn volk “rechtspreken met gerechtigheid en … met recht” (Ps 72:22Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
)
. Dat zal een verademing zijn na een lange periode waarin het kwaad en het onrecht de overhand hebben gehad, waarin verdrukking en ellende het deel zijn geweest van de getrouwen.

Met “in Zijn dagen” (vers 66In Zijn dagen zal Juda verlost worden
en Israël onbezorgd wonen.
Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
)
worden de dagen van Zijn regering bedoeld, wanneer Hij, Die nu al alle macht in handen heeft, openbaar over hemel en aarde regeert. In die dagen zal Zijn volk daarvan de zegen ervaren. Juda zal verlost worden en het hele volk Israël, de twaalf stammen, zal onbezorgd wonen (Ez 37:15-2815Het woord van de HEERE kwam tot mij:16En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]?19Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.20Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.21En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.).

In de Naam waarmee zij Hem noemen, “de HEERE ONZE GERECHTIGHEID”, zullen ze Hem erkennen als hun gerechtigheid. Op geen enkele andere manier zullen ze meer proberen hun eigen gerechtigheid te handhaven. Deze Naam van de HEERE staat in contrast met die van Zedekia. Zedekia betekent ‘De HEERE is mijn gerechtigheid’, een naam die door zijn leven tot een leugen werd gemaakt.

Direct en onafscheidelijk verbonden aan de messiaanse hoop is het nationaal herstel van Israël. Wat de HEERE dan zal doen voor Zijn volk, de bevrijding die Hij dan zal bewerken, zal de verlossing uit Egypte in de schaduw stellen (vers 77Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,). De laatste bevrijding van Zijn volk, het bijeenbrengen ervan vanuit alle landen waarheen zij zijn verstrooid, gaat de bevrijding uit Egypte ver te boven (vers 88maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.). Ze zullen in hun eigen land wonen en daar nooit meer uit verdreven worden.


Veroordeling van de valse profeten

9Over de profeten.
Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken,
al mijn beenderen bewegen zich.
Ik ben geworden als een dronkeman,
als een man wie de wijn naar het hoofd is gestegen,
vanwege de HEERE,
en vanwege Zijn heilige woorden.
10Want het land
is vol overspelers,
ja, vanwege de vervloeking treurt het land,
verdorren de weiden van de woestijn.
Wat zij najagen is slecht,
hun kracht [gebruiken zij] niet juist.
11Want zowel profeet als priester pleegt heiligschennis,
zelfs in Mijn huis heb Ik hun slechtheid gevonden,
spreekt de HEERE.
12Daarom zal hun weg voor hen worden
als spiegelgladde plaatsen in het donker.
Zij zullen voortgeduwd worden
en daarin vallen,
want Ik zal over hen onheil brengen
in het jaar van hun vergelding,
spreekt de HEERE.

Met vers 99Over de profeten.
Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken,
al mijn beenderen bewegen zich.
Ik ben geworden als een dronkeman,
als een man wie de wijn naar het hoofd is gestegen,
vanwege de HEERE,
en vanwege Zijn heilige woorden.
begint een ander onderwerp, dat toch aansluit op het vorige. Het vorige gedeelte handelt hoofdzakelijk over ontrouwe koningen, maar eindigt met de aankondiging van de Messias, de trouwe Koning. Jeremia is de trouwe profeet die zowel het oordeel als de uiteindelijke zegen voor het volk aankondigt. Het gedeelte dat nu volgt, gaat over de valse profeten.

Jeremia spreekt meer dan enige andere profeet over hen. Als hij aan hen denkt, voelt hij van binnen een enorme pijn. Hij wordt er ziek en misselijk van en voelt zich als een dronkeman, iemand die heen en weer slingert en niet meer helder kan denken. Dit gevoel wordt veroorzaakt door wat hij waarneemt en dat ziet in het licht van de HEERE en “Zijn heilige woorden”.

Het verschil tussen de woorden van de valse profeten en de heilige woorden van de HEERE is enorm. Het is niet slechts een feitelijke constatering, maar een situatie waardoor hij wordt verslagen. De overtredingen van de valse profeten zijn veel en groot. Na de goddeloze koningen zijn het vooral de profeten die verantwoordelijk zijn voor de verwoesting van de natie.

Wie de Heer en Zijn Woord liefheeft, zal dat ook ervaren. Alles wat tegen Hem en Zijn Woord ingaat, veroorzaakt pijn en verdriet. Het betreft dan hen die zich aanmatigen in de Naam van de Heer Zijn woorden te spreken. Dit is voor de Godvrezende ziel niet te verdragen. Als je het opmerkt, word je er diep door geraakt en ben je soms zo van slag, dat je enige tijd niet in staat bent om nog iets voor de Heer te doen.

