Jeremia
Inleiding 1-7 Het gezantschap van Zedekia 8-10 De keus 11-14 Vermaning aan het huis van David
Inleiding

Hier begint een nieuw deel van het boek. We zijn hier in de regering van Zedekia, de laatste koning van Juda. Na Jeremia 1 wordt Zedekia hier weer voor het eerst genoemd (Jr 1:11De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin.; 21:11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen:). In de volgende hoofdstukken horen we regelmatig van hem. Hij is een goddeloze man, maar ook iemand die toch een boodschap van de HEERE wil. Het is de tijd dat de koning van Babel de stad al heeft belegerd.


Het gezantschap van Zedekia

1Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen: 2Raadpleeg toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt. 3Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moet u tegen Zedekia zeggen: 4Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is, waarmee u tegen hen strijdt, tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u buiten de muur belegeren, en Ik zal hen verzamelen midden in deze stad. 5Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid. 6Ik zal de inwoners van deze stad treffen, zowel mens als dier: door een grote pestziekte zullen zij sterven. 7Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich [over hen] niet ontfermen.

Jeremia krijgt bezoek van twee priesters, Pashur en Zefanja (vers 11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen:). Zedekia heeft hen naar hem toe gestuurd. Mogelijk is dat een bemoediging voor Jeremia, die zo diep in de put zit, dat hij toch in elk geval voor Zedekia een echte profeet van de HEERE is. Zedekia wil dat Jeremia de HEERE voor hem raadpleegt, dat wil zeggen voor hem bidt (vers 22Raadpleeg toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.). Hij is in het nauw gebracht door Nebukadnezar en wil nu van de HEERE uitkomst. De naam van Nebukadnezar, – hier als Nebukadrezar geschreven – wordt hier voor de eerste keer vermeld.

Zedekia wil dat de HEERE een wonder voor hem doet, ofwel hem op wonderlijke wijze bevrijdt. Hij weet dat de HEERE al veel wonderen in het verleden heeft gedaan, zoals bij zijn voorvader Hizkia die ook met een belegering te maken heeft gehad. Hizkia heeft toen ook een gezantschap naar een profeet gestuurd en is toen door de HEERE van zijn vijanden bevrijd (2Kr 32:20-2120Maar koning Hizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden om die [reden] en riepen naar de hemel.21Toen zond de HEERE een engel, die alle strijdbare helden, leiders en bevelhebbers in het legerkamp van de koning van Assyrië uitroeide. Zo is hij in openlijke schande naar zijn [eigen] land teruggekeerd. Toen hij het huis van zijn god binnengegaan was, velden [zij] die uit zijn lichaam voortgekomen waren, hem daar met het zwaard neer.; Js 37:1-4,36-371Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?36Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.37Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.). Zou Hij het “misschien” nu ook willen doen en ten gunste van hen ervoor willen zorgen dat Nebukadnezar wegtrekt?

Hier hebben we een gebed van een goddeloze dat voor God een gruwel is en waar Hij niet naar luistert (Sp 28:99Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet,
is zelfs zijn gebed een gruwel.
)
. Het is het soort bidden dat de farao van Mozes verlangt als hij hem vraagt om te bidden dat hij van de plagen verlost wordt waarmee de HEERE zijn land slaat (Ex 10:1717Nu dan, vergeef [mij] toch nog deze [ene] keer mijn zonde en bid vurig tot de HEERE, uw God, dat Hij alleen deze dodelijke [plaag nog] van mij wegneemt.). De kennis van Gods wonderen die Zedekia bezit, is een verstandelijke kennis en gaat niet samen met geloof in de God van de wonderen.

Jeremia zendt de beide mannen terug naar Zedekia met drie antwoorden, één voor Zedekia, één voor het volk en één voor het huis van David. Hij vertelt de twee mannen wat ze moeten zeggen (vers 33Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moet u tegen Zedekia zeggen:). Het antwoord door de mond van Jeremia komt van “de HEERE, de God van Israël” (vers 44Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is, waarmee u tegen hen strijdt, tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u buiten de muur belegeren, en Ik zal hen verzamelen midden in deze stad.). Het is niet het antwoord waarop ze hebben gehoopt, maar een herhaling van wat Zedekia al weet.

