Jeremia
Inleiding 1-3 Herinnering van de HEERE 4-8 Israëls ondankbaarheid 9-19 Israëls afgoderij 20-25 Israëls zedeloosheid 26-28 Laat Israëls afgoden hen maar verlossen 29-37 Israëls onverstand
Inleiding

In dit hoofdstuk zien we Jeremia in zijn openbare dienst. Hij heeft in het vorige hoofdstuk met God te doen gehad in het verborgene. Nu is hij er klaar voor om het volk openlijk tegemoet te treden. Zijn eerste – opgetekende – betoog tegen zijn volk is zeker een zeer opmerkelijk betoog voor iemand die heeft gezegd: ‘Ik kan niet spreken, ik ben maar een kind’ (Jr 1:66Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben [nog maar] een jongen.). Het is moeilijk om een gedeelte in de Schrift te vinden dat dit betoog in oprechte vurigheid en tegelijk fijngevoeligheid en welsprekendheid overtreft.

Zijn eerste boodschap voor het volk is dat verbondsbreuk echtbreuk is. We beluisteren hierin het ernstige pleidooi van de beledigde en vergeten HEERE. We horen Zijn genade voor en medelijden met een schuldige natie, vermengd met ernstige waarschuwingen voor de vreselijke dag die zal komen als ze niet van harte naar Hem terugkeren. Alles samen maakt het tot een toespraak die zelfs de stenen in beweging zou zetten. Maar helaas, we lezen niet van een reactie van de kant van het verharde, onwillige Juda.


Herinnering van de HEERE

1Het woord van de HEERE kwam tot mij:
2Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
3Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.

Het woord van de HEERE komt tot Jeremia (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:
)
. Hij krijgt de opdracht om naar Jeruzalem te gaan en ten aanhoren van haar inwoners te prediken (vers 22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
. Wat hij moet zeggen, moet duidelijk uitgesproken worden en niet binnensmonds, zodat iedereen zal horen wat hij zegt. Hij moet beginnen met de indringende woorden “zo zegt de HEERE”. De woorden die hij predikt, komen van Hem, het zijn niet zijn eigen woorden. Het is niet alleen van belang te weten gezonden te zijn, maar ook te weten wat er gezegd moet worden. God bepaalt zowel de zending als de inhoud van de boodschap.

De HEERE begint niet met verwijten. Hij begint met Zijn volk eraan te herinneren dat ze in het begin van hun bestaan als volk Hem liefhebben. Ze hebben dat laten zien door in de woestijn, na hun verlossing uit Egypte, achter Hem aan te gaan. De HEERE noemt die periode dat ze Hem volgen hun “bruidsdagen”. Het zijn dagen dat alles nog zo nieuw en fris is (vgl. Hs 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
; Ez 16:8a8Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.)
. Ze volgen Hem op weg naar het beloofde land. Het doet ook denken aan Rebekka, die de knecht van Abraham achterna gaat door de woestijn op weg naar Izak, haar bruidegom (Gn 24:6161Rebekka en haar dienaressen stonden op, bestegen de kamelen en volgden de man. Zo nam die dienaar Rebekka mee en vertrok.).

De HEERE gaat hier voorbij aan de ontrouw die zij ook tijdens hun reis door de woestijn hebben getoond. Het is ermee als met de woorden van de Heer Jezus tot Zijn discipelen, als Hij tegen hen zegt: En u bent het die steeds bij Mij bent gebleven in Mijn verzoekingen” (Lk 22:2828En u bent het die steeds bij Mij bent gebleven in Mijn verzoekingen.). Hij zegt dat, ondanks het feit dat zij ook hun falen hebben getoond en Hij hen meerdere keren heeft moeten terechtwijzen.

Het is “een land [waarin] niet wordt gezaaid”. Het tekent de dorheid van het land, dat niets opbrengt om van te leven. In de geestelijke toepassing zien we dat voor iemand die tot bekering is gekomen, de wereld als een woestijn is geworden waar geen geestelijk voedsel voor het geloof te vinden is. Voor het volk betekent het dat ze volledig afhankelijk zijn van de HEERE en door Hem worden onderhouden. Ze hoeven niet te zaaien en ook niet te wachten tot het zaad zal opkomen. Hij zorgt elke dag voor hun eten, want Hij laat elke dag het manna van de hemel in het kamp regenen (Ex 16:13-2113En tegen de avond gebeurde het dat er kwartels kwamen aanvliegen, die het kamp overdekten, en in de ochtend was er een laag dauw rondom het kamp.14Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.15Toen de Israëlieten dat zagen, zeiden zij tegen elkaar: Wat is dat? Want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tegen hen: Dit is het brood dat de HEERE u te eten gegeven heeft.16Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten [kan], een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet [het] nemen voor hen die in zijn tent zijn.17En zo deden de Israëlieten, zij verzamelden, de een veel en de ander weinig.18Zij maten het met de gomer. Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zóveel verzameld als hij eten [kon].19En Mozes zei tegen hen: Niemand mag ervan overlaten tot de [volgende] morgen.20Maar zij luisterden niet naar Mozes en sommige mannen lieten ervan over tot de [volgende] morgen. Toen zat het vol wormen en stonk het. Daarom was Mozes erg kwaad op hen.21Zo verzamelden zij het elke morgen, ieder naar wat hij eten [kon], want zodra de zon heet werd, smolt het weg.).

Zo denkt de HEERE eerst aan hen terug en stelt hun dat voor ogen. Hij kan Zijn volk op die wijze zien, omdat Hij van hen een “heilig” volk heeft gemaakt, dat wil zeggen dat Hij hen apart heeft gesteld van de andere volken, om voor Hem tot een eigen volk te zijn (vers 33Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
)
. Dat is bijzonder tot uiting gekomen door de dienst in de tabernakel in het midden van hun kamp. Jeremia herinnert het volk hier als het ware eraan dat ze in de Geest begonnen zijn, terwijl ze bezig zijn in het vlees te eindigen (Gl 3:33Bent u zo onverstandig? U bent in [de] Geest begonnen, wilt u nu in [het] vlees volmaakt worden?).