De resultaten van wat valse profeten spreken, liegen er niet om: “Het land is vol overspelers” (vers 1010Want het land
is vol overspelers,
ja, vanwege de vervloeking treurt het land,
verdorren de weiden van de woestijn.
Wat zij najagen is slecht,
hun kracht [gebruiken zij] niet juist.
)
. Het eerste waaraan een leugengeest herkend wordt, is ontrouw in het huwelijk. Leugenprofeten brengen een vloek over het land, waardoor de weiden van de woestijn verdorren en er geen voedsel voor de schapen is. Deze profeten jagen niet het goede, maar het slechte na. Ze zetten hun kracht niet in voor Gods volk, maar voor zichzelf. Energie die niet juist gebruikt wordt, is verspilde energie.

Niet alleen Gods volk moet het ontgelden, ook de HEERE ontkomt niet aan hun goddeloze gedrag. De valse profeet heeft in de ontrouwe priester een compagnon in het kwaad. Zowel profeet als priester pleegt heiligschennis, waarbij ze ook Gods huis niet ontzien (vers 1111Want zowel profeet als priester pleegt heiligschennis,
zelfs in Mijn huis heb Ik hun slechtheid gevonden,
spreekt de HEERE.
)
. Niets is heilig voor deze lieden. Maar de HEERE ziet het en confronteert hen ermee.

Ze denken een weg van voorspoed en geluk te gaan, maar die weg zal donker worden, met glibberige, spiegelgladde plaatsen (vers 1212Daarom zal hun weg voor hen worden
als spiegelgladde plaatsen in het donker.
Zij zullen voortgeduwd worden
en daarin vallen,
want Ik zal over hen onheil brengen
in het jaar van hun vergelding,
spreekt de HEERE.
)
. Het is al moeilijk om op spiegelglad ijs te lopen, laat staan als het dan ook nog eens donker is. Van terugkeren is geen sprake. Ze zullen door hun begeerte worden voortgeduwd en op die spiegelgladde plaatsen uitglijden, ten val komen en te pletter storten. Dit oordeel staat hen te wachten “in het jaar van hun vergelding”. De HEERE zegt het, dus zal het gebeuren.


Valse profetie in Samaria en Jeruzalem

13Bij de profeten van Samaria
heb Ik wel ongerijmde dingen gezien:
zij profeteerden namens de Baäl
en misleidden Mijn volk Israël.
14Maar bij de profeten van Jeruzalem
heb Ik iets afschuwelijks gezien:
zij plegen overspel, met leugen gaan zij [hun weg]
zij bemoedigen de kwaaddoeners,
zodat niemand zich bekeert
van zijn slechtheid.
Zij allen zijn voor Mij als Sodom,
en zijn inwoners als Gomorra.
15Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten:
Zie, Ik ga hun alsem te eten geven
en galwater te drinken,
omdat van de profeten van Jeruzalem
heiligschennis is uitgegaan over heel het land.

Bij de profeten van Samaria, de hoofdstad van het tienstammenrijk, heeft de HEERE “ongerijmde dingen” gezien, dingen die niet passen bij een profeet (vers 1313Bij de profeten van Samaria
heb Ik wel ongerijmde dingen gezien:
zij profeteerden namens de Baäl
en misleidden Mijn volk Israël.
)
. Er zijn daar profeten die namens de Baäl profeteren en zo Gods volk misleiden. De HEERE noemt Israël hier nog “Mijn volk”. Te beginnen met Jerobeam is het tienstammenrijk steeds verder van de HEERE afgedwaald en heeft het zich aan de afgoden overgegeven, aan de zelfbedachte godsdienst van Jerobeam (1Kn 12:25-3325Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.28Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.).

Wat Samaria heeft gedaan, is slecht, maar wat Jeruzalem doet, is nog veel slechter (vers 1414Maar bij de profeten van Jeruzalem
heb Ik iets afschuwelijks gezien:
zij plegen overspel, met leugen gaan zij [hun weg]
zij bemoedigen de kwaaddoeners,
zodat niemand zich bekeert
van zijn slechtheid.
Zij allen zijn voor Mij als Sodom,
en zijn inwoners als Gomorra.
)
. Daar heeft de HEERE niet ‘slechts’ ongerijmde dingen gezien zoals in Samaria, maar Hij zag daar “iets afschuwelijks”. Israël pleegde openlijk afgoderij, maar Juda profeteerde in de Naam van de HEERE, terwijl ze de meest verwerpelijke zonden begingen.