In dit antwoord horen we de HEERE vaak “Ik zal” zeggen. Hij zal de wapens die ze tegen de vijand gebruiken, maken tot wapens die zich tegen hen keren. Hij zal hen krachteloos maken tegen de vijand die nu nog buiten de muur van de stad ligt en Hij zal de vijand in het midden van de stad brengen. Ze zullen ervaren dat Hij Zelf tegen hen zal strijden (vers 55Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid.). Nebukadnezar is niet de werkelijke vijand, maar de HEERE! Het moet een enorme schok voor Zedekia zijn dat te horen.

De HEERE strijdt tegen hem met toorn en grote verbolgenheid vanwege zijn afvalligheid en die van het volk. De “sterke hand” en de “uitgestrekte arm” die het volk eens hebben verlost (Dt 4:3434Of heeft God [ooit] getracht om voor Zich een volk uit het midden van een [ander] volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de HEERE, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?; 5:1515Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.; 26:88En de HEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.), geven het volk nu over aan ellende, onderworpenheid en ballingschap. De HEERE heeft Zich in Zijn grimmigheid volkomen tegen Zijn volk gekeerd. In plaats van een wonder van uitredding ontlaadt zich de toorn van God. Deze boodschap staat in schril contrast met wat de valse profeten altijd hebben gezegd, die God altijd als de Helper van Israël hebben voorgesteld. Nu blijkt Hij hun Tegenstander te zijn.

De inwoners van de stad zullen niet alleen door het zwaard van de vijand sterven, maar ook door een pestziekte die Hij zal sturen (vers 66Ik zal de inwoners van deze stad treffen, zowel mens als dier: door een grote pestziekte zullen zij sterven.). Mens en dier zullen erdoor worden getroffen. Wie na de voorgaande rampen nog in leven zijn, waaronder Zedekia en zijn dienaren, moeten niet menen dat ze aan Gods oordeel ontkomen zijn (vers 77Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich [over hen] niet ontfermen.). De hand van Nebukadnezar is de hand van de vijand en is de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen niet sparen, maar zonder medelijden door het zwaard doden. Ze hoeven geen ontferming te verwachten.


De keus

8En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor. 9Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn. 10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.

Jeremia geeft ook een boodschap van de HEERE voor het volk mee (vers 88En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor.). Onder hen zijn er die nog trouw willen zijn, terwijl de koning dat niet is. Het is een boodschap van hoop. Die boodschap is als het ware het evangelie en verbonden met een keus. Die keus is de weg naar het leven of de weg naar de dood (vers 99Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn.; Dt 11:26-2826Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor:27de zegen, als u luistert naar de geboden van de HEERE, uw God, die ik u heden gebied;28de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de HEERE, uw God, en van de weg die ik u heden gebied, afwijkt om achter andere goden aan te gaan, die u niet gekend hebt.; 30:15-2015Zie, ik heb u heden het leven en het goede voorgehouden, maar [ook] de dood en het kwade.16Want ik gebied u heden de HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen in acht te nemen. Dan zult u leven en talrijk worden, en zal de HEERE, uw God, u zegenen in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen.17Maar als uw hart zich afkeert en u niet luistert, en u zich laat verleiden om u voor andere goden neer te buigen en die te dienen,18dan verkondig ik u heden dat u zeker zult omkomen; u zult [uw] dagen niet verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om er te komen [en] het in bezit te nemen.19Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht,20door de HEERE, uw God, lief te hebben, Zijn stem te gehoorzamen en u aan Hem vast te houden – want Hij is uw leven en de verlenging van uw dagen – om te blijven in het land dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te geven.).

