Jeremia
1-6 Tegenstand van Pashur 7-10 Jeremia's onontkoombare roeping 11-13 Jeremia klemt zich aan de HEERE vast 14-18 Jeremia vervloekt zijn geboortedag
Tegenstand van Pashur

1Toen Pashur, de zoon van de priester Immer – hij was tevens hoofdopzichter in het huis van de HEERE – Jeremia deze woorden hoorde profeteren, 2liet Pashur de profeet Jeremia slaan en zette hem in het blok dat in de bovenste Benjaminpoort aan het huis van de HEERE was. 3Het gebeurde echter de volgende dag, toen Pashur Jeremia uit het blok liet gaan, dat Jeremia tegen hem zei: De HEERE geeft u niet de naam Pashur, maar Magor-Missabib. 4Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga u tot [een bron van] angst voor uzelf maken en voor allen die u liefhebben. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, en uw ogen zullen [dat] zien. Heel Juda geef Ik in de hand van de koning van Babel, en hij zal hen in ballingschap voeren naar Babel en hen met het zwaard doden. 5Heel de rijkdom van deze stad, al haar arbeid, al haar kostbaarheden zal Ik geven, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal [ze] geven in de hand van hun vijanden. Die zullen ze roven, ze meenemen en ze naar Babel brengen. 6En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis, u zult in gevangenschap gaan. U zult in Babel komen, en daar zult u sterven en daar begraven worden, u en al uw vrienden, tegen wie u leugen hebt geprofeteerd.

Pashur is de zoon van de priester Immer (vers 11Toen Pashur, de zoon van de priester Immer – hij was tevens hoofdopzichter in het huis van de HEERE – Jeremia deze woorden hoorde profeteren,). Immer is een afstammeling van Eleazar. Hij behoort tot de zestiende afdeling van hen die aangewezen zijn om priesterdienst te doen (1Kr 24:1414het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer;). Pashur is dan ook een zeer bevoorrecht en tegelijk ook zeer verantwoordelijk man. Daarbij is hij ook nog hoofdopzichter in het huis van de HEERE. Hij is een geestverwant van de hoofdman van de tempel over wie we lezen in het boek Handelingen, die erbij is om Petrus en Johannes gevangen te zetten, ook vanwege woorden die de godsdienstige leiders niet bevallen (Hd 4:1-31Terwijl zij nu tot het volk spraken, kwamen de priesters, de hoofdman van de tempel en de sadduceeën op hen af,2zeer verstoord dat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit [de] doden verkondigden.3En zij sloegen de handen aan hen en zetten hen in bewaring tot de volgende dag, want het was al avond.).

Pashur hoort de woorden van Jeremia. Die woorden bevallen hem niet omdat ze alleen maar onrust onder het volk veroorzaken en dat kan hij niet gebruiken. Gods woorden maken zijn boze gezindheid openbaar. De oorzaak ervan is dat hij niet wil buigen voor de oproep om zich te bekeren. Hij vindt zichzelf belangrijk. Ook de gedachte dat Jeruzalem en de tempel zullen worden prijsgegeven aan de vijand, is voor hem verwerpelijk. Hij vat dat op als een prediking tegen de stad van de grote Koning en tegen het huis van de HEERE, die volgens zijn opvatting nooit door de HEERE uit handen zullen worden gegeven. Jeremia wordt beschuldigd van hetzelfde als waarvan de Heer Jezus is beschuldigd en ook Stéfanus (Mt 26:59-6159De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.60En zij vonden er geen, hoewel vele valse getuigen waren opgekomen.61Ten slotte echter kwamen er twee op, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan het tempelhuis van God afbreken en <het> na drie dagen opbouwen.; Hd 6:13-1413En zij brachten valse getuigen voor, die zeiden: Deze mens houdt niet op woorden te spreken tegen <deze> heilige plaats en de wet;14want wij hebben hem horen zeggen dat deze Jezus de Nazoreeër deze plaats zal afbreken en de zeden veranderen die Mozes ons heeft overgeleverd.).

