Jeremia
1-4 Israëls onuitwisbare zonde 5-8 De weg van vloek en zegen 9-13 De arglistigheid van het menselijk hart 14-18 Jeremia's pleidooi voor rechtvaardiging 19-27 Het houden van de sabbat
Israëls onuitwisbare zonde

1De zonde van Juda is opgeschreven
met een stift van ijzer,
met een punt van diamant
ingegrift op de [schrijf]tafel van hun hart
en op de hoorns van uw altaren.
2Zoals zij aan hun kinderen denken,
[denken zij] aan hun altaren en hun gewijde palen,
bij bladerrijke bomen, op de hoge heuvels.
3Mijn berg in het veld,
uw vermogen, al uw schatten,
zal Ik als buit geven –
uw hoogten vanwege de zonde
in heel uw gebied.
4Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,
met rust moeten laten,
want Ik zal u uw vijanden doen dienen
in een land dat u niet kent.
U hebt immers in Mijn toorn een vuur aangestoken,
dat tot in eeuwigheid zal branden.

Jeremia gebruikt krachtige taal om het volk hun ongerechtigheid voor te houden (vers 11De zonde van Juda is opgeschreven
met een stift van ijzer,
met een punt van diamant
ingegrift op de [schrijf]tafel van hun hart
en op de hoorns van uw altaren.
)
. “De zonde van Juda” staat in het enkelvoud. Het is de zonde van de afgoderij. Al die afgoden en alle eerbetoon daaraan zijn samengevat in deze enkelvoudige aanduiding. Dat ‘de zonde van Juda’ is ingegrift in hun hart, betekent dat ze de zonde liefhebben en dat die volkomen geïntegreerd is in hun leven, er geheel mee verweven is. De zonde is meer dan een verkeerd handelen, het is de gesteldheid van het hart.

Wat is ingegrift, staat onuitwisbaar geschreven (Jb 19:2424Werden ze maar met een ijzeren griffel en lood
voor eeuwig in een rots uitgehakt!
)
, in dit geval als een altijddurende aanklacht, een monument van de zonde. Het is ingegrift als het opschrift op een grafsteen. Het is gebeurd met een stift van ijzer met daaraan een punt van diamant. Met een diamanten punt kan de hardste steen worden bewerkt. Hun zonde is opgeschreven in hun hart, waar de wet geschreven zou moeten zijn (Jr 31:3333Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.; vgl. Hb 8:1010Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.; 2Ko 3:33u, van wie blijkt dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar met [de] Geest van [de] levende God, niet op stenen tafelen, maar op vlezen tafelen van de harten.; Sp 3:33Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten.
Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart,
; 7:33Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
)
.

Hun zonde is ook opgeschreven op de horens van hun altaren. Dit zijn hun afgodsaltaren. Een horen spreekt van kracht en wil hier zeggen dat ze krachtig zijn in het doen van de zonde. Deze altaren hebben niets te doen met het brandofferaltaar in de tempel, waar het bloed van verzoening op wordt aangebracht (Lv 4:7,187En de priester moet [een deel] van het bloed strijken op de horens van het altaar voor het geurige reukwerk, dat in de tent van ontmoeting staat voor het aangezicht van de HEERE. En hij moet al het [overige] bloed van de jonge stier uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.18[Een deel] van het bloed moet hij dan op de horens van het altaar strijken dat voor het aangezicht van de HEERE is, in de tent van ontmoeting. En al het [overige] bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.). De HEERE ziet niet het bloed dat spreekt van het offer van Zijn geliefde Zoon, maar Hij ziet de zonde van het schuldige Israël gegraveerd op hun hart en op de horens van hun afgodsaltaren. Het oordeel van God over hun zonde is daarom net zo onvermijdelijk en onontkoombaar als de zonde onuitwisbaar is.

Het volk van Juda denkt net zo vaak en met net zoveel liefde aan hun afgoden als aan hun kinderen (vers 22Zoals zij aan hun kinderen denken,
[denken zij] aan hun altaren en hun gewijde palen,
bij bladerrijke bomen, op de hoge heuvels.
)
. Kinderen en altaren zijn de voorwerpen van hun liefde en zij verbinden die met elkaar. Ze trainen hun kinderen in het plegen van afgoderij en brengen hen “bij de bladerrijke bomen, op de hoge heuvels”, die hier worden genoemd als de gebruikelijke plaatsen van afgoderij (Ez 6:1313Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dicht[bebladerde] eik, [op] de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid.).