Dit volk is “de eersteling van Zijn opbrengst”, wat betekent dat zij Zijn bijzonder eigendom zijn boven de andere volken die ook allemaal Zijn eigendom zijn. Zij zijn het eerste volk dat de ware God aanbidt (vgl. Ex 19:5-6a5Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Zij zijn “de voornaamste van de volken” (Am 6:1b1Wee de zorgelozen in Sion,
en de onbezorgden op de berg van Samaria,
de beroemdsten van de voornaamste van de volken,
en tot wie het huis van Israël komt.
)
. In het vrederijk zal Hij ook met alle volken in verbinding staan – en wel via Israël – die Hem ook alle zullen aanbidden.

Met Israël staat Hij in een speciale relatie. Als andere volken zich aan Zijn volk te goed willen doen, neemt Hij het voor Zijn volk op en brengt onheil over die volken. We zien dat bijvoorbeeld als Jozua Amalek verslaat, terwijl Mozes op de berg voorbede doet (Ex 17:8-168Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.9Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.10Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere [kant]. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.14Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.15En Mozes bouwde een altaar en gaf het de naam: De HEERE is mijn Banier!16Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE! De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!). De eerstelingen zijn het speciale deel voor de HEERE, daar mogen anderen niet van eten. Wie dat toch doen, doen hun ziel geweld aan. Onheil treft hen.

Wij, gelovigen van de gemeente, worden “eerstelingen van Zijn schepselen” (Jk 1:1818Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.) genoemd. Dat is omdat wij al deel hebben aan het nieuwe leven, dat allen zullen bezitten die deel hebben aan de herschepping van de hemel en de aarde (Js 65:17a17Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
)
, dat is het vrederijk.

De herinnering aan hun verleden, waar ze met de HEERE in die prille liefdesrelatie staan en Hij op indrukwekkende wijze voor hen zorgt, is het uitgangspunt. Dat moet het hart van Jeruzalem week en ontvankelijk maken voor de komende vermaningen en dreigementen (vgl. Jd 1:55Ik wil u echter eraan herinneren, u die eens alles wist, dat <de> Heer, na een volk uit [het] land Egypte verlost te hebben, de tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd.). Ook ons moet de Heer herhaaldelijk herinneren aan onze eerste liefde, omdat onze liefde voor Hem regelmatig verflauwt of zelfs verdwijnt (2Ko 11:2-32Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.3Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.; Op 2:4-54Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.5Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.).


Israëls ondankbaarheid

4Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob
en alle geslachten van het huis van Israël:
5Zo zegt de HEERE:
Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden,
dat zij zich ver van Mij hebben gehouden,
dat zij achter nietige [dingen] zijn aan gegaan
– en [zelf] nietig zijn geworden –
6dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,
Die ons uit het land Egypte geleid heeft,
Die ons in de woestijn deed gaan,
in een land van wildernis en kuilen,
in een land van dorheid en schaduw van de dood,
in een land waar niemand doorheen trok
en waar geen mens woonde?
7Ik bracht u in een vruchtbaar land,
om de vrucht daarvan en het goede ervan te eten.
Maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land
en hebt u Mijn eigendom tot een gruwel gemaakt.
8De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE?
en zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet;
de herders kwamen in opstand tegen Mij,
en de profeten profeteerden namens de Baäl.
Ze gingen achter [dingen] aan die niet van nut zijn.

Jeremia spreekt het woord van de HEERE tot het “huis van Jakob en alle geslachten van het huis van Israël” (vers 44Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob
en alle geslachten van het huis van Israël:
)
. Daarmee wordt het hele volk aangesproken. Tevens zien we in deze vorm van aanspreken dat ook de families worden aangesproken. Families of gezinnen zijn de basis van het hele volksbestaan en bepalen de geestelijke toestand van het volk als geheel.

De aanklacht begint met het stellen van vragen die het geweten wakker moeten schudden. De herinnering aan de geschiedenis, aan wat hun vaderen hebben gedaan, moet hen aanspreken (vers 55Zo zegt de HEERE:
Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden,
dat zij zich ver van Mij hebben gehouden,
dat zij achter nietige [dingen] zijn aan gegaan
– en [zelf] nietig zijn geworden –
)
. Zij zijn niet beter dan hun vaderen, maar net zoals zij. Er moet herkenning komen. Het is aangrijpend om te moeten lezen dat de HEERE hun de vraag voorhoudt welk onrecht hun vaderen in Hem hebben gevonden. De verbaasde reactie zou kunnen zijn dat dit helemaal niet zo is.

Maar dan maakt de HEERE duidelijk dat hun hele houding laat zien dat zij Hem van ontrouw beschuldigen. Anders zouden ze Hem toch niet ver van zich hebben gehouden? Dat geeft toch aan dat ze Hem wantrouwen? Anders zouden ze in plaats van Hem te volgen toch niet achter nietigheden, afgoden, aan zijn gegaan, waardoor ze nota bene ook nog eens aan die nietigheden gelijk zijn geworden? Wat zij aanbidden, bestaat voor de HEERE niet (vgl. 1Ko 8:4b4wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in [de] wereld, en dat er geen God is dan Eén.). Wat is het dwaas om je te richten tot en iets te verwachten van iets wat niets is.

In vers 55Zo zegt de HEERE:
Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden,
dat zij zich ver van Mij hebben gehouden,
dat zij achter nietige [dingen] zijn aan gegaan
– en [zelf] nietig zijn geworden –
staat wat het volk wel heeft gedaan. In vers 66dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,
Die ons uit het land Egypte geleid heeft,
Die ons in de woestijn deed gaan,
in een land van wildernis en kuilen,
in een land van dorheid en schaduw van de dood,
in een land waar niemand doorheen trok
en waar geen mens woonde?
staat wat het niet heeft gedaan. Ze hebben niet gedacht aan wat de HEERE heeft gedaan in hun bevrijding uit de slavernij in Egypte en hun bewaring tijdens de woestijnreis. Hij heeft hen “met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden” (Dt 4:3434Of heeft God [ooit] getracht om voor Zich een volk uit het midden van een [ander] volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de HEERE, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?) uit Egypte geleid en hen met zachte hand door de woestijn gevoerd. Dat ze dit allemaal zijn vergeten, getuigt van de grootst mogelijke ondankbaarheid. Het is een verwijtbaar vergeten.