Eerst wordt de weg naar de dood voorgehouden. Daarvoor hoeven ze niets te doen. Het woord “wie” geeft aan dat het een persoonlijke keus is en dat niet wordt verwacht dat de hele stad zich zal buigen voor Gods oordeel. Ieder is persoonlijk verantwoordelijk voor de keus die hij maakt. Wie in de stad blijft, zal sterven.

Wie kiest voor de weg naar het leven, moet wel iets doen. Hij moet de plaats verlaten waarop Gods toorn rust en waarover Gods toorn binnenkort zal losbarsten en naar de vijand overlopen. Wie dat doet, zal in leven blijven en zijn leven tot buit hebben. Overlopen naar de vijand betekent buigen voor Gods oordeel en dat is altijd de weg naar het leven.

Het oordeel komt onherroepelijk (vers 1010Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.). De stad is voor het aangezicht van de HEERE niet ten goede, maar ten kwade. Ze zal in de hand van de koning van Babel worden overgegeven en die zal haar met vuur verbranden. Het is duidelijk. De keus kan worden gemaakt.


Vermaning aan het huis van David

11Over het koningshuis van Juda.
Hoor het woord van de HEERE,
12huis van David. Zo zegt de HEERE:
Verschaf 's morgens recht,
en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,
anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur
en brandt [die] zo, dat niemand blussen kan,
vanwege uw slechte daden.
13Zie, Ik zál u, u die zetelt in het dal,
rots in de vlakte, spreekt de HEERE,
u die zegt: Wie zal naar ons afdalen
of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen?
14Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE,
Ik zal een vuur aansteken in zijn woud;
dat alles rondom zich zal verteren.

Dan is er nog een woord van de HEERE “over het koningshuis van Juda” (vers 1111Over het koningshuis van Juda.
Hoor het woord van de HEERE,
)
. Het wordt opgeroepen om naar de HEERE te luisteren. Tot dat huis, dat vervolgens als “huis van David” wordt aangesproken, wordt gezegd dat het ’s morgens recht moet verschaffen (vers 1212huis van David. Zo zegt de HEERE:
Verschaf 's morgens recht,
en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,
anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur
en brandt [die] zo, dat niemand blussen kan,
vanwege uw slechte daden.
; vgl. Ps 101:88Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.
; 2Sm 15:22Ook stond Absalom 's morgens vroeg op en ging aan de kant van de weg naar de poort staan. Het gebeurde dan dat Absalom elke man die een geschil had om mee naar de koning te gaan voor recht, bij zich riep en zei: Uit welke stad komt u? Als die dan zei: Uw dienaar komt uit een van de stammen van Israël,)
. De oproep komt tot een vervallen huis, een huis waar corruptie en onrecht hoogtij vieren.

De beroofde, dat zijn de weduwe, wees en vreemdeling, moet recht worden verschaft. Zij zijn zonder steun, zonder bezit en zonder vrijheid. Zulke sociaal kwetsbaren vallen gemakkelijk in de hand van een meedogenloos mens. Daarom moet het huis van David recht verschaffen. Geen recht verschaffen is een zaak die de grimmigheid van de HEERE als een vuur doet oplaaien. Als er geen recht wordt verschaft, zal de toorn van de HEERE onuitblusbaar over die slechte daden losbranden.

In hun hoogmoed denken zij die in de laagte wonen dat niemand hen ziet en dat niemand tot hen zal komen om met hen af te rekenen (vers 1313Zie, Ik zál u, u die zetelt in het dal,
rots in de vlakte, spreekt de HEERE,
u die zegt: Wie zal naar ons afdalen
of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen?
)
. De rots waarin ze verblijven, is volgens hen onvindbaar en ook nog eens onneembaar. Maar ze rekenen niet met de HEERE. Hij zal komen om hen te oordelen en daarbij volkomen rechtvaardig met hen afrekenen (vers 1414Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE,
Ik zal een vuur aansteken in zijn woud;
dat alles rondom zich zal verteren.
)
. Ze zullen worden gestraft naar de vrucht van hun daden. Alles waar ze zich mee hebben omgeven als met een woud, zal door het vuur van Zijn oordeel worden verteerd.


Lees verder