Veel christelijke ouders zijn erop uit om hun kinderen veel over grote namen in de wereld te vertellen, over sporthelden of denkers die in de wereld geëerd worden, terwijl ze hun niets leren over grote namen uit de Schrift. Ze koesteren zich in de kennis van die indrukwekkende namen als het zitten in de schaduw van een bladerrijke boom. Ook vereren ze die namen door ze te roemen, wat is als het plaatsnemen op een hoge heuvel.

“Mijn berg in het veld” (vers 33Mijn berg in het veld,
uw vermogen, al uw schatten,
zal Ik als buit geven –
uw hoogten vanwege de zonde
in heel uw gebied.
)
stelt Sion of Jeruzalem of de tempel (Mi 3:1212Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
voor. Het is een beeld van Israël in de wereld als het volk dat van God is afgedwaald. Daarom zal Hij Zijn volk prijsgeven en het in ballingschap voeren waar ze hun vijanden zullen dienen. De afgodendienaars denken dat Jeruzalem of de tempel van hen is, maar de HEERE geeft Zijn eigendomsrecht nooit prijs. Juist omdat het Zijn eigendom is en zij het misbruikt hebben, geeft Hij het als buit aan de vijand die Hij op hen afstuurt. Die zal ook al hun vermogen en schatten, waarvoor zij hun afgoden vereren alsof ze die van hen hebben gekregen, als buit meenemen.

Het volk zal gedwongen worden om het land, dat ze als erfelijk bezit hebben gekregen, maar dat ze zozeer met hun afgoderij hebben verontreinigd, met rust te laten (vers 44Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,
met rust moeten laten,
want Ik zal u uw vijanden doen dienen
in een land dat u niet kent.
U hebt immers in Mijn toorn een vuur aangestoken,
dat tot in eeuwigheid zal branden.
)
. Dit spreekt van de rust van de sabbatsjaren die het volk het land niet heeft gegeven, tegen het bevel van de HEERE in (Ex 23:10-1110U mag zes jaar uw land bezaaien, en de opbrengst ervan verzamelen,11maar [in] het zevende [jaar] moet u het met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard [en] met uw olijfbomen.; Lv 25:4-54Maar in het zevende jaar moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE. Uw akker mag u niet bezaaien en uw wijngaard mag u niet snoeien.5Wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, mag u niet oogsten, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken. Het is een jaar van volkomen rust voor het land.). Dat zal gebeuren als de HEERE vijanden over hen brengt die hen zullen onderwerpen, hen uit hun land zullen verwijderen en die ze zullen moeten dienen.

Het land dat ze niet kennen, is Babel. Dat ze daar zullen zijn, hebben ze aan zichzelf te wijten. Ze hebben de HEERE tot het uiterste getergd met hun afgoderij. Nu is Zijn toorn in alle hevigheid ontstoken, zonder dat die kan worden uitgeblust. Zijn toorn is door hen ontstoken, omdat zij in de zonde blijven volharden. Zijn toorn zal tot in eeuwigheid branden, zoals het vuur in de hel. Gods toorn over de zonde is altijd tot in eeuwigheid. Er komt alleen een einde aan Zijn toorn als de zonde wordt beleden en in het geloof de hand wordt gelegd op het verzoenend werk van Christus.


De weg van vloek en zegen

5Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
6Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft [op] de droogste plekken in de woestijn,
[in] zilt en onbewoond land.
7Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
8Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.