In plaats van naast Jeremia te gaan staan en diens woorden te ondersteunen, openbaart hij zich als een tegenstander (vers 22liet Pashur de profeet Jeremia slaan en zette hem in het blok dat in de bovenste Benjaminpoort aan het huis van de HEERE was.; vgl. Am 7:10-1710Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!17Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.
)
. Hij laat “de profeet Jeremia slaan”, wat de boosheid van de houding van Pashur onderstreept. Pashur bewijst een vijand van de woorden van God te zijn die door de profeet zijn gesproken. Die woorden zijn voor hem onverdraaglijk. Hij zet Jeremia gevangen in een cel die aan het huis van de HEERE is gebouwd. Dit is de eerste gevangenschap van Jeremia. Het blok waarin hij wordt gezet, is niet alleen om hem te boeien, maar ook om hem te pijnigen (vgl. 2Kr 16:10a10Toen werd Asa [zo] toornig op de ziener, dat hij hem in de gevangenis zette, want hij was hierover woedend op hem. Bovendien onderdrukte Asa in die tijd [anderen] uit het volk.; Jb 13:2727U legt mijn voeten in het blok,
en let op al mijn paden;
U maakt een teken in mijn voetzolen.
; Jr 29:2727Nu dan, waarom hebt u Jeremia uit Anathoth, die zich bij u uitgeeft voor profeet, niet bestraft?)
. Het Hebreeuwse woord voor blok, mahpeketh, betekent ‘pijniging veroorzaken’.

Het is de oude waarheid dat de profeten van God worden vervolgd, het heftigst door de leiders van Gods volk. Jeremia is hier weer een beeld van de Heer Jezus, de volmaakte Profeet, Die ook geslagen wordt als Hij voor de godsdienstige leiders Zijn getuigenis geeft (Mt 26:67-68a67Toen spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met vuisten,68en zij gaven Hem kaakslagen en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het die U heeft geslagen?; Mi 4:1414Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende!
Zij gaan een belegering tegen ons opzetten.
Zij zullen met een stok
de rechter van Israël op de kaak slaan.
; vgl. Hd 23:22De hogepriester Ananias echter beval hun die bij hem stonden, hem op de mond te slaan.)
.

De bovenste Benjaminpoort is mogelijk de rechtszaal; in de poort wordt rechtgesproken (Dt 16:1818U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk.; 17:88Als bij de rechtspraak een zaak voor u te moeilijk is, bij geschilpunten binnen uw poorten met betrekking tot bloed[vergieten], rechtsvordering of geweldpleging, dan moet u opstaan en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.). Op deze plaats van het recht en zo dicht bij het huis van de HEERE, in Zijn tegenwoordigheid, voor Zijn aangezicht, vindt groot onrecht plaats. Zo is het ook met de Heer Jezus gegaan. Waar bescherming van de Godvrezende profeet zou moeten zijn, wordt hem groot onrecht aangedaan.

De volgende dag laat Pashur Jeremia vrij. Mogelijk heeft hij gedacht dat Jeremia zijn les wel heeft geleerd en zal ophouden met de prediking van zijn zwartgallige boodschap. Maar dan vergist hij zich zeer. Jeremia richt het woord tot hem (vers 33Het gebeurde echter de volgende dag, toen Pashur Jeremia uit het blok liet gaan, dat Jeremia tegen hem zei: De HEERE geeft u niet de naam Pashur, maar Magor-Missabib.). Het is een woord van oordeel. De naam die hij Pashur geeft, “Magor-Missabib”, betekent ’angst van rondom’. Jeremia legt uit wat de betekenis van deze naam is (vers 44Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga u tot [een bron van] angst voor uzelf maken en voor allen die u liefhebben. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, en uw ogen zullen [dat] zien. Heel Juda geef Ik in de hand van de koning van Babel, en hij zal hen in ballingschap voeren naar Babel en hen met het zwaard doden.). Pashur zal overal angst hebben, innerlijk en uiterlijk. De man zal door angst omgeven worden. Allen die hem liefhebben, zullen door angst bevangen worden. Allen die een man als Pashur liefhebben, delen in zijn lot. Ze zijn als hij. Familieleden zullen gedood en anderen gevangengenomen en weggevoerd worden naar Babel en daar worden gedood.

Ook al de rijkdom van Jeruzalem en al haar arbeid, alle kostbaarheden en schatten, waar Pashur mogelijk het nodige van bezit, zullen in de hand van de vijand worden gegeven (vers 55Heel de rijkdom van deze stad, al haar arbeid, al haar kostbaarheden zal Ik geven, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal [ze] geven in de hand van hun vijanden. Die zullen ze roven, ze meenemen en ze naar Babel brengen.). De vijand zal ze roven en naar Babel brengen. Hier wordt Babel voor het eerst bij name genoemd.