Het eerste kwaad dat genoemd wordt, is weer overspel, met in het kielzog daarvan de leugen. Wie overspel pleegt, leeft in de leugen. Het is een grove leugen om zonden goed te praten in de Naam van de HEERE. Dat gebeurt in onze dagen als wordt gezegd dat liefde uit God is en dat een homoseksuele relatie ‘dus’ in overeenstemming met Gods wil is en zelfs kerkelijk kan worden ingezegend. In plaats van op te roepen om het kwaad te veroordelen en zich te bekeren, zijn ze zo volkomen verdorven, dat ze anderen aanmoedigen voort te gaan in het kwaaddoen. Het gevolg is verharding en niet bekering van slechtheid. De HEERE kan hen niet anders oordelen dan Hij Sodom en Gomorra heeft gedaan, want ze doen als Sodom en Gomorra.

De HEERE is heel boos op die profeten (vers 1515Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten:
Zie, Ik ga hun alsem te eten geven
en galwater te drinken,
omdat van de profeten van Jeruzalem
heiligschennis is uitgegaan over heel het land.
)
. In Zijn almacht als “de HEERE van de legerscharen” zegt Hij wat Hij met deze profeten zal doen. Hij zal hun bitterheid te eten en te drinken geven. Ze hebben zelf het volk bitter en vergiftigd voedsel en drinken gegeven. Daarom krijgen ze het nu zelf te eten en te drinken. De smaak zal afschuwelijk zijn. Dit zullen ze moeten innemen omdat “van de profeten van Jeruzalem heiligschennis is uitgegaan over heel het land”. Hun verdorven invloed heeft het hele land doordrenkt van heiligschennis, zodat niets meer heilig is. De zonde is overal in doorgedrongen.

Dit is de situatie ook vandaag in de christenheid. Niets is meer heilig, alles wat van en voor God en Zijn eer is, wordt met voeten getreden en dat met gebruikmaking van Zijn Woord. Hoe groot is de heiligschennis die gepleegd wordt onder de dekmantel van Gods Woord! We kunnen hierbij denken aan het jaarlijkse Christus onterende en Godslasterlijke spektakelstuk ‘The Passion’. Daarin wordt het verhaal van het lijden van Christus op eigentijdse manier door ‘Bekende Nederlanders’ gespeeld, van wie velen niets met de Christus van de Schriften hebben.


De woorden van de leugenprofeten

16Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Luister niet naar de woorden van die profeten die tot u profeteren.
Zij geven u ijdele hoop.
Zij spreken een visioen [uit] hun [eigen] hart,
niet uit de mond van de HEERE.
17Steeds zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:
U zult vrede hebben;
en [tegen] ieder die in zijn verharde hart voortgaat:
Geen onheil zal over u komen.
18Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord,
wie heeft op Zijn woord acht geslagen en [ernaar] geluisterd?
19Zie, een storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,
een wervelende storm:
op het hoofd van de goddelozen stort hij neer.
20De toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat duidelijk begrijpen.
21Ik heb die profeten niet gezonden,
toch zijn zij zelf gaan lopen.
Ik heb niet tot hen gesproken,
toch zijn zij zelf gaan profeteren.
22Hadden zij in Mijn raad gestaan,
dan hadden zij Mijn volk Mijn woorden doen horen,
en hadden zij hen doen terugkeren van hun slechte weg
en van hun slechte daden.

De HEERE laat nu een duidelijke waarschuwing horen om niet naar die profeten te luisteren (vers 1616Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Luister niet naar de woorden van die profeten die tot u profeteren.
Zij geven u ijdele hoop.
Zij spreken een visioen [uit] hun [eigen] hart,
niet uit de mond van de HEERE.
)
. Hij zegt met grote nadruk “luister niet” omdat het volk zo heel graag naar die profeten luistert. Hun praatjes zijn mooi en vroom, maar ze zijn lucht. Ze vertellen een optimistisch verhaal over de toekomst. Dat hoort het volk graag. Maar het maakt hen tegelijk blind voor het naderende onheil.

De hoop die zij krijgen, is dan ook “ijdele hoop”. Het is een hoop die voortkomt uit de fantasie van de valse profeten, uit de inbeeldingen van hun eigen hart en niet uit de mond van de HEERE. Zulke hoop is drijfzand, er is geen enkele vastigheid in. Hun inbeeldingen missen elk werkelijk gezag. Ze kunnen de toets van Gods Woord niet doorstaan. Het is een prediking ‘naar de mens’ en niet een prediking die aandringt op zelfonderzoek, schuldbelijdenis en bekering.