In deze verzen vergelijkt Jeremia de weg van de goddeloze met de weg van de Godvrezende. Hij stelt de vloek en de zegen – en daarmee de dood en het leven – tegenover elkaar. Juda heeft zich tot de valse goden gewend en bij buitenlandse machten bescherming gezocht (vers 55Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
)
. Het gaat hier om het vertrouwen stellen op bondgenootschappen met Assyrië, Babel en Egypte (Js 31:1-31Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
2Echter, ook Hij is wijs, Hij doet het kwaad komen
en neemt Zijn woorden niet terug.
Hij zal opstaan tegen het huis van de kwaaddoeners
en tegen de hulp van hen die onrecht bedrijven,
3want de Egyptenaren zijn mensen en geen God,
en hun paarden zijn vlees en geen geest.
De HEERE zal Zijn hand uitstrekken,
zodat de helper zal struikelen,
en wie geholpen wordt, zal neervallen,
tezamen zullen zij allen omkomen.
)
, al naar gelang de situatie dat vraagt. Juda is “de man die vertrouwt op een mens”, dat is de zwakke, vergankelijke, sterfelijke mens (Js 40:66Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
)
. Hij is ook iemand die “een schepsel tot zijn arm stelt”, dat wil zeggen zijn kracht zoekt bij het maaksel en niet bij de Maker (vgl. Ps 56:55In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een schepsel mij kunnen doen?
)
. Dat gebeurt omdat hun hart van de HEERE is afgeweken. Hun hart is niet op Hem gericht.

Als ons hart niet op de Heer is gericht, zullen ook wij in de valstrik van ‘menselijke verwachtingen’ terechtkomen. Dat gebeurt als we bij problemen ons vertrouwen stellen op mensen en niet op de Heer. Dat kan zijn bijvoorbeeld bij ziekte, financiële zorgen, huwelijksproblemen, vormen van verslaving, werkeloosheid. Jeremia noemt deze valstrik een vloek en een afwijken van de HEERE. Het slechte kenmerk van de valstrik van de menselijke verwachtingen is, dat het God buiten ons denken sluit.

Wie zijn verwachting op mensen vestigt en niet op de Heer, zal blind zijn voor het goede dat er aankomt (vers 66Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft [op] de droogste plekken in de woestijn,
[in] zilt en onbewoond land.
)
. Er gaat niets van hem uit en er is niets wat hem tot bloei brengt. Zijn toestand is dor en hopeloos. Omdat het hart arglistig is (vers 99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
)
, kiest de mens ervoor als een kale struik op de droogste plekken te verkeren in de mening dat het daar goed toeven is. Maar het is onmogelijk om los van de bron van levend water vrucht voort te brengen en het goede te zien. Door het bedrieglijke hart worden de fata morgana’s van de wereld voor werkelijkheid gehouden.

De man die zijn vertrouwen op de HEERE stelt (vers 7a7Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
)
, ja, wat meer is, van wie de HEERE Zelf zijn vertrouwen is (vers 7b7Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
)
, bevindt zich in een totaal andere toestand. Hij is bij de Bron en krijgt daaruit zijn kracht om te groeien (vers 88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
. Hij is ook blind voor de toekomst, maar dan voor het kwaad, want dat deert hem niet. Hij blijft frisheid uitstralen en vrucht dragen, zelfs al komt er een periode van droogte, want de wortels zijn nog steeds in verbinding met de Bron.

Er is in het woordgebruik in de verzen 6,86Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft [op] de droogste plekken in de woestijn,
[in] zilt en onbewoond land.
8Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
een opmerkelijke overeenkomst die tegelijk een scherpe tegenstelling vormt. De uitdrukkingen “het niet ziet” (vers 66Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft [op] de droogste plekken in de woestijn,
[in] zilt en onbewoond land.
)
en “merkt het niet” (vers 88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
)
zijn hetzelfde woord. In het verband waarin deze woorden worden gebruikt, zien we dat wie van de HEERE afwijkt, ongevoelig is voor het goede en dat wie op de HEERE vertrouwt, ongevoelig is voor hitte en droogte omdat hij zijn wortels bij de waterloop laat uitlopen.


De arglistigheid van het menselijk hart

9Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
11Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige [wijze],
is [als] een patrijs [die eieren] uitbroedt, maar [ze] niet heeft gelegd.
Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,
in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.
12Een eretroon, een hoge [plaats] vanaf het begin,
is de plaats van ons heiligdom.
13HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.

Als de weg van zegen en de weg van vloek in de verzen hiervoor zo duidelijk voorgesteld zijn, waarom kiest een mens dan toch voor de weg van de zonde? De reden daarvan ligt in zijn hart. De bron van alle moeilijkheden die een mens over zich afroept, is zijn hart (vers 99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
; Mt 15:1919Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.)
. Vandaar dat we worden opgeroepen ons hart te beschermen “boven alles wat te behoeden is, want daaruit zijn de uitingen van het leven” (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. Het hart wil zeggen de totale innerlijke mens, inclusief zijn denken. Vanuit het hart komen de wil en de handelingen voort. Het hart is ook ongeneeslijk in zijn arglist. Niemand kan zijn eigen hart ten volle doorgronden (vgl. Ps 64:77Zij zijn op zoek naar allerlei onrecht,
uiterst grondig zijn zij overal naar op zoek,
zelfs [naar] iemands binnenste en het diepe hart.
)
.