De verschrikkingen van de woestijn worden breed uitgemeten. De woestijn waar ze doorheen zijn getrokken is een land van wildernis en kuilen, van dorheid en schaduw van de dood, een uiterst eenzaam, onbewoonbaar oord. Er is geen begaanbare weg en geen rustplaats. Het enige waarvoor de woestijn kan dienen, is als begraafplaats.

Deze voorstelling van zaken gebeurt om het volk duidelijk te maken dat ze er op eigen kracht nooit doorheen zouden zijn gekomen. Het is alleen aan de trouwe zorg en leiding van de HEERE te danken dat ze het beloofde land hebben bereikt waarin ze nu wonen. Ook wij moeten ons bewust zijn van het onherbergzame van de wereld en dat de dood er heerst. Dat zal ons helpen om ons helemaal toe te vertrouwen aan de zorg en leiding van de Heer om er veilig doorheen te komen.

Na de woestijnreis heeft Hij hen, zoals Hij heeft beloofd, in Zijn land gebracht. Jeremia spreekt over “een vruchtbaar land”, vol van vrucht en “het goede” om dat te eten (vers 77Ik bracht u in een vruchtbaar land,
om de vrucht daarvan en het goede ervan te eten.
Maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land
en hebt u Mijn eigendom tot een gruwel gemaakt.
; Dt 8:7-97Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.)
. Het contrast met het gebied dat hij in het vorige vers beschrijft, is enorm. Maar in plaats van Hem dankbaar te zijn voor de buitengewone vruchtbaarheid na zoveel doodsheid hebben zij Zijn land verontreinigd en Zijn eigendom tot een gruwel, tot iets afschuwelijks gemaakt. Dat hebben ze gedaan door de afgodendienst in te voeren.

De vier klassen die in vers 88De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE?
en zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet;
de herders kwamen in opstand tegen Mij,
en de profeten profeteerden namens de Baäl.
Ze gingen achter [dingen] aan die niet van nut zijn.
worden genoemd – priesters, Levieten, herders en profeten –, zouden als pilaren in het volk hebben moeten zijn, om hun Gods geboden te onderwijzen en te leren houden. Zij hebben het volk echter van de HEERE weggevoerd:
1. “De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE?” Zij, die geroepen zijn om met offers ten behoeve van het volk in Zijn tegenwoordigheid te zijn, vragen helemaal niet naar Hem. Het verwijt aan de priesters is dat ze deze vraag niet stellen. Het stellen daarvan zou het volk geleid hebben op de weg naar de plaats die de HEERE uitgekozen heeft om zijn Naam te doen wonen.
2. “Zij die de wet hanteerden [de Levieten], kenden Mij niet”. Zij die de wet aan het volk moeten uitleggen (Dt 33:10a10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Ml 2:77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
, ontbreekt het aan de kennis van Hem Die in de wet centraal staat.
3. “De herders”, die namens de HEERE zorg voor de kudde moeten hebben, eigenen zich die kudde toe en “kwamen in opstand” tegen de HEERE (vgl. Ez 34:1-61Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.).
4. “De profeten”, die namens de HEERE Gods volk moeten oproepen naar Hem terug te keren, “profeteerden namens de Baäl”.

De afsluitende opmerking van vers 88De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE?
en zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet;
de herders kwamen in opstand tegen Mij,
en de profeten profeteerden namens de Baäl.
Ze gingen achter [dingen] aan die niet van nut zijn.
verwoordt het resultaat. Ze gaan niet achter de HEERE aan, maar “ze gingen achter [dingen] aan die niet van nut zijn”. De leiders, die misleiders zijn, hebben het volk op de weg van de afgoderij gevoerd. Afgoden geven geen enkele zegen, geen tijdelijke en nog minder geestelijke. Wat een schokkende en ontluisterende situatie bij de leiders van Gods volk en wat voor een ontstellende afwijking van de HEERE hebben zij bij het volk bewerkt!


Israëls afgoderij

9Daarom zal Ik u nog ter verantwoording roepen,
spreekt de HEERE, ja, uw kleinkinderen zal Ik ter verantwoording roepen.
10Voorzeker, steek over naar de eilanden van de Kittiërs, en zie,
stuur [boden naar] Kedar en let aandachtig op,
en kijk of iets dergelijks gebeurd is.
11Heeft een volk [ooit] goden ingeruild?
– en het zijn niet eens goden! –
Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild
voor [wat] niet van nut is.
12Ontzet u hierover, hemel,
huiver, wees zeer ontsteld,
spreekt de HEERE.
13Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
14Is Israël dan een slaaf? Of is hij een in huis geboren [slaaf]?
Waarom is hij [dan] een prooi geworden?
15Jonge leeuwen brullen tegen hem,
zij hebben hun stem laten klinken.
Zij hebben van zijn land een woestenij gemaakt.
Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er [meer] woont.
16Ook de mensen van Nof en Tachpanhes
graasden u de schedel af.
17Doet u dit niet uzelf aan
doordat u de HEERE, uw God, verlaat
op het moment dat Hij u op de weg leidt?
18Welnu, wat hebt u met de weg naar Egypte
om het water van Sichor te drinken?
En wat hebt u met de weg naar Assyrië
om het water van de rivier [de Eufraat] te drinken?
19Uw [eigen] kwaad straft u
en uw [eigen] afdwalingen bestraffen u.
Erken en zie in, dat het kwaad en bitter is
de HEERE, uw God, te verlaten,
en dat er geen vreze voor Mij bij u is,
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

De HEERE zal hen voor hun gedrag van ongeëvenaarde afvalligheid voor het gerecht dagen en ter verantwoording roepen (vers 99Daarom zal Ik u nog ter verantwoording roepen,
spreekt de HEERE, ja, uw kleinkinderen zal Ik ter verantwoording roepen.
)
. Dat geldt niet alleen voor de generatie tot wie Jeremia het woord richt, maar zelfs voor hun kleinkinderen. Gods normen veranderen niet en blijven voor elke generatie gelijk. In Zijn beoordeling van het kwaad is Hij volstrekt rechtvaardig.