Dan richt Jeremia zich tot Pashur persoonlijk. Pashur zal met alle inwoners van zijn huis, zijn familieleden, ook in gevangenschap naar Babel gaan en daar sterven (vers 66En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis, u zult in gevangenschap gaan. U zult in Babel komen, en daar zult u sterven en daar begraven worden, u en al uw vrienden, tegen wie u leugen hebt geprofeteerd.). In dat lot zullen ook al zijn vrienden delen tegen wie hij leugen heeft geprofeteerd en die dat hebben geloofd. Hoe groot is de verantwoordelijkheid van een prediker!


Jeremia's onontkoombare roeping

7U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.
U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.
[Maar] ik ben de hele dag belachelijk geworden,
ieder van hen bespot mij.
8Want zo dikwijls als ik spreek, schreeuw ik het uit,
roep ik: Geweld en verwoesting!
Want het woord van de HEERE is mij
tot smaad en tot schimp, de hele dag.
9Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,
ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,
dan werd het in mijn hart als brandend vuur,
opgesloten in mijn beenderen.
Wel deed ik moeite om [het] in te houden,
maar ik kon [het] niet.
10Want ik heb het kwaad gerucht van velen gehoord:
Magor-Missabib!
Maak het [ons] bekend, dan zullen wij het bekendmaken.
Alle stervelingen met wie ik vrede had,
loeren op een struikeling van mij:
Misschien laat hij zich [door anderen] overhalen, dan kunnen we hem overwinnen,
en kunnen we onze wraak op hem nemen.

De moedige, onbevreesde man voor mensen, die zojuist nog krachtig tegenover Pashur heeft getuigd, worstelt en strijdt met God in Diens tegenwoordigheid. Hij stort nu zijn klacht uit voor de HEERE. Iets dergelijks zien we bij Elia (1Kn 18:21,30,36-4021Toen kwam Elia naar voren, bij heel het volk, en zei: Hoelang hinkt u [nog] op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.30Toen zei Elia tegen heel het volk: Kom naar voren, bij mij. En heel het volk kwam naar voren, bij hem. Vervolgens herstelde hij het altaar van de HEERE, dat omvergehaald was.36En het gebeurde, toen men het graanoffer bracht, dat de profeet Elia naar voren kwam en zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan.37Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de [ware] God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.38Toen viel er vuur van de HEERE neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul likte het op.39Toen heel het volk [dat] zag, wierpen zij zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!40Elia zei tegen hen: Grijp de profeten van de Baäl! Laat niemand van hen ontkomen. Zij grepen hen, en Elia voerde hen af naar de beek Kison en slachtte hen daar af.; 19:1-41Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, en hoe hij allen, [te weten] al de profeten, met het zwaard had gedood.2Toen stuurde Izebel een bode naar Elia om te zeggen: De goden mogen zó en nog erger [met mij] doen, als ik morgen om deze tijd uw leven niet zal maken als het leven van één van hen.3Toen hij [dat] zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven. Hij kwam in Berseba, dat aan Juda toebehoort, en liet zijn knecht daar achter.4Hijzelf liep echter een dagreis de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad om te mogen sterven. Hij zei: Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.). Jeremia klaagt dat hij nooit aan zijn dienst had moeten beginnen, maar dat de HEERE hem overgehaald heeft, ja, hem ertoe gedwongen heeft (vers 77U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.
U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.
[Maar] ik ben de hele dag belachelijk geworden,
ieder van hen bespot mij.
; Jr 1:4-10,17-194Het woord van de HEERE kwam tot mij:
5Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
6Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben [nog maar] een jongen.7Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden,
spreekt de HEERE.9Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
10Zie, Ik stel u op deze dag aan
over de volken en over de koninkrijken,
om weg te rukken en af te breken,
om te vernielen en omver te halen,
[maar ook] om te bouwen en te planten.17U dan, omgord uw middel,
sta op en spreek tot hen
alles wat Ík u gebieden zal.
Wees niet ontsteld vanwege hen, anders zal Ík u ontsteld doen zijn voor hen.
18Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
)
. Dat moet iedere dienaar in zekere mate kunnen zeggen. Enthousiast in de dienst voor de Heer stappen zonder angst en kostenberekening, is niet de start die getuigt van roeping (vgl. Mt 8:19-2019En een schriftgeleerde kwam en zei tot Hem: Meester, ik zal U volgen, waar U ook heengaat.20En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft geen [plaats] waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.).