De vraag van vers 99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
wordt in vers 1010Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
beantwoord. De mens kent zijn eigen hart niet, maar de HEERE kent en doorgrondt het volkomen (Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.; Ps 7:10b10Laat er toch een einde komen aan de slechtheid van de goddelozen,
maar doe de rechtvaardige standhouden,
o rechtvaardige God, Die harten en nieren beproeft.
; 139:2-62Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
5U sluit mij in van achter en van voren,
U legt Uw hand op mij.
6Dit kennen – het is mij te wonderlijk,
te hoog, ik kan er niet bij.
; Jh 2:2525en omdat Hij niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was.)
. Met die kennis kan Hij ook een volkomen oordeel vellen in overeenstemming met de vrucht van zijn daden, die uit de overleggingen van zijn hart voortkomen. Aan de vrucht van zijn daden wordt de boom, de mens, gekend (Mt 12:33-3533Of stel: de boom is goed, en [dan ook] zijn vrucht goed; of stel: de boom is bedorven, en [dan ook] zijn vrucht bedorven. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.34Adderengebroed, hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u boos bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.35De goede mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en de boze mens brengt uit zijn boze schat boze dingen voort.). Voor de gelovige is dit een bemoediging en voor de ongelovige een bedreiging.

Het voorbeeld van de patrijs die eieren uitbroedt die ze niet heeft gelegd, laat zien dat de jongen met wie ze wil pronken niet die van haar zijn (vers 1111Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige [wijze],
is [als] een patrijs [die eieren] uitbroedt, maar [ze] niet heeft gelegd.
Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,
in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.
)
. Zo is het met rijkdom die niet eerlijk is verkregen. Deze huichelarij komt voort uit het arglistige hart. Het moment komt dat dit duidelijk wordt en dan zal hij alles verliezen en zelf als dwaas bekend worden (vgl. Lk 12:2020God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?; 1Sm 25:2525Laat mijn heer toch geen aandacht schenken aan deze verdorven man, aan Nabal, want zoals zijn naam is, zo is hij: Nabal is zijn naam en dwaasheid is in hem. Maar ik, uw dienares, heb de knechten van mijn heer, die u gezonden hebt, niet gezien.; Sp 23:55Laat u uw ogen erover vliegen, dan is het er niet [meer],
want het vliegt direct weg, als een arend die naar de hemel vliegt.
)
.

Tegenover alle schijn en onzekerheid van het voorgaande vers staat er een zekerheid voor de gelovige en dat is de troon van God in de hoge (vers 1212Een eretroon, een hoge [plaats] vanaf het begin,
is de plaats van ons heiligdom.
)
. Tegenover de rijkdom die zomaar verloren gaat, staat de eeuwige troon van God. Dat is de plaats van het heiligdom van de gelovige. Daarom moeten we de dingen zoeken die boven zijn (Ko 3:11Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.).

Daar is de “Hoop van Israël” (vers 1313HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.
)
. Wie zich afkeren van Jeremia, die Gods Woord spreekt en oproept tot bekering, hebben alleen de vastigheid van de aarde en dat is geen vastigheid. Wie in de aarde geschreven staan, zullen spoedig uitgewist en vergeten worden, zoals wind en regen doen met wat in het stof van de aarde geschreven staat. Het tekent op duidelijke wijze de vergankelijkheid van de mens. Alleen de HEERE, de bron van levend water (Jr 2:1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
, geeft veiligheid en zekerheid. Wie Hem verlaat, gaat verloren. ‘In de aarde geschreven staan’ staat tegenover ‘geschreven staan in het boek van het leven’ (Ex 32:3232Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.; Lk 10:2020Evenwel, verblijdt u niet hierover dat de geesten u onderdanig zijn, maar verblijdt u dat uw namen staan ingeschreven in de hemelen.; Op 20:1212En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.; 21:2727En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.).