Wat hun afgodendienst betreft, kunnen ze leren van de heidenvolken (vers 1010Voorzeker, steek over naar de eilanden van de Kittiërs, en zie,
stuur [boden naar] Kedar en let aandachtig op,
en kijk of iets dergelijks gebeurd is.
)
. Laten ze maar eens de moeite nemen om te gaan kijken bij de Kittiërs, dat is Cyprus, in het westen; en laten ze eens gaan informeren bij Kedar, een Arabische woestijnstam, in het oosten. Het volk wordt als het ware verplicht van west naar oost, dat wil zeggen overal, te kijken.

Dan moeten ze er eens goed op letten hoe die volken met hun afgoden omgaan. Ze zullen opmerken dat die volken hun goden niet inruilen voor andere goden, maar er trouw aan blijven, hoewel dat natuurlijk niet meer dan houten en stenen goden zijn (vers 1111Heeft een volk [ooit] goden ingeruild?
– en het zijn niet eens goden! –
Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild
voor [wat] niet van nut is.
)
. Afgodendienaars zijn vaak meer toegewijd aan wat nutteloos is, dan Gods volk aan de waarheid. Gods volk geeft de waarheid prijs, de afgodendienaars houden de leugen vast. Dat geldt ook voor onze tijd.

Tegen die achtergrond moeten ze nu hun eigen gedrag eens bezien. Hoe bestaat het dan dat zij hun “Eer” niet alleen ontrouw worden, maar Hem inruilen voor wat geen goden zijn (Ps 106:2020Zij ruilden hun Eer in
voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
)
. Zij vervangen de heerlijkheid van de onvergankelijke God door afbeeldingen uit de schepping (Rm 1:2323en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.). Het is vreselijk als een vrouw echtbreuk pleegt, maar ze doet dat, in het algemeen, met één man. Maar Israël pleegt echtbreuk met vele, vele afgoden. Dat het volk echtbreuk heeft gepleegd, is al erg genoeg, maar ze doet ook nog eens met zoveel en zulke afschuwelijke afgoden.

Ze hebben de levende God ingeruild voor verschrikkelijke afgoden. Goden inruilen of vervangen is iets wat zelfs in de heidenwereld niet voorkomt. Als Gods volk zondigt, is dat meestal in ergere mate dan wanneer mensen van de wereld dat doen (vgl. 1Ko 5:11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.). Gods volk verruilt zijn Eer, dat is de HEERE Zelf, voor wat geen nut doet, dat zijn de afgoden.

Hoe dwaas kan Gods volk zijn! Jeremia roept namens de HEERE de hemel – waarbij we kunnen denken aan de engelen – op, om zich hierover te ontzetten, te huiveren en hierover zeer ontsteld te zijn (vers 1212Ontzet u hierover, hemel,
huiver, wees zeer ontsteld,
spreekt de HEERE.
)
. Op aarde wordt met de HEERE geen rekening gehouden door Zijn volk. De hemel ziet de ontrouw en dat kan haar niet onbewogen laten (Dt 32:11Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
; Js 1:22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
)
.

De HEERE houdt Juda zijn tweeledige zonde voor, “een dubbel kwaad” (vers 1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
. Ze hebben
1. Hem, de bron van levend water, verlaten, dat wil zeggen dat ze de waarheid hebben verworpen en
2. zich bakken uitgehakt, “lekkende bakken die geen water houden”, dat wil zeggen dat ze de leugen hebben aangenomen.

De HEERE noemt Zichzelf “de bron van levend water”, de bron van het leven (vgl. Ps 36:10a10Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
)
. Wie de bron van levend water, de Heer Jezus Zelf (Jh 4:10-1410Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de Gave van God kende en Wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.11De vrouw zei tot Hem: Heer, U hebt geen putemmer en de put is diep; waar hebt U dan het levende water vandaan?12Bent U soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft gegeven en die er zelf uit heeft gedronken, en zijn zonen en zijn vee?13Jezus antwoordde en zei tot haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben;14maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.; 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.), verlaat, gaat eigen bronnen aanboren. Wie zelf bronnen aanboort om de ware zin van het leven te leren kennen, komt om van dorst. Alleen de HEERE kan de dorst van Zijn volk lessen. “Lekkende bakken”, bakken die geen water houden, middelen die geen dorst lessen, zijn Egypte en Assyrië (vers 1818Welnu, wat hebt u met de weg naar Egypte
om het water van Sichor te drinken?
En wat hebt u met de weg naar Assyrië
om het water van de rivier [de Eufraat] te drinken?
)
. Als toepassing voor ons kunnen we bijvoorbeeld denken aan wetenschap, filosofie en het streven naar bezit en macht. Alles wat daarvan wordt verwacht, lekt weg.

Zonde brengt onvermijdelijk zijn eigen straf mee. Door twee krachtige vragen benadrukt de HEERE de gevolgen van hun ongehoorzaamheid (vers 1414Is Israël dan een slaaf? Of is hij een in huis geboren [slaaf]?
Waarom is hij [dan] een prooi geworden?
)
. Israël was van oorsprong geen slaaf en geen prooi (vers 33Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
)
, maar is door zijn ontrouw slaaf en prooi geworden. De HEERE noemt Israël “Mijn Zoon, Mijn eerstgeborene” (Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.). Ze zijn niet bestemd om in slavernij te dienen, maar om in vrijheid te heersen. Israël heeft zich echter van de HEERE afgewend en zijn betrekking tot Hem als zoon verloochend. Hij is een afgodendienaar geworden en een slaaf van zijn lusten. “Ieder die de zonde doet, is een slaaf <van de zonde>” (Jh 8:3434Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die de zonde doet, is een slaaf <van de zonde>.). Door de zonde zijn vijanden over hen gaan heersen en zijn ze slaven geworden (Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.).

Israël is een prooi van jonge leeuwen geworden (vers 1515Jonge leeuwen brullen tegen hem,
zij hebben hun stem laten klinken.
Zij hebben van zijn land een woestenij gemaakt.
Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er [meer] woont.
)
. De vruchten van het land zijn door hun afgoderij de prooi van andere volken geworden. Met de jonge leeuwen worden Assyrië en Egypte bedoeld, de instrumenten van Gods oordeel, en dat terwijl Israël tot hen zijn toevlucht heeft genomen. Egypte heeft het volk van zijn eer beroofd (vers 1616Ook de mensen van Nof en Tachpanhes
graasden u de schedel af.
)
. Dat hebben ze aan zichzelf te wijten, omdat ze van de HEERE zijn afgeweken Die hen op de goede weg wil leiden (vers 1717Doet u dit niet uzelf aan
doordat u de HEERE, uw God, verlaat
op het moment dat Hij u op de weg leidt?
)
.