Jeremia klaagt hoe er op zijn dienst wordt gereageerd. Iedereen lacht hem uit en spot met hem. Dat is meer dan hij kan verdragen. Zijn boodschap is ook niet aangenaam. Hij brengt die ook niet graag. Wat hij moet zeggen, staat hem zelfs tegen. Het is een hele strijd voor de gevoelige Jeremia om een boodschap van geweld en verwoesting uit te schreeuwen (vers 88Want zo dikwijls als ik spreek, schreeuw ik het uit,
roep ik: Geweld en verwoesting!
Want het woord van de HEERE is mij
tot smaad en tot schimp, de hele dag.
)
. Dat woord van de HEERE, dat Hij heeft gesproken in Zijn wet, moet hij brengen, want het volk overtreedt op schandelijke wijze. Maar op dat woord, dat in hem is, reageren de mensen met smaad en schimp. Hij krijgt hun verwijten te verduren.

Jeremia heeft momenten gekend dat hij de HEERE vaarwel heeft willen zeggen (vers 99Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,
ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,
dan werd het in mijn hart als brandend vuur,
opgesloten in mijn beenderen.
Wel deed ik moeite om [het] in te houden,
maar ik kon [het] niet.
)
en het bijltje erbij neer heeft willen gooien. Toch is hem dat onmogelijk want het woord brandt als een vuur in hem (vgl. 1Ko 9:1616Want als ik het evangelie verkondig, strekt het mij niet tot roem, want [de] noodzaak is mij opgelegd; want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!; Am 3:8b8De leeuw heeft gebruld.
Wie zou niet bevreesd zijn?
De Heere HEERE heeft gesproken.
Wie zou niet profeteren?
)
. Het is opgesloten in zijn beenderen, wat wil zeggen dat het heel diep en intens door hem wordt gevoeld (Jb 30:1717's Nachts doorboort [God] mijn beenderen in mij,
en mijn aderen zijn niet rustig.
; 33:1919Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
)
. Zelfs als hij zijn best ervoor doet om zijn woorden in te houden, lukt hem dat niet.

De valse profeten kennen een dergelijke innerlijke worsteling niet. Zij rekenen niet met God, maar alleen met hun eigen gevoel en de wil van het volk. Die praten ze naar de mond en laten hun geweten buiten schot. Dan zul je geen tegenstand tegen je boodschap ondervinden.

Ons kan ook het gevoel overvallen dat we niet meer verder willen gaan met onze dienst, dat we niet meer aan de HEERE willen denken. Het heeft immers allemaal geen zin. Maar dan zullen we, net als Jeremia, toch niet anders kunnen dan doorgaan, omdat we innerlijk overtuigd zijn van de waarheid. Het hart is brandend, ook al zijn we teleurgesteld over de resultaten van onze dienst. Als we de toestand van verderf zien en het oordeel dat dreigt, kunnen we niet anders dan Gods woorden spreken.

De aanleiding voor Jeremia om zijn dienst neer te leggen is het kwade gerucht dat hij van velen heeft gehoord (vers 1010Want ik heb het kwaad gerucht van velen gehoord:
Magor-Missabib!
Maak het [ons] bekend, dan zullen wij het bekendmaken.
Alle stervelingen met wie ik vrede had,
loeren op een struikeling van mij:
Misschien laat hij zich [door anderen] overhalen, dan kunnen we hem overwinnen,
en kunnen we onze wraak op hem nemen.
)
. Dat geeft het woord “want” aan het begin van dit vers aan. Hij is zich bewust dat zijn volksgenoten, met wie hij in vrede heeft geleefd, op zijn ondergang uit zijn (vgl. Mk 3:22En zij letten op Hem of Hij hem op de sabbat zou genezen, om Hem te kunnen aanklagen.; Mt 22:15,23,3515Toen gingen de farizeeën beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken.23Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is;35En een van hen, <een wetgeleerde,> vroeg om Hem te verzoeken:; Lk 14:11En het gebeurde, toen Hij op een sabbat in een huis van een van de oversten van <de> farizeeën was gekomen om brood te eten, dat zij op Hem letten.). De naam die hij Pashur heeft gegeven, geven zij nu hem (Ps 31:1414Want ik hoor de laster van velen;
angst van rondom,
omdat zij tegen mij samenspannen.
Zij bedenken plannen om mij het leven te benemen.
)
. Ze willen met hem doen, wat hij over Pashur heeft geprofeteerd en willen hem door angst van rondom omgeven. Ze willen hem schrik aanjagen, zodat hij met zijn doemprediking ophoudt.