Jeremia's pleidooi voor rechtvaardiging

14Genees mij, HEERE, en ik zal genezen worden,
verlos mij, en ik zal verlost worden,
want U bent mijn lofzang.
15Zie, zij zeggen tegen mij:
 Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!
16Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U [betaamde],
naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.
U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,
het was voor Uw aangezicht.
17Wees mij niet tot een verschrikking,
U bent mijn toevlucht op een dag van onheil.
18Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.
Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.
Breng over hen een dag van onheil,
breek ze met een dubbele verbreking.

Jeremia weet waar genezing te vinden is: bij de HEERE (vers 1414Genees mij, HEERE, en ik zal genezen worden,
verlos mij, en ik zal verlost worden,
want U bent mijn lofzang.
)
. Hij weet ook waar verlossing te vinden is: eveneens bij de HEERE. Het gaat om ondersteuning en bescherming. Hij wil genezen worden van zijn twijfels en moedeloosheid en de neiging zijn dienst op te geven. Hij is verwond in zijn geest door de voortdurende tegenstand en de verwerping van zijn prediking. De verlossing waar hij om vraagt heeft te maken met gered worden uit de macht van vijanden en hun plannen om hem om te brengen en bewaard te worden voor Gods koninkrijk. Uit dit gebed spreekt zijn vertrouwen in de HEERE, want hij weet dat alleen de HEERE kan doen wat hij vraagt (vgl. 2Tm 4:1818De Heer zal mij redden van elk boos werk en behouden voor Zijn hemels koninkrijk. Hem zij [de] heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.).

Hij baseert zijn gebed op het feit dat de HEERE zijn lofzang is. Zijn ziekte en ellende lijken te worden veroorzaakt door de bespottingen van het volk dat Gods Woord, dat hij nu al tweeëntwintig jaar predikt, toch niet uitkomt (vers 1515Zie, zij zeggen tegen mij:
 Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!
; vgl. Js 5:1919die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.
; Am 6:33[U,] die de onheilsdag ver van u afhoudt,
maar de zetel van het geweld naderbij brengt;
)
. Dat kan gaan knagen, want spotters weten niet van ophouden. En het zal nog achttien jaar zo doorgaan. De valse profeten hebben tot nu nog steeds gelijk gehad en de spotters ook. Die spotters is de mond niet gestopt hoewel het woord van Jeremia toch is uitgekomen. Spotters weten niet van ophouden en zijn ook niet te overtuigen door de duidelijkste bewijzen van de waarheid van Gods Woord. Spotters zullen er altijd zijn, ze zijn er ook vandaag (2Pt 3:3-43Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.).

Jeremia doet een beroep op zijn oprechtheid, dat hij toch niet anders heeft gedaan dan de HEERE tegen hem heeft gezegd en in overeenstemming met Zijn hart (vers 1616Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U [betaamde],
naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.
U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,
het was voor Uw aangezicht.
)
. Hij is de herder geweest die de HEERE heeft gewild dat hij zou zijn en is daarvoor achter Hem aangegaan. Dat betekent dat een herder de weg niet zelf hoeft te zoeken, maar er genoeg aan heeft de grote Herder van de schapen te volgen. We zien dan het mooie beeld van de grote Herder met daarachter de volgende herders met daar weer achter de schapen.

De liefde voor zijn volk is steeds zijn motief geweest bij zijn prediking over het aanstaande oordeel. Er is geen enkele vreugde geweest bij het aankondigen van die onheilsdag. Alles wat hij heeft gesproken, heeft hij gesproken in het bewustzijn van Gods aanwezigheid. Wat over zijn lippen is gekomen, is uit de tegenwoordigheid van God gekomen en is dan ook helemaal overeengekomen met wat hij van de HEERE heeft gehoord. We zien dat ook bij Paulus (2Ko 2:1717Want wij zijn niet als de velen die het Woord van God vervalsen; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, spreken wij voor Gods aangezicht in Christus.).

Alles mag een verschrikking voor Jeremia zijn en iedereen mag tegen hem zijn, als de HEERE het maar niet is (vers 1717Wees mij niet tot een verschrikking,
U bent mijn toevlucht op een dag van onheil.
; vgl. Jb 6:44Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
)
. Het zou een verschrikking voor hem zijn als de HEERE hem zou verlaten of Zich voor hem zou verbergen. Dat zou onverdraaglijk zijn. De HEERE is immers zijn toevlucht op een dag van onheil.