Met grote moed wijst Jeremia op de oorzaak van het dreigende oordeel. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt helemaal bij het volk. Ze zullen moeten leven met de vrucht van hun boze wegen. Het kwaad is niet alleen iets wat zich tegen God richt, maar ook tegen de mens zelf.

In de dagen van Jeremia zijn er twee politieke hoofdstromingen. Er zijn een Egyptisch gezinde partij en een Assyrisch gezinde partij. Maar wat voor hulp kunnen goddeloze naties Juda bieden? Jeremia wijst hen op hun wispelturige gedrag. Het volk zoekt de ene keer steun bij Assyrië en een andere keer bij Egypte, al naar gelang de situatie dat volgens hun inschatting vereist (vers 1818Welnu, wat hebt u met de weg naar Egypte
om het water van Sichor te drinken?
En wat hebt u met de weg naar Assyrië
om het water van de rivier [de Eufraat] te drinken?
; vgl. Hs 7:1111Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;
Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!
; Js 30:1-21Wee de opstandige kinderen,
spreekt de HEERE,
om een plan te maken,
maar niet van Mij uit;
om een verdrag te sluiten,
maar niet [vanuit] Mijn Geest;
[het is] om zonde op zonde
te hopen.
2Zij gaan om af te dalen naar Egypte
– maar naar [wat] Mijn mond [spreekt], vragen zij niet –
om [zichzelf] in veiligheid te brengen bij de macht van de farao,
en om hun toevlucht te zoeken in de schaduw van Egypte.
; 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
; Ez 23:3,53Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast.5Ohola bedreef hoererij, hoewel zij Mij toebehoorde: zij werd verliefd op haar minnaars, op de Assyriërs, vertrouwelingen,)
. Dit zijn de door henzelf uitgehakte bakken, de lekkende bakken die geen water houden (vers 1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
. Die bakken hebben hun niets opgeleverd wat ook maar enigszins aan verkwikking doet denken. Hebben ze dan niets geleerd van het zinloze en bedrieglijke ervan?

Het verlaten van de HEERE is een kwaad dat zichzelf straft (vers 1919Uw [eigen] kwaad straft u
en uw [eigen] afdwalingen bestraffen u.
Erken en zie in, dat het kwaad en bitter is
de HEERE, uw God, te verlaten,
en dat er geen vreze voor Mij bij u is,
spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.
)
, omdat de zonde ten slotte ellendig maakt en niet de vreugde geeft die ze aanvankelijk leek te geven. We zien dat bij de verloren zoon (Lk 15:11-1911Hij nu zei: Iemand had twee zonen.12En de jongste van hen zei tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit dat [mij] toekomt. En hij verdeelde het vermogen onder hen.13En na niet vele dagen pakte de jongste zoon alles bijeen en ging op reis naar een ver land en bracht daar zijn bezit door in een losbandig leven.14Toen hij nu alles had verteerd, kwam er een zware hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden.15En hij ging heen en vervoegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn velden om varkens te weiden.16En hij begeerde zich te verzadigen met de peulenschillen die de varkens aten, en niemand gaf ze hem.17Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,19ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners.). Bekering komt als het gaat doordringen “dat het kwaad en bitter is” de HEERE God te verlaten en dat er gehandeld is omdat er geen vreze voor de HEERE is, voor Hem Die de Heere, de HEERE van de legermachten is. Zonde is kwaad in zichzelf en bitter in zijn uitwerking. Wat een dwaasheid en grote zonde is het toch om Hem te verlaten en zich tegen Hem te keren.


Israëls zedeloosheid

20Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken,
[en] uw banden verscheurd.
U zei: Ik wil niet dienen!
Maar op elke hoge heuvel
en onder elke bladerrijke boom
legt u zich [als] een hoer neer.
21Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
22Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
23Hoe kunt u dan zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd,
ik ben niet achter de Baäls aan gegaan?
Zie uw weg in het dal,
erken wat u gedaan hebt,
snelle, [op al] haar wegen heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel,
24een wilde ezelin, gewend aan de woestijn,
de wind opsnuivend in haar hitsigheid,
haar bronst – wie kan haar keren?
Allen die haar zoeken, hoeven zich niet af te matten,
in haar maand zullen zij haar [wel] vinden.
25Verhinder uw voet barrevoets te gaan
en [verhinder] uw keel de dorst!
Maar u zegt: Daar is geen hoop op, nee,
want ik heb vreemden lief,
en ik zal achter hen aan gaan.

De HEERE herinnert Zijn volk eraan dat Hij het juk van de slavernij waaronder ze hebben gezucht in Egypte, heeft verbroken (vers 2020Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken,
[en] uw banden verscheurd.
U zei: Ik wil niet dienen!
Maar op elke hoge heuvel
en onder elke bladerrijke boom
legt u zich [als] een hoer neer.
)
. Hij heeft ook hun banden verbroken waarmee ze gevangen gehouden zijn. Zo heeft Hij hen bevrijd. Dat is echter niet om hen nu maar hun eigen weg te laten gaan, maar opdat ze Hem als Zijn volk zullen dienen. Het volk wil de HEERE echter niet dienen. Dat zeggen ze ook. Ze kiezen ervoor om de afgoden te gaan aanhangen en de hoer te spelen.

Ze zijn niet alleen tot echtbreuk gekomen, maar tot hoererij vervallen; ze zijn zich als een hoer gaan gedragen. Het juk van het huwelijk met de HEERE hebben ze verbroken, want dat is hun te zwaar, ze zijn het als slavernij gaan zien. Zo zien ook veel mensen vandaag het huwelijk. Ze willen vrij zijn en zich verbinden met wie ze maar willen. Bij die vrijheid past niet dat ze zich aan Gods inzettingen onderwerpen. Dat weigeren ze, zoals Israël dat hier weigert.