De geruchten gonzen om hem heen. Hij wordt bespioneerd. Als hij maar iets verkeerds zegt of doet, als er maar enige struikeling in woord of daad is, grijpen ze hem. Hij hoeft zich maar te verspreken en hij zal als landverrader of Godslasteraar veroordeeld worden. In de ogen van zijn volksgenoten ziet hij haat. Ze grijpen hem nog niet, maar hun voortdurende praten over hem als een ongewenst persoon met een ongewenste boodschap doet zijn werk om hem uit te schakelen. Het is onverdraaglijk als er zonder ophouden om je heen over je wordt gepraat. Je merkt het aan de blikken die ze op je werpen en aan het isolement waarin je geplaatst wordt.

Het gaat over jou en is gericht tegen jou. Je voelt hoe ze allemaal jouw kant opkijken, terwijl je jezelf niet kunt verdedigen. Dit wordt wel karaktermoord genoemd. Dan kan het je wel eens te veel worden en roep je het uit dat het leven geen zin meer heeft, ja, dat je zelfs wenst nooit geboren te zijn. Dat zal Jeremia, na een opflikkering van geloof in de verzen 11-1311De HEERE is echter met mij als een machtige Held,
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn [tot] niets in staat.
Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.
Het zal een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.
12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
13Zing voor de HEERE,
prijs de HEERE,
want Hij heeft de ziel van de arme gered
uit de hand van de kwaaddoeners.
, dan ook doen in de verzen die daarop volgen.


Jeremia klemt zich aan de HEERE vast

11De HEERE is echter met mij als een machtige Held,
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn [tot] niets in staat.
Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.
Het zal een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.
12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
13Zing voor de HEERE,
prijs de HEERE,
want Hij heeft de ziel van de arme gered
uit de hand van de kwaaddoeners.

Plotseling werpt Jeremia zich op de HEERE (vers 1111De HEERE is echter met mij als een machtige Held,
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn [tot] niets in staat.
Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.
Het zal een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.
)
. Ineens ziet hij Hem als “een machtige Held” Die met hem is. In de krachtige taal van het geloof meet hij de kracht van zijn tegenstanders niet af aan zijn eigen kracht maar aan die van de HEERE. Zij zullen struikelen en niet in hun voornemen slagen, machteloos als ze zijn tegenover de machtige Held. Ze zullen ook beschaamd worden, want hun handelwijze is niet verstandig omdat die zonder de HEERE is, ja, zelfs tegen Hem ingaat. Hun lot is in eeuwige smaad die ze nooit zullen vergeten, die ze zich dan ook altijd bewust zullen zijn.

Jeremia kent de HEERE als “de HEERE van de legermachten”, als Degene Die boven alle aardse en hemelse machten staat (vers 1212HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
)
. Hij weet dat de HEERE hem als een rechtvaardige kent en zijn hele innerlijk ziet. Daarom bidt hij met vrijmoedigheid of de HEERE hem Zijn wraak op zijn tegenstanders zal laten zien. Hij heeft toch zijn rechtszaak aan Hem bekendgemaakt en is niet als eigen rechter opgetreden.

Die gedachte brengt zelfs de oproep tot een lofzang in hem naar boven (vers 1313Zing voor de HEERE,
prijs de HEERE,
want Hij heeft de ziel van de arme gered
uit de hand van de kwaaddoeners.
)
. Hij ziet in geloof de redding van zijn ziel uit de hand van de kwaaddoeners als het resultaat van zijn gebed. Hij laat anderen delen in de blijdschap over deze uitredding en roept hen op voor de HEERE te zingen en Hem te prijzen.


Jeremia vervloekt zijn geboortedag

14Vervloekt is de dag
waarop ik geboren ben.
De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,
laat die niet gezegend zijn.
15Vervloekt is de man
die mijn vader de boodschap bracht:
U hebt een kind gekregen, een jongetje,
[en] hem zeer blij maakte.
16Ja, laat die man zijn als de steden
die de HEERE ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.
Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,
geschreeuw in het middaguur,
17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.
Dan was mijn moeder mijn graf geworden
en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.
18Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,
om moeite en verdriet te zien
en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?