Alles wat we horen, moeten we aan Gods Woord toetsen. We moeten dingen niet aannemen omdat ze geloofwaardig klinken, of met veel overtuiging worden gebracht. Er zijn veel misleidende profeten uitgegaan (1Jh 4:11Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn, want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.). De duivel heeft velen in zijn macht.

De duivel weet ook dat herhaling de beste reclame is. De valse profeten zeggen “steeds” maar weer, ze herhalen het telkens: “De HEERE heeft gesproken” (vers 1717Steeds zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:
U zult vrede hebben;
en [tegen] ieder die in zijn verharde hart voortgaat:
Geen onheil zal over u komen.
)
. En wat de HEERE gesproken heeft, is natuurlijk aangenaam om te horen. Ze vinden een luisterend oor bij hen die de HEERE verwerpen. Natuurlijk klinkt er geen vermaning om zich te bekeren. Nee, ze mogen echt rekenen op vrede. Ze kunnen gewoon lekker doorgaan op de weg van zonde, want “geen onheil zal u overkomen”. Dit is wat het verharde hart graag hoort.

Deze profeten staan ver van de raad van de HEERE (vers 1818Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord,
wie heeft op Zijn woord acht geslagen en [ernaar] geluisterd?
)
. Ze kennen Zijn raad niet, ze hebben er nooit in gestaan. Ze hebben Zijn woord niet gezien en gehoord, wat nodig is om een echte profeet te kunnen zijn. Een echte profeet is bij dat woord betrokken, hij slaat er acht op en luistert ernaar, dat wil zeggen, laat het in zijn leven zien. Maar deze profeten leven zelf in de leugen. Hoe kunnen ze dan doorgeven wat de HEERE heeft gesproken?!

Het telkens weer oproepen tot goddeloosheid veroorzaakt “een storm van de HEERE” (vers 1919Zie, een storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,
een wervelende storm:
op het hoofd van de goddelozen stort hij neer.
)
. Grimmigheid gaat van Hem uit als een wervelende storm die zal neerstorten “op het hoofd van de goddeloze”. Dit oordeel zal razend over hen komen en de storm zal pas uitgeraasd zijn als de HEERE alles heeft gedaan en tot stand heeft gebracht wat Hij in Zijn hart heeft gedacht (vers 2020De toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,
tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft
de gedachten van Zijn hart.
In later tijd
zult u dat duidelijk begrijpen.
)
. We zien deze oordelen in het boek Openbaring. Ze komen over Zijn volk Israël en ook over de christenheid en ook over de wereld.

Jeremia en Gods volk kunnen dat in hun tijd nog niet begrijpen (vgl. 1Pt 1:1010Over deze behoudenis hebben profeten onderzocht en nagevorst die van de voor u [bestemde] genade geprofeteerd hebben,). Maar “in later tijd”, dat is in de eindtijd, zullen ze het “duidelijk begrijpen”. Wij mogen nu wel al alles begrijpen, want wij hebben de Geest Die God ons heeft gegeven. Hij maakt het ons bekend (Jh 16:12-1412Nog veel heb Ik u te zeggen, maar u kunt het nu niet dragen.13Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.).

De valse profeten zijn niet door de HEERE gezonden, maar zijn toch met een boodschap namens Hem op weg gegaan (vers 2121Ik heb die profeten niet gezonden,
toch zijn zij zelf gaan lopen.
Ik heb niet tot hen gesproken,
toch zijn zij zelf gaan profeteren.
)
. Vol ijver gaan ze rond met hun voorspellingen van geluk. De HEERE heeft hun niets gezegd wat ze zouden moeten zeggen, maar toch zijn ze in Zijn Naam gaan profeteren. Dit is een grote aanmatiging die we ook vandaag veelvuldig in de christenheid zien, waar vrijzinnige predikanten het wagen om in de Naam van de Heer te spreken.

Het bewijs dat deze valse profeten niet in de raad van de HEERE staan, is dat zij niemand hebben doen terugkeren van hun slechte weg en van hun slechte daden (vers 2222Hadden zij in Mijn raad gestaan,
dan hadden zij Mijn volk Mijn woorden doen horen,
en hadden zij hen doen terugkeren van hun slechte weg
en van hun slechte daden.
)
. Ze hebben Gods volk niet Gods woorden doen horen en niet aangedrongen op berouw en bekering. De vrucht van hun ‘profetische dienst’ is slechts verharding.