De HEERE heeft hen geplant als een edele wijnstok (vers 2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
)
. Hij heeft er alle vertrouwen in gehad dat zij “een volkomen betrouwbare stek” zijn, dat wil zeggen een stek die rijkelijk vrucht zou voortbrengen, dus dat zij Zijn hart zouden verheugen. Die verwachting is terecht, want Hij heeft hen heel goed verzorgd (vgl. Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
.

Maar het pakt heel anders uit. Ze zijn veranderd in het tegendeel. Ze zijn wilde ranken van “een uitheemse wijnstok” geworden (vgl. Dt 32:3232Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom
en uit de velden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven,
bittere trossen hebben zij.
)
. Dat wil zeggen dat ze er nu op uit zijn om anderen plezier te bezorgen in plaats van de HEERE. Hij spreekt het uit als een verbaasde vraag, hoe dat toch mogelijk is. Hoe is dat met ons? Willen wij een vreugde zijn voor het hart van God of zijn we er ook op uit om onszelf of anderen te behagen?

Ze hebben zich zo diep verdorven, dat het onmogelijk is zelf hun ongerechtigheid ongedaan te maken (vers 2222Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
)
. Wat ze ook proberen om voor God aangenaam te zijn, het is tevergeefs. Alle mogelijke schoonmaakmiddelen die ze zouden gebruiken om hun ongerechtigheden af te wassen, bewerken geen reiniging voor Hem. Ze dienen alleen voor het zuiveren van de buitenkant, terwijl het innerlijk, waar de zonde huist, vuil blijft.

Hij zoekt waarheid in het binnenste en geen schone schijn aan de buitenkant. Alleen met de buitenkant bezig zijn neemt de “vlek” van hun “ongerechtigheid” niet van voor Zijn aangezicht weg. Slechts door berouw en bekering kan God hun zonden afwassen en vergeven, zodat Hij ze niet meer ziet (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). Als ze zich niet bekeren, zal Hij de ‘vlek van hun ongerechtigheid’ van voor Zijn aangezicht moeten wegreinigen door het oordeel.

We kunnen “loog” en “zeep” vergelijken met allerlei heropvoedingsprogramma’s en het aanleren van sociale vaardigheden om mensen te veranderen. Maar niets wat de mens bedenkt om hem tot een ‘maatschappelijk verantwoord’ gedrag te brengen, kan de mens van binnen veranderen. Alleen het bloed van Christus en het Woord van God reinigen van zonden.

Het volk blijft volhouden dat zij zich niet hebben verontreinigd (vers 2323Hoe kunt u dan zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd,
ik ben niet achter de Baäls aan gegaan?
Zie uw weg in het dal,
erken wat u gedaan hebt,
snelle, [op al] haar wegen heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel,
; vgl. Sp 30:2020Zo is de weg van een overspelige vrouw:
zij eet, wist haar mond af
en zegt: Ik heb geen onrecht bedreven.
)
. De brute, glasharde ontkenning is verbijsterend! Wat een liefde en geduld zien we bij de HEERE dat Hij nog iets te maken wil hebben met dergelijke mensen. Hij wijst hen op hun wegen, “zie uw weg in het dal”, die onloochenbaar aantonen dat ze zich zeer zeker hebben verontreinigd. Ze hebben bijvoorbeeld in het dal van Hinnom hun kinderen geofferd aan de Moloch (Jr 7:3131En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.). Hun eigen wegen veroordelen hen. Dan klinkt de oproep van de HEERE: “Erken wat u hebt gedaan.” Met erkennen begint de weg tot de zegen.

De HEERE vergelijkt hen weinig vleiend, maar heel treffend, met een rusteloos “heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel”. Ze zijn als de ongetemde, “wilde ezelin” (vers 2424een wilde ezelin, gewend aan de woestijn,
de wind opsnuivend in haar hitsigheid,
haar bronst – wie kan haar keren?
Allen die haar zoeken, hoeven zich niet af te matten,
in haar maand zullen zij haar [wel] vinden.
)
die in wilde vrijheid leeft (vgl. Gn 16:1212En hij zal zijn
een wilde ezel [van een] mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
)
. In het volgen van haar drift om te paren is ze niet tegen te houden als ze in de buurt van een ezel is. “In haar maand” houdt verband met de vruchtbare periode van deze ezelin. We kunnen hier denken aan het woord “als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde” met als gevolg de dood (Jk 1:1515Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.).

Zo zijn zij onstuitbaar in hun verlangen naar hoererij. Iemand die een hoer zoekt, hoeft daar geen moeite voor te doen, want hij vindt gemakkelijk in Gods volk wat hij zoekt (vgl. Sp 7:6-236Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
7Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
9in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.10En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.21Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
23totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
)
. Het gaat hier om de drang van het volk om zijn behoudenis en bescherming te zoeken bij de volken om hen heen en de goden van die volken. Die volken willen hen graag inlijven om dit volk te plukken. Het kan niet anders dan de dood van Gods volk tot gevolg hebben.

Het volk is snel in het plegen van hoererij, zoals een man sneller kan lopen als hij zijn schoenen uitdoet (vers 2525Verhinder uw voet barrevoets te gaan
en [verhinder] uw keel de dorst!
Maar u zegt: Daar is geen hoop op, nee,
want ik heb vreemden lief,
en ik zal achter hen aan gaan.
)
. Ze hebben zich in hun dorst naar hoererij de schoenen van de voeten gelopen. Elke poging om een rem, verhindering, te zetten op de handelwijze van het volk, elke waarschuwing, is tevergeefs. Het volk wil die weg gaan. Er is een diep verlangen naar de vreemden. Ze is volledig verslaafd aan de hoererij.


Laat Israëls afgoden hen maar verlossen

26Zoals een dief beschaamd staat als hij wordt ontdekt,
zo staat het huis van Israël beschaamd,
zij, hun koningen, hun vorsten,
hun priesters en hun profeten.
27Tegen een stuk hout zeggen ze: U bent mijn vader,
en tegen een steen: U hebt mij gebaard,
want Mij keren zij de nek toe
en niet het gezicht,
op het moment echter dat onheil hen [treft], zeggen ze:
Sta op en verlos ons.
28Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt?
Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u [treft],
want het aantal van uw goden is
[even groot als] uw steden, Juda.