In de verzen hiervoor (verzen 11-1311De HEERE is echter met mij als een machtige Held,
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn [tot] niets in staat.
Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.
Het zal een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.
12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
13Zing voor de HEERE,
prijs de HEERE,
want Hij heeft de ziel van de arme gered
uit de hand van de kwaaddoeners.
)
staat de HEERE voor het oog van het geloof van de profeet. In de verzen die nu volgen (verzen 14-1814Vervloekt is de dag
waarop ik geboren ben.
De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,
laat die niet gezegend zijn.
15Vervloekt is de man
die mijn vader de boodschap bracht:
U hebt een kind gekregen, een jongetje,
[en] hem zeer blij maakte.
16Ja, laat die man zijn als de steden
die de HEERE ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.
Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,
geschreeuw in het middaguur,
17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.
Dan was mijn moeder mijn graf geworden
en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.
18Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,
om moeite en verdriet te zien
en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?
)
, ziet Hij de HEERE niet meer. Hij ziet alleen de omstandigheden en zichzelf. Het resultaat is dat hij in een plotselinge depressie wegzinkt. Wat hij uitspreekt, doet denken aan wat Job uitspreekt bij alle ellende die hem heeft getroffen: “Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag” (Jb 3:11Daarna opende Job zijn mond en vervloekte zijn [geboorte]dag.
)
. We krijgen de indruk dat Jeremia vertrouwd is geweest met het boek Job waarin we de wegen van de HEERE zien die Hij met Job gaat. Als we Job 3 vergelijken met deze vijf verzen van Jeremia, zien we hoeveel de klachten van deze toegewijde mannen op elkaar lijken.

Na de opflikkering van vertrouwen in de voorgaande verzen wordt Jeremia weer door een gevoel van hopeloze ellende overvallen (vers 1414Vervloekt is de dag
waarop ik geboren ben.
De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,
laat die niet gezegend zijn.
)
. Van de hoogte van het geloofsvertrouwen valt Jeremia in een diepe vertwijfeling. Die vertwijfeling is zo sterk, dat hij zijn geboortedag vervloekt. De dag waarop zijn moeder hem heeft gebaard, ontzegt hij de zegen. De zegen van de geboorte van een kind vindt hij misplaatst wat zijn eigen geboorte betreft.

Zelfs de brenger van het goede nieuws van zijn geboorte aan zijn vader wordt door hem vervloekt (vers 1515Vervloekt is de man
die mijn vader de boodschap bracht:
U hebt een kind gekregen, een jongetje,
[en] hem zeer blij maakte.
)
. De geboorte van een zoon is het beste nieuws dat een man kan krijgen. Dat betekent voortzetting van de familienaam. Maar Jeremia zegt dat zijn geboorte geen reden is voor blijdschap. Hij zou een dienst krijgen die niet bestaat uit het brengen van goed nieuws, maar van slecht nieuws. De man die het bericht van zijn geboorte heeft bekendgemaakt, moet het lot van Sodom en Gomorra ondergaan (vers 1616Ja, laat die man zijn als de steden
die de HEERE ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.
Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,
geschreeuw in het middaguur,
; Gn 19:24-2524Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.25Hij keerde deze steden en heel de vlakte ondersteboven, met alle inwoners van de steden en het gewas op het land.)
. Die man moet in zo grote nood worden gebracht dat hij het de hele dag uitschreeuwt van ellende in plaats van in een jubelstemming over zijn geboorte te zijn.

Eigenlijk is het de schuld van de HEERE, want Hij heeft hem geboren laten worden. Hij zou hem immers in de baarmoeder hebben kunnen doden (vers 1717omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.
Dan was mijn moeder mijn graf geworden
en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.
)
. Dan zou hij het nu heerlijk rustig hebben, want dan zou hij dood in de schoot van zijn moeder zijn. Zijn moeder zou zijn graf zijn en daar zou hij dan altijd geweest zijn. Maar het is anders gegaan. Hij is uit de baarmoeder naar buiten gekomen (vers 1818Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,
om moeite en verdriet te zien
en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?
)
. Maar waarom? Is het echt om alleen maar moeite en verdriet te zien en zijn dagen te eindigen in schande? Wat een leven en wat een lot!

Het is de laatste ‘waaromvraag’. Er komt geen antwoord op deze vraag. De HEERE geeft Zijn dienaar de tijd om er zelf over na te denken en tot een antwoord te komen. Wat we wel kunnen zeggen, is dat God de gelovige vasthoudt, ook al voelt deze zich alleen en losgelaten.


Lees verder