De valse profeten staan in groot contrast met wat profeten doen die wél door God gezonden worden en spreken wat Hij zegt. Zulke profeten staan in Gods raad. Zij kennen Zijn gedachten en delen die aan Zijn volk mee. Die woorden doen dwalende mensen van hun slechte weg terugkeren en bewerken dat ze ophouden met hun slechte daden. Dat zijn de kenmerken van de ware profeten. Het gaat er niet om of hun prediking succes heeft of niet, maar of ze spreken wat de HEERE wil. Jeremia is een ware profeet van de HEERE, maar zijn prediking heeft menselijkerwijs niets opgeleverd.


Gods oordeel over de leugenprofeten

23Ben Ik een God van nabij,
spreekt de HEERE,
en niet een God van verre?
24Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen
en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.
Vervul Ik niet de hemel en de aarde?
spreekt de HEERE.
25Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn Naam leugen profeteren door te zeggen: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd! 26Hoelang [nog]? Is er dan [een droom] in het hart van de profeten die leugen profeteren? Ja, profeten zijn ze van het bedrog uit hun [eigen] hart. 27Zij denken Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten door hun dromen, die zij elkaar vertellen, zoals hun vaderen Mijn Naam vergeten hebben door de Baäl. 28Laat de profeet bij wie een droom is, een droom vertellen. Laat ieder bij wie Mijn woord is, Mijn woord naar waarheid spreken.
Wat heeft het stro [gemeenschappelijk] met het koren?
spreekt de HEERE.
29Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,
of als een hamer [die] een rots verplettert?
30Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen. 31Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt. 32Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.

De drie vragen van de verzen 23-2423Ben Ik een God van nabij,
spreekt de HEERE,
en niet een God van verre?
24Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen
en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.
Vervul Ik niet de hemel en de aarde?
spreekt de HEERE.
zijn praktisch dezelfde vragen. Het zijn vragen die tegelijk het antwoord geven. God is geen lokale God, maar is overal; Hij is geen God Die alleen het waarneembare ziet, want niets is voor Hem verborgen (Ps 139:7-107Waar kan ik Uw Geest ontgaan,
waar Uw aangezicht ontvluchten?
8Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent [daar].
9Nam ik vleugels van de dageraad,
woonde ik aan het einde van de zee,
10ook daar zou Uw hand mij leiden
en Uw rechterhand mij vasthouden.
; Am 9:2-42Al drongen zij door tot in de hel,
Mijn hand zou hen vandaar weghalen;
en al stegen zij naar de hemel op,
Ik zou hen vandaar doen neerdalen.3Al verscholen zij zich op de top van de Karmel,
Ik zou hen opsporen om hen daar weg te halen;
en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen op de zeebodem,
daar zou Ik een slang opdracht geven hen te bijten.4Al gingen zij voor hun vijanden uit in gevangenschap,
daar zou Ik het zwaard opdracht geven hen te doden.
Ik zal Mijn ogen op hen richten
ten kwade en niet ten goede.
)
. Hij vervult de hemel en de aarde met Zijn heilige tegenwoordigheid, zodat er geen plek is die buiten Zijn gezag ligt, waar Hij niet aanwezig is, waar iemand zich zou kunnen bevinden zonder dat Hij daar is.

Hij is alomtegenwoordig en niets ontgaat Hem. Het is voor de gelovige een grote bemoediging dat hij zich altijd, overal en in alle omstandigheden bewust mag zijn van Gods tegenwoordigheid. Het is voor de ongelovige een ernstige oproep te breken met zijn zonden. We mogen wel bidden dat we nooit het gevoel van Zijn aanwezigheid verliezen.

Deze valse profeten stellen nadrukkelijk “ik heb gedroomd” en herhalen dat nog eens, om maar indruk te maken (vers 2525Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn Naam leugen profeteren door te zeggen: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd!). Het gaat om hun eigen ‘ik’. Ze willen de aandacht op zichzelf vestigen. Wat ze dan vertellen, zijn leugens waarbij ze ook nog eens de Naam van de HEERE gebruiken. Maar Hij heeft het gehoord!