De tijd zal komen dat het volk in zijn politieke en geestelijke leiders beschaamd zal staan vanwege hun handelwijze (vers 2626Zoals een dief beschaamd staat als hij wordt ontdekt,
zo staat het huis van Israël beschaamd,
zij, hun koningen, hun vorsten,
hun priesters en hun profeten.
)
. Het wordt vergeleken met een dief die betrapt wordt. Iemand die ergens inbreekt en dan betrapt wordt, schaamt zich diep. Op dezelfde wijze zal het huis van Israël beschaamd staan als ze zullen worden geconfronteerd met hun weerzinwekkende gedrag. Het is niet de schaamte om hun schaamteloze gedrag, maar omdat ze ontdekt zijn.

Ze vertrouwen op hout en steen als hun verwekkers en verzorgers (vers 2727Tegen een stuk hout zeggen ze: U bent mijn vader,
en tegen een steen: U hebt mij gebaard,
want Mij keren zij de nek toe
en niet het gezicht,
op het moment echter dat onheil hen [treft], zeggen ze:
Sta op en verlos ons.
)
. Het toekennen van leven gevende en leven onderhoudende eigenschappen aan levenloze materie gaat nog een stap verder dan de afgoderij zelf. Het laatste is een stellen van een schepsel boven de Schepper. Aan die dode afgoden nog eens hun oorsprong toeschrijven is een ongekende verachting van de HEERE. Ze keren Hem daarmee de nek toe als een symbool van de trotse hardnekkigheid waarmee ze Hem aan de kant schuiven en de afgoden dienen.

Als er echter tijden van nood komen, roepen ze tot de HEERE, of Hij maar wil opstaan en hen verlost. Maar dan zal Hij hen naar hun eigen gemaakte goden verwijzen (vers 2828Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt?
Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u [treft],
want het aantal van uw goden is
[even groot als] uw steden, Juda.
; vgl. Ri 10:1414Ga weg en roep tot de goden die u verkozen hebt. Laten die u verlossen ten tijde dat u in nood verkeert!)
. Die moeten hen maar verlossen. Daar hebben ze toch zo’n goede band mee, die zorgen toch zo goed voor hen? En het zijn er ook nog niet weinigen ook. Ze zijn door het hele land te vinden. Het land is er om zo te zeggen van vergeven. Die talloze goden moeten toch wel in staat zijn hen te helpen.


Israëls onverstand

29Waarom roept u Mij ter verantwoording?
U bent allen tegen Mij in opstand gekomen,
spreekt de HEERE.
30Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen,
zij wilden geen vermaning aanvaarden.
Uw zwaard heeft uw profeten verslonden,
als een leeuw die verderf aanricht.
31U, [van deze] generatie, let op het woord van de HEERE:
Ben Ik voor Israël een woestijn geweest
of een land van diepe duisternis?
Waarom zegt [dan] Mijn volk: Wij zijn ongebonden,
wij komen niet meer naar U toe?
32Zou een jonge vrouw haar sieraad vergeten,
een bruid haar gordels?
Toch heeft Mijn volk Mij vergeten,
dagen, niet te tellen.
33Wat weet u goed uw weg
om wellust te zoeken.
Daarom hebt u ook de slechtste [hoeren]
uw wegen geleerd.
34Ja, in de zomen [van uw kleren] is gevonden
het bloed van arme, onschuldige zielen,
[die] u niet hebt betrapt op inbraak,
ja, dat slaat alles.
35En [dan] zegt u [nog]: Voorzeker, ik ben onschuldig,
ja, Zijn toorn is van mij afgewend.
Zie, Ik ga met u een rechtszaak voeren,
omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd.
36Wat trekt u er veel op uit
[en] verandert u [telkens] uw weg?
U zult ook door Egypte beschaamd worden,
zoals u door Assyrië beschaamd bent.
37Ook vandaar zult u uitgaan
met uw handen op uw hoofd,
want de HEERE verwerpt hen op wie u vertrouwt.
Met hen zult u niet voorspoedig zijn.

Het volk keert de zaken om door God ter verantwoording te roepen (vers 2929Waarom roept u Mij ter verantwoording?
U bent allen tegen Mij in opstand gekomen,
spreekt de HEERE.
)
. Alsof Hij iets niet goed heeft gedaan! Zij zijn het immers die in opstand tegen Hem gekomen zijn. Daarom heeft Hij hen getuchtigd (vers 3030Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen,
zij wilden geen vermaning aanvaarden.
Uw zwaard heeft uw profeten verslonden,
als een leeuw die verderf aanricht.
)
. Maar het is tevergeefs. Ze hebben zelfs de profeten die Hij tot hen heeft gezonden met het zwaard gedood (Mt 23:37a37Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.; Hd 7:5252Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu de verraders en moordenaars bent geworden,). Ze zijn als een leeuw tegen hen tekeergegaan. Zo hebben ze verderf voor zichzelf aangericht. De profeten, die zo’n grote zegen van God voor het volk zijn, zijn door hen behandeld alsof ze een grote plaag zijn.

De HEERE vraagt Zijn volk nog eens goed naar Hem te luisteren (vers 3131U, [van deze] generatie, let op het woord van de HEERE:
Ben Ik voor Israël een woestijn geweest
of een land van diepe duisternis?
Waarom zegt [dan] Mijn volk: Wij zijn ongebonden,
wij komen niet meer naar U toe?
)
, want Hij heeft hun iets te zeggen wat onweerlegbaar is. Hij spreekt tot de generatie die op dat moment leeft. Hij vraagt of Hij soms een woestijn voor hen is geweest of misschien wel een land van diepe duisternis. Is er bij Hem geen verkwikking en voorziening in hun noden? Is er bij Hem geen licht op de weg die ze moeten gaan? Ze kunnen dit niet ontkennen. Maar uit de houding van het volk blijkt absoluut niet dat ze het erkennen.