Hij vraagt dat zijn vervolgers zal overkomen wat hij niet voor zichzelf wenst: beschaming en ontsteltenis (vers 1818Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.
Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.
Breng over hen een dag van onheil,
breek ze met een dubbele verbreking.
)
. Zijn vervolgers houden geen rekening met de HEERE, hij wel. Daarom vraagt hij om Gods ingrijpen, dat Hij hen oordeelt. Dat past bij de tijd waarin Jeremia leeft. De dubbele verbreking waar Jeremia om vraagt, betekent zoveel als vragen of de HEERE de vijanden met wortel en tak uitroeit en dat het vooruitzicht daarvan hen nu al in verwarring brengt en krachteloos maakt.


Het houden van de sabbat

19Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de Volkspoort staan, waardoor de koningen van Juda binnenkomen en waardoor zij naar buiten gaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem, 20en zeg tegen hen: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomen. 21Zo zegt de HEERE: Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en [die] door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen. 22Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw vaderen geboden heb. 23Zij hebben echter niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden. 24Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen [en] daarop geen enkel werk te doen, 25dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven. 26Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen [in] het huis van de HEERE. 27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.

De HEERE luistert naar onze klachten, maar wil ook dat wij voor Hem blijven werken. Daarvoor geeft Hij ook de nodige kracht. Jeremia krijgt als antwoord op zijn klachten een nieuwe opdracht waarin het sabbatgebod centraal staat. Hij moet naar de Volkspoort gaan – waardoor de koningen binnenkomen en naar buiten gaan – en ook naar de andere poorten (vers 1919Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de Volkspoort staan, waardoor de koningen van Juda binnenkomen en waardoor zij naar buiten gaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem,). Jeremia heeft onder vijf koningen geprofeteerd en mogelijk geeft hij elke keer als er een andere koning komt, zijn boodschap daar door.

Het kan op het eerste gezicht lijken dat de verzen van dit gedeelte een heel ander onderwerp hebben dan wat ons hiervoor heeft beziggehouden. Maar dat is niet zo. Het houden van de sabbat, het vierde gebod van de tien geboden van de wet, heeft een speciale betekenis. Het houden van de sabbat betekent de wekelijkse erkenning van de HEERE als Schepper en Verlosser en is daarmee een getuigenis tegen de afgoden. Het garandeert Gods volk rust, die de afgoden niet kunnen geven. Het is ook een van de bijzondere kenmerken van de godsdienst van Israël, omdat het de speciale verbondsrelatie toont die er is tussen de HEERE en hen.

De houding van het volk ten opzichte van de sabbat weerspiegelt de houding van het volk ten opzichte van de HEERE. Als voor hen het houden van de sabbat een vreugde is, is dat het bewijs dat hun harten trouw aan de HEERE zijn. Als ze op die dag doen waar ze zelf zin in hebben, maakt dat hun verlaten van de HEERE duidelijk. De sabbat is de grote toetssteen die God het volk voorhoudt, waardoor ze kunnen laten zien dat ze gehoorzaam aan Zijn Woord zijn (Ex 20:8-118Gedenk de sabbatdag, dat [u] die heiligt.9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,10maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, [noch] uw slaaf, noch uw slavin, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.11Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.; 31:1313U dan, spreek tot de Israëlieten en zeg: U moet zeker Mijn sabbatten in acht nemen, want dat is een teken tussen Mij en u, [al] uw generaties door, zodat men weet dat Ik de HEERE ben, Die u heiligt.; Ez 20:1212Ook heb Ik hun Mijn sabbatten gegeven, om een teken te zijn tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben Die hen heiligt.).

Het woord dat Jeremia moet prediken, is niet alleen voor de koningen, maar ook voor het hele volk (vers 2020en zeg tegen hen: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomen.). Hij moet tegen allen zeggen: “Hoor het woord van de HEERE.” In dit woord wordt het volk gewaarschuwd met betrekking tot hun gedrag op de sabbat, want daarmee is hun leven gemoeid (vers 2121Zo zegt de HEERE: Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en [die] door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen.). Hun wordt voorgehouden dat ze op de sabbat geen last zullen dragen om die in Jeruzalem te brengen. Ze mogen ook geen last uit hun huis halen. Ze mogen zelfs geen enkel werk doen (vers 2222Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw vaderen geboden heb.). De constante druk van het materialisme op hun leven maakt het houden van dit gebod tot een echte test.