God heeft zeker wel gesproken door dromen, zoals we weten uit de geschiedenis van Jozef bij de farao en Daniël bij Nebukadnezar (Gn 37:5-95Ook had Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog meer.6Hij zei tegen hen: Luister toch naar deze droom die ik gehad heb.7Zie, wij waren midden op de akker schoven aan het binden; en zie, mijn schoof stond op en bleef ook overeind staan. En zie, jullie schoven kwamen om hem heen [staan] en bogen zich voor mijn schoof neer.8Toen zeiden zijn broers tegen hem: Wil je dan soms over ons regeren? Wil je dan soms over ons heersen? Daarom haatten zij hem nog meer, vanwege zijn dromen en vanwege zijn woorden.9Hij kreeg nog een andere droom, en vertelde ook die aan zijn broers. Hij zei: Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.; 41:1,28-321En het gebeurde, na verloop van twee volle jaren, dat de farao droomde, en zie, hij stond aan de Nijl.28Dit is het woord dat ik [zojuist] tot de farao gesproken heb: God heeft aan de farao laten zien wat Hij gaat doen.29Zie, de komende zeven jaren zal er in heel het land Egypte een grote overvloed zijn.30Maar daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken; dan zal al die overvloed in het land Egypte vergeten zijn, en de honger zal het land verwoesten.31Ook zal er niets [meer] van de overvloed te merken zijn in het land, vanwege de honger die daarna zal komen, want die zal zeer zwaar zijn.32Dat de farao deze droom twee keer gekregen heeft, is omdat de zaak bij God vaststaat en God Zich haast om haar uit te voeren.; Nm 12:66Hij zei:
Luister toch naar Mijn woorden!
Als [iemand] onder u een profeet is,
maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend,
spreek Ik met hem door een droom.
; 1Sm 28:66En Saul raadpleegde de HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet; niet door dromen, niet door de urim, [en] ook niet door de profeten.; Dn 2:77Zij antwoordden voor de tweede keer en zeiden: Laat de koning zijn dienaren de droom vertellen, dan geven wij de uitleg [ervan] te kennen.; Jl 2:2828Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
; Zc 1:7-6:87Op de vierentwintigste dag van de elfde maand – dat is de maand Sjebat – in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:)
. Het kunnen eigen dromen betreffen of dromen van anderen.

Hoelang zullen de dromende valse profeten het volhouden om hun luchtkastelen te prediken en hoelang zal het volk daarnaar luisteren (vers 2626Hoelang [nog]? Is er dan [een droom] in het hart van de profeten die leugen profeteren? Ja, profeten zijn ze van het bedrog uit hun [eigen] hart.)? Wat deze profeten vertellen, komt uit hun verdorven hart; het is leugen en bedrog. Hun doel is Gods volk Zijn Naam te doen vergeten met hun dromen. Ze staan elkaar hun dromen te vertellen en het volk luistert ernaar en vindt het prachtig (vers 2727Zij denken Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten door hun dromen, die zij elkaar vertellen, zoals hun vaderen Mijn Naam vergeten hebben door de Baäl.). Wat zij doen, is hetzelfde als wat hun vaderen hebben gedaan door de Baäl aan te hangen. Het komt uit dezelfde verdorven bron en heeft hetzelfde gevolg.

Laat de valse profeet zijn droom maar vertellen (vers 2828Laat de profeet bij wie een droom is, een droom vertellen. Laat ieder bij wie Mijn woord is, Mijn woord naar waarheid spreken.
Wat heeft het stro [gemeenschappelijk] met het koren?
spreekt de HEERE.
)
. Laat hem zijn gang maar gaan. Wat God wil, is dat ieder bij wie Zijn woord is, Zijn woord ook naar waarheid spreekt. De leugen wordt altijd door de waarheid ontmaskerd. Waarheid en leugen hebben niets met elkaar te doen, net zomin als het waardeloze stro waarin geen voedsel zit, iets te doen heeft met het voedzame koren. Het stro is de waardeloze profetie van de leugenprofeten en het koren de echte verkondiging van Gods Woord.

Behalve voedsel is het woord van de HEERE ook te vergelijken met een vuur en met een hamer (vers 2929Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,
of als een hamer [die] een rots verplettert?
)
. Dat zal iedereen ervaren die zich met de leugen inlaat, hetzij om die te verspreiden, hetzij om de prediker ervan te omarmen. De leugen is altijd aangenaam, terwijl het woord van de waarheid de leugen en de leugenprofeten als een vuur verteert en werkt als een hamer die een rots verplettert. Van de leugen blijft niets over.

De HEERE “zál die profeten”, dat wil zeggen dat Hij met de kracht van de zojuist genoemde hamer zal optreden tegen hen die Zijn woorden “van elkaar stelen” (vers 3030Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.). Ze matigen zich aan dat zij de enigen zijn die Gods Woord kunnen uitleggen en dat doen ze dan op een verderfelijke manier. Daarbij stelen ze van elkaar wat de ander als uitleg heeft bedacht.