Glashard zeggen ze dat ze niet meer naar Hem toe komen. Ze willen ongebonden zijn, vrij. Zich aan Hem onderwerpen is voor hen een verwerpelijke gedachte. Ze weigeren zich aan Hem te onderwerpen. Dat houdt de HEERE hun, die Hij hier “Mijn volk” noemt, voor. Hij mag zoveel anders van hen verwachten, juist omdat ze Zijn volk zijn.

In plaats van een woestijn zonder leven en een land zonder licht is Hij hun sieraad geweest en zijn zij voor Hem een jonge vrouw en een bruid geweest (vers 3232Zou een jonge vrouw haar sieraad vergeten,
een bruid haar gordels?
Toch heeft Mijn volk Mij vergeten,
dagen, niet te tellen.
)
. Ze hebben zich echter volkomen tegengesteld gedragen en zijn Hem vergeten, en dat al zo heel lang. Hij ziet die tijd niet als een bepaalde periode, maar rekent in dagen. Elke dag dat ze Hem vergeten, telt voor Hem. Hij kan de dagen niet meer tellen, zo zwaar is het voor Hem dat Zijn volk Hem dag in dag uit maar gewoon negeert. Dit gaat nog verder dan de weigering bij Hem te komen van het vorige vers. We beluisteren het grote verdriet van God Die wordt afgewezen door het volk dat Hij zo liefheeft en waarvoor Hij zoveel heeft gedaan.

Dat ze God zijn vergeten, is niet omdat ze de weg niet weten om bij Hem te komen. Het is omdat ze die weg niet willen gaan en dat is weer omdat ze een andere weg gaan, een weg van ontucht. Die weg willen ze gaan en wat weten ze die weg goed (vers 3333Wat weet u goed uw weg
om wellust te zoeken.
Daarom hebt u ook de slechtste [hoeren]
uw wegen geleerd.
)
! Ze kennen die slechte weg zo goed, dat ze die met het grootste gemak ook aan andere, in de zonde levende mensen leren.

Op het dieptepunt van hun afwijking zijn ze ook nog eens moordenaars geworden. Op hun weg van ontucht gaan ze over lijken. Aan hun handen kleeft het bloed van arme onschuldige zielen (vers 3434Ja, in de zomen [van uw kleren] is gevonden
het bloed van arme, onschuldige zielen,
[die] u niet hebt betrapt op inbraak,
ja, dat slaat alles.
)
die ze uit de weg hebben geruimd omdat die hen in de weg hebben gestaan. Er is geen enkele aanleiding, zoals bijvoorbeeld het doden van een inbreker (Ex 22:22Als een dief bij het inbreken betrapt wordt en [zó] geslagen wordt dat hij sterft, rust er geen bloedschuld op degene [die hem sloeg].). Wat zij doen, “ja, dat slaat alles”.

Wie hoereert, geeft blijk van totale afwezigheid van respect voor het leven. Hoererij en moord horen bij elkaar. David is eerst een hoereerder en wordt daarna ook een moordenaar (2Sm 11:2-5,14-172Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien.3David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?4Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis.5De vrouw werd zwanger; daarom stuurde zij [een bode] en vertelde David en zei: Ik ben zwanger.14Het gebeurde de [volgende] morgen dat David een brief aan Joab schreef. Hij stuurde [die] door de hand van Uria.15Hij schreef in die brief: Plaats Uria vooraan in de strijd, waar deze het hevigst is, trek dan van achter hem terug, zodat hij getroffen wordt en sterft.16Het gebeurde, toen Joab de stad verkend had, dat hij Uria opstelde op de plaats waarvan hij wist dat daar strijdbare mannen waren.17Toen de mannen van de stad naar buiten kwamen en met Joab streden, vielen er van het volk, van de manschappen van David. Ook Uria, de Hethiet, stierf.). Dit is ook vandaag zo. In het kielzog van een volkomen ontspoorde seksuele moraal volgen abortus en euthanasie.

De mensen tot wie Jeremia het woord richt, spelen de vermoorde onschuld. Ze doen alsof ze niets verkeerd hebben gedaan (vers 3535En [dan] zegt u [nog]: Voorzeker, ik ben onschuldig,
ja, Zijn toorn is van mij afgewend.
Zie, Ik ga met u een rechtszaak voeren,
omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd.
)
. Ze menen dat de HEERE geen enkele aanleiding heeft om toornig op hen te worden. Ook vandaag wordt in de christenheid de zonde goedgepraat. Er is geen enkel besef meer van wat recht is voor God. Gods Woord wordt zozeer verdraaid, dat de meest afschuwelijke zonden kunnen worden begaan met een beroep op Gods Woord. Maar de HEERE kan en zal dit niet over Zijn kant laten gaan. Hij zal een rechtszaak met hen voeren en hen van hun schuld overtuigen, juist omdat zij zeggen dat ze onschuldig zijn. Deze zelfrechtvaardiging is gruwelijk in Gods ogen.

Telkens trekken ze erop uit om ergens anders hun heil te zoeken (vers 3636Wat trekt u er veel op uit
[en] verandert u [telkens] uw weg?
U zult ook door Egypte beschaamd worden,
zoals u door Assyrië beschaamd bent.
)
. Eerst is het Assyrië (2Kn 15:1919[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.), nu is het weer Egypte. Maar ze zullen met Egypte net zo beschaamd uitkomen als eerder met Assyrië (2Kr 28:2020Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, kwam naar hem toe, dreef hem in het nauw, en steunde hem niet.). Dit heen en weer trekken, dit telkens veranderen van hun weg, het steeds weer kiezen van een nieuwe tactiek om zich los van de HEERE in te dekken tegen kwaad of om voordelen zeker te stellen, is nutteloos. Ze zullen als gevangenen worden weggevoerd en geen voorspoed hebben, want de HEERE verbreekt alles waarop zij steunen (vers 3737Ook vandaar zult u uitgaan
met uw handen op uw hoofd,
want de HEERE verwerpt hen op wie u vertrouwt.
Met hen zult u niet voorspoedig zijn.
)
. Met hun handen op het hoofd, wat betekent in grote schande, zullen ze uitgaan (vgl. 2Sm 13:1919Toen deed Tamar as op haar hoofd, scheurde het veelkleurige gewaad dat zij aanhad, legde haar hand op haar hoofd en liep al schreeuwend weg.).


Lees verder