Als men ondanks de verboden toch handelt of werkt, kan dat niet anders dan alleen gebeuren uit eigen belang, uit hebzucht. Het is om handel te drijven en winst te maken (Ne 13:1919Het gebeurde, toen de poorten van Jeruzalem hun schaduwen afwierpen, vóór de sabbat, dat ik zei dat de deuren gesloten moesten worden, en ik zei dat zij ze niet mochten openen tot na de sabbat. Ik plaatste [een aantal] van mijn knechten bij de poorten, [zodat er] geen last zou binnenkomen op de sabbatdag.; Am 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.). De HEERE heeft al aan hun vaderen het gebod gegeven om de sabbatdag te heiligen (Dt 5:12-1512Neem de sabbatdag in acht om die te heiligen, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft.13Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,14maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw slaaf, noch uw slavin, noch uw rund, noch uw ezel, noch enig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uw poorten is, opdat uw slaaf en uw slavin rusten zoals u.15Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.). Hij wil al vanaf de vroegste tijd van hun volksbestaan dat die dag apart gezet wordt van alle andere dagen als een dag om niet zichzelf, maar Hem te dienen. Het gaat hier niet om het uiterlijk houden van het gebod, maar om het zichtbaar maken van een innerlijke gezindheid tegenover de HEERE.

Het is helaas duidelijk hoe ze tegenover de HEERE staan. In vers 2323Zij hebben echter niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden. laat de HEERE horen hoe afkerig ze zich hebben gedragen:
1. “Zij hebben echter niet geluisterd
2. en hun oor niet geneigd,
3. maar zij waren halsstarrig
4. door niet te luisteren
5. en geen vermaning te aanvaarden.”

Bij deze constatering blijft het niet. De HEERE voegt er in Zijn grote genade de uitnodiging tot bekering aan toe (vers 2424Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen [en] daarop geen enkel werk te doen,). Het volk krijgt weer een kans om het oordeel, de vloek, af te wenden, wat zal gebeuren als ze “daadwerkelijk” naar Hem luisteren. Het woord ‘daadwerkelijk’ laat zien dat de HEERE niet op lippentaal zit te wachten, op mooie woorden alleen. Hij zoekt naar waarheid in het binnenste gevolgd door daden. In dit geval kan het volk laten zien dat ze naar Hem luisteren en doen wat Hij met betrekking tot de sabbat heeft gezegd.

De zegen die op gehoorzaamheid aan het sabbatgebod volgt, wordt breed uitgemeten (vers 2525dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven.). De troon van David zal niet leeg zijn. Er zal altijd iemand uit het geslacht van David regeren. En “deze stad [Jeruzalem] zal voor eeuwig bewoond blijven”, wat betekent dat hij niet ontvolkt zal worden. In plaats van ontvolkt te worden zullen van alle kanten mensen naar de stad stromen (vers 2626Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen [in] het huis van de HEERE.). Al deze mensen zullen daar hun diverse offers in “het huis van de HEERE” brengen. Dat is Gods bedoeling als Hij een stad bevolkt. Dat is ook Gods bedoeling met het samenkomen van de plaatselijke gemeente. Hij wil dat daar, op de plaats waar de Heer Jezus nu woont, offers van lof en dank worden gebracht, geestelijke offers.

Op deze belofte van zegen bij gehoorzaamheid volgt de duistere keerzijde (vers 2727Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.). Als ze de sabbat niet heiligen, maar die voor zichzelf gebruiken, zal de HEERE het vuur van het oordeel in de poorten van Jeruzalem aansteken. Op de plaats waar de overtreding het meest zichtbaar plaatsvindt en waar Gods Woord daartegen krachtig heeft geklonken, zal het woord van waarschuwing in vervulling gaan. Dat vuur zal hun prachtige woningen in de as leggen, zonder enige kans om het vuur te blussen. Dit is ook daadwerkelijk gebeurd door de legers van Babel (Jr 52:12-1312Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.).


Lees verder