We kunnen dit ook toepassen op het doorgeven van Gods Woord vandaag. We kunnen een uitleg lezen die goed is. Maar als we die doorgeven om daardoor te laten zien hoeveel wij van het Woord weten, is dat stelen van de woorden van de ander. Het is niet ons eigendom en komt niet uit ons hart, maar uit ons hoofd. We kunnen en mogen dankbaar gebruikmaken van wat anderen hebben gezegd en geschreven over Gods Woord. Het is echter pas ons eigendom als we God hebben gedankt voor wat Hij ons door die ander heeft laten zien van de waarheid van Zijn Woord.

De HEERE zal ook met kracht optreden tegen profeten die hun tong gebruiken en dan de euvele moed hebben om te zeggen dat Hij, de HEERE, spreekt (vers 3131Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.). Dat is een afschuwelijke zaak. Daarom stelt de HEERE voor de derde keer dat Hij met kracht zal optreden tegen die profeten van bedrieglijke dromen (vers 3232Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.).

Het is opmerkelijk hoe vaak in deze verzen “de HEERE spreekt” staat (verzen 29,30,31,3229Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,
of als een hamer [die] een rots verplettert?
30Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.31Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.32Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.
)
. We zien hier de verhevenheid van Zijn spreken tegenover het leugenachtige spreken van deze leugenprofeten.

Deze lieden misleiden Zijn volk met hun leugens die niets anders zijn dan gezwets. Krachtig getuigt de HEERE van hen dat Hij hen niet heeft gezonden, hun geen opdracht heeft gegeven en dat ze voor Zijn volk van geen enkel nut zijn. Hij vaagt hen weg. Welke dwaas zal dan nog maar één woord van deze leugenprofeten willen aanhoren, laat staan er enige waarde aan hechten?

Het gaat in de verzen 30-3230Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.31Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.32Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE. dus om drie klassen van valse profeten. Met elk van die klassen zal de HEERE handelen. De eerste groep (vers 3030Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.) pleegt plagiaat. Ze zijn niet origineel, ze stelen de woorden van de echte profeten en doen alsof het hun eigen woorden zijn. De tweede groep (vers 3131Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.) gebuikt hun tong zonder enige rem om te misleiden. Door hun woorden te introduceren met ‘zo spreekt de HEERE’, doen ze alsof hun woorden Goddelijk gezag hebben. De derde groep (vers 3232Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.) speelt in op de nationale gevoelens. Deze groep richt zich tot het hele volk. Zij willen hen moed inspreken met hun leugens, om zich niets aan te trekken van de bedreigingen van de ware profeet.


De last van de HEERE

33Wanneer dit volk of een profeet of een priester u zal vragen: Wat is de last van de HEERE? dan moet u tegen hen zeggen: Wat last? Ik zal u verlaten, spreekt de HEERE. 34En de profeet of de priester of het volk dat zeggen zal: Een last van de HEERE! Ik zal die man en zijn huis straffen. 35Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken? 36Maar aan een last van de HEERE mag u niet meer denken, want voor ieder zal zijn [eigen] woord een last zijn, want u verdraait de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God. 37Dit moet u zeggen tegen de profeet: Wat heeft de HEERE u geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken? 38Maar als u zegt: Last van de HEERE – daarom, zo zegt de HEERE: Omdat u dit woord zegt: De last van de HEERE, terwijl Ik u [de boodschap] had gezonden: U mag niet zeggen: De last van de HEERE, 39daarom, zie, Ik zal u helemaal vergeten, en u, en de stad die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van voor Mijn aangezicht verlaten. 40Ik zal op u eeuwige smaad leggen, eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.

Jeremia krijgt van de HEERE te horen dat de mogelijkheid bestaat dat dit volk of een profeet of een priester naar hem toe komt om hem naar de last van de HEERE te vragen (vers 3333Wanneer dit volk of een profeet of een priester u zal vragen: Wat is de last van de HEERE? dan moet u tegen hen zeggen: Wat last? Ik zal u verlaten, spreekt de HEERE.). Een last die een profeet moet dragen, is de boodschap die de HEERE op zijn hart heeft gelegd (vgl. Js 13:11De last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.; 14:2828In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
; Na 1:11De last van Ninevé. Het boek van het visioen van Nahum uit Elkos.; Hk 1:11De last die de profeet Habakuk gezien heeft.)
. Ze willen weten wat de HEERE van hen wil, welke last Hij hun oplegt. Maar het is een huichelachtige vraag. De HEERE kent hun harten, dat ze helemaal niet Zijn wil willen doen.

Daarom moet Jeremia met verontwaardiging in zijn stem zeggen: “Wat last?” Daarmee laat hij hun weten dat hij hun vraag verwerpt. Vervolgens moet hij zeggen dat de HEERE hen zal verlaten. Daarmee geeft hij aan dat zij zelf een last voor de HEERE zijn, een last die Hij zal afwerpen.

Met dat antwoord zullen de vraagstellers niet tevreden zijn. Ze gooien het over een andere boeg en nemen dan zelf de woorden in de mond dat zij “een last van de HEERE” hebben gekregen (vers 3434En de profeet of de priester of het volk dat zeggen zal: Een last van de HEERE! Ik zal die man en zijn huis straffen.; Kl 2:1414Uw profeten hebben voor u gezien /nun/
valse [visioenen] en dwaasheid;
uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt
om uw gevangenschap om te keren,
maar zij hebben lasten voor u gezien
van valsheid en misleidingen.
)
. Daarmee beweren ze dat ze een opdracht van Hem hebben. De HEERE zal Zich tegen hen keren en hen straffen.

Wat ze moeten doen, is elkaar vragen wat de HEERE heeft geantwoord of gesproken (vers 3535Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?). Zo moeten ook wij elkaar ernaar vragen wat er in Gods Woord staat en niet wat broeder X of broeder Y heeft gezegd, waarbij trouwe broeders die inzicht in Gods Woord hebben, wel kan worden gevraagd naar hun verklaring van een bepaald vers.

Wat ze niet meer moeten doen, is denken dat anderen hun kunnen vertellen wat de last van de HEERE is (vers 3636Maar aan een last van de HEERE mag u niet meer denken, want voor ieder zal zijn [eigen] woord een last zijn, want u verdraait de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God.). Het gaat om een eigen relatie met Hem. De leugenaars zullen hun eigen last dragen. Ze hebben een eigen verantwoordelijkheid en zullen de straf ontvangen voor hun verdraaien van “de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God”. Deze indrukwekkende voorstelling van God laat wel zien hoe zwaar Hij tilt aan wat mensen die zeggen namens Hem te spreken, met Zijn Woord doen.

Het is wel een van de ergste dingen die iemand kan overkomen als zijn woorden worden verdraaid. Het is een van de grootste verantwoordelijkheden van iemand die een verklaring van Gods Woord geeft, om niet op de geringste wijze de woorden van de levende God te verdraaien (vgl. 2Pt 3:1616evenals ook in alle brieven, waarin hij over deze dingen spreekt, waarin sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn, die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften, tot hun eigen verderf.).

Weer krijgt Jeremia te horen wat hij tegen de valse profeet moet zeggen om hem in het licht van God te plaatsen (vers 3737Dit moet u zeggen tegen de profeet: Wat heeft de HEERE u geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?). De valse profeet zal door de vragen van Gods profeet door de mand vallen. Jeremia heeft er geen behoefte aan om te weten wat de man heeft gedroomd, maar hij wil weten wat de HEERE die profeet heeft geantwoord en wat de HEERE tegen hem heeft gezegd.

Als die profeet dan toch met de woorden “last van de HEERE” komt, is dat het bewijs dat hij een ongehoorzame profeet is (vers 3838Maar als u zegt: Last van de HEERE – daarom, zo zegt de HEERE: Omdat u dit woord zegt: De last van de HEERE, terwijl Ik u [de boodschap] had gezonden: U mag niet zeggen: De last van de HEERE,). De HEERE heeft namelijk duidelijk de boodschap gegeven om dat niet te zeggen. Daarom komt het oordeel dat Hij hen helemaal zal vergeten (vers 3939daarom, zie, Ik zal u helemaal vergeten, en u, en de stad die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van voor Mijn aangezicht verlaten.). Hij zal de stad verlaten die Hij aan hun vaderen heeft gegeven. Op henzelf zal Hij een eeuwige smaad en schande leggen die niet vergeten zal worden (vers 4040Ik zal op u eeuwige smaad leggen, eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.). Mensen zullen hen altijd herinneren als valse profeten. Dat is het enige gepaste oordeel, omdat zij erop uit zijn het volk de HEERE te laten vergeten. Zo zwaar is het oordeel over hen die Gods woorden verdraaien en ongehoorzaam zijn aan wat Hij zegt.


Lees verder